Re-integratieverordening ParticipatiewetDe raad van de gemeente Woensdrecht, in vergadering bijeen op 14 september 2017; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 augustus 2017; gelet op artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 8a, lid 1, sub d en e, juncto artikel 10a, lid 6, en artikel 10b, lid 5 en lid 7, van de Participatiewet; overwegende dat vanwege wetswijzigingen de verordening aanpassing behoeft; BESLUIT: de Verordening tot 2e wijziging van de Re-integratieverordening Participatiewet vast te stellen. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begrippen 1Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2In deze verordening wordt verstaan onder: a. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woensdrecht; b. wet: de Participatiewet; c. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; d. IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; e. proefplaatsing: werken met behoud van uitkering gedurende een periode van maximaal 3 maanden met de intentie en afspraak van een concrete baan in het vooruitzicht; f. werkstage: werken met behoud van uitkering gedurende een periode van maximaal 6 maanden met als doel om werk ritme en werkervaring op te doen; g. activeringsplaats: werken met behoud van uitkering door personen met een (zeer) grote afstand tot de arbeidsmarkt die wel het perspectief hebben dat zij met langere begeleiding weer inzetbaar zijn in reguliere arbeid; h. detachering: werken in een betaalde baan bij een reguliere werkgever via een (sociaal) detacheringsbureau van de overheid of via een derde; i. werkplekaanpassing: een voorziening die ingezet kan worden op de werkplek ten behoeve van een werknemer met arbeidsbeperkingen, waardoor de werknemer in staat is zijn werkzaamheden naar behoren uit te voeren; j. jobcoaching: het geheel aan ondersteunende activiteiten dat nodig is om arbeidsparticipatie van mensen met een beperking op een specifieke werkplek optimaal en duurzaam te maken, waarbij het gaat om activiteiten die overstijgend zijn aan het gebruikelijke inwerktraject van de werkgever en die na het inwerken (nog) nodig zijn om de opgedragen taken te kunnen blijven uitvoeren. Hoofdstuk2Beleid en financiën Artikel2Evenwichtige verdeling Het college bevordert dat met betrekking tot het aanbieden van ondersteuning, er sprake is van een gelijke aandacht voor de in artikel 7, lid 1, sub a, van de wet genoemde groepen alsmede voor een evenwichtige verdeling binnen de te onderscheiden doelgroepen. Artikel2aDerogatie Op subsidies die op grond van deze verordening worden verstrekt, zijn de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Woensdrecht 2013 niet van toepassing. Artikel3Subsidie- of budgetplafonds 1Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. 2Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. 3Overschrijding van het plafond als bedoeld in lid 1 en lid 2 vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 4Dit artikel is niet van toepassing op loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 18 van deze verordening. Hoofdstuk3Voorzieningen Artikel4Bijzondere bepalingen 1Het college kan in aanvulling op de verplichtingen die un de wet en deze verordening voortvloeien, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden. 2Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan een voorziening deelneemt, zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 9 en artikel 17 van de wet, artikel 13 en artikel 37 van de IOAW of artikel 13 en artikel 37 van de IOAW niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt, algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een van de voorzieningen als in deze verordening genoemd, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, 2°, van de wet; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het College niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet naar behoren gebruik maakt van de aangebodien voorziening; g. de persoon die aan de voorziening deelneemt, niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op: a. de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; b. de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen; c. de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling; d. de terugvordering van te veel betaalde loonkostensubsidies; e. de aanvraag van en de besluttvorming over subsidies; f. de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten; g. het vragen van een eigen bijdrage; h. overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies. Artikel5Individuele omstandigheden Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Artikel6Niet-uitkeringsgerechtigden 1Bij de re-integratie van niet uitkeringsgerechtigden gelden de volgende eisen: a. de aanvrager dient zich voor minimaal 20 uur per week beschikbaar te stellen voor algemeen geaccepteerde arbeid; b. de noodzaak voor ondersteuning dient aanwezig te zijn en wordt door het college vastgesteld; c. de ondersteuning dient te allen tijde gericht te zijn op uitstroom; d. de aanvrager is verplicht ingeschreven te staan als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf. 2De voorzieningen als vermeld in de artikelen 11, 12 en 16 van deze verordening worden niet ingezet voor niet-uitkeringsgerechtigden. 3In afwijking van het bepaalde in lid 2 kan het college besluiten de voorziening als vermeld in artikel 11 in te zetten voor de niet-uitkeringsgerechtigde jonger dan 27 jaar afkomstig uit: a. het praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs; b. het voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra; of c. de entreeopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2., onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, en die niet in staat wordt geacht uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te kunnen volgen. 4Geen recht op ondersteuning bestaat voor de niet-uitkeringsgerechtigde, indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar de mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van de aanvrager. Hoofdstuk4Vorm van ondersteuning Artikel7Proefplaatsing 1Het college kan aan personen behorend tot de doelgroep een proefplaatsing aanbieden indien de werkgever bij wie deze proefplaatsing wordt gerealiseerd, aansluitend een dienstverband in het vooruitzicht stelt. 2De proefplaatsing is bedoeld om de werknemer de vaardigheden te leren die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de werkzaamheden in het aansluitende dienstverband. 3Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de uitvoering van de proefplaatsing. Artikel8Werkstage 1Het college kan een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als: a. de persoon behoort tot de doelgroep; en b. de persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of ruime afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 3Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze waarop de werkstage wordt uitgevoerd en de voorwaarden die hieraan worden vertbonden. Artikel9Sociale activering 1Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering, onder andere in de vonm van een activeringsplaats, voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik meer wordt gemaakt van een voorziening. 2Het college stemt de duur van de in het vorige lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze waarop sociale activering wordt uitgevoerd en de voorwaarden die hieraan verbonden worden. Artikel10Scholing 1Het college kan aan de persoon die behoort tot de doelgroep scholing of opleiding aanbieden die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. 2Het vorige lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, lid 3, onderdeel a, van de wet. 3Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze waarop het scholingsinstrument wordt toegepast en de voorwaarden die hieraan verbonden worden. Artikel11Detachering 1Het college kan aan de persoon die behoort tot de doelgroep een dienstverband aanbieden in de vonm van een detacheringsbaan, waarbij betrokkene voor het verrichten van de werkzaamheden wordt geplaatst bij een derde. 2Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de wijze van uitvoering van deze detacheringsbaan. Artikel12Participatieplaats 1Het college kan een persoon van 27 jaar en ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet on beloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3De premie als bedoeld in artikel 10a, lid 6, van de wet bedraagt telkens € 300,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.