:
Burgemeester en wethouders van de gemeente <naam invullen> (het college) maken gebruik van de bevoegdheid tot: het opschorten van het recht op bijstand ingevolge artikel 54, eerste lid Participatiewet (PW); het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning van bijstand ingevolge artikel 54, derde lid van de PW; terug- en invordering van ten onrechte of teveel verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58 tot 61 van de PW. OPSCHORTING Artikel 2: Opschorting recht op bijstand 1.Het recht op bijstand wordt voor de duur van ten hoogste acht weken opgeschort indien: de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt; de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent. 2.De opschorting gaat in: vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of vanaf de dag van het verzuim als niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. 3.Indien de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen een daarvoor gestelde termijn, wordt de bijstand ingetrokken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort. HERZIENING EN INTREKKING Artikel 3: Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit en terugvordering Een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken als: het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in art. 17, eerste lid PW, artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, de hierdoor ten onrechte verkregen bijstand wordt teruggevorderd; anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. TERUGVORDERING Artikel 4: Terugvordering 1.Het college vordert de kosten van bijstand terug als de bijstand: ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; voortvloeit uit gestelde borgtocht; ingevolge artikel 52 PW bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat; anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: • de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de PW beschikt of kan beschikken; • bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen zijn ontvangen met het oog op die bestemming. 2.Onder kosten van bijstand wordt verstaan de netto bijstand verhoogd met loonbelasting en de premies volksverzekeringen, alsmede de vergoeding bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding. 3.De in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen worden verrekend met de uitkering in plaats van teruggevorderd. Artikel 5: Terugvordering van gezinsleden 1.Onverminderd het bepaalde onder beleidsregel nummer 4 worden kosten van bijstand als de bijstand aan een gezin wordt verleend, van alle gezinsleden teruggevorderd. 2.Als de bijstand als gezinsuitkering aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichting bedoeld in artikel 17, eerste lid PW of artikel 30c, tweede lid of derde lid van de Wet uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de kosten van bijstand mede teruggevorderd van de gezinsleden met wier middelen als bedoeld in artikel 31 PW bij de verlening van bijstand of inkomensvoorziening rekening had moeten worden gehouden. 3.De onder a. en b genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd. Artikel 6: Afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit Het college ziet af van terugvordering: als er sprake is van (zeer) dringende redenen; als de vordering is vervallen of verjaard; als belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt en redelijkerwijs niet kon weten dat er teveel of ten onrechte bijstand of inkomensvoorziening werd verstrekt; van loonbelasting, premies volksverzekeringen, alsmede de vergoeding bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet als de belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt; het (nog) terug te vorderen bedrag (na eventuele verrekening) lager is dan € 100,00, als er een verrekening kan plaatsvinden wordt eerst verrekend; het bepaalde onder e is niet van toepassing op vorderingen ontstaan als gevolg van het verwijtbaar niet (of niet volledig) nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid PW of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Artikel 7: Afzien van (verdere)inning In afwijking van beleidsregel 4 besluiten burgemeester en wethouders van (verdere) inning af te zien als: er sprake is van een problematische schuldensituatie, behoudens in het geval waarin de verlening van de bijstand is geschied of voor deze verstrekte bijstand zekerheden zijn gesteld in de vorm van pandrecht of (krediet)hypotheek; intensief maar zonder succes (periodiek gedurende 60 maanden) is geprobeerd een vordering te innen en het niet aannemelijk is dat de debiteur op enig moment gaat aflossen, voor vorderingen als gevolg van artikel 17, eerste lid PW of artikel 30c, tweede of derde lid Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen geldt dit als gedurende 120 maanden intensief maar zonder succes is geprobeerd om een vordering te innen en het niet aannemelijk is dat de debiteur nog gaat aflossen; de belanghebbende in totaal een bedrag op de vordering heeft voldaan dat overeenkomt met 60 maanden de aflossingsnorm bij de start van de vordering, of voor geldleningen in verband met woninginrichting 36 maanden de aflossingsnorm bij de start van de vordering. tenzij het gaat om: • vorderingen als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid PW en/of artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen • vorderingen gedekt door pand of hypotheek • vorderingen in verband met achteraf ontvangen middelen • geldlening op grond van art. 48, tweede lid sub a PW • bijstand verstrekt aan een derde niet rechthebbende (onverschuldigde betaling; art. 6:203 Burgerlijk Wetboek) • zelfstandigen • een aflossing door middel van beslag • er voldoende vermogen is om de vordering te voldoen. er sprake is van verjaring; er sprake is van zeer dringende redenen. Artikel 8: Terugvorderingsbesluit In het terugvorderingsbesluit deelt het college aan de belanghebbende mee: de reden van de terugvordering; tot welk bedrag de ten onrechte ontvangen bijstand wordt teruggevorderd; de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen bijstand dient terug te betalen; op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd. Artikel 9: Dwangbevel Als de debiteur de opgelegde betaalverplichting na een aanmaning nog niet (op tijd) nakomt, verstuurt het college een dwangbevel. Op grond van het dwangbevel kan vereenvoudigd derdenbeslag gelegd worden of wordt de vordering (ter executie) in handen van een deurwaarder gesteld. Artikel 10: Inlichtingenplicht debiteur De debiteur is verplicht op verzoek mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem/haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de hoogte van de aflossingsverplichting. Artikel 11: Vaststelling aflossingsverplichting 1.De debiteur moet iedere vordering ineens voldoen, tenzij een betalingsregeling is aangeboden of overeengekomen. 2.Als daartoe aanleiding bestaat, wordt de betalingsverplichting gewijzigd en daarvan mededeling gedaan aan de belanghebbende. 3.Bij de bepaling van de aflossingsverplichting wordt rekening gehouden met alle vermogens- en inkomstenbestanddelen waarover de debiteur en zijn/haar gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 4.De op grond van de PW voor algemene bijstand vrij te laten middelen worden niet tot de middelen van de debiteur gerekend. Het
vrij te laten vermogen en de vermogensvrijlatingen in een auto en/of huis zijn uitzonderingen, deze worden wel tot de middelen gerekend. 5.Bij betaling in termijnen blijft de debiteur minimaal beschikken over de beslagvrije voet als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 6.Als een aflossing in termijnen noodzakelijk is, wordt bij het vaststellen van de aflossing rekening gehouden met de beslagvrije voet (artikel 475d Wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Artikel 12: Ten uitvoerlegging 1.Als de belanghebbende de opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, wordt het dwangbevel of een terugvorderingsbeschikking ten uitvoer gelegd door middel van: verrekening met de maandelijks te verlenen bijstand ingevolge de PW, Ioaw, Ioaz of Bbz 2004; vereenvoudigd derden beslag; executoriaal beslag door een deurwaarder; conservatoir beslag (hiervoor is niet vereist dat eerst een dwangbevel wordt afgegeven). 2.De kosten van (het betekenen en uitvoeren van) executoriaal- en conservatoir beslag worden bij de debiteur in rekening gebracht evenals de hiermee gepaard gaande overige kosten. Hoofdstuk II: verhaal van bijstand.
:
1.Burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (het college) maken in alle gevallen gebruik van hun bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 61, 62, 62a, 62b, 62c, 62d, 62e, 62f, 62g, 62h en 62i PW. 2.Onder kosten van bijstand wordt verstaan de netto bijstand verhoogd met loonbelasting en de premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding. VERHAAL Artikel 14: Verhaalsituaties Het college verhaalt de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot maximaal de totale kosten van bijstand, als: bij het ontbreken van een gezinsverband de (
:
Burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer (het college) maken gebruik van de bevoegdheid tot: het opschorten van het recht op een uitkering krachtens de Ioaw en Ioaz ingevolge artikel 17, eerste lid van de Ioaw en de Ioaz; het herzien en intrekken van het besluit tot toekenning van een Ioaw- of Ioaz-uitkering ingevolge artikel 17, derde en vierde lid van de Ioaw en de Ioaz; terug- en invordering van ten onrechte of teveel verleende uitkering op grond van de Ioaw en Ioaz overeenkomstig artikel 25 tot en met 31 van de Ioaw en Ioaz. OPSCHORTING Artikel 26: Opschorting recht op uitkering Ioaw of Ioaz 1.Het recht op een uitkering krachtens de Ioaw en Ioaz wordt voor de duur van ten hoogste acht weken opgeschort als: de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt; de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek. 2.De opschorting gaat in: vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of vanaf de dag van het verzuim als niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft. 3.Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen een daarvoor gestelde termijn, wordt de uitkering ingetrokken met ingang van de eerste dag waarover het recht op Ioaw of Ioaz is opgeschort. HERZIENING EN INTREKKING Artikel 27: Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit Een besluit tot toekenning van Ioaw of Ioaz wordt herzien of ingetrokken als: een gedraging als bedoeld in art. 20, eerste lid van de Ioaw en Ioaz, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in art. 13 Ioaw of Ioaz, of artikel 30c, tweede lid of derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de uitkering krachtens de Ioaw of Ioaz. anderszins de Ioaw of Ioaz-uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. TERUGVORDERING Artikel 28 Terugvordering 1.Het college vordert de uitkering krachtens de Ioaw of Ioaz terug als: de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede anderszins onverschuldigd is betaald; blijkt dat over dezelfde periode waarover een uitkering op grond van de Ioaw of Ioaz is verleend, later inkomsten wordt ontvangen waarmede bij de vaststelling van de uitkering rekening zou zijn gehouden; 2.Onder kosten van uitkering krachtens de Ioaw of Ioaz wordt verstaan de bruto uitkering inclusief de premie bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. 3.De in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen worden verrekend met de uitkering. Artikel 29: Terugvordering van gezinsleden 1.Als de uitkering krachtens de Ioaw of Ioaz aan een gezin is verleend, wordt de uitkering van alle gezinsleden teruggevorderd. 2.Als de uitkering krachtens de Ioaw of Ioaz met inachtneming van artikel 3 van de Ioaw of Ioaz had moeten worden verleend, maar dit achterwege is gebleven omdat belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 13 Ioaw of Ioaz, of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, wordt de gedurende het betrokken tijdvak ten onrechte verleende uitkering mede teruggevorderd van de persoon met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden. 3.De onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.