Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017De raad van de gemeente Tubbergen, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 september 2017, nr. 7A gelet op het advies van de commissie Samenleving en Bestuur van 17 oktober 2017; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, besluit: vast de stellen de navolgende Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017 Artikel1.Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente; melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; niet-professionele zorgverlener: een zorgverlener die niet voldoet aan één van de criteria van een professionele zorgverlener; onverwijld: zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie werkdagen; persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; professionele zorgverlener: een zorgverlener die voldoet aan de kwaliteitseisen van beroepskrachten bij een door de gemeente gecontracteerde instelling voor zover hij beroepsmatig zorg verleent; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. maatwerkvoorziening sociaal vervoer: een voorziening in de vorm van een pas waarmee tegen een daarvoor te betalen tarief gebruik gemaakt kan worden van het collectief vraagafhankelijk vervoer. langdurig noodzakelijk: van langdurig noodzakelijk is in ieder geval sprake als de noodzaak voor het verlenen van een maatwerkvoorziening langer duurt dan 6 maanden. Instandhoudingskosten: kosten voor verzekering, onderhoud en reparatie van de zaak. De hoogte hiervan wordt bepaald aan de hand van de prijs die bij zorg in natura hiervoor aan de leverancier van hulpmiddelen zou zijn betaald. Artikel2.Melding hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel3.Cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kostenloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel4.Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel5.Gesprek 1.Het college onderzoekt in een gesprek met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; of de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet een bijdrage verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. 4.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel6.Schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek waarin in ieder geval een ondersteuningsadvies is opgenomen omtrent de wenselijkheid van een maatwerkvoorziening. 2.De cliënt tekent de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek voor akkoord dan wel voor gezien en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan het college. 3.Als de cliënt tekent voor gezien, geeft hij daarbij tevens aan wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 4.Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende schriftelijke weergaven van de uitkomsten van het onderzoek. 5.Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Artikel7.Aanvraag 1.Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2.Een door een cliënt ondertekend schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek waarin de wens van cliënt is opgenomen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, wordt aangemerkt als een aanvraag. Wanneer de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek niet binnen drie maanden na verzending is ondertekend en geretourneerd aan het college, dan vervalt het document als aanvraag en moet er een nieuwe melding worden ingediend wanneer men alsnog in aanmerking wil komen voor een maatwerkvoorziening Artikel8.Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Het college neemt de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3.Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. 4.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 5.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6.Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. Artikel9.Voorwaarden en weigeringsgronden maatwerkvoorziening 1.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning waarvoor aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of regeling; voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; indien het een voorziening betreft die de cliënt voor de datum van het besluit heeft gerealiseerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan de cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; voor zover aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; wanneer de gevraagde maatwerkvoorziening een (mogelijke) anti-revaliderende werking heeft. 2.Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als deze niet langdurig noodzakelijk is, behoudens huishoudelijke hulp. 3.Geen woonvoorziening wordt verstrekt: indien ten tijde van het betrekken van de woonruimte door de cliënt met beperkingen te voorzien was dat in deze woonruimte beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte zouden worden ondervonden; indien de cliënt is verhuisd van een adequate woning naar een niet adequate woning, tenzij omstandigheden van de cliënt de verhuizing noodzakelijk maken en het college hiervoor vooraf toestemming heeft verleend; voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren en het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Artikel10.Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Artikel11.Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing, en welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel12.Algemene voorziening was- en strijkservice 1.De gemeente kent een algemene voorziening was- en strijkservice, waarvoor de gebruiker een door de aanbieder te bepalen bedrag verschuldigd is per waszak (wassen, strijken en haal- en brengservice). 2.Het college draagt er zorg voor dat inwoners die door hun beperking(en), niet of onvoldoende in staat zijn tot het op orde en schoon houden van de kleding en het linnen- en/of beddengoed en die op grond daarvan door het college worden verwezen naar deze algemene voorziening daarvoor geen hoger bedrag dan € 5,- per waszak verschuldigd zijn. Artikel13.Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. 2.Geen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelvoorzieningen; een pas voor de maatwerkvoorziening sociaal vervoer (hiervoor is een ritbijdrage gebaseerd op het ov-tarief en een eventuele reserveringstoeslag verschuldigd aan de vervoerder); de maatwerkvoorziening vervoer van en naar de dagbesteding; voorzieningen verstrekt aan personen met een leeftijd tot 18 jaar. 3.De bedragen per vier weken, de inkomensbedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de bijdrage zijn gelijk aan die genoemd in hoofdstuk 3, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 4.De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald: door een aanbesteding; na een consultatie in de markt, of in overleg met de aanbieder. 5.In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb vastgesteld en geïnd door het CAK. 6.Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 7.Het college kan nadere regels vaststellen ter bepaling van de kostprijs van maatwerkvoorzieningen. Artikel14.Terugbetaling bij verkoop woonvoorzieningen verstrekt aan personen met een leeftijd jonger dan 18 jaar 1.De perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.