Maatregelenverordening IOAW en IOAZDe raad van de gemeente Nijkerk; gelezen het collegevoorstel van 14 maart 2017; gelet op artikel 35, eerste lid sub a en c IOAW en gelet op artikel 35, eerste lid sub a en c IOAZ; b e s l u i t : vast te stellen de volgende Maatregelenverordening IOAW en IOAZ Artikel1.Begripsbepalingen 1.In deze verordening wordt verstaan onder: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; de IOAW en de IOAZ, beide voor zover zij op belanghebbende van toepassing zijn; 2.Tenzij anders is bepaald, wordt aan de in deze verordening gehanteerde begrippen dezelfde betekenis toegekend als in de IOAW/IOAZ. Artikel2.Het opleggen van een maatregel 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college zich heeft gedragen zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid IOAW of artikel 20, tweede lid IOAZ, dan wel de in hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, wordt de uitkering overeenkomstig deze verordening bij wijze van maatregel verlaagd. 2.Er wordt een maatregel opgelegd indien de belanghebbende zich ernstig misdraagt jegens het college onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ. 3.De hoogte van de maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel3.Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de bruto uitkering. Artikel4.Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot het opleggen van de maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden, de ingangsdatum, de duur alsook het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd en –indien van toepassing– de reden om af te wijken van een standaardmaatregel als bedoeld in artikel 7. Artikel5.Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel6.Indeling in categorieën Voor de toepassing van artikel 7 worden de volgende categorieën van maatregelwaardige gedragingen onderscheiden: Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; het niet of onvoldoende naar vermogen een door het college opgedragen tegenprestatie verrichten. Tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot re-integratie; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een plan tot re-integratie; het niet terstond verstrekken van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, terwijl verstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de IOAW/IOAZ. Derde categorie: gedragingen die re-integratie belemmeren; het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op re-integratie; het niet of in onvoldoende mate voldoen aan een individueel opgelegde verplichting, die gericht is op re-integratie; het stellen van onredelijke eisen aan het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet meewerken aan behoud of bevorderen van arbeidsbekwaamheid; het niet naar beste vermogen verrichten van opgedragen werkzaamheden of activiteiten; het niet onderwerpen aan noodzakelijke behandeling van medische aard op medisch advies; het niet voldoen aan individueel opgelegde verplichtingen. Vierde categorie: het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het herhaaldelijk niet verschijnen op oproepen in het kader van re-integratie dan wel re- integratievoorzieningen; het, voorafgaand aan een aanvraag voor IOAZ of nadien, tonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan; het verwijtbaar verliezen van een dienstbetrekking of het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden dan wel het door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen, dit alles zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid IOAW of artikel 20, tweede lid IOAZ; het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ. Artikel7.De hoogte van de maatregel Onverminderd artikel 2, derde lid wordt de verlaging vastgesteld op: tien procent van de uitkering bij gedragingen van de eerste categorie; twintig procent van de uitkering bij gedragingen van de tweede categorie; vijftig procent van de uitkering bij gedragingen van de derde categorie; honderd procent van de uitkering bij gedragingen van de vierde categorie. Artikel8.Ingangsdatum en duur van de maatregel 1.De maatregel wordt toegepast met ingang van de eerste van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot oplegging van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. 2.In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. 3.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd als de uitkering is beëindigd en niet de gehele uitkering vanaf het moment van de gedraging anders dan vanwege de bedoelde maatregel wordt teruggevorderd. 4.Een maatregel wordt, behalve bij recidive, voor de periode van één maand toegepast. 5.Indien er meerdere maatregelen worden opgelegd die bij elkaar meer bedragen dan 100%, dan wordt over de eerste maand een maatregel van 100% opgelegd. Het restant van de maatregel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.