← Nederland

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2018 (Tilburg)

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2018 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2018 2017_591 De raad van de gemeente Tilburg; gezien het voorstel van het

Artikel 5

.37 Tarieven voor beschermd wonen ZZP 2 GGZ C intramuraal € 25.035,- bruto per jaar/ € 480,12 per week met individuele begeleiding € 34.279,- bruto per jaar/ € 657,41 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 35.383,- bruto per jaar/ € 678,58 per week met

Artikel 5

.38 Tarieven voor beschermd wonen ZZP 3 GGZ C intramuraal € 27.858,- bruto per jaar/ € 534,27 per week met individuele begeleiding € 37.103,- bruto per jaar/ € 711,56 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 38.207,- bruto per jaar/ € 732,73 per week met

Artikel 5

.39 Tarieven voor beschermd wonen ZZP 4 GGZ C intramuraal € 35.569,- bruto per jaar/ € 682,14 per week met individuele begeleiding € 44.813,- bruto per jaar/ € 859,43 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 45.917,- bruto per jaar/ € 880,60 per week met

Artikel 5

.40 Tarieven voor beschermd wonen ZZP 5 GGZ C intramuraal € 38.628,- bruto per jaar/ € 740,80 per week met individuele begeleiding € 47.872,- bruto per jaar/ € 918,09 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 48.976,- bruto per jaar/ € 939,26 per week met

Artikel 5

.41 Tarieven voor beschermd wonen ZZP 6 GGZ C intramuraal € 53.116,- bruto per jaar/ € 1.018,66 per week met individuele begeleiding € 62.360,- bruto per jaar/ € 1.195,95 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 63.464,- bruto per jaar/ € 1.217,13 per week met

Artikel 5

.42 Tarieven voor beschermd wonen extramuraal met bescherming € 25.765,- bruto per jaar/€ 494,- per week met bescherming zonder dagbesteding € 33.058,- bruto per jaar/€ 634,- per week met bescherming met dagbesteding Artikel 5.43 Persoonsgebonden budget voor Beschermd Wonen bij een (vermoeden van een) licht verstandelijke beperking. Cliënten die in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening kunnen kiezen om zelf ondersteuning in te kopen via een persoonsgebonden budget. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald op basis van de soort benodigde zorg. De toegangsprofessional bepaalt welk soort zorg nodig is. Het persoonsgebonden budget voor deze vorm van beschermd wonen kan bij een professionele zorgaanbieder worden ingezet maar ook bij een informeel zorgverlener. Er kan alleen een persoonsgebonden budget worden toegekend voor beschermd wonen indien de zorgaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg. Voldoet de beoogd zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen dan wordt het persoonsgebonden budget niet verstrekt. De cliënt kan dan kiezen voor een andere pgb aanbieder of voor zorg in natura. Indien het door de cliënt ingediende budgetplan lager is dan het maximale te verstrekken bedrag op basis van de soort zorg is het budgetplan leidend. De tarieven zijn ingedeeld in de pakketten ZZP VG 3, 4 en 6. De omschrijving van deze pakketten is opgenomen in bijlage 4. Artikel 5.44 Tarieven voor beschermd wonen ZZP VG 3 geleverd door een zorgaanbieder € 25.415,- bruto per jaar/ € 487,41 per week met individuele begeleiding € 39.442,- bruto per jaar/ € 756,42 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 40.841,- bruto per jaar/ € 783,25 per week met

Artikel 5

.45 Tarieven voor beschermd wonen ZZP VG 4 geleverd door een zorgaanbieder € 29.493,- bruto per jaar/ € 565,62 per week met individuele begeleiding € 43.520,- bruto per jaar/ € 834,63 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 44.919,- bruto per jaar/ € 861,46 per week met

Artikel 5

.46 Tarieven voor beschermd wonen ZZP VG 6 geleverd door een zorgaanbieder € 33.957,- bruto per jaar/ € 651,23 per week met individuele begeleiding € 52.659,- bruto per jaar/ € 1.009,90 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 54.060,- bruto per jaar/ € 1.036,77 per week met

Artikel 5

.47 Tarieven voor beschermd wonen ZZP VG 3 geleverd door een informeel zorgverlener € 12.707,50 bruto per jaar/ € 243,71 per week met individuele begeleiding € 19.721,- bruto per jaar/ € 378,21 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 20.420,50 bruto per jaar/ € 391,63 per week met

Artikel 5

.48 Tarieven voor beschermd wonen ZZP VG 4 geleverd door een informeel zorgverlener € 14.746,50 bruto per jaar/ € 282,82 per week met individuele begeleiding € 21.760,- bruto per jaar/ € 417,32 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 22.459,50 bruto per jaar/ € 430,73 per week met

Artikel 5

.49 Tarieven voor beschermd wonen ZZP VG 6 geleverd door een informeel zorgverlener € 16.979,50 bruto per jaar/ € 325,63 per week met individuele begeleiding € 26.329,50 bruto per jaar/ € 504,95 per week met begeleiding groep en zonder vervoer € 27.030,- bruto per jaar/ € 518,38 per week met

Artikel 5

.50 Indexatie van tarieven Jaarlijks per 1 januari vindt indexering plaats van de door de gemeente verstrekte maatwerkvoorzieningen als volgt: Persoonsgebonden budget voor dienstverlening: aangesloten wordt bij de prijs die de gemeente betaald voor de voorziening in natura. Is in het contract geen indexering voorzien, dan wordt ook het PGB niet verhoogd. De overige persoonsgebonden budgetten worden verhoogd met de Consumenten Prijsindex (CPI). Dit CPI-percentage baseren we op de "nominale ontwikkelingen t.b.v. actualisering" die het Rijk verstrekt in maart van jaar voorafgaande aan het jaar waarin gewijzigde bedragen gaan gelden. Hoofdstuk 6 Bijdragen Artikel 6.1 Regels voor bijdrage in de kosten vanmaatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd: voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning, en, voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel in de vorm van een pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. Het college kan afwijkende regels stellen ten opzichte van bepaalde voorzieningen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Tilburg (Besluit MO Tilburg). De bijdrage, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een lagere bijdrage is verschuldigd. Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald. Artikel 6.2 Eigen betaling voor de algemene voorziening Hulp aan Huis Cliënten die gebruik maken van de algemene voorziening Hulp aan Huis zijn hiervoor een eigen betaling verschuldigd per ingeleverde cheque (één cheque per uur). Er bestaan 2 soorten cheques: Dienstencheques: de ondersteuning wordt verleend door een zorgaanbieder Alfacheques: de ondersteuning wordt verleend door een alfahulp. Artikel 6.3 Basistarief voor dienstencheques en alfacheques Er zijn verschillende tarieven voor de dienstencheque en de alfacheque. Het basistarief van de dienstencheque is € 15,00 per uur, van de alfacheque € 13,50 per uur. Afhankelijk van het inkomen, gezinssamenstelling en leeftijd kan een cliënt korting krijgen op dit basistarief. De tariefindeling is opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening. Artikel 6.4 Maximum aantal uren De algemene voorziening Hulp aan Huis is gemaximeerd tot 3 uur per week. Indien een cliënt meer dan 3 uur per week aan hulp nodig heeft krijgt hij aanvullend op de algemene voorziening een maatwerkvoorziening. Het college stelt nadere regels over de uitvoering van Hulp aan Huis. Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving Artikel 7.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 Het college informeert cliënten of vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorzieningen of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en/of een algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening is aangewezen; de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening voorziening verbonden voorwaarden, of de cliënt de maatwerkvoorziening, het pgb of algemene voorziening niet of voor een ander doel gebruikt. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, algemene voorziening of het ten onrechte genoten pgb. Als het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college deze voorziening terugvorderen. Teneinde uitvoering te geven aan de toezichthoudende taak als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wmo2015 verwerkt het college persoonsgegevens, waaronder mogelijk bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 en 21 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Artikel 7.2 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e van de wet. Artikel 7.3 Onderzoek naar kwaliteit en recht-en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten Het college onderzoek periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb's met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht-en doelmatigheid daarvan. Hoofdstuk 8 Kwaliteit en Klachten Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning en erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, er op toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen (waaronder persoonsgebonden budgetten), eisen met betrekking tot deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vast prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

  1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en
  2. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudende instantie aan. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudende instantie. De toezichthoudende instantie, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 8.4 Klachtregeling Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden. Artikel 8.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van voorzieningen. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden. Hoofdstuk 9 Inspraak Artikel 9.1 Betrekken van ingezetenen bij het beleid Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk 10 Privacy Artikel 10.1 Privacyprotocol 1.Op de vastlegging en verwerking van persoonsgegevens op grond van deze verordening is het Privacyprotocol Toegang Tilburg van toepassing. Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt of mantelzorger afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 11.2 Voorwaarden Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde voorziening. Artikel 11.3 Besluit en Beleidsregels Het college stelt een Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en beleidsregels vast. Hierin neemt het nadere regels op over de uitvoering van deze verordening, over de omvang van verstrekkingen en over de omvang van de eigen bijdrage. Artikel 11.4 Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit geldende bedragen indexeren. In deze verordening en in het Besluit Maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg is opgenomen voor welke bedragen dit geldt, welk prijsindexcijfer gehanteerd wordt en over welke periode van 12 maanden de index berekend wordt. Artikel 11.5 Intrekking oude verordening en overgangsrecht De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg juli 2017 wordt ingetrokken. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg juli 2017, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2018 onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg juli 2017 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. Van het in lid 3 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg juli 2017, geschiedt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg juli 2017 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Van het in lid 5 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Artikel 11.6 Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening treedt in werking op 1 januari
  3. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2018 (Verordening MO Tilburg 2018). Toelichting op de verordening Artikelsgewijze toelichting op de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg
  4. Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In de Wmo en het daarop gebaseerde Besluit is een groot aantal definities opgenomen. Voor de leesbaarheid is een selectie hiervan opgenomen in de begripsbepalingen van de verordening. Niet iedere bepaling behoeft toelichting. a.Algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt richt zich op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op grond van de Wmo 2007, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Is de voorziening voor de persoon als de aanvrager ook algemeen gebruikelijk? Bijdrage in de kosten Bijdrage in de kosten van een algemene of maatwerkvoorziening (m.u.v. cliëntondersteuning). Voorheen werd dit eigen bijdrage of eigen aandeel genoemd. In hoofdstuk 5 wordt dit nader uitgewerkt. g.College College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg h.Gebruikelijke hulp Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. i.Gesprek Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. m.Melding Iedereen kan zich melden met een hulpvraag. Door het melden maakt men de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien de ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet, in te stellen o.Persoonlijk plan In het plan kan de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 onderdelen a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst beschrijven. Artikel 1.2 Doelgroep Deze verordening kent twee doelgroepen. Allereerst cliënten die in aanmerking komen vooreen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie. Om hiervoor inaanmerking te komen dient de cliënt ingezetene te zijn van de gemeente Tilburg. We gaanhierbij uit van de inschrijving in de Basis registratie personen (Brp). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen in aanmerking te komenmoet de men in ieder geval ingezetene zijn van Nederland, maar niet persé van de gemeenteTilburg. Mantelzorgers kunnen voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen, indien degene voor wie zij mantelzorger zijn ingezetene is van de gemeente Tilburg. Hoofdstuk 2 Toegang Artikel 2.1 Melding en vooronderzoek In dit artikel is opgenomen dat een hulpvraag schriftelijk, elektronisch, mondeling oftelefonisch bij het college kan worden gedaan. Dit kan zowel op het gemeentelijk LoketZ als bij één van de partners van de gemeente die gezamenlijk de Tilburgse Toegang vormen. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden. In lid 2 is opgenomen dat het college de ontvangst van de melding registreert (tijdstip vanmelding) en schriftelijk bevestigt. Tevens wordt de cliënt geïnformeerd over de vervolgprocedure en diens rechten en plichten (zoals het maken van een afspraak voor hetgesprek, de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. De cliënt mag zich tijdens het onderzoek laten bij bijstaan door iemand uit zijn eigen netwerk of een cliëntondersteuner. Het gebruik van een cliëntondersteuner is altijd gratis. In lid 3 is opgenomen dat in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.
  5. van de wet het college na ontvangst van de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening treft inafwachting van de uitkomst van het onderzoek. Met onverwijld bedoelen wij binnenmaximaal 3 werkdagen. In lid 5 is opgenomen dat het college alle gegevens verzamelt die door het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet, toegankelijk en van belang zijn over de cliënt en zijn situatie. Er wordt zo spoedig mogelijk een afspraak gemaakt voor een gesprek. Lid 6 bepaalt dat de cliënt voor het gesprek alle overige gegevens en bescheiden die naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen aan het college moet overhandigen. In ieder geval verstrekt de cliënt een identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. In lid 7 is opgenomen dat de cliënt de mogelijkheid heeft een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de wet op stellen. In dit plan kan de cliënt aangeven op welke wijze hij vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Dit draagt bij aan de mate van eigen regie door de cliënt. Indien de cliënt zo'n persoonlijk plan wil indienen dient hij dit uiterlijk 7 dagen na de melding te overhandigen aan het college. Artikel 2.2 Gesprek In dit artikel is opgenomen dat het college in een gesprek onderzoek doet. Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 vierde lid de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat het past in het stelsel van deze Wmo dat daar de omgeving van de cliënt zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Het gesprek wordt gevoerd namens het college door professionals. Als het naar oordeel van de Tilburgse Toegang noodzakelijk is om de thuissituatie van de cliënt in beeld te brengen zal het gesprek bij de cliënt thuis plaatsvinden. Ook kan een gesprek op verzoek van de cliënt in de thuissituatie plaatsvinden. In lid 2 is opgenomen dat indien de cliënt een persoonlijk plan heeft overhandigd dit wordt betrokken bij het onderzoek. In lid 3 is bepaald dat het college de cliënt informeert over de gang van zaken tijdens het gesprek, dienst rechten en plichten, uitleg geeft over de vervolgprocedure en hem vraagt om toestemming te geven voor het verwerken van zijn persoonsgegevens. Lid 4 bepaalt dat indien de cliënt genoegzaam bekend is het college met de cliënt kan besluiten af te zien van het onderzoek zoals bedoeld in de wet. De cliënt kan dan middels een aanvraagformulier een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening. Artikel 2.3 Verslag van het onderzoek Het college draagt zorg voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek en verstrekt dit binnen 10 werkdagen aan de cliënt. De weergave van het onderzoek bevat tevens een verslag van het gesprek. Dit is een beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is. In lid 3 is opgenomen dat de cliënt het verslag tekent voor gezien of akkoord. Indien hij uitsluitend tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven waarom hij niet akkoord is. De cliënt draagt er zorg voor dat het getekende exemplaar binnen 10 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. In lid 5 is opgenomen dat indien de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening hij dit kan aangeven op het door hem ondertekende verslag. Dit verslag dient dan tevens als aanvraag. Artikel 2.4 Aanvraag maatwerkvoorziening In de Wmo 2015 zijn de termijnen afwijkend geregeld ten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Na ontvangst van de melding dient er binnen maximaal zes weken een onderzoek plaats te vinden. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is afgerond tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding. Na ontvangst van een aanvraag heeft het college twee weken de tijd om een beschikking af te geven. Indien er conform artikel 2.2 lid 4 wordt afgezien van een onderzoek kan de cliënt of zijn gemachtigde of (wettelijk) vertegenwoordiger een aanvraag schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Lid 3 bepaalt dat ook een ondertekend verslag van het onderzoek kan dienen als aanvraag indien de cliënt op het verslag heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor een maatwerkvoorziening. Artikel 2.5 Aanvraag persoonsgebonden budget Voor maatwerkvoorzieningen bestaat in beginsel de mogelijkheid om te kiezen tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget. Indien iemand kiest voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, moet hij hiervoor een motivering kunnen geven, zoals bedoeld in artikel 2.3.6 tweede lid onder b van de wet. Door de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Ook moet hij vooraf inzicht geven in hoe de besteding van het persoonsgebonden budget voorziet in de vastgestelde ondersteuningsbehoefte. Mede door aan deze eisen te voldoen maakt de cliënt zich verantwoordelijk voor een passende besteding van het budget. Met sub c bedoelen we bij een materiele zaak bijvoorbeeld technische eisen van bijvoorbeeld een traplift of scootermobiel. Bij een dienst gaan we uit van het budgetplan waarin staat opgenomen hoe, door wie en in welke vorm de dienst wordt verleend. Artikel 2.6 Inhoud beschikking In dit artikel is opgenomen welke elementen worden opgenomen in de beschikking. In de beschikking staat de informatie die voor de cliënt nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Artikel 2.7 Advisering Dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding is gedaan of door of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Hoofdstuk 3 Algemene voorzieningen Artikel 3.1 Algemene voorziening Een algemene voorziening is in de wet gedefinieerd als een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of op opvang. De beperkte toegangsbeoordeling van de algemene voorziening zal voornamelijk betrekking hebben op de doelgroep van de voorziening. Het college kan de regels voor bepaalde algemene voorzieningen nader uitwerken in beleidsregels. Artikel 3.2 Waardering voor mantelzorgers Het college moet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De woonplaats van de cliënt is bepalend, het kan dus ook mantelzorgers betreffen die in andere gemeenten wonen. Het gaat hierbij ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van de wet uitgekomen. Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen Artikel 4.1 Criteria voor maatwerkvoorzieningen In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 tweede lid onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In dit artikel van de verordening zijn de algemene criteria opgenomen, in de volgende artikelen uit dit hoofdstuk zijn meer specifieke criteria opgenomen per productgroep. Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen komt het neer op het leveren van maatwerk. Het is daardoor niet mogelijk en wenselijk om in de verordening limitatief te regelen welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. In lid 2 is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Het is bijvoorbeeld denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan wordt, moge duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Ook bij maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is het begrip goedkoopst compenserend van toepassing. Indien bijvoorbeeld de kosten van het te leveren aantal uren begeleiding de vastgestelde tarieven voor Beschermd Wonen (een zwaardere ondersteuningsvorm) overstijgt kan het persoonsgebonden budget voor begeleiding worden gemaximeerd tot het niveau van de kostprijs van Beschermd Wonen. Artikel 4.2 Regels voor pgb In dit artikel is opgenomen dat het college een persoonsgebonden budget verstrekt in overeenstemming met de wet. Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt dit wenst en hier gemotiveerd om vraagt. Door deze motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. In lid 2 is opgenomen dat het in beginsel niet mogelijk is om kosten achteraf te declareren. Lid 3 bepaalt de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Het tarief van het pgb is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden en is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. De hoogte van het pgb bedraagt maximaal de hoogte van de kostprijs van de in betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekend niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd zal worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Er zijn verschillende tarieven voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Er wordt rekening worden gehouden met onder andere de rechtsvorm van de dienstverleners. Tevens wordt in nadere regels verder uitgewerkt onder welke voorwaarden een cliënt de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoord tot zijn sociale netwerk. Uitgangspunt is hierbij dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt. Artikel 4.3 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijk geschikt te maken woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning. Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen dat er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo mogelijk rekening gehouden worden met de behoeften van de cliënt. Dat wil zeggen dat in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich verhouden tot de belangen (met name financiële) van de gemeente. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor vervoersvoorzieningen In dit artikel is bepaald dat bij vervoersvoorzieningen een aanwezige en bruikbare algemene voorziening (zoals een rolstoel of scootermobielpoule) een oplossing kan bieden voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. Om hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de cliënt uitgangspunt zijn voor de beoordeling welke voorziening nodig is om het te bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen maatwerkvoorzieningen voorkomen. De omvang van de te bieden compensatie zal over het algemeen liggen tussen de 1500 en 2000 kilometer per jaar. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor hulp bij het huishouden Dit artikel gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid die ouder zijn dan 18 jaar. Wanneer die in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt allereerst gekeken of dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten boven de 18 jaar zijn met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dan, wanneer één van de huisgenoten uitvalt, via herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen als er geen huisgenoten zijn of als huisgenoten met enige regelmaat langdurig afwezig (bijvoorbeeld militairen op uitzending) zijn er aanleiding kunnen bestaan voor het verstrekken van een voorziening. Uiteraard bestaat er een noodzaak tot verstrekken van een voorziening als de huisgenoot zelf ook niet in staat is de bedoelde werkzaamheden te verrichten. Niet gewend zijn deze werkzaamheden te verrichten is geen reden tot het verstrekken van een voorziening. Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van huisgenoten kan hiertoe aanleiding zijn. Door onderzoek zal deze overbelasting vastgesteld worden. Het college stelt hier nadere regels over op. Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen In dit artikel zijn de voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen opvang of beschermd wonen. Indien blijkt dat beschermd wonen voor een cliënt noodzakelijk is wordt er ook altijd beoordeeld wat voor deze cliënt de meest passende plek is. In lid 4 is de doelgroep opgenomen van volwassenen waarbij behoefte is aan een beschermde woonomgeving om verslechtering van de huidige situatie te voorkomen en/of verbetering te bereiken. De gemeente heeft een verplichting tot het verstrekken van een tijdelijke beschermde woonomgeving indien dit noodzakelijk is. Uitgangspunt hierbij is dat een cliënt pas in aanmerking komt voor een beschermde woonomgeving indien begeleiding in de vorm van ambulante begeleiding en dagbesteding onvoldoende is. Artikel 4.7 Weigeringsgronden en voorwaarden voor maatwerkvoorzieningen In lid 1 sub a wordt bepaald dat voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, er geen maatwerkvoorziening wordt toegekend. Lid 1 sub b is een herhaling van het algemene toetsingskader zoals deze in de wet centraal staat. Indien men op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen bestaat er geen noodzaak voor een maatwerkvoorziening. Ook lid 1 sub c is een herhaling van het algemene toetsingskader van de wet. Een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Kan men gebruik maken van een algemene voorziening dan bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. Lid 1 sub d gaat over algemeen gebruikelijke voorzieningen. Bij de begripsbepalingen is een nadere uitleg opgenomen over het begrip algemeen gebruikelijk voorziening. Indien een voorziening voor een persoon als de aanvrager als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd bestaat er geen noodzaak tot verstrekking van een maatwerkvoorziening. In lid 1 sub f is opgenomen dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. De maatwerkvoorziening is immers gericht op de individuele cliënt. Het past niet om generieke voorzieningen te treffen, daar zijn algemene voorzieningen meer geschikte instrumenten voor. In lid 1 sub g is opgenomen dat er geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de noodzaak voor deze voorziening door de cliënt redelijkerwijs te voorzien was en de cliënt in redelijkheid te vergen mogelijkheden heeft/had om zelf voor een passende oplossing te zorgen. In lid 2 is opgenomen dat er geen voorziening wordt verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk is. Er worden alleen voorzieningen verstrekt als die voor langere tijd nodig zijn en tevens noodzakelijk zijn om de beperkingen op te heffen of te verminderen. Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budgetten In dit hoofdstuk is de tariefstelling van de persoonsgebonden budgetten geregeld. Er zijn diverse soorten tarieven voor persoonsgebonden budgetten zoals voor hulpmiddelen ( zoals bijvoorbeeld rolstoelen), voor vervoersvoorzieningen, woningaanpassingen maar ook voor begeleiding (individueel/groep), logeeropvang en beschermd wonen. De opbouw van de tarieven staat hier beschreven maar ook de daadwerkelijke tarieven zijn opgesomd per voorzieningencategorie. Voor enkele voorzieningen wordt voor een nadere uitwerking verwezen naar bijlage 2,3 &
  6. Hoofdstuk 6 Bijdragen Artikel 6.1 Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Artikel 6.1 Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Dit artikel geeft uitvoering aan het artikel 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet. De wet maakt onderscheid tussen bijdragen in de kosten voor algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten voor maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening. In het landelijke Besluit maatschappelijke ondersteuning worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen. Het CAK is verantwoordelijk voor de vaststelling en inning van de eigen bijdragen. Het college regelt in nadere regelgeving voor welke maatwerkvoorzieningen een eigen bijdrage is verschuldigd. De bijdragen voor algemene voorzieningen mogen kostendekkend zijn. Artikel 6.2 Eigen betaling voor de algemene voorziening Hulp aan Huis Al enkele jaren kent de gemeente Tilburg een algemene voorziening voor huishoudelijke hulp, genaamd Hulp aan Huis. Bij deze algemene voorziening wordt er per geleverd uur huishoudelijke hulp een cheque ingeleverd. De cliënt heeft de keuze uit een dienstencheque (ondersteuning wordt verleend door een zorgaanbieder) of voor een alfacheque (de ondersteuning wordt geleverd door een alfahulp). De cliënt mag een vrije keuze maken tussen de 2 soorten cheques. De eigen betaling is de cliënt verschuldigd per ingeleverde cheque. De algemene voorziening Hulp aan Huis is toegankelijk voor alle inwoners van de gemeente Tilburg die behoren tot de Wmo-doelgroep. Artikel 6.3 Basistarief voor dienstencheque of alfacheque Er zit een verschil tussen het basistarief van de dienstencheque en de alfacheque. Dit heeft te maken met een verschil in kostprijs. De kostprijs van een uur ondersteuning door een alfahulp is lager dan een uur ondersteuning door een zorgaanbieder. Het basistarief van de alfacheque is hierdoor ook lager. Het uitgangspunt is het basistarief van de alfacheque en dienstencheque. Aangezien dit tarief niet voor iedere inwoner betaalbaar is kan er op grond van het inkomen (en eventuele andere eigen bijdragen voor ondersteuning die wordt betaald aan het CAK), gezinssamenstelling en leeftijd korting worden gegeven op dit basistarief. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen met de exacte tarieven en bijbehorende inkomenscategorieën. Artikel 6.4 Maximum aantal uren De algemene voorziening Hulp aan Huis is gemaximeerd tot 3 uur per week. Deze 3 uur is in de meeste gevallen toereikend voor het schoonhouden van de woning. Indien deze 3 uur niet voldoende zijn kan er aanvullend een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Het aantal van 3 uren per week is gebaseerd op de gemiddelde gebruikscijfers (2,6 uur per week, afgerond naar boven) van huishoudelijke hulp vanaf de invoering van de Wmo in 2007 tot aan de invoering van de algemene voorziening in
  7. In de jaren 2013 en 2014 mochten cliënten zelf bepalen hoeveel uren zijn wilden afnemen. Ook na deze periode waarin cliënten zelf het aantal uren mochten bepalen was er géén toename van het aantal afgenomen uren. Het college stelt nadere regels over de uitvoering van de voorziening Hulp aan Huis. Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving Artikel 7.1 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 In dit artikel zijn regels opgenomen ter bestrijding van het onterecht ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit artikel is tevens van toepassing op de algemene voorziening zoals bedoeld in artikel 3.1 van deze verordening. Artikel 7.2 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget In dit artikel is geregeld dat het college aan de Sociale Verzekeringsbank kan verzoeken om de betalingen uit het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk op te schorten (voor maximaal 13 weken van betalingen) als er een ernstig vermoeden is dat er sprake is van een omstandigheid uit artikel 2.3.10 eerste lid, onder a, d of e. Het gaat dan om bijvoorbeeld niet voldoende aan de gestelde voorwaarden of het persoonsgebonden budget gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het is toegekend. Artikel 7.3 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten Naast met het oog op de beoordeling van kwaliteit, dient het college, al dan niet steekproefsgewijs, ook te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb's worden gebruik, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder. Hoofdstuk 8 Kwaliteit en klachten Artikel 8.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning In dit artikel zijn de kwaliteitseisen opgenomen voor aanbieders ten behoeve van een goede kwaliteit van voorzieningen en deskundigheid van beroepskrachten. Het college kan tevens nadere regels stellen op het gebied van kwaliteit voor te verstrekken persoonsgebonden budgetten. Het college ziet toe op naleving van de eisen door periodieke overleggen, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien nodig het ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 8.2 Verhouding prijs en kwaliteit voorzieningen door derden In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.
  8. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college en reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen . Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. In het tweede lid is opgenomen dat bij het vaststellen van de prijs het college rekening dient te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het derde lid bepaalt dat het college de vaste prijs of reële prijs minimaal moet baseren op de in het artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend, er kunnen elementen aan worden toegevoegd. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van de reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Artikel 8.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder. Daarnaast zullen meldingen over incidenten, calamiteiten en geweld ook in het kader van het contractmanagement onderwerp van gesprek zijn. Artikel 8.4 Klachtregeling Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne klachtregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachtenregeling. In de contracten met de aanbieder worden eisen vastgelegd die van belang zijn om de klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren. Artikel 8.5 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening, opvang of beschermd wonen moeten beschikken over een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door het voeren van periodieke overleggen met de aanbieders en door een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Hoofdstuk 9 Inspraak Artikel 9.1 Betrekken van ingezetenen bij beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. In lid 1 wordt verwezen naar de door gemeente vastgestelde inspraakverordening ter waarborging van eenzelfde inspraakprocedure voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Hoofdstuk 10 Privacy Artikel 10.1 Privacyprotocol Het college heeft op 15 december 2015 een Privacyprotocol vastgesteld met betrekking tot de vastlegging en verwerking van persoonsgegevens. Voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo2015) is het vastleggen en verwerken van persoonsgegevens noodzakelijk. Naast de regels die opgenomen in de wetgeving is ook het Privacyprotocol Toegang Tilburg van toepassing. Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze hardheidsclausule. Artikel 11.2 Voorwaarden In dit artikel wordt bepaald dat er aan het verstrekken van voorzieningen voorwaarden verbonden mogen worden. Artikel 11.3 Besluit en Beleidsregels In dit artikel wordt bepaald dat er een Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg en beleidsregels worden vastgesteld. Deze documenten bevatten richtlijnen over de uitvoering van deze verordening. Het besluit onder andere de hoogte van eigen bijdrage in de kosten. Artikel 11.4 Indexering De tarieven en bijdragen uit deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg kunnen jaarlijks worden geïndexeerd. In deze verordening en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg staan de regels opgenomen op grond waarvan dit gebeurd. Artikel 11.5 Intrekkingen oude verordening en overgangsrecht De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ overgaan naar de Wmo (artikelen 8.1 tot en met 8.4). In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. Bestaande rechten lopen door, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel opgenomen dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit nadelige gevolgen voor de cliënt kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit ter voorkoming dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast. De zelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid. Artikel 11.6 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening en de wijze waarop deze wordt geciteerd. De kortere vorm voor dagelijks gebruik is Verordening MO Tilburg
  9. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 13 november 2017 de voorzitter, de secretaris, Bijlage 1 Tarieven Hulp aan Huis 2018 Tariefindeling voor Tilburgers zonder andere maatwerkvoorziening Wmo of andere voorziening waarbij een eigen bijdrage aan het CAK wordt betaald. Bijlage 2 Persoonsgebonden Budget tool hulpmiddelen 2018 per voorzieningencategorie Lees de bijbehorende artikelen in hoofdstuk 5 van deze verordening. De vermelde PGB-bedragen voor aanschaf van een maatwerkvoorziening zijn gebaseerd op de PGB-prijzen van Harting-Bank (huidige leverancier). Voor de vermelde bedragen kan een nieuwe voorziening worden gekocht. Dit geldt niet voor scootmobielen: Het College heeft (1 februari 2011, nummer 12) besloten dat het resultaat waar het om gaat, namelijk het zich lokaal kunnen verplaatsen, ook bereikt kan worden met een gereconditioneerd (tweedehands) scootmobiel. Om die reden heeft het college besloten het persoonsgebonden budget voor scootmobielen te verlagen met 20%. Deze verlaging is verwerkt in de bedragen voor
  10. Uitgangspunt is dat een cliënt die met een persoonsgebonden budget een voorziening koopt tenminste 84 maanden (volwassene) of 60 maanden (kinderen) (zie Kolom C) van deze voorziening gebruik kan maken. Na afloop van de periode van 84 resp. 60 maanden wordt alleen opnieuw een persoonsgebonden budget voor een voorziening verstrekt als de voorziening technisch gezien aan vervanging toe is. Koopt de cliënt een tweede handsvoorziening, dan wordt het maximaal te verstrekken bedrag (Kolom D) naar rato van de leeftijd van de voorziening verlaagd en wordt de gebruiksperiode met de leeftijd van devoorziening verlaagd. Berekening: Verminder het aantal maanden uit kolom C met het aantal maanden dat het hulpmiddel oud is. Vermenigvuldig het aantal resterende maanden met het bedrag uit kolom E. Dan heb je het bedrag dat voor het gebruikte hulpmiddel maximaal wordt verstrekt. Bij de prijs van de scootmobielen is al uitgegaan van een gebruikte voorziening. De prijs is om die reden al verlaagd. Alleen als een cliënt een gebruikte voorziening koopt die ouder is dan 17 maanden, wordt de berekening die hierboven wordt beschreven uitgevoerd. Koopt de cliënt een nieuw middel of een gebruikte voorziening die jonger is dan 18 maanden dan wordt het maximale bedrag (kolom D) verstrekt. Als een cliënt een voorziening aanschaft voor een prijs die lager is dan het in kolom D genoemde bedrag, dan wordt het lagere bedrag verstrekt. Hetzelfde geldt voor onderhoudskosten en voor verzekeringskosten. Het persoonsgebonden budget bestaat uit: Een bedrag ineens voor de aanschaf van het hulpmiddel volgens de opgaven in de PGB-tool. De kosten van noodzakelijke individuele aanpassingen. Een bedrag voor onderhoud van het hulpmiddel, voor zover dit van toepassing is. De gemeente betaalt jaarlijks een deel van het onderhoudsbedrag uit. Een bedrag voor de verplichte WA-verzekering voor elektrische rolstoelen en scootmobielen. De gemeente betaalt dit bedrag jaarlijks uit. A B C D E F Hulpmiddel PGB in maanden PGB-bedrag hulpmiddel incl. BTW excl. aanpassingen Afschrijving per maand All-in onderhoud (vast tarief, gehele PGB periode, maximaal 60 resp. 84 mnd. Incl. BTW) onderhoud per maand Verzekering WA incl. assurantie-belasting 1 Handbewogen rolstoel incidenteel gebruik 84 € 627,25 € 7,47 € 351,31 € 4,18 2 Handbewogen rolstoel permanent gebruik met kantelverstelling 84 € 1.851,50 € 22,05 € 358,48 € 4,26 3 Handbewogen rolstoel voor (semi) permanent / algemeen gebruik 84 € 637,57 € 7,59 € 358,48 € 4,26 4 Handbewogen rolstoel actief gebruik / vouwframe 84 € 644,45 € 7,67 € 358,48 € 4,26 5 Handbewogen rolstoel actief gebruik / vastframe 84 € 1.505,55 € 17,92 € 358,48 € 4,26 6 Elektrische rolstoel voor binnen en buiten gebruik 84 € 4.311,23 € 51,33 € 1.792,38 € 21,34 € 50,75 7 Elektrische rolstoel voor buiten en binnen gebruik 84 € 4751,99 € 56,58 € 1.792,38 € 21,34 € 50,75 8 Scootmobiel maximaal 10km per uur 84 € 1.901,48 € 22,63 € 1.505,60 € 17,92 € 50,75 9 Scootmobiel maximaal 12km per uur 84 € 2.521,86 € 30,02 € 1.505,60 € 17,92 € 50,75 10 Scootmobiel maximaal 15km per uur 84 € 3.156,45 € 37,58 € 1.505,60 € 17,92 € 50,75 11 Scootmobiel maximaal 15km per uur, extra geveerd 84 € 3.409,55 € 40,59 € 1.505,60 € 17,92 € 50,75 12 Scootmobiel demontabel / meeneembaar maximaal 6km per uur 84 € 752,89 € 8,96 € 1.505,60 € 17,92 € 50,75 13 Driewielfietsen volwassenen 84 € 1.743,29 € 20,76 € 358,48 € 4,26 14 Driewielfietsen kind-eren; ca. 2 tot 5 jaar 60 € 947,30 € 15,79 € 286,79 € 4,78 15 Driewielfietsen kinderen; ca. 5 tot 9 jaar 60 € 1.283,85 € 21,40 € 286,79 € 4,78 16 Driewielfietsen voor kinderen van 9 tot 15 jaar 60 € 1.650,67 € 27,51 € 286,79 € 4,78 A B C D E F Hulpmiddel PGB in maanden PGB-bedrag hulpmiddel incl. BTW excl. aanpassingen Afschrijving per maand All-in onderhoud (vast tarief, gehele PGB periode, maximaal 60 resp. 84 mnd. Incl. BTW) onderhoud per maand Verzekering WA incl. assurantie-belasting 17 Tilliften passief 84 € 3.324,66 € 39,57 € 1.505,60 € 17,92 18 Tilliften actief 84 € 4.069,99 € 48,46 € 1.505,60 € 17,92 19 Douche- toiletstoelen op poten 84 € 280,84 € 3,34 nvt 20 Douche- toiletstoelen op zwenkwielen 84 € 475,03 € 5,65 nvt 21 Douche- toiletstoelen zelfrijder 84 € 722,17 € 8,60 nvt 22A Duo-fietsen in tweewieluitvoering 84 € 2.737,40 € 32,59 € 358,48 € 4,26 22B Duo-fietsen in driewieluitvoering 84 € 4.228,47 € 50,33 € 358,48 € 4,26 23 Driewielfietsen met elektrische ondersteuning 84 € 3.886,41 € 46,26 € 1.505,60 € 17,92 24 Aankoppelbaar fietsdeel / handbike 84 € 2.730,03 € 32,50 € 358,48 € 4,26 25 Elektrische aandrijfunits hoepelondersteuning 84 € 5.733,41 € 68,26 € 1.505,60 € 17,92 € 50,75 26 Elektrische aandrijfunits duwondersteuning 84 € 3.322,00 € 39,54 € 1.505,60 € 17,92 € 50,75 27 Elektrische aandrijfunits met joystick 84 € 6.541,11 € 77,87 € 1.505,60 € 17,92 € 50,75 28 Buggy's voor kinderen 60 € 394,61 € 6,58 € 200,75 € 3,35 29 Kinderduwwandelwa-gens 60 € 1.649,66 € 27,50 € 286,79 € 4,78 30 Kinderrolstoelen handbewogen 60 € 1.310,90 € 21,85 € 286,79 € 4,78 31 Kinderrolstoelen handbewogen met kantelverstelling 60 € 1.857,00 € 30,95 € 286,79 € 4,78 32 Kinderrolstoelen elektrisch 60 € 7.494,04 € 124,90 € 1.433,90 € 23,90 € 50,75 33 Rolstoelfietsen 84 € 3.471,91 € 41,33 € 358,48 € 4,26 34 Badliften elektrisch 84 € 994,47 € 11,83 € 351,31 € 4,18 Bijlage 3 Toelichting zorgzwaartepakketten Beschermd Wonen bij psychi(atri)sche en/of psychosociale problemen Alle intramurale arrangementen zijn onderverdeeld in zorgzwaartepaketten. Een zorgzwaartepakket (ZZP) is een volledig pakket van intramurale begeleiding met 24 uurs onplanbare begeleidingsbehoefte, dat aansluit op de kenmerken van de cliënt en het soort begeleiding die de cliënt nodig heeft. Deze omschrijvingen zijn afkomstig uit het rapport Zorgzwaartepakketten Sector GGZ van Bureau HHM (juni 2011). De onderstaande pakketten zijn van toepassing op cliënten die op grond van artikel 4.6 lid 3 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2018 in aanmerking komen voor Beschermd Wonen. Dit betreft cliënten met psychi(atri)sche en/of psychosociale problemen. ZZP 1 GGZ C (intramuraal) Deze cliëntgroep heeft vanwege een lichte psychiatrische aandoening, begeleiding en vooral bescherming en stabiliteit nodig, in een veilige en weinig eisende woonomgeving. ZZP 2 GGZ C (intramuraal) Deze cliëntgroep heeft vanwege een psychische aandoening continu begeleiding nodig. De cliënten hebben een structuur, stabiliteit, bescherming en veiligheid biedende woonomgeving nodig waarin toezicht wordt gehouden en die weinig eisen stelt. ZZP 3 GGZ C (intramuraal) Deze cliëntgroep heeft vanwege een complexe psychiatrische aandoening intensieve begeleiding nodig. De cliënten hebben een veilige, weinig eisende en prikkelarme woonomgeving nodig die bescherming, stabiliteit en structuur biedt. De symptomatologie is bij deze cliënten naar de achtergrond geschoven en de 'defecten' staan op de voorgrond. De zorg is dan ook met name gericht op het omgaan met deze defecten. ZZP 4 GGZ C (intramuraal) Deze cliëntgroep heeft vanwege een complexe psychiatrische aandoening intensieve begeleiding nodig. De cliënten hebben een structuur en toezicht biedende beschermende woonomgeving nodig, die deels een besloten karakter kan hebben (gecontroleerde in- en uitgang). Er is ondersteuning van taken op alle levensterreinen nodig inclusief hulp vanwege (somatische) gezondheidsbeperkingen. ZZP 5 GGZ C (intramuraal) Deze cliëntgroep heeft vanwege een psychiatrische aandoening intensieve begeleiding nodig. De woonomgeving moet veel structuur, veiligheid en bescherming bieden, die deels een besloten karakter kan hebben (gecontroleerde in-en uitgang). Er is ondersteuning en overname van taken op alle levensterreinen nodig. ZZP 6 GGZ C (intramuraal) Deze cliëntgroep heeft vanwege een psychiatrische aandoening, in combinatie met een somatische aandoening, lichamelijke handicap of verstandelijke beperking, intensieve begeleiding nodig. De woonomgeving moet veel structuur, veiligheid en bescherming bieden en zijn aangepast aan de beperkingen van de cliënten (bijvoorbeeld rolstoelgebruik). Er is veelal overnamen van taken op alle levensterreinen nodig. Beschermd wonen extramuraal met bescherming Deze woonvorm biedt bescherming, structuur en stabiliteit vanuit een veilige en weinig eisende woonomgeving. Er wordt toezicht gehouden die weinig eisen stelt. De begeleiding is geen 24 uur aanwezig, maar wel beschikbaar (al dan niet op afroep). Beschermd wonen extramuraal biedt cliënten de mogelijkheid om zich geleidelijk voor te bereiden op (meer) zelfstandigheid. Bijlage 4 Toelichting zorgzwaartepakketten Beschermd Wonen bij een (vermoeden van een) licht verstandelijke beperking De onderstaande pakketten zijn van toepassing op cliënten die op grond van artikel 4.6 lid 4 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2018 in aanmerking komen voor Beschermd Wonen. Dit betreft cliënten met cliënten met (een vermoeden van) een licht verstandelijke beperking. ZZP 3 VG Deze cliëntgroep functioneert sociaal beperkt zelfstandig. De cliënten wordt een veilige en vertrouwde leef- en woonomgeving geboden. De ondersteuning is gericht op het stimuleren van de zelfredzaamheid bij het uitvoeren van taken en op regievoering over het eigen leven. ZZP 4 VG Deze cliëntgroep functioneert sociaal zeer beperkt zelfstandig vanwege een verstandelijke handicap. Een belangrijk doel van de begeleiding is het bieden van een vertrouwde leef- en werkwoonomgeving. ZZP 6 VG Deze cliëntgroep functioneert sociaal zeer beperkt zelfstandig en is intensief begeleidingsbehoeftig vanwege een verstandelijke handicap gecombineerd met gedragsproblematiek en/of psychiatrische problematiek.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.