← Nederland

Beleidsplan WMO Bloemendaal 2008 - 2011 (Bloemendaal)

Beleidsplan WMO Bloemendaal 2008 - 2011Hoofdstuk1Algemene aspecten Vierjaarlijks plan Op 1 januari 2007 is de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) in werking getreden. De WMO is een wet die op alle inwoners van de gemeente van toepassing is. De gemeente heeft onder de WMO de taak de regie te voeren over een sluitend aanbod van wonen, zorg en welzijn en verantwoordelijkheid te nemen voor ontstane lacunes. In 2006 is met betrekking tot de WMO al het nodige gebeurd. Zo is voor ca. 400 huishoudens de hulp bij het huishouden – in het kader van de overgang van deze voorziening van de AWBZ naar de WMO - feitelijk geregeld. Voorts zijn diverse beleidsdocumenten vastgesteld, waaronder de Verordening en het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Bloemendaal. De tweede fase staat nu voor de deur. Artikel 3 van de WMO geeft opdracht aan de gemeenteraad: “een of meer plannen vast te stellen die richting geven aan de door de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders te nemen beslissingen betreffende maatschappelijke ondersteuning”. Het eerste plan heeft betrekking op het tijdvak 2008 – 2011. In de wet is vastgelegd welke zaken in ieder geval in het plan moeten worden beschreven, te weten: wat de gemeentelijke doelstellingen zijn op de negen in de wet genoemde prestatievelden (deze worden in het volgende hoofdstuk beschreven); hoe het samenhangend beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning zal worden uitgevoerd en welke acties in de periode 2008-2011 zullen worden ondernomen; welke resultaten de gemeente in de periode 2008-2011 wenst te behalen; welke maatregelen genomen worden om de kwaliteit van de uitvoering van maatschappelijke ondersteuning te waarborgen; welke maatregelen genomen worden om aan degenen aan wie maatschappelijke ondersteuning op de prestatievelden 5 en 6 (individuele en algemene voorzieningen) wordt verleend keuzevrijheid te bieden; op welke wijze de gemeente zich heeft laten informeren over de behoeften van kleine doelgroepen. Het plan vormt een combinatie van oud en nieuw beleid. Zelfredzaamheid en participatie De belangrijkste doelstelling van de WMO is het bevorderen van de maatschappelijke participatie. Maatschappelijke ondersteuning en dienstverlening staan in het teken van het zelfstandig kunnen wonen en participeren. Daarbij wordt uitgegaan van ieders verantwoordelijkheid voor en zeggenschap over zijn of haar leven. Daarbij staan ieders kwaliteiten en mogelijkheden centraal. Kernbegrip in de WMO is de eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zijn eigen zorg- en/of ondersteuningsbehoefte. Dit houdt in dat mensen zo zelfstandig mogelijk en met zoveel mogelijk keuzevrijheid verantwoordelijkheid dragen voor zichzelf en de eigen omgeving. Zij zijn zich bewust van de kosten van voorzieningen, zorgen voor naasten, doen mee aan verenigingsleven of vrijwilligerswerk en dergelijke. In deze benadering wordt er vanuit gegaan, dat burgers in eerste instantie de eigen verantwoordelijkheid benutten om de drempels te slechten die deelname aan de samenleving in de weg staan. Soms kunnen burgers zich niet op eigen kracht redden door bijvoorbeeld een lichamelijk gebrek of een chronische ziekte. De gemeente speelt hier actief op in met behulp van een goed preventief beleid en adequate collectieve voorzieningen. Preventieve en algemene voorzieningen De gemeente voert een preventief beleid om uitval van mensen te voorkomen. Is dit laatste aan de orde dan worden maatregelen ontwikkeld om mensen weer op de been te helpen. Samen met de regiogemeenten heeft de gemeente als taak verslaafden, dak- en thuislozen en vrouwen in crisissituaties als gevolg van hui-selijk geweld op te vangen. De gemeente voert een strak leerplichtbeleid teneinde het voortijdig schoolver-laten van jongeren te voorkomen. Centrale begrippen bij het gemeentelijk beleid zijn: zelfredzaamheid en eigen initiatief, participatie, integratie, vraaggericht werken en een leefomgeving die schoon, heel en veilig is. Alle burgers moeten gebruik kunnen maken van goede algemene voorzieningen. Hoe beter het algemene beleid toegesneden is op alle inwoners hoe kleiner het risico dat iemand buiten de boot valt. Hierdoor is de WMO niet een eenzijdige wet voor kwetsbare personen of groepen, maar een wet voor iedereen. Op deze wijze kunnen inwoners van Bloemendaal blijven participeren. De vangnetfunctie van de Wmo Soms zijn de collectieve/algemene voorzieningen en preventieve functies niet voldoende om kwetsbare burgers aan onze samenleving te laten meedoen. Indien inwoners van Bloemendaal buiten de boot (dreigen

  1. te)vallen, neemt de gemeente met maatschappelijke partners maatregelen om dat te voorkomen of om mensen weer binnenboord te halen. Zodat zij vervolgens weer zelfstandig kunnen functioneren en hun eigen keuzes kunnen maken. De gemeente zet zich er, samen met anderen voor in, dat inwoners in harmonie met elkaar leven en omgaan. De gemeente vindt het belangrijk dat de kwaliteit van de zorg en ondersteuning aan haar burgers een goed niveau heeft. Daarbij is aandacht voor preventie van groot belang, omdat enerzijds hierdoor het welzijn van burgers kwalitatief bevorderd kan worden en anderzijds een onnodig beroep op voorzieningen tegengaan kan worden. Voor de compensatie van de beperkingen die personen ondervinden in hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kent de gemeente voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Uitgangspunt daarbij is dat het hierbij gaat om voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en afgestemd zijn op de specifieke situatie van de cliënt. Uitgangspunten van beleid: Algemene voorzieningen gaan voor individuele voorzieningen Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het opvoeden van hun kinderen Eigen verantwoordelijkheid van de burger Vraagsturing Keuzevrijheid Zo min mogelijk bureaucratie en zaken die belastend zijn voor de cliënt Schoon, heel en veilig Primaat privaat (zo min mogelijk uitvoering door de gemeente zelf) De gemeente voert de regie Aandacht voor kwetsbare groepen Aansluiten bij al bestaande initiatieven Een zodanig aanbod van diensten en activiteiten vanuit de (welzijns)instellingen, dat burgers zo lang mogelijk de regie op hun eigen bestaan houden en zelfstandig kunnen blijven wonen Uitgangspunt van de WMO is dat diensten en activiteiten van “welzijn” zodanig georganiseerd worden dat burgers zo lang mogelijk de regie over hun bestaan houden. De inzet van de gemeente is het optimaal positioneren van het welzijnswerk en het slaan van een brug naar de zorgorganisaties. De kansen die het welzijnswerk biedt liggen vooral op het terrein van de participatie. Het welzijnswerk raakt direct veel terreinen die in de WMO centraal staan, zoals het maatschappelijk werk, de diensten van het ouderenwerk, de ondersteuning van het vrijwilligerswerk en de activiteiten in het kader van het jeugdbeleid. Door al die raakvlakken is het belangrijk dat de gemeente het (gesubsidieerde) welzijnswerk opnieuw positioneert, door te onderzoeken welke functies het bestaande werk kan vervullen en welke vernieuwing(
  2. en)daarvoor noodzakelijk is (zijn). De rollen van de WMO-spelers In het kader van de Wmo vervullen burgers, het “maatschappelijk middenveld” en de overheid verschillende rollen. Een ideaal schets: De rol van de burger: Bloemendalers zijn zelfstandig, zelfredzaam, actief betrokken en solidair Een groot deel van de inwoners van Bloemendaal is zich ervan bewust dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun ontwikkeling. Zij zijn door hun opleidingsniveau en mondigheid in staat en bereid de eigen belangen te behartigen. Ze doen idealiter in de volle breedte mee aan de samenleving. Velen nemen initiatief, werken actief mee aan verenigingsactiviteiten en zijn partner bij publieke besluitvorming. Deze burgers dragen er aan bij, dat er heel veel goed gaat in de samenleving. Veel Bloemendalers zijn gericht op anderen, gaan relaties aan en zijn in staat die te onderhouden. Gezien vanuit deze (gewenste) rol zijn onze inwoners bereid om op basis van wederkerigheid anderen te helpen via vrijwilligerswerk en mantelzorg. Kortom, ze hebben een goed ontwikkelde gemeenschapszin. Niet alle Bloemendalers kunnen of willen voldoen aan dit profiel, nu niet maar ook niet in de toekomst. Er zijn altijd mensen die gewoon niet aan het profiel kunnen voldoen, omdat zij tijdelijk dan wel blijvend niet in de positie verkeren alle rollen te vervullen. Ieder mens heeft bovendien de vrije keus om zich op een andere manier prettig te voelen in de samenleving zonder daarbij anderen tot last te zijn. De rol van het maatschappelijk middenveld: instellingen en bedrijfsleven De gemeente Bloemendaal kan het Wmo-beleid niet alleen realiseren. Voor het realiseren van de Wmo-doelstellingen mag ook van het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven een bepaalde inbreng worden verwacht. Instellingen staan midden in de samenleving en hebben zicht op wat er aan de hand is in de stad en de regio. Zij bieden burgers met hun activiteiten tal van mogelijkheden om “mee te doen”. De instellingen leveren hun diensten direct of indirect aan de burgers. Zij werken daarbij nauw samen met andere organisaties. Instellingen bereiken daadwerkelijk geïsoleerde en maatschappelijk kwetsbare Bloemendalers. Ook het bedrijfsleven heeft een rol als het gaat om de ontwikkeling van de lokale samenleving. Bedrijven doen mee aan het scheppen en in stand houden van een cultureel-maatschappelijke, sociale en economische omgeving. Dit doen zij o.a. door faciliteiten, kennis, tijd en energie beschikbaar te stellen voor projecten die dat nodig hebben. Het mes van dit maatschappelijk ondernemen snijdt aan twee kanten. Naast het oplossen van een probleem is er sprake van een positieve PR, gemotiveerd personeel en wellicht nieuwe klanten. De rol van de gemeente De gemeente wil dicht bij de burger staan, wil weten wat er zich in de samenleving afspeelt en is nieuws-gierig naar nieuwe ontwikkelingen en initiatieven. In de rol van regisseur wordt gericht gewerkt aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Voor het oplossen van maatschappelijke problemen is de gemeente afhankelijk van derden. Daarvoor worden partijen bij elkaar gebracht en wordt geprobeerd bruggen te slaan. Soms door ontwikkelingen te faciliteren, te investeren en te stimuleren (subsidiebeleid). Niet alleen op lokaal niveau, maar ook op regionaal niveau met buurgemeenten. De gemeente voelt zich vanuit het publieke belang en binnen wettelijke kaders verantwoordelijk voor de aanwezigheid van een goed werkend en voldoende pakket aan voorzieningen en accommodaties. Vormgegeven in samenspraak met burgers. De gemeente als toekenner van diensten, zoals de voorzieningen gehandicapten en hulp bij het huishouden, levert hier ook een bijdrage aan. De belangrijkste rol voor de gemeente is het voeren van regie over wonen, welzijn en zorg. Dit betekent initiatief nemen, het faciliteren van ontwikkelingen en partijen aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Binnen de Wmo betekent de regierol: het stroomlijnen en bewaken van processen zorgen voor integraal beleid ontwikkelingen signaleren en samenbrengen de activiteiten van de verschillende actoren (gemeente, zorgaanbieders, welzijnsorganisaties, leveranciers, zorgverzekeraars en burgers) op elkaar afstemmen actoren aanspreken op de gemaakte afspraken Burger- en cliëntenparticipatie Binnen de Wmo speelt participatie op verschillende manieren een rol: Participatie in de zin dat de WMO beschouwd wordt als een participatiewet. Het gaat om “meedoen”, dit wil zeggen de deelname aan de samenleving, ook door kwetsbare burgers. Burgerparticipatie, hierbij gaat het om de betrokkenheid van burgers en instellingen bij het ontwikkelen van een visie op maatschappelijke ondersteuning in de gemeente en inspraak op het beleid Cliëntenparticipatie, hierbij staat de belangenbehartiging van vragers centraal Gemeenten zijn verplicht burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het beleid be-treffende maatschappelijke ondersteuning te betrekken. Daarnaast dient het beleidsplan Wmo, dat aan de gemeenteraad wordt voorgelegd, voor advies te worden voorgelegd aan representatieve lokale belangen-organisaties. Het advies wordt gevoegd bij het raadsvoorstel. In het beleidsplan moet de gemeente aangeven hoe zij zich heeft vergewist van de behoefte van de kleine doelgroepen. Zie hiervoor hoofdstuk 5. Kenmerkend voor de Wmo is het sturingsmodel van horizontalisering: de gemeente legt aan de lokale samenleving verantwoording af door de bereikte resultaten te presenteren. Gemeenten moeten ook deelnemen aan de landelijke benchmark. Zo kunnen burgers de resultaten van hun eigen gemeente vergelijken met die van andere gemeenten. Ook moeten gemeenten jaarlijks een klanttevreden-heidsonderzoek houden. Er wordt een WMO-raad ingesteld. Civil society Een begrip dat veel wordt gebruikt in de context van de WMO is civil society. Daarmee wordt bedoeld: een systeem van verbanden waar mensen vrijwillig deel van uitmaken en die niet voortvloeien uit gezin, familie, vrienden, overheid of bedrijfsleven. De civil society bestaat idealiter uit allerlei initiatieven die door burgers zelf worden gestart, omdat ze die initiatieven belangrijk vinden of omdat ze vinden dat ze bijdragen aan de leefbaarheid van hun leefomgeving of van de samenleving als geheel. De term civil society past in het denken in termen van een terugtredende overheid, waarbij burgers worden geacht meer verantwoordelijkheid te nemen en elkaar te ondersteunen, in plaats van alle hulp en steun van de overheid te verwachten. Samenhangend beleid De Wmo bestrijkt veel terreinen: wonen, welzijn, vervoer, gezondheid, zorg, zowel professioneel als mantelzorg, zowel collectieve als individuele voorzieningen. De gemeente moet zorgen voor samenhang tussen die aspecten. In dit kader wordt onder samenhang het volgende verstaan: Binnen de WMO-keten zijn 3 schakels/groepen te onderscheiden: de grote groep redelijk tevreden burgers, waarbij het erom gaat de situatie waarin zij verkeren te continueren. Dit kan via de algemene/collectieve voorzieningen. de risicogroepen, waarvoor op preventie gericht beleid (informatieverstrekking en advies) dient te worden gemaakt degenen die niet/onvoldoende (kunnen) participeren. Zij maken veelal gebruik van individuele voorzieningen. In het kader van de samenhang is het zaak ervoor te zorgen dat er op alle schakels beleid is geformuleerd en sprake is van een voldoende aanbod. Dit kan per prestatieveld of “over de prestatievelden heen”, per thema of per leeftijdsgroep, bijv. jeugd of ouderen Hoewel de Wmo raakvlakken heeft met vrijwel elk aspect van het gemeentelijk beleid, wordt in dit plan niet aan alle beleidsterreinen aandacht besteed. Hoofdstuk2Afbakening prestatievelden Binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning is de gemeente verantwoordelijk voor het realiseren van resultaten, neergelegd en beschreven in negen prestatievelden. Deze zijn: het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden het geven informatie, advies en cliëntondersteuning het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of van mensen met een psychosociaal probleem (aan te duiden als bevorderen deelname aan maatschappelijk verkeer) het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behoud van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer (aan te duiden als individuele voorzieningen) het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder sociale pensions en vrouwenopvang het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg het bevorderen van verslavingsbeleid De volgorde waarin de prestatievelden genoemd worden is niet toevallig. Het uitgangspunt is: in en door de samenleving wat (de samenleving zelf) kan Met algemene maatregelen wat daarna nog moet (preventief beleid) specifiek maatwerk alleen als dat voor de betrokken persoon noodzakelijk is. Hiermee wordt een drietrap gecreëerd waarbij de start bij de burger zelf ligt. Een toelichting per prestatieveld: PV 1 bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en kernen Het prestatieveld “bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten” is ruim en breed geformuleerd. De gemeente heeft hierin dan ook een grote vrijheid om lokaal invulling te geven en prioriteiten te stellen. Er zijn bovendien vele manieren waarop gemeenten de sociale samenhang kunnen bevorderen. Het spreekt vanzelf dat het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid raakt aan andere domeinen als wonen, ruimtelijke ordening, veiligheid etc. Leefbaarheid laat zich definiëren als: het wonen in een prettige en veilige omgeving, met de mogelijkheid om (thuis of in de buurt) gebruik te kunnen maken van (eenvoudige) zorg-, welzijns- en gemaksdiensten. Het aanbod dient zich te richten op de drie volgende componenten: huis diensten/voorzieningen omgeving Dus: een goede toegankelijke – aanpasbare of aangepaste – woning, betaalbare en bereikbare haal- en brengdiensten en een veilige, toegankelijke openbare (speel)ruimte. Met name de laatste twee elementen zijn niet alleen interessant voor mensen met een handicap, maar voor iedere wijkbewoner. De verwachting is dat in een gemeente die veel investeert in leefbaarheid, dus zorgt voor een omgeving die heel, schoon en veilig is, de vraag naar zorg vermindert. Het is aan “de burger” om concreet invulling te geven aan het begrip leefbaarheid. Het is echter niet de be-doeling, dat alle gemeentelijke beleidsterreinen die in meer of mindere mate raakvlakken hebben met het begrip leefbaarheid (bijv. het sport-, jeugd-, ouderen- of volkshuisvestingsbeleid of het verkeerscirculatie-plan) integraal onderdeel gaan uitmaken van het gemeentelijk WMO-beleid(splan). Het gaat om de knelpun-ten: een gebrek aan voorzieningen die de sociale samenhang of leefbaarheid van een totale wijk/kern ten goede komen of al aanwezige voorzieningen die verbetering behoeven. Om de leefbare woonomgeving tevens zodanig te maken dat zij de sociale samenhang bevordert kent dit prestatieveld twee belangrijke uitgangspunten: het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid ontstaat niet alleen door de inzet van de door de gemeente gefinancierde professionele organisaties. Eerst en vooral gaat het om de inzet van de bewoners zelf. Het ligt dan ook voor de hand dat de gemeente bij de uitwerking zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij initiatieven vanuit de wijk, of deze initiatieven stimuleert Ten tweede wordt de sociale samenhang bevorderd door het hanteren van het principe: van algemeen naar bijzonder. Het is op de lange termijn voordeliger te kiezen voor oplossingen die niet alleen voor specifieke doelgroepen maar voor iedereen bruikbaar zijn Extra aandacht behoeven de voorzieningen ten behoeve van de kwetsbare burgers/groepen. Zie hiervoor hoofdstuk 5. PV 2 preventief jeugdbeleid Het prestatieveld “preventief jeugdbeleid” heeft betrekking op de in de gemeente wonende jeugdigen – en hun ouders – bij wie sprake is kan zijn van een verhoogd risico, maar voor wie zorg op grond van de Wet op de jeugdzorg (nog) niet nodig is dan wel voorkomen kan worden. Het preventief jeugdbeleid is geconcretiseerd in vijf functies, die onder gemeentelijke verantwoordelijkheid vallen. Deze functies zijn bedoeld als hulpmiddel bij het doorlichten van het lokale en regionale ondersteuningsaanbod en het opsporen van lacunes en overlappingen. In hoofdstuk 4, doelstelling 10, wordt uitgebreid ingegaan op de invulling van en samenhang tussen de vijf functies van het preventief jeugdbeleid. Hiernaast zullen de jeugdgezondheidszorg, de effectief bewezen interventies, de kindermishandeling en de afstemming in de keten toegelicht worden. PV 3 Informatie, advies en cliëntondersteuning Dit prestatieveld heeft zowel een algemene als een individuele component. Met “geven van informatie en advies” wordt gedoeld op activiteiten die de burger de weg wijzen in het veld van maatschappelijke ondersteuning. Het gaat hierbij om algemene voorzieningen zoals (voldoende) informatiepunten, specifieke voorzieningen zoals een individueel advies, of hulp bij de verheldering van een ondersteuningsvraag. De gemeente laat zich hierbij zoveel mogelijk leiden door de “één loket gedachte”: een burger zou zich in principe niet vaker dan één maal tot de gemeente behoeven te wenden om over het gehele scala van voorzieningen de nodige informatie te verkrijgen. Daarbij dient de gemeente zich niet te beperken tot die voorzieningen waar zij zelf over gaat, maar ook informatie te geven over relevante aanpalende terreinen, zoals zorg en wonen. Onder “cliëntondersteuning” wordt verstaan de ondersteuning van een cliënt bij het maken van een keuze of het oplossen van een probleem. Het gaat een stap verder dan informatie en advies en richt zich op mensen die voor een vraag of een situatie staan die zodanig complex is dat de betreffende persoon het zelf en met zijn omgeving niet kan oplossen. Voor de gemeente betekent een en ander een voortzetting van de bestaande verantwoordelijkheid voor de ouderenadvisering, sociaal raadsliedenwerk en de algemene maatschappelijke dienstverlening. De verantwoordelijkheid voor de cliëntenondersteuning voor mensen met (verstandelijke of lichamelijke) beperkingen en voor mensen met een psychische aandoening is nieuw. Voorbeelden zijn: het WMO loket: digitaal, fysiek, telefonisch of bij mensen thuis ouderenadvisering, al dan niet in combinatie met huisbezoeken cliëntondersteuning afstemming tussen verschillende vormen van dienstverlening PV 4 mantelzorg en vrijwilligers Hoewel vrijwilligerswerk en mantelzorg naar inhoud en motivatie van de betrokkenen verschillen, zijn zij voor de overzichtelijkheid en omdat de overeenkomst gelegen is in de inzet voor de naasten in één prestatieveld opgenomen. De gemeentelijke verplichtingen worden geacht vooral procedureel te zijn, hoewel de wet ruimte biedt voor individuele voorzieningen als de gemeente dit wenselijk acht. De vrijwillige inzet van burgers, zowel informeel en ongeorganiseerd als in georganiseerd verband vormt een onmisbaar deel van de “civil society”. Met zijn vrijwillige inzet levert de burger actief een bijdrage. Hij geeft niet alleen zijn eigen meedoen vorm, maar draagt ook bij aan het meedoen van kwetsbare groepen. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet alleen om vrijwillige inzet in de zorg, maar om vrijwillige inzet op alle terreinen van de samenleving. Uit gegevens van het Sociaal Plan Bureau blijkt, dat ca. 3,5 mln. mensen zich op een of andere manier voor een ander inzetten. Vrijwilligerswerk is werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald, wordt gedaan voor anderen of voor de samenleving. Mantelzorg kan worden omschreven als langdurende zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het gaat om het bieden van iets extra’s dat qua duur en intensiteit de “normale gang van zaken” overstijgt. Vaak is er sprake van een situatie van het in de knel komen van maatschappelijke verplichtingen en persoonlijke voorkeuren. Veelal wordt voor mantelzorg uitgegaan van de volgende definitie: langer dan drie maanden, meer dan acht uur per week, de verzorging voor iemand op zich nemen. Het Sociaal Plan Bureau heeft berekend dat in de leeftijdsgroep van 18 jaar en ouder ca. 750.000 personen (ca. 6%) aan deze criteria voldoen. PV 5 bevorderen deelname aan het maatschappelijk verkeer In dit prestatieveld wordt gedoeld op algemene maatregelen die, zonder dat men zich tot de gemeente hoeft te wenden, ten goede zouden kunnen komen aan een ieder die daaraan behoefte heeft. De maatregel hoeft niet uitsluitend gericht te zijn op mensen met een beperking, als zij er maar baat bij hebben. De deelname van mensen met een beperking aan het maatschappelijk verkeer zal bevorderd worden als zij zich met hun rolstoel, of met welk hulpmiddel dan ook, gemakkelijk kunnen bewegen in hun leefomgeving, en toegang hebben tot alle openbare faciliteiten als bibliotheek en gemeentehuis. Maar ook het organiseren van activiteiten met een sociaalrecreatief karakter of sportief karakter voor specifieke doelgroepen is een voorbeeld. Door het gebruik van het woord “bevorderen”heeft de gemeente een grote beleidsvrijheid. Zij kan zelf invulling geven aan dit beleidsterrein, maar ze kan evenzeer, als pleitbezorger van de mensen om wie het gaat, veranderingen pogen aan te brengen op terreinen waar zij geen directe bevoegdheid heeft. Een sector als “aanpasbaar bouwen” is een voorbeeld van een terrein waarop de gemeente geen beleidsinstrumenten heeft, maar waarop zij wel degelijk voor de doelgroep belangwekkende resultaten kan boeken. Bij participatie in de samenleving gaat het om de deelname aan alle aspecten van de samenleving. PV 6 verlenen individuele voorzieningen Dit prestatieveld heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning dat zich richt op individuele mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. Het gaat om individueel te verlenen voorzieningen, die aan de behoefte van het individu zijn aangepast. Het individuele gebruikskarakter van de voorziening betekent niet, dat de gemeente het verlenen van die voorziening niet op collectieve wijze vorm kan geven. De gemeente is, met uitzondering van die voorzieningen waarvoor een zorgplicht geldt, vrij om te bepalen welke concrete voorzieningen zij zal verlenen en welke niet. PV 7, 8 en 9 maatschappelijke opvang, OGGZ en verslavingsbeleid Maatschappelijke opvang omvat activiteiten bestaande uit het tijdelijke bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meerdere problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Onder vrouwenopvang wordt begrepen het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan vrouwen die, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van relationele aard of geweld. Onder het bieden van openbare geestelijke gezondheidszorg wordt nagenoeg hetzelfde verstaan als hetgeen in de Wet collectieve preventie volksgezondheid nu hieronder wordt verstaan. Te weten: het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare personen en risicogroepen het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de openbare geestelijke gezondheidszorg Ambulante verslavingszorg doelt op activiteiten bestaande uit ambulante hulpverlening, gericht op verslavingsproblemen, en preventie van verslavingsproblemen, inclusief activiteiten in het kader van bestrijding van overlast door verslaving. Hoofdstuk3Bloemendaals profiel De Wet maatschappelijke ondersteuning richt zich op negen prestatievelden en de doelgroep van de wet omvat alle inwoners van de gemeente. Binnen de algemene doelgroep onderscheiden zich nog specifieke doelgroepen. In dit hoofdstuk worden enkele voor de WMO relevante demografische, sociaal-economische en gezondheidsgegevens van Bloemendaal weergegeven. Deze gegevens samen vormen het profiel van Bloemendaal en de achtergrond voor het Bloemendaalse WMO-beleid. Omdat Bloemendaal geen eigen statistisch onderzoeksbureau heeft is de gemeente voor de aanlevering van de gegevens afhankelijk van externe bronnen. Een groot deel van gegevens in dit hoofdstuk komt uit de rapportage van het CBS “Gemeente op Maat” van januari 2007. Oppervlakte en dichtheden Bloemendaal heeft een totale oppervlakte van 43,29 km². Op elke vierkante km land wonen gemiddeld 448 mensen. Ter vergelijking: gemiddeld wonen er in Nederland 483 mensen per km² en in Noord-Holland 973. Ook het aantal adressen per vierkante km is in Bloemendaal een stuk lager dan gemiddeld in Nederland: 1056 Bloemendaalse adressen tegenover 1865 adressen in Nederland en 3072 adressen in Noord-Holland. Demografische gegevens Het aantal inwoners in Bloemendaal bedraagt per 1 januari 2005 17.005 waarvan meer dan de helft, 53% vrouw is. De uitsplitsing naar leeftijd ziet er als volgt uit: Bevolking Bloemendaal Nederland Absoluut % Absoluut % 0-4 jaar 948 5,6 1.010.626 6,2 5-9 jaar 1.189 7,0 987.916 6,1 10-14 jaar 1.150 6,8 1.010.032 6,2 15-19 jaar 975 5,7 979.383 6,0 20-24 jaar 580 3,4 969.352 5,9 24-44 jaar 3.333 19,6 4.806.196 29,5 45-64 jaar 5.240 30,8 4.253.351 26,1 65-79 jaar 2.353 13,8 1.715.097 10,5 80 jaar of ouder 1.237 7,3 573.573 3,5 Totaal 17.005 100,0 16.305.526 100,0 Opvallende verschillen ten opzichte van de landelijke cijfers zijn: Ondervertegenwoordiging van de leeftijdsgroep 15 tot 45 jaar; Oververtegenwoordiging van de leeftijdsgroep 45 jaar en ouder. Van de 17.005 inwoners woont het grootste deel in Bloemendaal: 6.245. Aerdenhout komt met 4.450 inwoners op de tweede plaats gevolgd door Overveen met 4.020 inwoners. Vogelenzang is met 2.290 personen de kleinste dorpskern. 58,4 % van de inwoners van 15 jaar en ouder is gehuwd; 26,8 is ongehuwd; 8,4 % verweduwd en 6,4 % is gescheiden. Het percentage gescheiden inwoners ligt 1% lager dan het landelijk gemiddelde. In Bloemendaal wonen 583 mensen (3,4%) van niet-westerse allochtone afkomst. De groep Surinamers, Antillianen en Arubanen vormt hiervan de meerderheid: 147 personen. Turken staan op nummer 2 met 33 personen. Sociaal-economische gegevens Het aantal mensen met een uitkering is in Bloemendaal relatief gering. Ter illustratie staat in onderstaande tabel een overzicht van het percentage uitkeringen per 1000 inwoners in de leeftijd 15-64 jaar (WWB-uitkeringen per 1000 huishoudens): Nederland Bloemendaal WWB-uitkeringen 50 18 WAO-uitkeringen 62 52 Wajong-uitkeringen 13 6 WAZ-uitkeringen 5 4 WW-uitkeringen 28 18 WWB = Wet Werk en Bijstand WAO = Wet op de arbeidsongeschiksheidsverzekering Wajong = Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten WAZ = Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen WW = Werkloosheidswet Gezondheidsgegevens Een belangrijke doelgroep van de Wmo is de groep chronisch zieken en gehandicapten. Gegevens over de omvang van deze groep in Bloemendaal zijn niet direct voorhanden. Uit een rapportage van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2004 stamt het onderstaande overzicht: Ziekte Prevalentie per 1000 personen van 65 jaar en ouder Kanker 42 Diabetes 98 Psychische aandoeningen 93 Ziekten van het zenuwstelsel 21 Beroerte 59 Hartziekten 140 Astma 125 Ziekten van het bewegingsapparaat 423 Dementie 94 Omdat mensen meerdere aandoeningen kunnen hebben, is het niet zinvol de aantallen te totaliseren. Overigens mag op basis van de opleidingsgegevens en inkomensgegevens van de Bloemendaalse inwoners verwacht worden dat de werkelijke cijfers lager liggen. Circa 10% van de inwoners heeft een lichamelijke handicap. In Bloemendaal hebben dus naar schatting 1700 mensen een fysieke beperking. Hoofdstuk4Doelstellingen per (cluster van) prestatieveld(
  3. en)doelstellingen m.b.t. het bevorderen van de sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en kernen zorgen voor voldoende speelmogelijkheden; het voorzien in de behoefte aan jeugdhonken (mede) zorgen voor voldoende peuterspeelzalen en voorzieningen voor kinderopvang een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het onderwijs het realiseren van brede scholen sport: ondersteuning jeugd, ouderen en gehandicapten; aandacht voor sport als bindingsfactor intensiveren veiligheidsbeleid – vergroten (gevoel van) sociale veiligheid in de dorpskernen voldoende voorzieningen realiseren en behouden waardoor het voor zoveel mogelijk inwoners mogelijk is langer (zelfstandig) te blijven wonen zorgen dat mensen elkaar kunnen (blijven) ontmoeten en daardoor bij elkaar betrokken blijven en zo het sociaal isolement voorkomen participatie inwoners Doelstellingen m.b.t. het preventief jeugdbeleid zorg dragen voor voorzieningen op lokaal niveau om problemen in het opvoeden en opgroeien te voorkomen en als de problemen zich voordoen, ze zo snel mogelijk te onderkennen en zo goed mogelijk op te lossen. Daartoe gebruik maken van een Centrum voor Jeugd en Gezin; voorlichting verstrekken over het gebruik van drugs en alcohol. het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en ervoor zorgen dat zoveel mogelijk jongeren met een startkwalificatie het onderwijs verlaten Doelstellingen m.b.t. verstrekken informatie, advies en cliëntondersteuning 12.Een goed functionerend en laagdrempelig, (digitaal) WMO-loket 12. Benutten bibliotheek als bron van informatie en ontmoetingsplek 12. Inwoners dienen toegang te hebben tot een anti-discriminatievoorziening Doelstellingen m.b.t. mantelzorgers en vrijwilligers, het bevorderen van de deelname en individuele voorzieningen vrijwilligers faciliteren, ondersteunen en het tonen van waardering voor hun werk. Stimuleren van nieuwe groepen mensen in de samenleving tot vrijwilligerswerk. mantelzorgers in staat stellen een goede mix te vinden tussen het verlenen van zorg enerzijds en deelname aan het maatschappelijk leven anderzijds; voorkomen dat mantelzorgers overbelast raken ervoor zorgen dat mensen ook in de toekomst bereid en in staat zijn hun zorgtaak voor familie of naasten op zich te nemen het treffen van voorzieningen, ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 4, 5 en 6, van de Wet maatschappelijke ondersteuning ondervindt bij zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, teneinde hem in staat te stellen: een huishouden te voeren; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem; van mensen met een psychosociaal probleem Doelstelling(
  4. en)m.b.t. maatschappelijke opvang, OGGZ en verslavingszorg 17.het voorkómen van (verergering van) problemen waardoor sociaal kwetsbare mensen uitvallen. De 17. OGGZ moet erop gericht zijn dat de cliënt zo snel mogelijk zelf (weer) zijn of haar problemen kan 17. oplossen. 1. voldoende speelmogelijkheden; voorzien in de behoefte aan jeugdhonken voor wie de jeugd van 2 tot ca. 17 jaar de ouders/verzorgers van de jongste kinderen gehandicapte kinderen waarom Jonge kinderen moeten gebruik kunnen maken van op korte afstand gelegen, veilige en uitdagende speel-voorzieningen. Het (samen) spelen is goed voor kinderen en verbetert de leefbaarheid. De wat oudere kinderen moeten op een eigen plek leeftijdgenoten kunnen ontmoeten. Ook of juist voor gehandicapte kinderen is buiten spelen zeer belangrijk. Het is van belang dat gehandicapte en niet-gehandicapte kinderen met elkaar (leren) spelen. wat gebeurt er Er worden jaarlijks ten minste twee speelvoorzieningen gerenoveerd. Het opknappen geschiedt in overleg met de buurtbewoners. Op basis van een periodieke schouw wordt onderhoud aan de speeltoestellen verricht. Bij elke toekomstige renovatie van een speelvoorziening (minimaal twee per jaar) wordt bezien, in overleg met de doelgroep, of op de betreffende locatie aanpassingen/voorzieningen ten behoeve van (geestelijk en/of lichamelijk) gehandicapte kinderen noodzakelijk en mogelijk zijn, en zo ja welke. Er zijn thans 24 openbare speelvoorzieningen in de gemeente, twee daarvan bevinden zich bij basisscholen. Het streven is álle schoolterreinen tot openbaar speelterrein te maken. Hiertoe dienen, in overleg met betrokkenen, voorzieningen getroffen te worden. Ter stimulering van het ‘samen spelen’ wordt jaarlijks in elke dorpskern een straatspeelavond of activiteit georganiseerd, bijv. straatvoetbal. De organisatie daarvan wordt uitbesteed. Omdat gebleken is dat gehandicapte kinderen vaak door hun ouders/verzorgers worden begeleid maar zij ook behoefte hebben aan het spelen met andere (al dan niet gehandicapte) kinderen, zal een project opgezet worden – mede in het kader van de sociale cohesie – waarbij de gehandicapte kinderen met andere kinderen in contact komen. Dit kan al dan niet in een speeltuin zijn. In het Dorpshuis Vogelenzang is een jeugdhonk gevestigd, dat gericht is op de jeugd van 12/13 tot 16/17 jaar. Het aantal jeugdhonken in de gemeente wordt uitgebreid, een mobiele voorziening behoort tot de mogelijkheden. beoogde resultaten speelvoorzieningen die voldoen aan het Veiligheidsbesluit speeltoestellen jaarlijks twee speelvoorzieningen opknappen, op basis van een met omwonenden overeengekomen plan bij elke aanpassing bezien of voorzieningen ten behoeve van gehandicapte kinderen nodig zijn jaarlijks in elke dorpskern een straatspeelavond of spe(e)lactiviteit organiseren activiteiten/voorzieningen organiseren waarbij gehandicapte en niet-gehandicapte kinderen met elkaar in contact komen openbaar maken speelterreinen bij scholen uitbreiding van het aantal jeugdhonken benodigd extra budget ten opzichte van 2007 project ‘gehandicapte en niet-gehandicapte kinderen ontmoeten elkaar’: € 10.000 jeugdhonk(en): € 50.000 2. voldoende peuterspeelzalen en voorzieningen voor kinderopvang voor wie kinderen van 0 t/m 4 jaar hun ouders/verzorgers waarom Het (leren) samen spelen met andere kinderen is voor de ontwikkeling van peuters van belang. Uitgangspunt is dat het voor elke peuter in Bloemendaal mogelijk moet zijn minimaal twee dagdelen per week een peuterspeelzaal te bezoeken. De kwaliteit van de dertien in Bloemendaal gevestigde peuterspeelzalen is goed. Er bestaat nog geen verordening op het Bloemendaalse peuterspeelzaalwerk waarin bijv. kwaliteitscriteria zijn opgenomen. Per 1 augustus 2007 dienen alle basisscholen – als ouders daarom vragen – hetzij zelf voor- en naschoolse opvang te verzorgen op schooldagen tussen 07.30 uur en 18.30 uur, hetzij faciliteiten te bieden waarbinnen andere partijen dat doen en hierbij de randvoorwaarden aan te geven. Medio 2007 is in alle kernen, met uitzondering van Overveen, een voorziening voor kinderopvang aanwezig. wat gebeurt er De gemeente verstrekt subsidie aan de Bloemendaalse peuterspeelzalen. In samenwerking met de besturen van de peuterspeelzalen wordt een verordening op het Bloemendaals peuterspeelzaalwerk opgesteld. Opzet is ook in de kern Overveen een kinderdagopvangvoorziening te realiseren. Ondanks dat de verantwoordelijkheid in eerste instantie bij de schoolbesturen berust, werkt de gemeente, als daartoe de noodzaak bestaat, actief mee aan het realiseren van een (opvang)voorziening bij/ten behoeve van elke school. Dit kan bijv. door medewerking te verlenen bij het aanpassen van schoolgebouwen (mede) ten behoeve van de opvang van kinderen buiten schooltijden. beoogde resultaten in alle kernen (een) voorziening(en)en voor kinderopvang (de ouders van) peuters de gelegenheid bieden minimaal twee dagdelen een speelzaal te (laten) bezoeken uiterlijk in 2008 een verordening op het Bloemendaals peuterspeelzaalwerk scholen behulpzaam zijn, bijv. via de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, bij het realiseren van voorzieningen voor voor- en naschoolse opvang. benodigd extra budget ten opzichte van 2007 geen 3. Een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het onderwijs voor wie basisschoolleerlingen hun ouders/verzorgers schoolbesturen en –directies waarom Hoewel in eerste instantie schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het onderwijs meent de gemeente mede een verantwoordelijkheid te hebben, met name daar waar het gaat om maatschappelijk relevante onderwerpen. Een verduidelijking: Het wordt van groot belang geacht dat leerlingen van scholen bewust worden gemaakt van hetgeen zich tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft afgespeeld. Voorlichting over levensbeschouwingen: leerlingen dienen kennis te kunnen nemen van door groepen mensen in onze samenleving aangehangen religieuze en niet religieuze levensovertuigingen, vooral van het Boeddhisme, het Christendom, de Islam, het Hindoeisme, het Humanisme en het Jodendom alsmede van de diverse stromingen en richtingen van liberalere of meer orthodoxe aard binnen al deze hoofdstromen. Scholen dienen (in staat te zijn) leerlingen te leren bewust met de natuur en het milieu om te gaan Het geven van gymnastiekonderwijs is ‘een vak apart’. Het dient, ter voorkoming van problemen op latere leeftijd dan ook gegeven te worden door vakdocenten. Leerlingen moeten, tijdens de acht jaar dat zij op de basisschool zitten, kennis kunnen maken met de zes kunstdisciplines: muziek, dans, film, literatuur, theater en beeldende kunst. Scholen moeten in staat zijn, bij onderwijskundige problemen of problemen met individuele leerlingen, terug kunnen vallen op externe begeleiding. Wat gebeurt er De gemeente financiert de volgende activiteiten: * project ‘adopteer een (oorlogs)monument’ * het jaarlijks beschikbaar stellen van de Anne Frankkrant a/d scholen * periodiek bezoek van de basisscholen aan het verzetsmuseum te Amsterdam De verordening subsidiering godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk onderwijs biedt ondersteuning aan scholen om samen met organisaties die zich aan religies en niet-religieuze levenbeschouwingen verbonden achten leerlingen voorlichting te geven over religies en niet-religieuze levensovertuigingen. Ter bevordering van natuur- en milieueducatie (NME) ondersteunt de gemeente NME-projecten van basis-scholen in de gemeente met een subsidie. Deze doelstelling kan, gelet op het geringe beroep dat op de subsidie wordt gedaan, beter gerealiseerd worden via schooltuinen. De gemeente stelt jaarlijks aan de gezamenlijke scholen een aanzienlijk budget beschikbaar teneinde vakdocenten gymnastiek de gymnastieklessen te kunnen laten verzorgen. De gemeente stelt jaarlijks € 5 per leerling (basisscholen) beschikbaar voor het zg. kunstmenu. Een kunst-menu is een samenhangend activiteitenprogramma waarbij kinderen kennis kunnen maken met de zes kunstdisciplines. Voor: het begeleiden van individuele scholen/leerlingen het verzorgen van onderwijs aan zieke leerlingen verstrekt de gemeente jaarlijks aan de/een onderwijsbegeleidingsdienst (i.c. Drielanden) een financiële bijdrage. Voor de jaren 2007 t/m 2010 is deze vastgesteld op € 66.300,--. beoogde resultaten alle Bloemendaalse basisschoolleerlingen brengen eenmaal in hun schoolcarrière een bezoek aan het Verzetsmuseum of het Anne Frankhuis te Amsterdam alle basisscholen schenken aandacht aan (bestrijding van ) fascisme/racisme, o.a. via de Anne-Frankkrant en het project ‘adopteer een monument’ op alle basisscholen wordt aandacht geschonken aan de grote levende religies alle basisscholen laten het vak gymnastiek verzorgen door een vakdocent alle basisscholen besteden, via de schooltuinen, aandacht aan Natuur- en Milieueducatie. alle basisscholen maken gebruik van de/een onderwijsbegeleidingsdienst benodigd extra budget ten opzichte van 2007 geen 4. het realiseren van brede scholen voor wie basisschoolleerlingen hun ouders/verzorgers waarom Brede scholen spelen in op diverse ontwikkelingen in de samenleving, bijv. de groeiende behoefte aan zg. dagarrangementen: een dagarrangement is een doorlopend aanbod van voorzieningen in opvang, onderwijs en voorzieningen voor kinderen tussen – in theorie - 0 en 16 jaar. De volgende drie doelen gelden voor bijna alle brede scholen: de ontwikkelingskansen voor kinderen vergroten; een doorgaande ontwikkelingslijn realiseren; een sluitend netwerk rondom het kind realiseren. Het gehuisvest zijn van alle organisaties in hetzelfde gebouw is daarbij een pluspunt, maar geen absolute voorwaarde. Samenwerking tussen organisaties en afstemming van de werkzaamheden op elkaar is waar het om draait. De gemeente staat achter het concept van de zg. brede school. Brede scholen komen echter in talloze varianten voor. Wil sprake zijn van een brede school die terecht deze naam voert dan is er sprake van een stevige netwerkvorming rond de kinderen en van een verbreding van het educatief aanbod. Het aanbod van deze scholen is dan uitgebreid met allerlei voorschoolse en buitenschoolse voorzieningen, zoals: opvoedingsondersteuning verlengde schooldag sportactiviteiten georganiseerd in samenwerking met de sportverenigingen kunstzinnige vorming kinderopvang jeugdhulpverlening/jeugdgezondheidszorg Om alle brede schoolinitiatieven te ordenen wordt vaak gebruik gemaakt van de volgende vijf profielen: het achterstandenprofiel : voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden het verrijkingsprofiel : breed aanbod activiteiten op sociaal, cultureel en sportief gebied het zorgprofiel : accent op opvoedingsondersteuning het opvangprofiel : opvang van kinderen, ook buiten reguliere schooltijden het wijk- en buurtprofiel : school is basisvoorziening in de buurt De gemeente meent dat Bloemendaalse (brede) scholen een mix dienen te zijn van de profielen 2, 3 en 4. Binnen Bloemendaal blijft het brede schoolconcept vooralsnog beperkt tot de basisscholen. De rol die brede scholen in het kader van de sociale samenhang (profiel 5) in kernen kunnen spelen komt aan de orde bij punt 8. Wat gebeurt er In 2006 is via een zg. startconferentie gestart met het proces te komen tot brede scholen in Bloemendaal. Dit proces wordt vervolgd. beoogde resultaten ·brede scholen in elke kern benodigd extra budget ten opzichte van 2007 bouwkundige aanpassingen: p.m. materiele uitgaven: p.m. 5. Sport: ondersteuning jeugd, ouderen en gehandicapten; aandacht voor sport als bindingsfactor voor wie alle ‘sportende’ Bloemendalers, echter met het accent op: jeugd ouderen gehandicapten waarom Bloemendaal mag met recht een sportgemeente worden genoemd. Sport is niet alleen goed voor ‘lichaam en geest’, het is tevens een sterke sociale bindingsfactor en mag alleen al om die reden niet in dit plan ontbre-ken. Jongeren, ouderen en gehandicapten moeten de mogelijkheid hebben aan sportactiviteiten deel te nemen. Bloemendaalse kampioenen verdienen het in het zonnetje te worden gezet. De wachtlijsten bij de Bloemendaalse sportverenigingen zijn een punt van zorg (wachtlijsten bij de hockeyverenigingen: 3 x 170 personen). DE verlichting van de accommodaties speelt bij de problematiek een rol. Mede in het kader van de versteviging van de band tussen de scholen dienen gemeenschappelijke/onderlinge schoolsportactiviteiten te worden gestimuleerd. De Bloemendaalse sportaccommodaties dienen voor iedereen goed toegankelijk te zijn Wat gebeurt er Op een vast tijdstip in het jaar (september) worden in het gemeentehuis alle sportkampioenen gehuldigd; De gemeentelijke schoolsportcommissie (die bestaat uit enkele vakdocenten gymnastiek) organiseert enkele malen per jaar interscholaire sportactiviteiten. De commissie wordt financieel ondersteund. Voor initiatieven op het gebied van Meer Bewegen voor Ouderen (MBVO) is jaarlijks € 10.000 beschikbaar. Voor het subsidiëren van jeugdsport is een budget van € 27.000 beschikbaar. Sinds 2007 bestaat in Bloe-mendaal de jeugdsportpas. Via deze pas kunnen jongeren, op basis van een aantal proeflessen, met ver-schillende sporten kennismaken. Er zal onderzoek worden gedaan naar de toegankelijkheid van de gemeentelijke sportaccommodaties voor mensen die niet zo goed ter been zijn; Met betrekking tot de wachtlijstproblematiek bij de hockeyverenigingen wordt over mogelijke oplossingen overleg gevoerd met de gemeente Haarlem, de sportverenigingen en de hockeybond. Twee verenigingen voor gehandicaptensport ontvangen een jaarlijkse subsidie: stichting paardrijden gehandicapten en stichting rolstoelhockey. Daarnaast ontvangt de stichting gehandicaptensport subsidie Er wordt onderzoek gedaan naar de behoefte aan sport van jongeren met een handicap. Bezien zal worden of er deelgenomen kan worden aan het project voor jongeren “voeding en beweging” van de provincie. Onderzocht zal worden of er voldoende draagvlak bestaat voor een periodiek te organiseren sportfestijn waaraan door de inwoners van alle dorpskernen, zowel valide als mindervalide, kan worden deelgenomen. Voorbeeld: * de (kwart) marathon van Bloemendaal. Om het (de twee) jaar te houden in een andere dorpskern en te organiseren door de inwoners van de betreffende kern (hierin ondersteund door de gemeente) Een dergelijk evenement kan worden omlijst met diverse culturele activiteiten. beoogde resultaten de jaarlijkse huldiging van sportkampioenen in september wordt als een traditie gezien wachtlijsten bij de sportverenigingen bestaan over 4 jaar niet of nauwelijks meer alle sportaccommodaties zijn uiterlijk over twee jaar goed toegankelijk voor personen die niet zo goed ter been zijn (of anderszins gehandicapt) de schoolsportcommissie organiseert jaarlijks interscholaire sportactiviteiten voor alle leerlingen van de groepen 3 t/m 8 ten minste 500 deelnemers aan ‘meer bewegen voor ouderen’ in 2011 aan een eventueel te organiseren (kwart) marathon van Bloemendaal (of ander grootschalig sportfestijn): wordt door minimaal 100 inwoners uit elke kern deelgenomen wordt door alle Bloemendaalse scholen meegedaan (minimaal 25 leerlingen per school) benodigd extra budget ten opzichte van 2007 maatregelen ter verbetering van de toegankelijkheid van sportaccommodaties: p.m. periodiek sportfestijn: € 10.000 6. Intensivering veiligheidsbeleid - Vergroten (gevoel van) sociale veiligheid voor wie alle inwoners waarom Het doel van het veiligheidsbeleid in Bloemendaal is de veiligheid objectief en subjectief te verbeteren. Deze doelstelling is meetbaar aan de hand van indicatoren zoals de afname van het aantal slachtoffers door onveilige situaties en incidenten, de afname van onveiligheidsgevoelens en de afname van het aantal delicten en incidenten op het vlak van veiligheid. Gestreefd wordt naar afname van het aantal woninginbraken, autodiefstallen en diefstallen uit auto’s Belangrijk onderdeel van het veiligheidsbeleid is om de bewoners, ondernemers en andere betrokkenen in de gemeente Bloemendaal daar waar mogelijk hierbij te betrekken en hen ook op hun eigen verantwoordelijkhe-den aan te spreken met betrekking tot de veiligheid in de buurt. Kortom, de nadruk ligt op een gezamenlijke aanpak die leidt tot concrete en zichtbare activiteiten dat uiteindelijk moet resulteren in positieve effecten op de veiligheids- en leefbaarbaarheidsomgeving, zodat het veilig is en een ieder zich veilig weet en voelt in Bloemendaal. Versterking op het gebied van de rampenbestrijding wordt nodig geoordeeld om voldoende slagkracht aan de dag te leggen in het geval Bloemendaal wordt geconfronteerd met een ramp/groot incident of crisis. De gemeente is door het ontbreken van lokale risicovolle objecten, zoals bepaalde industrieën minder kwetsbaar dan ‘andere’ gemeenten maar wel kwetsbaar qua menskracht, beschikbare capaciteit en bereikbaarheid, mocht zich een ramp (of de effecten daarvan) voordoen in de gemeente. Over de implementatie van de veiligheidsregio is een discussie gaande. Het waarborgen van een zo hoog mogelijke kwaliteit van brandweerzorg past binnen het streven van gemeenten om de veiligheid van de inwoners te waarborgen. Een professionele, hoogwaardig kwalitatieve brandweerorganisatie is hiervoor nodig. Afgifte, controle en handhaving van gebruiksvergunningen is het borgen van een brandveilig gebruik van bouwwerken ten behoeve van de veiligheid van alle personen die zich in en om dat bouwwerk kunnen bevinden. Met het afronden van de inhaalslag, zal de controleactiviteit de komende periode groeien en extra inspanning vragen. Controle omvat het bezoeken en inspecteren van het bouwwerk om te beoordelen of het voldoet aan de brandveiligheidseisen, alsmede een eerste hercontrole indien een overtreding is geconstateerd. Agressief rijgedrag vormt een probleem. Specifieke aandacht behoeft de veiligheid van beginnende verkeers-deelnemers. Het is van belang hen te beschermen en op weg te helpen in het verkeer. Hoewel in eerste aan-leg de verantwoordelijkheid van ouders, wil de gemeente hier actief aan bijdragen. Huiselijk geweld behoeft extra aandacht. Dit is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slacht-offer wordt gepleegd. Er zijn mensen die de aanwezigheid van jeugd als overlast ervaren. Overlast is echter een subjectief gegeven. Wat de een als overlast ervaart is voor een ander nog acceptabel. De gemeente neemt deel aan het HALT-project. Ongeveer de helft van alle jongeren die de politie aanhoudt voor het plegen van een strafbaar feit gaat naar Bureau Halt voor een Halt-afdoeling (jongeren van 12 tot 18 jaar) of een Stop-reactie (jongeren tot 12 jaar). Een belangrijke plek waar alle factoren rond jeugd en veiligheid samenkomen is de school. Veiligheid in en om de school vraagt dan ook speciale aandacht. Wat gebeurt er Gerichte aandacht van de politie voor het opsporen van daders en preventieve maatregelen in het kader van het politiekeurmerk ‘Veilig Wonen’ Op diefstalgevoelige plaatsen worden autobezitters geïnformeerd over door henzelf te nemen maatregelen die de kans op diefstal van of uit de auto kunnen beperken. Dit gebeurt door bestuurders preventieve informatie uit te reiken en hen via bijv. spandoeken extra te attenderen op hun spullen te passen. Daarnaast behoort de verlichting adequaat te zijn. Met ingang van 2008 wordt het praktisch verkeersexamen op alle basisscholen gesubsidieerd. Dit examen wordt in samenwerking met de politie en Veilig Verkeer Nederland georganiseerd. oewel in eerste instantie H Elk jaar worden in alle kernen wijkschouwen gehouden en vindt er een bijeenkomst plaats waarbij ‘veiligheid en leefbaarheid’ een prominent thema zal zijn. De hieruit voortkomende resultaten krijgen een vervolg dat zichtbaar en merkbaar is in de openbare ruimte. Het gaat hier dan om onder andere het onderhoud, de groenvoorziening en vermindering van verloedering en overlast. Om de veiligheids- en leefbaarheidsontwikkelingen te meten en te blijven volgen wordt er tweejaarlijks een veiligheidsmonitor gehouden. De uitkomsten hiervan vormen input voor het veiligheidsbeleid. De gemeente heeft opsporingsambtenaren in dienst die zich voornamelijk richten op het parkeerbeleid en milieuaspecten, maar daarnaast toezicht houden op het gebruik van de openbare ruimte in het algemeen. Door hun aanwezigheid zijn zij aanspreekbaar voor de burgers en signaleren ze misstanden die snel worden aangepakt. De huisnummering is een structureel aandachtspunt in het kader van het veiligheidsbeleid. Goed zichtbare huisnummering kan van levensbelang zijn bij ongevallen en incidenten waarbij hulpverleners snel ter plaatse moeten zijn. Ook van haar kant geeft de politie prioriteit aan huiselijk geweld. Er zijn functionarissen aangesteld die als taakaccent dit onderwerp behandelen wanneer het zich aandient. In de regio is er een Advies– en Steunpunt Huiselijk Geweld opgericht waar informatie/advies verstrekt kunnen worden. Het telefoonnummer van het steunpunt is 24 u/d bereikbaar. Periodiek wordt er aandacht besteed aan het thema huiselijk geweld door middel van posters in de openbare ruimte, folders en via de media. Zie ook hoofdstuk 5 (kleine doelgroepen) Structurele geluidsoverlast en/of geluidsoverlast in de avonduren, vervuiling en vernielingen door jongeren zijn niet acceptabel. Door samenwerking met de partners in ‘het jeugdwerk’, door middel van gerichte activiteiten voor de jeugd, het bieden van voldoende ruimte en toezicht en controle door de politie wordt getracht problemen te voorkomen. De gemeente verstrekt subsidie aan Bureau Halt. In het kader van het veiligheidsbeleid bestaat het VIOS-project (Veiligheid In en Om de School) voor alle scholen voor voortgezet onderwijs. In dit project worden o.a. docenten en leerlingen getraind in het signaleren en oplossen van incidenten waarbij de leerlingen een intermediaire rol vervullen bij problemen tussen leerlingen onderling. Binnen het project vindt registratie van incidenten plaats waardoor een beter inzicht verkregen wordt en beter beleid gemaakt kan worden. Door gericht toezicht, controle en specifieke acties rond scholen geeft de politie en het regionaal verkeers-handhavingsteam aandacht aan het thema verkeersveiligheid. beoogde resultaten vermindering van het aantal woninginbraken vermindering van het aantal autodiefstallen en diefstallen uit auto’s aandacht voor c.q. afname van het huiselijk geweld goed zichtbare huisnummering adequaat (politie)optreden bij structurele geluidsoverlast, vernielingen, vandalisme etc. gemeentelijke organisatie met voldoende slagkracht in geval van een ramp, groot incident of crisis brandveilig gebruik van bouwwerken veilige deelname van de jonge(
  5. re)inwoners aan het verkeer toename van ‘het veiligheidsgevoel in algemene zin’ bij de inwoners (blijkend uit het jaarlijks tevredenheidsonderzoek en/of de veiligheidsmonitor) benodigd extra budget ten opzichte van 2007 rampenplan/veiligheidsbeleid: p.m. praktisch verkeersexamen basisscholen: € 4.000 7. voldoende voorzieningen in de dorpskernen. voor wie alle inwoners, echter in het bijzonder voor: mensen met een beperking ouderen mensen die minder mobiel zijn waarom Voorzieningen in de Bloemendaalse dorpskernen staan enigszins onder druk. Vraag naar en aanbod van (commerciële) voorzieningen zijn niet op elkaar afgestemd. Een deel van de detailhandel is verdwenen of dreigt te verdwijnen door een gebrek aan klandizie. Voor de meeste inwoners is dit geen probleem. Zij kunnen in aangrenzende gemeenten terecht. Dit geldt niet of in mindere mate voor mensen met een beperking, ouderen en mensen die om uiteenlopende redenen minder mobiel zijn. Het verdwijnen van (winkel)voorzieningen uit kernen brengt het gevaar met zich mee dat de leefbaarheid afneemt. De kernen Bloemendaal-Dorp, Overveen en Vogelenzang beschikken over hun eigen winkelstraten en overige (commerciële) voorzieningen. In de kern Aerdenhout zijn geen commerciële voorzieningen. In 2007 heeft een extern bureau, op verzoek van de gemeente, een visie voor de commerciële voorzieningen in de gemeente opgesteld. Enkele opvallende punten uit het rapport: in totaal is in Bloemendaal bijna 13.000 m2 detailhandel gevestigd. De kern Vogelenzang heeft de meeste m2 (door met name de aanwezigheid van Bos Tuin & Dier) in dagelijkse artikelen is het aanbod in de hele gemeente tamelijk compleet, alleen een winkel in zoetwaren ontbreekt; de supermarkten zijn, naar de huidige maatstaven, kleinschalig van opzet. de meeste branches zijn in de gemeente, met name in Bloemendaal-Dorp, vertegenwoordigd. Een warenhuis ontbreekt omdat de afzonderlijke kernen hier te klein voor zijn en er geen ruimte voor is; horeca is ruim vertegenwoordigd. De ‘drankensector’ is – o.a. door de aanwezigheid van de strandpaviljoens – goed vertegenwoordigd. Bloemendaal-Dorp is voor de eigen bewoners veruit de belangrijkste plaats voor de dagelijkse boodschappen, dit geldt ook voor Overveen. Wegens het ontbreken van voorzieningen doen inwoners van Aerdenhout geen boodschappen in de eigen kern. Ca. 70% van de primaire aankopen worden door de inwoners van Vogelenzang in Hillegom resp. Heemstede gedaan voor niet-dagelijkse artikelen heeft alleen Bloemendaal-Dorp een (vrijwel) compleet aanbod. over de bereikbaarheid per openbaar vervoer zijn de inwoners van Bloemendaal-Dorp en Vogelenzang ontevreden. over de parkeervoorzieningen is men in de kern Bloemendaal ontevreden over het winkelaanbod is men in de kernen Overveen en Vogelenzang ontevreden. wat gebeurt er Op basis van de opgestelde visie zijn de volgende actiepunten/’goede voornemens’ opgesteld: Algemeen er wordt een gemeentelijk ondernemersloket ingesteld waar ondernemers terecht kunnen met vragen, initiatieven etc. de gemeente streeft ernaar initiatieven van ondernemers te stimuleren en beter te faciliteren. Overveen er wordt gestreefd naar de heroprichting van de winkeliersvereniging Overveen de gemeente staat in principe positief t.o. eventuele vergroting van de supermarkt in het winkelgebied er wordt overwogen om daghoreca en ondersteunende horeca in het winkelgebied onder voorwaarden toe te staan Bloemendaal-Dorp de gemeente ondersteunt een eventuele uitbreiding van (
  6. de)twee supermarkten de gemeente wil onderzoeken of bebouwd parkeren mogelijk is en wil de parkeervoorzieningen in het algemeen verbeteren de gemeente wil daghoreca en ondersteunende horeca onder voorwaarden toestaan Vogelenzang a.de gemeente wil het behoud van de detailhandel in dagelijkse goederen stimuleren en wil flexibel omgaan met initiatieven om deze vorm van detailhandel te versterken Aerdenhout Geen actiepunten beoogde resultaten een ondernemersloket openen de winkeliersvereniging Overveen heroprichten verbetering kwaliteit winkelgebied Bloemendaal benodigd extra budget ten opzichte van 2007 Ondernemersloket: p.m. Verbetering kwaliteit winkelgebied Bloemendaal: p.m. 8. zorgen dat mensen elkaar kunnen (blijven) ontmoeten, daardoor bij elkaar betrokken blijven en zo het sociaal isolement voorkomen voor wie alle inwoners, echter met het accent op: kwetsbare groepen/personen waarom Tijdens in juni gehouden bijeenkomsten (met vertegenwoordigers van plaatselijke en regionale ínstellingen, organisaties en verenigingen) is uitgebreid stilgestaan bij ‘leefbaarheid’, ‘algemene voorzieningen’ en ‘sociale samenhang’. Hiertussen bestaat veel overlap en samenhang. Tijdens de bijeenkomsten werd geconstateerd, dat het in Bloemendaal op het punt van de sociale structuur/cohesie beter kan en moet en sprake is van de volgende knelpunten: een tekort aan ontmoetingsruimten, inlooppunten, buurtservicepunten een tekortschietend openbaar vervoer, waardoor voorzieningen – binnen en buiten Bloemendaal – en de kernen onderling slecht bereikbaar zijn. In Bloemendaal bestaan slechts enkele algemene ontmoetingsruimten, bijv. sociëteit Tinholt in Overveen – een buurtvereniging met enkele honderden leden - en het dorpshuis te Vogelenzang. Beide voldoen overi-gens niet op alle onderdelen aan het geschetste, ‘ideale’ profiel. Stichting Welzijn Bloemendaal doet ook het nodige op dit vlak: op verschillende locaties in de gemeente worden koffieochtenden en open eettafels georganiseerd. Overigens hebben niet alleen de inwoners, maar ook veel verenigingen/instellingen behoefte aan (extra) ruimte. Een ruimte geschikt voor denksport (en soortgelijke) activiteiten, voor ledenvergaderingen, lezingen etc. en waarbij men zelf voor koffie e.d. zorgt. Het aantal voorzieningen laat zich niet eenvoudig uitbreiden. Het aantal locaties voor nieuwe voorzieningen is zeer beperkt, het realiseren vergt een aanzienlijke investering en ze zijn, zeker als ze permanent toeganke-lijk moeten zijn, moeilijk kostendekkend te exploiteren. Voorts zullen op dergelijke voorzieningen de kwets-bare groepen (ouderen c.q. sociaal geïsoleerden) niet snel afkomen. Voor deze groepen zijn andere, speci-fiekere voorzieningen nodig. Sportclubs/-kantines vervullen ook een belangrijke sociale functie. Deze rol moet gekoesterd worden. Zij kunnen echter moeilijk als volwaardige buurtontmoetingsruimte fungeren. Op deze voorzieningen komen namelijk in eerste instantie toch ‘slechts’ degenen af die geïnteresseerd zijn in sport. Bovendien zijn zij veelal aan de rand van wijken en kernen gelegen. De oplossing zal dan ook in een andere richting gezocht moeten worden. wat gebeurt er Er zal worden bezien of, ter versterking van de sociale structuur en het voorzien in het tekort aan ‘ruimte’ in algemene zin in elke kern, aansluiting kan worden gevonden bij voorzieningen die zich over het algemeen al in ‘het hart’ van de samenleving/de kernen bevinden, nl. de scholen en verzorgingshuizen. Bij doelstelling 4 is ingegaan op het fenomeen brede school. Daarbij is aangegeven, dat er vooralsnog van is afgezien om de Bloemendaalse brede school (ook) de functie van buurtvoorziening te geven. Omdat aan een dergelijke voorziening behoefte bestaat behoeft dit besluit heroverweging. Het lijkt raadzaam een aantal Bloemendaalse basisscholen ook het profiel wijk- of buurtschool te geven. Een school met een wijk- en buurtfunctie is een basisvoorziening in de wijk en biedt een aanbod gericht op kinderen, ouders en de buurt, in principe zeven dagen per week. Er is nog een reden op grond waarvan het verstandig is te trachten aansluiting te zoeken bij basisscholen. Per 1 augustus 2007 zijn scholen verplicht, als ouders daarom vragen, hetzij zelf voor- en naschoolse opvang te verzorgen op schooldagen tussen 07.30 uur en 18.30 uur, hetzij faciliteiten te bieden waarbinnen andere partijen dat doen. In een aantal gevallen wordt overwogen het schoolgebouw uit te breiden met een voorzie-ning voor kinderopvang. Een dergelijke ruimte zou, buiten de tijden dat deze nodig is voor opvangdoelein-den, voor andere activiteiten gebruikt kunnen worden. Overwogen zou ook kunnen worden een grotere uitbreiding dan noodzakelijk voor opvang te realiseren en de extra ruimte te gebruiken voor andere activiteiten. Bijkomend voordeel van het in zee gaan met scholen/in-stellingen voor kinderopvang is dat het betere mogelijkheden tot beheer c.q. een kostendekkende exploitatie biedt, een aspect dat niet uit het oog dient te worden verloren. Ook verzorgingshuizen kunnen als buurtvoorziening fungeren. Meer als voorheen willen verzorgingshuizen in contact komen met de buurtbewoners. Men probeert dit onder andere door de eetvoorziening aantrekkelijk en toegankelijk te maken voor niet-bewoners. Maar ook door activiteiten vanuit het verzorgingshuis aan te bieden voor een breder publiek. De kerken maken het ook mogelijk dat mensen elkaar kunnen ontmoeten. Budget voor buurtactiviteiten het komt de sociale samenhang zeer ten goede indien inwoners zelf gezamenlijk activiteiten organiseren: straatspeeldagen, buurtbarbecues etc. De gemeente kan deze initiatieven door een financiële bijdrage ondersteunen. Spelregels: Het initiatief ligt bij de inwoners Er bestaat draagvlak voor het initiatief in de straat, wijk De gemeentelijke subsidie is additioneel; de inwoners leveren zelf ook een bijdrage Het initiatief leidt niet tot een structurele financiële bijdrage van de gemeente Geen ‘ingewikkelde’ aanvraagprocedure Burenhulpcentrale De Burenhulpcentrale is in de regio Leiden ontwikkeld naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek onder 750 huishoudens in Leiden Zuidwest. Dat leverde zeer interessante informatie over de huidige en de door bewoners zelf gewenste sociale samenhang in de betreffende buurt. Zo bleek onder andere dat een kleine 20% wel eens burenhulp verricht, maar dat daarnaast nog eens 30% van de bewoners dat wel wil maar niet weet hoe! Om die potentie te benutten is de Burenhulpcentrale ontwikkeld: indien gewenst 7 x 24 uur per dag direct contact met een aanbieder van burenhulp in de buurt dankzij moderne ICT. . Het concept sluit zeer goed aan op de uitgangspunten van de civil society en een aantal prestatievelden uit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Met 3,75 miljoen mantelzorgers, 3 tot 4 miljoen vrijwilligers en talloze mensen die in vrienden- of kennissenkring en lichte netwerken actief zijn behoort Nederland tot de Europese top als het gaat om het functioneren van de sociale infrastructuur. De vaak gehoorde klacht dat mensen tegenwoordig niets meer voor elkaar over hebben is dan ook feitelijk onjuist. De behoefte om iets voor een ander te doen is van alle tijden, maar niet van elk moment. Sociale en maatschappelijke veranderingen vragen echter om eigentijdse “providers” van de sociale infrastructuur. Oude providers als kerken, verenigingen en buurtnetwerken hebben vaak aan betekenis ingeboet en individualisatie, toegenomen arbeidsparticipatie en tijdsdruk vragen een adequate, meer “just-in-time” georiënteerde aanpak. De burenhulpcentrale wil daarin voorzien. Het project oogt dermate veelbelovend dat het de moeite waard is te onderzoeken of er ook draagvlak voor bestaat in Bloemendaal. project eenzaamheid Regelmatig verschijnen er, naar aanleiding van onderzoeken artikelen in de krant die gaan over vereenzaming in onze samenleving. Berichten over mensen die soms weken in hun huis dood liggen zorgen voor veel commotie. Individualisering, kleinere gezinnen, toegenomen arbeidsparticipatie en het uitgangspunt dat iedereen zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijft wonen, leiden ertoe dat het risico op vereenzaming groter wordt. Het benoemen van eenzaamheid als actiepunt is in vergelijking tot het ontwikkelen van gericht beleid eenvoudig. Preventie en/of oplossen van eenzaamheid is een zware opgave omdat het samenhangt met diverse factoren en in hoge mate een persoonlijke beleving is. Eenzaamheid is niet gebonden aan leeftijd maar naarmate men ouder wordt is de kans op eenzaamheidsgevoelens groter. Dit komt vooral omdat op hogere leeftijd ingrijpende levensgebeurtenissen, die risico op vereenzaming met zich meedragen, zich vaker en soms gelijktijdig voordoen. Bij de risicofactoren voor eenzaamheid kan men denken aan sterke inkomensdaling, het verlies van dierbaren of een verslechterende gezondheid. Verschillende risicofactoren leiden tot verschillende typen van eenzaamheid. Schattingen geven aan dat 32% van de 55-plus bevolking van Nederland beschouwd kan worden als eenzaam. Binnen deze categorie wordt 28% als matig eenzaam beschouwd, drie procent als ernstig eenzaam en 1% als uiterst eenzaam. In Bloemendaal gaat het op basis van bovenstaande cijfers om ca. 250 mensen die ernstig tot uiterst eenzaam zijn. De gemeente staat als bestuurslaag het dichtst bij de mensen en is het best in staat om de negatieve gevolgen van eenzaamheid te bestrijden. De gemeente mag aangesproken worden op de aanwezigheid van voorzieningen die het mensen in staat stelt om te participeren. Belemmeringen bij de participatie moeten zoveel mogelijk door gericht beleid of via het verstrekken van voorzieningen worden weggenomen. Daarnaast is de overheid verantwoordelijk voor het beschikbaar zijn van hulpverlening aan mensen die ten gevolge van hun eenzaamheid vastlopen. De doelstelling van het Bloemendaalse beleid is om mensen in staat te stellen sociaal te participeren. Mensen die te maken hebben met ernstige eenzaamheidsproblemen kunnen een beroep doen op individuele hulpverlening. Concreet bestaat uit het beleid uit de volgende onderdelen: Bestaand beleid Nieuw beleid Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Toegankelijkheid algemene voorzieningen Wet werk en bijstand Subsidiëring vrijwilligerswerk Subsidiëring welzijnswerk Ondersteuning vrijwilligers die huisbezoeken afleggen (scholing/intervisie) Voorlichtingscampagne Loket Bloemendaal als centraal meldpunt Eerste lijnsgezondheidszorg Maatschappelijk werk Toelichting nieuw beleid Meerdere Bloemendaalse organisaties hebben als doelstelling mensen uit hun isolement halen. Zo richten de Zonnebloem en het Rode Kruis zich op de zieke en/of gehandicapte medemens, Welzijn Bloemendaal heeft als doelgroep ouderen en kerken richten zich op hun leden. Deze organisaties doen voor de huisbezoeken een beroep op vrijwilligers. Omdat kwetsbare mensen steeds langer zelfstandig thuis blijven wonen, worden de vragen waarmee vrijwilligers geconfronteerd worden steeds complexer. De scholing en begeleiding van vrijwilligers is daardoor erg belangrijk. Daarnaast is de werving van vrijwilligers een knelpunt. Het kenmerk van huisbezoeken is dat individueel maatwerk geleverd wordt. In het kader van preventie en vermindering van eenzaamheid is het van groot belang dat huisbezoeken ook in de toekomst nog steeds plaatsvinden. Professionalisering van huisbezoeken is onbetaalbaar en daarom dient dit vrijwilligerswerk extra ondersteund te worden. In 2008 zal een specifieke subsidieregeling voor dit werk worden ontwikkeld. Het doel van deze regeling is vrijwilligers te ondersteunen met scholing en intervisie en organisaties als de Zonnebloem meer middelen te geven voor de werving van nieuwe vrijwilligers. Met voorlichting over eenzaamheid wordt beoogd mensen bewust te maken van hun omgeving en de mensen die er wonen. De voorlichting zal op een positieve manier gebracht worden. Niet de “zielige mensen” zullen centraal worden gesteld maar juist wat mensen bindt. Voor deze campagne zal externe deskundigheid worden ingeschakeld. Van belang is dat bij diverse activiteiten op het gebied van sport, cultuur, vrije tijd etc. de versterking van de sociale samenhang centraal staat. In de 2e Wmo huis-aan-huiskrant zal een start worden gemaakt met de pr maar het middel zal over een langere periode ingezet worden om het effect van bewustwording te bereiken. Loket Bloemendaal is het loket voor wonen, welzijn en zorg. De bekendheid van het loket onder de inwoners is nog beperkt. Toch is dit dé plek waar mensen moeten zijn als ze zorg nodig hebben. Het is daarmee ook de plek waar mensen terecht kunnen als ze denken dat iemand uit hun omgeving zorg nodig heeft, maar die zelf de stap niet kan zetten richting hulpverlening. Het Loket dient als meldpunt voor zorgbehoevenden. Hier wordt ook geregistreerd welke hulpverleners worden ingeschakeld. Bij de start van de voorlichtingscam-pagne zal het Loket als zodanig worden gepromoot. Het nieuwe beleid is een eerste aanzet en wij verwach-ten dat met deze aanzet het probleem eenzaamheid beter in kaart wordt gebracht. Uit deze informatie kunnen weer vervolgacties voortvloeien. Voor de eerste aanzet is een budget van € 10.000 geraamd. beoogde resultaten 2008: een subsidieregeling ‘professionalisering vrijwilligerswerk in kader project eenzaamheid’ ontwikkelen Project eenzaamheid: zicht op omvang etc. doelgroep en ontwikkelen van een hulpaanbod bij het jaarlijks tevredenheidsonderzoek ‘scoren’ alle dorpskernen met betrekking tot de sociale samenhang en leefbaarheid minimaal een 7 (of een vergelijkbare score) minimaal 10 aanvragen – op jaarbasis – voor een financiële bijdrage ten behoeve van buurtactiviteiten (uit elke kern afkomstig) verzorgingstehuizen met een vast/periodiek aanbod aan buurtactiviteiten, met name gericht op kwetsbare groepen brede scholen die tevens de functie van buurtontmoetingsruimte hebben benodigd extra budget ten opzichte van 2007 budget buurtactiviteiten: € 7.500 uitgaven project burenhulpcentrale: p.m. ontmoetingsruimten bij (brede) scholen p.m. 9. participatie bij het tot stand komen van het beleid voor wie alle inwoners waarom De gemeente is verplicht ingezetenen van de gemeente te betrekken bij de totstandkoming van het WMO-beleidsplan. Dit ‘bij het beleid betrekken’ kan op verschillende wijzen, bijv. via een WMO-raad of door overleg met inwoners tijdens wijkbijeenkomsten. Een geïnstitutionaliseerde vorm van overleg – op een vast tijdstip aan de hand van een agenda – biedt voordelen. Op dit moment fungeert de Adviescommissie Gemeentelijk Ouderen en Gehandicaptenbeleid (AGOG) als officieel inspraakorgaan. Vooruitlopend op een mogelijke WMO-raad is de AGOG de gesprekspartner en vervult deze de adviesfunctie. In de aanloop naar de totstandkoming van het eerste WMO-plan is, op informele basis, enkele malen met een aantal inwoners over dit onderwerp gesproken. Door zowel deze inwoners als de in juni geraadpleegde ‘professionals’ (organisaties en instellingen actief op welzijnsgebied) is aan de gemeente het advies gegeven over te gaan tot het instellen van één of meer WMO- of dorpskernraden. Om de jeugd bij het jeugdbeleid te betrekken is in de nota jeugdbeleid Bloemendaal 2005 het periodiek houden van jeugdconferenties opgenomen. Deze nota is gebaseerd op de jeugdconferentie die eind 2004 gehouden is. Uiteraard maakt de jeugd hun wensen ook kenbaar via email en tijdens de georganiseerde activiteiten. Wat gebeurt er Er wordt een WMO-raad ingesteld. In het kader van prestatieveld 2 zal de jeugd door middel van een regionale jeugdconferentie “Opgroeien in Kennemerland” participeren. Tijdens deze conferentie kunnen de jongeren zich ook uitspreken over hun invulling van een Centrum voor Jeugd en Gezin. Hiernaast laat de gemeente zich adviseren door jongeren van “Jong Nederland”, “Codename Future”, de jongeren die het Jeugdhonk Vogelenzang bezoeken en –uiteraard- via de basis- en VO-scholen. Ook worden jongeren bij de politiek en het beleid betrokken tijdens de jaarlijkse “politieke dag voor scholen”. beoogde resultaten verkrijgen van (meer) draagvlak voor het WMO-beleid grotere betrokkenheid van de inwoners efficiënte(
  7. re)wijze van participeren benodigd extra budget ten opzichte van 2007 ·budget t.b.v. WMO-raad : € 5.000 10. Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden. Daartoe gebruik maken van de volgende vijf functies: verstrekken van informatie en advies signaleren van problemen toegang tot het gemeentelijk hulpaanbod pedagogische hulp coördinatie van zorg (gezinscoaching) Deze functies dienen ondergebracht te worden in een op te zetten Centrum voor Jeugd en Gezin. voor wie Prestatieveld 2 heeft betrekking op alle jeugdigen die in Bloemendaal wonen- en in voorkomende gevallen hun ouders- bij wie sprake is van een verhoogd risico als het gaat om een zorgelijke opvoedingssituatie, schooluitval of (kleine)criminaliteit, maar voor wie zorg op grond van de Wet op de jeugdzorg niet nodig is dan wel voorkomen kan worden. waarom “Het kind moet centraal staan en geen kind mag meer tussen wal en schip vallen” zo luidde het motto van operatie Jong, een (inmiddels afgerond) gemeenschappelijk jeugdproject van een vijftal departementen. Allerlei vernieuwingen, die de verkokering van het jeugdbeleid moeten tegengaan en de samenhang in het beleid moeten versterken zijn in gang gezet en vinden in de praktijk navolging. Het preventief jeugdbeleid moet versterkt worden om te voorkomen dat kinderen jeugdzorg nodig hebben en daarnaast moet de aansluiting preventief jeugdbeleid- jeugdzorg worden versterkt voor de kinderen die jeugdzorg wel nodig hebben. Er dient invulling gegeven worden aan de gemeentelijke taken aan de hand van de hierna toegelichte en in de doelstelling omschreven vijf functies. 1.Informatie verstrekken aan opvoeders, kinderen en jongeren Het gaat hierbij zowel om ongevraagde informatie over opvoeden en opgroeien als om het beantwoorden van specifieke vragen van ouders en jongeren. Hierbij moet een verschil worden gemaakt tussen informatie voor opvoeders en informatie voor kinderen en jongeren. Ouders en anderen die bij de opvoeding van kinderen betrokken zijn, hebben behoefte aan opvoedingsvoorlichting door deskundigen. Essentieel is dat de informatie voor alle ouders tijdig beschikbaar is. De informatie kan schriftelijk (folders, groeiboekje, themapakketten op scholen), face to face (huisbezoeken, screening op vaste momenten, inloopspreekuren, advies- en gezinsgesprekken), in de groep (themabijeen-komsten, oudercursussen, lezingen, informatie aan beroepskrachten of digitaal (website, Emovo, kinder- telefoon) gegeven worden. Het bestaan en de werkwijze van het bureau Jeugdzorg en het daarin onderge-brachte Advies- en meldpunt Kindermishandeling (AMK) moet deel van de informatie moet zijn. 2.Signalering Hierbij gaat het om het vroegtijdig signaleren van problemen van jongeren en opvoeders, ook als de betrokkenen die problemen zelf wellicht (nog) niet goed onderkennen. Om deze signalering ook daadwerkelijk te doen plaatsvinden, zullen de werkers in de jeugdgezondheidszorg, de peuterspeelzalen, de kinderopvang en het onderwijs voldoende vaardigheden moeten hebben om signalering mogelijk te maken en adequaat te reageren op het signaal. In de nota preventie opvoedingsproblematiek in Bloemendaal is de deskundigheidsbevordering m.b.t. het signaleren van o.a. kindermishandeling opgenomen. Signaleren kan onderscheiden worden in: a.traceren (tijdens het consult bij de (consultatiebureau)arts, vragenlijsten van de GGD, op school door het mobiel team of intern begeleider etc.) b.observeren (contactmomenten GGD of JGZ, het peuter adviesteam of bij de Jeugd Riagg) c.vaststellen (op basis van een protocol of diagnose door een verpleegkundige of een arts, indicatieteam van bureau jeugdzorg, uitslag screening etc.) organiseren (buurtnetwerken, mobiel team, deskundigheidsbevordering, crisisinterventie etc.) Toegang tot het hulpaanbod. Burgers kunnen op eigen initiatief opvoed- of opgroeihulp zoeken of na een verwijzing van derden hulp gaan vragen. In alle gevallen is het van belang dat de toegang tot die hulp snel bereikbaar en beschikbaar is. Daarvoor is een digitale “sociale kaart” nodig voor ouders, kinderen en jongeren, maar ook voor iedereen die werkt met kinderen, jongeren en ouders. Een regionale, 1e versie is al beschikbaar: www.kiezenvoorjeugd.nl. In de toekomst zal gewerkt worden aan (meer) specifiek Bloemendaalse informatie. Mogelijkheden die gelden als toe leiding vanuit de voorliggende voorzieningen naar het hulpaanbod zijn b.v. de netwerken jeugdhulpverlening 12- en 12+, het mobiele team, de interventie Friends en Stevig Ouderschap, de netwerken huiselijk geweld en de zorgadvies teams op de VO- scholen. 4.Pedagogische hulp Pedagogische hulp betreft advisering en hulpverlening op momenten dat er problemen zijn bij het opgroeien en/of het opvoeden. Pedagogische hulp bestaat er in verschillende vormen. Voor ouders zijn er pedagogische spreekuren en individuele of groepsbegeleiding, vaak in het kader van de jeugdgezondheidszorg. In het onderwijs groeit de behoefte aan zorg op school en schoolmaatschappelijk werk. Hierin wordt o.a. voorzien door de intern begeleiders, de mobiele teams en de uitvoering van de interventie “Friends” en “Stevig Ouderschap”. Ook biedt de kindertelefoon hulp of de chat hulpverlening van de Jeugd Riagg. 5.Coördinatie van zorg Hierbij gaat het om hulp aan gezinnen met meervoudige problematiek, die geen greep hebben op de eigen situatie. Deze gezinnen hebben te maken met diverse instanties en hulpverleners. Vaak hebben betrokken gezinnen weerstanden tegen professionele hulpverlening. Het is aan de gemeente ervoor te zorgen dat lokale instellingen afspraken maken over het bij elkaar brengen van afzonderlijke probleemsignalen van/over het gezin en het onderling afstemmen van de hulpverlening. Zorg coördinatie vindt o.a. plaats op het schakelstation, in de netwerken jeugdhulpverlening en in de verschillende zorgteams. Jeugdgezondheidszorg De Jeugdgezondheidszorg (JGZ) is een belangrijke onderdeel van het integrale jeugdbeleid. Het is de voorliggende preventieve voorziening in de keten voor de jeugd. Het is gericht op het bevorderen, beschermen en bewaken van de lichamelijke, cognitieve en psychosociale ontwikkeling van alle jeugdigen. Het doel van de JGZ is verschillen in gezondheid te verkleinen en iedereen gelijke kansen op gezondheid te bieden. Het beoogde effect van de JGZ is een zo gezond mogelijke jeugd. Op basis van de eigen monitoring en signalen van ouders, leerkrachten of anderen onderzoekt de JGZ de gezondheid van de jeugd en adviseert, bemiddelt of verwijst vervolgens door naar de juiste hulpverle-ningsinstanties. De gegevens van de jongeren (zullen) worden geregistreerd in het Elektronisch Kinddossier (EKD) De doelgroep van de JGZ zijn jongeren van 0-19 jaar en hun ouders. Daarnaast richt de JGZ zich vaak op intermediaire groepen zoals scholen. Aan risico individuen en risico groepen dient extra aandacht gegeven te worden. De zorg voor kinderen en jongeren wordt aangeboden door de Jeugdgezondheidszorg Kennemerland (0-4 jaar) en de jeugdgezondheidszorg van de GGD (4-19 jaar). Sedert 2003 is er sprake van een integrale gezondheidszorg onder regie van de gemeente. Het basistakenpakket JGZ bestaat uit een uniform deel en een maatwerkdeel. Het uniforme deel bestaat uit producten die gevraagd en ongevraagd op gestandaardiseerde wijze aan alle kinderen van een bepaalde leeftijd worden aangeboden, bijvoorbeeld het monitoren van groei en ontwikkeling, vaststellen van de zorgbehoefte, beïnvloeden van gezondheidsbedreigingen, vaccinaties, samenwerken rond zorgsystemen etc. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij het maatwerkdeel invullen. Bloemendaal heeft ervoor gekozen om het maatwerkdeel toe te voegen aan de JGZ 0-4 jaar, waarbij er rekening gehouden is met de invulling van de vijf functies van het preventieve jeugdbeleid en met de risicokinderen. Het Basistakenpakket JGZ is verankerd in de WCPV en het bijbehorende Besluit Jeugdgezondheidszorg (AMvB) Het Basistakenpakket moet leiden tot meer uniformiteit en waarborgen bieden voor kwaliteit. Ook moet er dankzij het Basistakenpakket meer samenhang komen in het aanbod van de JGZ op lokaal nivo. Daarmee hangt een ander doel samen: het beter op elkaar laten aansluiten van het lokale jeugdbeleid en de openbare gezondheidszorg. Dat moet er uiteindelijk toe leiden dat de zorg voor jongeren een continuüm wordt dat integraal en in samenhang met andere beleidsterreinen wordt geboden. Op 31-12-2006 waren er bij de JGZ 0-4 jaar in totaal 17.501 kinderen in zorg. Het bereik op 31-12-2006 was 99% . Geen 100% omdat ernstig zieke kinderen onder controle staan van een kinderarts en een beperkt aantal ouders gebruik maken van een antroposofisch consultatiebureau. In Bloemendaal waren op 31-12-2006 117 kinderen in zorg. Elk kind tussen de 0 en 4 jaar krijgt standaard 13 consulten op het consultatiebureau aangeboden. Hiervan zijn er 7 bij de arts en 6 bij de wijkverpleegkundige. Bloemendaal verstrekt aan de JGZ 0-4 jaar ook een maatwerkdeel. Hiervan wordt extra aandacht besteed aan de risicokinderen en de effectieve interventie “Stevig Ouderschap” wordt uit dit budget betaald. De JGZ 4-19 jaar is –op basis van het uniforme deel- wettelijk verplicht om een preventief gezondheids onderzoek te verrichten in groep 2 en groep 7 van het basisonderwijs en in klas 2 van het voortgezet onderwijs. Hiernaast is zij verplicht om onderzoek te verrichte op indicatie, groepsvoorlichting te geven en te monitoren. In 2005-2006 was het bereik voor de 3 contactmomenten 90% 93% en 73%. De JGZ 4-19 jaar spant zich in om de bereikcijfers te verhogen. Effectieve interventies De laatste jaren is de aandacht voor de effectiviteit van interventies erg toegenomen. Het Nederlands Jeugdinstituut heeft in kaart gebracht wat effectieve interventies voor opvoedingsondersteuning zijn of kunnen worden (bijvoorbeeld, Stevig Ouderschap, Friends en Tripple P) Kindermishandeling In Bloemendaal wordt meer kindermishandeling gemeld als in de regio (“Kinderen in Tel”) en uit het Emovo- onderzoek van de GGD blijkt dat kindermishandeling ook meer voorkomt. Van de leerlingen uit Bloemendaal gaf 4% aan dat zij wel eens lichamelijk worden mishandeld (geschopt, geslagen, vastgebonden etc.) en 5% zegt dat dit vroeger wel eens gebeurde/ 3% wilde deze vraag niet beantwoorden. Regionaal geeft 3% aan lichamelijk te worden mishandeld en antwoord 4% “nu niet meer, vroeger wel” Ook is gevraagd of men wel eens geestelijk mishandeld wordt (vaak getreiterd, gekleineerd of uitgescholden) Vijf procent van de leerlingen uit Bloemendaal geeft aan wel eens geestelijk te worden mishandeld en 13% zegt dat dit nu niet meer gebeurt maar vroeger wel, 1% wilde de vraag niet beantwoorden. Regionaal geeft 7% aan geestelijk te worden mishandeld en 10% “nu niet meer, vroeger wel”. Er is een nota aanpak problematische opvoedingssituaties geschreven en aangenomen door het college. In deze nota worden verschillende vormen van kindermishandeling beschreven en ook worden oorzaken genoemd. Oorzaken van kindermishandeling kunnen gelegen zijn: in het kind (huilbaby, buitenechtelijk kind, overactief kind) in de ouders (psychische en psychiatrische problemen, verslaving, negatief zelfbeeld, slecht kunnen beheersen van emoties, zelf als kind mishandeld zijn, gebrek aan pedagogisch besef en sensitiviteit, neiging tot het negatief interpreteren van het gedrag van het kind in het gezin (autoritaire opvoedingsstijl, echtscheiding) en o.a. sociale gezinsfactoren (sociaal isolement, conflicten gezin en omgeving) In de nota zijn verschillende maatregelingen voorgesteld om het aantal gevallen van kindermishandeling in Bloemendaal te doen afnemen, zoals: aanpak van de kindermishandeling als onderdeel van het huiselijk geweld het organiseren van openbare thema-avonden voorlichting en training signalering kindermishandeling en implementatie meldcode uitbreiding opvoedondersteuning op de basisscholen (mobiele teams) invoering van de effectief bewezen of veelbelovende interventies “Stevig Ouderschap” en “Friends” en onderzoek verrichten naar risicofactoren voor problematische opvoedsituaties in Bloemendaal. Afstemming in de keten Een belangrijk doel van de Wet op de jeugdzorg is dat de afzonderlijke schakels in de keten op elkaar aansluiten. Ketensamenwerking is een middel om de zorg- en hulpverlening rondom het kind goed te organiseren. Door te omschrijven wie wat wanneer doet kan men voorkomen dat kinderen tussen wal en schip vallen. De provincie moet regelmatig met de gemeenten overleggen om ieders aandeel in de zorg goed op elkaar af te stemmen. Algemene voorliggende voorzieningen Bureau Jeugdzorg Geïndiceerd zorgaanbod huisarts, jeugdgezondheidszorg, scholen, indicering: Jeugd- GGZ algemeen maatschappelijk werk etc. jeugdbescherming, Justitiële jeugdreclassering jeugdinrichtingen AMK Centrum voor Jeugd en Gezin. Waarom een CJG? De laatste jaren is er een toegenomen inzicht in het belang van jeugdbeleid en opvoed- en opgroeionder-steuning. Er zijn goede basisvoorzieningen aanwezig om jongeren in hun gezondheid en ontwikkeling te stimuleren en om ouders te ondersteunen bij de opvoeding en om problemen te voorkomen, te signaleren en aan te pakken. Toch vallen er in de hulpverlening kinderen tussen wal en schip, kan er meer worden gedaan om vroegtijdig problemen te signaleren en werken instanties nog onvoldoende samen. Het Kabinet wil met de ontwikkeling van Centra voor Jeugd en Gezin dat snel, goed en gecoördineerd advies en hulp op maat vanzelfsprekend wordt. De CJG’s moeten laagdrempelige fysieke inlooppunten zijn waar ouders, kinderen en jongeren voor alles aangaande opgroeien en opvoeden terecht kunnen. CJG profiel * bundelt lokale functies en taken op het gebied van gezondheid, opgroeien en opvoeden * is een fysiek en laagdrempelig inlooppunt * is in elke gemeente en/of wijk te vinden onder dezelfde naam * richt zich op preventie en signalering en biedt advies en hulp * coördineert en schakelt bij zwaardere problematiek met alle mogelijke voorzieningen op jeugdbeleid, gezondheidszorg en jeugdzorg * werkt van en voor een doelgroep van kinderen en jongeren van -9 maanden tot 23 jaar en hun ouders * is tevens vraagbaak voor professionals * streeft naar uniforme signalering * maakt gebruik van de verwijsindex en het elektronisch kinddossier Gemeentelijke regie De gemeente is verantwoordelijk voor de realisering van en de regie op de CJG’s. De provincies sluiten daar met hun Bureaus Jeugdzorg en zorgaanbieders nauw op aan. Het Rijk zal zich buigen over een mogelijk wettelijk kader en stelt een bedrag oplopend tot 441 miljoen in 2011 beschikbaar. In 2011 dient in elke gemeente een CJG zijn. Basismodel CJG Om de naam CJG te mogen gebruiken moet het volgende worden gebundeld: jeugdgezondheidszorg (consultatiebureaus en GGD) vijf WMO functies (inclusief gezinscoaching en opvoedondersteuning) schakel met Bureau Jeugdzorg schakel Zorg- en Adviesteams Lokaal maatwerk Naast het basismodel zijn er veel voorzieningen die op basis van lokaal maatwerk aan het CJG kunnen worden gekoppeld, bijvoorbeeld: * eerstelijnszorg, zoals kraamzorg, verloskunde * leerplichtambtenaren * peuterspeelzalen en kinderopvang * welzijnswerk: algemeen maatschappelijk werk en jongerenwerk * jeugd ggz * jeugdloket werk en inkomen * schuldhulpverlening * politie en justitie * brede school Er zal apart besluitvorming volgen over welke voorzieningen gekoppeld zullen worden. Wat gebeurt er Een subsidie verlenen aan de Jeugdgezondheidszorg Kennemerland die de jeugdgezondheidszorg aan de 0-4 jarigen verzorgt De GGD ontvangt, als onderdeel van de Hulpverleningsdienst Kennemerland, in het kader van de gemeen-schappelijke regeling jaarlijks een bedrag ten behoeve van het uitvoeren van de jeugdgezondheidszorg 4-19 jaar. Momenteel functioneren het regionale netwerk jeugdhulpverlening 12+ (waar o.a. de intern begeleiders van de VO -scholen aan deelnemen) en het lokale netwerk jeugdhulpverlening 12- (waar o.a. de intern bege-leiders van de basisscholen en de peuterspeelzaalleidsters aan deelnemen). Beide netwerken worden door de gemeente gesubsidieerd. Na evaluatie van het lokale netwerk zal voortgang van subsidiering aan een welzijnsorganisatie c.q. uitbesteding aan de JGZ bezien worden. Met ingang van 1 september 2007 zijn de mobiele teams, werkzaam op de basisscholen, uitgebreid van 10 naar 15 uur per week. Een en ander wordt ingevuld door de JGZ/GGD en door OOK, pedagogische expertise-groep. Het is zaak dat zoveel mogelijk gewerkt wordt met interventies/programma’ s die hun effectiviteit in de praktijk hebben bewezen, zoals ‘Stevig Ouderschap’, ‘Friends’ en ‘Triple P’. Om de docenten vertrouwt te maken opdat ze het programma Friends in de nabije toekomst zelf kunnen uitvoeren zijn twee regionale bijeenkomsten gepland. Hiernaast hebben de scholen incidenteel behoefte aan pedagogische ondersteuning in de groep. Door de Jeugdgezondheidszorg Kennemerland (0-4 jaar) wordt de interventie “Stevig Ouderschap” uitgevoerd. Door OOK, pedagogische expertisegroep wordt de interventie “Friends” uitgevoerd en de pedagogische ondersteuning. De naam 'Triple P' staat voor positief pedagogisch programma. Het oorspronkelijk Australische programma voor opvoedingsondersteuning is bedoeld voor ouders met kinderen van 0 tot 16 jaar. Triple P is een laagdrempelig, integraal programma met als doel (ernstige) emotionele en gedragsproblemen bij kinderen te voorkomen door het bevorderen van competent ouderschap. Dit programma wordt nog mondjesmaat toegepast. Er zal opdracht gegeven worden aan een universiteit om onderzoek te verrichten naar de risicofactoren voor problematische opvoedsituaties in Bloemendaal. De kosten van een dergelijk onderzoek zijn nog niet bekend. Aanpak van de kindermishandeling als onderdeel van het huiselijk geweld. Dit wordt in regionaal verband aangepakt. Er zullen openbare thema-avonden georganiseerd worden over: het stellen van regels en grenzen over alcohol- en drugsgebruik over beter omgaan met pubers Door het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling worden voorlichting, trainingen en workshop gegevens aan peuterspeelzaalleidsters en aan alle docenten van de basisscholen. Het is de bedoeling dat ook de docenten van de VO- scholen, vrijwilligers, huisartsen, de gebiedsgebonden agenten, de mentorspecialist jeugd van de politie en de logopedistes een voorlichting en een training signalering kindermishandeling zullen krijgen. Er zal, via de gemeentelijke website en de periodieke gemeentelijke advertentie, (meer) bekendheid worden gegeven aan het Advies- en Meldpunt voor Kindermishandeling (AMK) en de Kindertelefoon Er zal bekendheid worden gegeven aan www.kiezenvoorjeugd.nl: de website bestemd voor alle ouders en opvoeders in Haarlem en omstreken, bijv. via een link naar de website van Bloemendaal. Bezien zal worden of op de website ook specifiek Bloemendaalse informatie kan worden opgenomen. De in Haarlem gevestigde Opvoedwinkel – onderdeel van Bureau Jeugdzorg – ontvangt een structurele subsidie. De subsidieverlening wordt beëindigd. Het vrijvallende bedrag zal op andere wijze aan opvoedings-ondersteuning worden besteed. In het najaar van 2007 wordt er een regionale jeugdconferentie georganiseerd over het preventieve jeugdbeleid (“opgroeien in Kennemerland”) Veel aandacht zal er besteed worden aan de mening van de jongeren omtrent het op te zetten Centrum voor Jeugd en Gezin Er zal een brochure gemaakt worden waarin informatie staat over alle Bloemendaalse en regionale activiteiten, waaraan alle ouders en kinderen mee kunnen doen. Hierover zal u separaat geïnformeerd worden. Er wordt binnen de gemeentegrenzen een vast Centrum voor Jeugd en Gezin gerealiseerd. Een mobiele variant behoort, naast het vaste centrum, tot de mogelijkheden beoogde resultaten een afname van het aantal gevallen van kindermishandeling in Bloemendaal met minimaal 10% in 2011 ten opzichte van 2006. een Centrum voor Jeugd en Gezin binnen de gemeentegrenzen een gevarieerd en toereikend aanbod aan informatie over opvoeden en opgroeien ten behoeve van ouders, kinderen en jongeren, zowel in digitale als in niet-digitale vorm meer bekendheid geven aan de Kindertelefoon en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (via de provincie) inzicht hebben in de risicofactoren die ten grondslag liggen aan de problematische opvoedsituaties in Bloemendaal inzicht hebben in het aantal risicogezinnen en risicokinderen in Bloemendaal en deze gezinnen en kinderen via het op te richten Centrum Jeugd en Gezin hulp bieden. ouders die bekend zijn met en tevreden zijn over de kwaliteit van de door de gemeente georganiseerde themabijeenkomsten scholen (en ouders die bekend zijn met
  8. en)tevreden zijn over de inzet van de mobiele teams scholen (en ouders die bekend zijn met
  9. en)tevreden zijn over het programma Friends scholen die tevreden zijn over de incidentele pedagogische trainingen op maat docenten/toekomstige trainers “friends” die tevreden zijn over de regionale bijeenkomsten inwoners die bekend zijn met de inspanningen/activiteiten van de gemeenten op het gebied van het preventief jeugdbeleid en dit als voldoende beoordelen benodigd extra budget ten opzichte van 2007 * voorbereidingskosten voor het (mobiele) Centrum voor Jeugd en Gezin p.m. * kosten voor het (mobiele) Centrum voor Jeugd en Gezin p.m. * kosten in verband met het organiseren, maken en verspreiden van brochures met informatie over alle Bloemendaalse en regionale activiteiten voor ouders € 5.000 en kinderen * kosten voor mobiele teams in verband met de verhoging van de uurprijs van de GGD en Stichting Kontext € 25.000 * kosten van het programma Friends € 6.000 * pedagogische ondersteuning op school € 14.500 11. het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten en ervoor zorgen dat zoveel mogelijk jongeren met een startkwalificatie het onderwijs verlaten voor wie leerplichtige jongeren en hun ouders/opvoeders waarom Het beleid van de landelijke overheid is erop gericht dat zoveel mogelijk jongeren het onderwijs verlaten met een startkwalificatie (MBO-2/HAVO). Een deel van de inspanningen om deze doelstelling te bereiken wordt lokaal verricht. Ook in Bloemendaal zijn jongeren die voortijdig het onderwijs verlaten of dreigen te verlaten. Voor de regio Kennemerland ondersteunt de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie in Haarlem voortijdig schoolverlaters bij het zoeken naar een passende opleiding. Jongeren die nog geen startkwalificatie hebben behaald, worden aangemeld bij het RMC. Tussen RMC en de leerplichtambtenaren vindt regelmatig overleg plaats. De leerplichtambtenaar kan verbaliserend optreden. Er is sprake van een toename van het aantal uitgeschreven processen verbaal. De leerplichtambtenaar participeert in diverse samenwerkingsverbanden. Het aantal gevallen van absoluut (een leerling staat op geen enkele school ingeschreven)en relatief (een leerling staat ingeschreven, maar verzuimt) schoolverzuim dient tot een minimum te worden beperkt. wat gebeurt er Invulling geven aan de Kwalificatieplicht Per 1 augustus 2007 is de Kwalificatieplicht ingevoerd. Leerlingen die niet beschikken over een startkwali-ficatie (een diploma op HAVO of MBO2-niveau) blijven “kwalificatieplichtig” tot hun 18e verjaardag. Met de invoering van de kwalificatieplicht komt de “partiële leerplicht te vervallen. De leerplichtambtenaar dient er op toe te zien dat leerlingen die niet beschikken over een startkwalificatie tot hun 18e verjaardag op een school staan ingeschreven. Actieve invulling ‘Dag van de Leerplicht’De handhaving van de leerplicht speelt een belangrijke rol bij het terugdringen van spijbelen en voortijdig schoolverlaten. Daarmee kan het ook bijdragen aan het terugdringen van crimineel gedrag bij jongeren. Om het belang van de leerplichthandhaving onder de aandacht te brengen van gemeentebesturen, politie, scholen, leerplichtige jongeren en hun ouders wordt jaarlijks een landelijke Dag van de Leerplicht georganiseerd. Dit is een overkoepelende naam voor alle activiteiten die te maken hebben met leerplicht en de handhaving ervan, die in het hele land plaatsvinden. De gemeente Bloemendaal heeft de afgelopen drie jaar een Dag van de Leerplicht georganiseerd. LeerlingencontroleHet komt regelmatig voor dat ouders hun kinderen de vrijdag voor een vakantie ziek melden of gewoon niet naar school sturen om op deze wijze de vakantie met een dag te verlengen. Dit verzuim is uiteraard (artikel 4 van de Leerplichtwet) niet toegestaan. Door het houden van leerlingencontroles op de laatste dag voor een schoolvakantie probeert de leerplichtambtenaar dit verzuim tegen te gaan. Dergelijke controles worden van te voren door de leerplichtambtenaar aangekondigd. Beoogde resultaten geen absoluut schoolverzuim door het formuleren van een beleid – en de scholen hierop eveneens aan te spreken – het relatief schoolverzuim zoveel mogelijk beperken. Periodiek overleg voeren met de scholen over het leerplichtbeleid. actieve invulling van de jaarlijkse ‘dag van de leerplicht’ benodigd extra budget ten opzichte van 2007 ·extra uren leerplicht: p.m. 12. WMO-loket - bibliotheek - zorgen voor een anti-discriminatievoorziening voor wie alle inwoners waarom Een goed functionerend en laagdrempelig, WMO-loket – digitaal loket Een van de belangrijke opdrachten die de WMO de gemeenten geeft, is het verstrekken van informatie en advies aan inwoners over maatschappelijke ondersteuning. De regering verwijst daarbij in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel naar de één-loketgedachte. Burgers zouden zich in beginsel nooit meer dan een keer tot een overheidsloket behoeven te wenden met een vraag. Dit betekent dat overheidsinstellingen hun back-offices zodanig moeten verbinden dat vragen van burgers op een laagdrempelige manier kunnen worden doorgeleid. Voor het gemeentelijk WMO-loket, dat is ondergebracht bij Welzijn Bloemendaal, betekent dit dat in ieder geval sluitende afspraken moeten zijn gemaakt met het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) over de samen-loop tussen AWBZ-zorg en ondersteuning die wordt geboden in het kader van de WMO. Deze opdracht wordt in de WMO ook nadrukkelijk aan de gemeente(
  10. n)gegeven. Daarnaast kan de gemeente afstemming zoeken met andere aanbieders van publieke diensten om tot een integrale benadering van burgers te komen. Een dergelijk lokaal loket vraagt goed opgeleide medewerkers. Wat gebeurt er Het loket – het centrale punt voor advies en informatie – is toegankelijk voor inwoners die zelf ondersteuning nodig hebben, maar ook voor vrienden, familieleden en mantelzorgers van inwoners met een beperking of (chronische) ziekte, voor ´professionals’ en voor inwoners die zelf ondersteuning willen bieden. Er is één telefoonnummer voor informatie en advies. Het huidige loket voldoet in minimale vorm aan de eisen die aan een digitaal loket worden gesteld. Het loket is via een website en e-mail bereikbaar. Hierbij is het relevant om onderscheid te maken tussen enerzijds eenzijdige informatieverstrekking en anderzijds interactieve communicatie. Bij interactieve communicatie is het loket via internet toegankelijk. De klant heeft de mogelijkheid om een vraag via e-mail te stellen en daar ook binnen korte tijd antwoord op te krijgen. Deze mogelijkheid kan uitgebreid worden tot het via internet invullen van formulieren om bijvoorbeeld diensten aan te vragen. Dit vraagt om medewerking van alle partijen die in het loket diensten aanbieden en om geavanceerde webapplicaties die de kosten voor het loket aanzienlijk kunnen verhogen. Het digitale loket moet daarnaast ook de mogelijkheid bieden voor de gebruiker om zelf informatie en diensten te kunnen vinden. Het ligt voor de hand om hierbij een goede sociale kaart toegankelijk te maken, die interactief met een uitgebreide zoekfunctie te gebruiken is. Deze sociale kaart moet liefst zo uitgebreid zijn, dat hij ook voor medewerkers van het loket zelf afdoende is. De meeste (digitale) sociale kaarten zoals ze nu bestaan, zijn vooral toegespitst op de ‘traditionele’ doelgroepen: ouderen en gehandicapten. De informatievoorziening dient uiteindelijk te worden verbreed naar alle doelgroepen van de Wmo. Dus ook verslaafden, daklozen, jongeren en hun ouders, slachtoffers van huiselijk geweld moeten een beroep kunnen doen op de informatievoorziening die het loket biedt. Meerdere organisaties zijn op dit moment bezig met de ontwikkeling van digitale kaarten. Indien de informa-tie op deze verschillende kaarten juist en volledig is kan dit voor burgers/instellingen voordelen bieden: men kan op meerdere plekken naar dezelfde informatie zoeken. Bibliotheek: bron van informatie en ontmoetingsplek Sedert 1 januari 2006 wordt het bibliotheekwerk binnen de gemeente verzorgd door de openbare (basis) bibliotheek Duinrand. Deze is ontstaan uit fusie van een aantal bibliotheken in/buiten de regio. De fusie is het gevolg van het rijksbeleid tot herstructurering van het bibliotheekwerk in Nederland. Doel van de herstructurering is/was bibliotheken in Nederland in staat te stellen op een vernieuwende wijze uiting te geven aan hun basisfuncties, te weten de informatieve, de educatieve, de culturele en de ontmoetingsfunctie. Duinrand heeft in de gemeente Bloemendaal twee vestigingen: in Vogelenzang en in Bloemendaal. Daarnaast heeft de mobiele bibliotheekbus twee halteplaatsen in Aerdenhout. Een goed bereikbare bibliotheek die, samen met andere organisaties op sociaal, educatief en cultureel gebied,voor iedereen toegankelijke voorzieningen biedt voor informatie, educatie, cultuur en ontmoeting levert een belangrijke bijdrage aan de zelfredzaamheid van inwoners en de sociale samenhang. Met een aantal voorzieningen/activiteiten richt de bibliotheek zich specifiek op enkele (Wmo) doelgroepen: Jeugd in de voorschoolse periode er bestaan aparte collecties voor zowel peuterspeelzalen als kinderdagverblijven er is voorlichtingsmateriaal voor zowel ouders als peuterleidsters aanwezig er vinden activiteiten als peutertheatervoorstellingen en voorleesontbijt(
  11. en)plaats Jeugd in de basisschoolleeftijd De bibliotheek beschikt over informatieve (thema)collecties en collecties Er is een programma met activiteiten voor alle jaargroepen gericht op media-educatie en/of leesbevordering Er zijn activiteiten, gericht op het individuele kind, rondom de Kinderboekenweek De bibliotheek is actief in het kader van de ‘Nationale Voorleesdagen’, ‘Promotie Kinderjury en Jonge Jury’ en de regionale voorronde van de landelijke voorleeswedstrijd Kinderen met een leeshandicap ·de bibliotheek beschikt over een ‘makkelijk lezen kast’ met boeken, meelees- en luisterboeken Ouders van jonge kinderen en adolescenten lezingen over opvoedkundige onderwerpen internet gratis raadpleegbare databanken De vereniging van Openbare bibliotheken, waarbij bibliotheek Duinrand is aangesloten, heeft daarnaast een website voor ‘iedereen in het onderwijs’ opgezet: www.schoolbieb.nl Ouderen: actief 65+ introductiecursussen internet leeskringen voor ouderen interbibliothecair leesverkeer voor studerenden (hovo: hoger onderwijs voor ouderen) Ouderen: aan huis gebonden ·bibliotheek-aan-huis service Ouderen wonend in een zorgcentrum uitleenpunten in De Rijp en de Wildhoef voorlezen Allochtonen/inburgeraars ·(mini) collecties in de moedertaal Mensen met een zintuiglijke handicap voorlichting Nederlandse Luister- en Brailllebibliotheek Uitlening daisyrom’s en daisyromspeler Uitlening luisterboeken Mensen met een verstandelijke handicap/leeshandicap voornemen tot opzetten van leesbevorderende activiteiten voornemen tot opzetten van een Makkelijk Lezen Punt (MLP) De activiteiten worden zo mogelijk steeds in samenwerking met andere culturele en welzijninstellingen georganiseerd (bijv. Welzijn Bloemendaal). Er bestaat geen aanleiding ingrijpende wijzigingen in het aanbod door te voeren. Ontmoetingsfunctie Daarnaast functioneert de bibliotheek als ontmoetingsruimte voor alle bezoekers, in het bijzonder door het aanbieden van een leesruimte met kranten en tijdschriften. Gezien de huidige belangstelling is er behoefte aan een grotere lees- en studieruimte. Door verplaatsbaar meubilair kan deze ruimte ook gebruikt worden voor lezingen en workshops voor maximaal 30 personen. Een grotere leeszaal/ontvangstruimte zou ook mogelijkheden bieden tot een platform voor maatschappelijk debat. Toekomst bibliobus Aerdenhout Tot 1 januari 2009 subsidieert de provincie Noord-Holland de bibliobus met € 5.500. Door deze subsidie zijn de kosten voor Duinrand c.q. de gemeente te overzien. In 2008 kost de bibliobus € 8.500. Als de subsidie vervalt stijgen de jaarlijkse kosten tot € 14.000. Aangezien in het kader van dit WMO plan de mogelijkheden voor een ontmoetingsruimte in Aerdenhout onderzocht gaan worden, ligt het voor de hand om de toekomst van de bibliotheekvoorziening in Aerdenhout mee te nemen. Wellicht kan een ontmoetingsruimte gecombineerd worden met een uitleenpunt of is de combinatie met een school een mogelijkheid. Antidiscriminatievoorziening. Het rijk streeft er naar om met ingang van 2008 een landelijk dekkend netwerk te realiseren van voorzieningen waar burgers klachten over discriminatie kunnen melden. Dit kan een regionale voorziening zijn. Inwoners van Bloemendaal hebben nog geen officieel toegang tot een dergelijke voorziening, maar kunnen – desgewenst – al met hun klacht terecht bij het Anti Discriminatie Bureau Haarlem. (www.adbhaarlem.nl). Het ligt voor de hand dat de gemeente Bloemendaal zich, uiterlijk in 2008, in formele zin bij dit bureau aansluit. Beoogde resultaten uiterlijk in 2008 als gemeente aangesloten zijn bij het (een Anti Discriminatie Bureau (Haarlem) het lokaal loket uitbouwen tot ook een volwaardig digitaal loket, o.a. inhoudende dat de aanvraagprocedure digitaal kan worden afgewikkeld en dat het loket beschikt over een up-to-date sociale kaart gelijkluidende informatie over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning op de websites van stichting Welzijn Bloemendaal en de in de intergemeentelijke sociale dienst samenwerkende gemeenten het aanbod van de bibliotheek aan voorzieningen/informatie ten behoeve van specifieke doelgroepen minimaal op het huidige niveau handhaven inwoners die, via het periodiek tevredenheidsonderzoek, het lokaal loket beoordelen met minimaal een 7 (of een vergelijkbare beoordeling) een- of tweemaal per jaar een krant, met voor vrijwilligers relevante informatie benodigd extra budget ten opzichte van 2007 kosten (aansluiting) Anti Discriminatie Bureau: p.m. extra kosten bibliotbus: € 5.500 13. vrijwilligers faciliteren, ondersteunen en tonen van waardering voor hun werk. Stimuleren van nieuwe groepen mensen in de samenleving tot vrijwilligerswerk. Voor wie alle inwoners, echter in het bijzonder vrijwilligers(organisaties) waarom Vrijwilligerswerk is, naast mantelzorg, een van de pijlers waar de WMO op rust. Vrijwilligers zijn onmisbaar voor de sociale samenhang in de samenleving. Ze verzetten enorm veel werk op uiteenlopende maatschappelijke terreinen en staan voor zelfredzaamheid en de eigen verantwoordelijkheid van burgers. Dat is altijd al zo geweest; de komst van de WMO verandert daar op zich niets aan. Met de WMO heeft de ondersteuning van vrijwilligers een wettelijke basis gekregen. De scheidslijn tussen vrijwilligerswerk en mantelzorg valt niet scherp te trekken. Beide groepen verlenen ‘diensten aan de samenleving’; een verschil is dat vrijwilligers ervoor kiezen, terwijl mantelzorgers eigenlijk geen keuze hebben. In 2005 heeft vanwege de beëindiging van de Tijdelijke Stimuleringsregeling Vrijwilligerswerk (TSV) een herijking van het beleid m.b.t. vrijwilligers plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot de notitie “Het maatschappelijk hart van Bloemendaal, vrijwilligerswerkbeleid 2005 t/m 2010”, waarin voor de periode 2005/2010 voor het vrijwilligersbeleid als (sub)doelen zijn geformuleerd: faciliteren vrijwilligerswerk tonen van waardering voor vrijwilligerswerk Faciliteren vrijwilligerswerk Vrijwilligersorganisaties stellen (financiële) ondersteuning zeer op prijs. Jaarlijks kunnen organisaties een subsidieaanvraag bij de gemeente indienen voor versterking van de organisatie rondom het vrijwilligerswerk. Hiervoor is een structureel bedrag van € 8.000,-- beschikbaar. Vanwege dit relatief beperkte bedrag is de regeling slechts toegankelijk voor instellingen uit de sectoren zorg, welzijn en sport. Er wordt daarnaast ook nog gewerkt met een subsidieplafond. De gemeente verstrekt daarnaast aan de Vrijwilligerscentrale Haarlem een jaarlijkse subsidie. Tonen van waardering Bestuurlijke aandacht en waardering van het gemeentebestuur voor het vrijwilligerswerk zijn belangrijk. Jaarlijks wordt in het gemeentehuis, als blijk van waardering, dan ook een bijeenkomst voor alle lokale vrijwilligers georganiseerd. Voor de organisaties is de aanwezigheid van het college en gemeenteraadsleden een mooie gelegenheid contact te hebben met bestuurders en volksvertegenwoordigers. Tweede voordeel van een dergelijke bijeenkomst in het gemeentehuis is de mogelijkheid om onderling contact te leggen. Knelpunten Uit medio 2007 met een groot aantal op vrijwilligersgebied werkzame instellingen gevoerd overleg is gebleken dat het vrijwilligerswerk ondersteuning behoeft die beduidend verder gaat dan waartoe in 2005 is besloten. Het vrijwilligerswerk in Bloemendaal (en de regio) heeft te maken met de volgende knelpunten/problemen: Er is sprake van een tekort aan ‘geschikte’ en jonge(
  12. re)vrijwilligers. Dit tekort is het sterkst bij zorg- en hulpverleningsorganisaties Er valt een toename te constateren van ‘kwetsbare’, moeilijk bemiddelbare vrijwilligers; vrijwilligers ‘met een beperking of vlekje’ hebben (
  13. te)weinig mogelijkheden; Er zijn te weinig (faciliteiten voor) maatschappelijke stageplekken; Er is een gebrek aan financiële middelen, o.a. voor scholing/deskundigheidsbevordering en voor activiteiten; De naamsbekendheid van vrijwilligerswerk en steuninstellingen dient te worden vergroot; Gebrek aan waardering ‘van de gemeenschap’, dit komt mede doordat veel vrijwilligerswerk achter de schermen gebeurt; Er vindt onvoldoende afstemming plaats tussen ‘vraag en aanbod’; wat gebeurt er Continueren jaarlijkse ‘dag van de vrijwilligers’: een uiting van waardering van ‘de samenleving’ voor het vrijwilligerswerk. Gemeentelijke subsidieregeling vrijwilligerswerk herzien. Verbreding van de doelgroep/reikwijdte ligt voor de hand. De huidige regeling brengt voor de gemeente en de organisaties administratieve lasten met zich mee. Bezien zal worden of er voor vrijwilligers collectieve activiteiten (scholing/verzekeringen) kunnen worden georganiseerd of ingekocht. Een budget beschikbaar stellen voor het (extra) begeleiden van ‘moeilijk bemiddelbare’ vrijwilligers. Publiciteit geven aan c.q. aandacht voor vrijwilligerswerk vergroten door: ·enkele malen per jaar, in de gemeentelijke advertentie, aandacht aan vrijwilligerswerk (en mantelzorg) te besteden; ·een- of tweemaal per jaar een lokale vrijwilligerskrant uit te brengen (met door vrijwilligers/vrijwilligersorganisaties aangedragen informatie). Dit als onderdeel van de WMO-krant; Afstemming tussen vraag en aanbod van vrijwilligers via digitale lokale databank die gekoppeld is met databank van de Vrijwilligerscentrale Haarlem. Continueren subsidieverlening aan Vrijwilligerscentrale Haarlem. Stichting Thuiszorg Gehandicapten vervult een belangrijke taak op het gebied van vrijwilligershulp. Ter ontlasting van de familie nemen vrijwilligers de zorg thuis tijdelijk over, zodat ouders van een gehandicapt kind een avondje uit kunnen. Beoogde resultaten vrijwilligers, via de jaarlijkse dag van de vrijwilligers, het gevoel geven dat ‘de samenleving’ waardering heeft voor het werk dat zij verrichten per jaar vijf moeilijk bemiddelbare vrijwilligers begeleiden c.q. aan (vrijwilligers)werk helpen via een gemeentelijke subsidie zoveel mogelijk organisaties/instellingen een steuntje in de rug geven wat betreft de versterking van de organisatie rondom het vrijwilligerswerk een digitale vrijwilligersbank waar vraag en aanbod gekoppeld worden benodigd extra budget ten opzichte van 2007 kosten ‘dag van de vrijwilligers’’: € 10.000 subsidie Stichting Thuiszorg Gehandicapten € 10.000 kosten begeleiding ‘moeilijk bemiddelbare vrijwilligers’: € 5.000 kosten ‘vrijwilligerskrant: € 3.000 verhoging budget ondersteuning vrijwilligers: € 6.000 digitale vrijwilligersbank €3.000 14. ondersteuning bieden aan mantelzorgers voor wie alle inwoners, echter in het bijzonder mantelzorgers waarom Mantelzorg is een omvangrijk en noodzakelijk onderdeel van de zorg. Mantelzorg wordt meestal verleend uit betrokkenheid, maar kan zeer ingrijpend zijn voor wat betreft maatschappelijk functioneren en emotionele belasting. Mantelzorgers kunnen op verschillende terreinen problemen ondervinden: combinatie van werk en zorg; combinatie van sociale activiteiten en zorg; het (niet) op gezette tijden afstand kunnen nemen van de zorgtaak; de voor zorg noodzakelijke kennis, de met de zorg verbonden kosten, en; de relatie met de professionals in de zorg. Als uitgegaan wordt van het landelijk percentage verlenen rond de 3.000 inwoners van Bloemendaal (van 18 jaar en ouder) mantelzorg. De helft van de mantelzorgers heeft een leeftijd van tussen de 35 en 65 jaar. Mantelzorgers zijn relatief vaak vrouw (ca. 58%). 20% van de mantelzorgers geeft hulp binnen de eigen huishouding. 80% zorgt voor iemand buiten de eigen huishouding. In bijna de helft van deze gevallen gaat het dan om hulp aan bejaarde ouderen. Een klein deel van de mantelzorgers, 8% voelt zich zwaar over overbelast. In Bloemendaal gaat het dan om een groep van ca. 250 personen. De verwachting is dat in Nederlandse gezinnen het risico van een dubbele zorglast, voor kinderen en ouders, toeneemt. Dit doordat men tegenwoordig meer op relatief late leeftijd kinderen krijgt. De laatste jaren is er aandacht ontstaan voor enkele aspecten van mantelzorg: allochtone mantelzorgers, jonge mantelzorgers (ongeveer 10 procent van de jongeren tussen 12 en 15 jaar verricht mantelzorgtaken) en de relatie tussen mantelzorg en huiselijk geweld. Bij jonge mantelzorgers gaat het vaak om zorg voor een jonger gezinslid met een ernstige lichamelijke handicap of om zorg voor een ouder met een ernstige ziekte, een handicap, psychische problemen of een verslavingsprobleem. Naar de specifieke problemen van jonge mantelzorgers is nog weinig onderzoek gedaan. Uit vragen ter meting van de belasting (landelijk onderzoek) waar mantelzorgers mee te maken hebben komt het beeld naar voren van een zwaar belaste groep mensen (claimgedrag verzorgde, onkosten, fysieke problemen). 83% van de mantelzorgers is een of meerdere keren geconfronteerd met vormen van overbelasting. Mantelzorg wordt voor

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.