Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2017-2De raad van de gemeente Renkum; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [11 juli 2017]; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, [eerste, tweede,] derde en zevende lid, [2.1.5, eerste lid,] 2.1.6, [2.1.7, 2.3.6, vierde lid,] en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelet op de kadernota Sociaal Domein gemeente Renkum; gezien het advies van Commissie Inwoners; Overwegende dat: inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan (de kadernota sociaal domein; de kunst van samenleven in de gemeente Renkum; de transformatie) als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuninggemeente Renkum2017-2 HOOFDSTUK1:Begripsomschrijvingen Artikel1.Begripsbepalingen De begripsbepalingen uit de wet maatschappelijke ondersteuning, hierna (wet) en het daarop berustende landelijke uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (hierna ‘uitvoeringsbesluit’), de landelijke uitvoeringsregeling Wmo 2015 (hierna ‘uitvoeringsregeling’) en het besluit maatschappelijke ondersteuning Renkum, (hierna besluit), zijn van overeenkomstige toepassing op deze verordening. Voorts wordt in deze verordening verstaan onder: besluit maatschappelijke ondersteuning: het door het College vastgestelde besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum. college: College van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum; aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of maatwerkvoorziening te leveren; aanvraag: een aanvraag is een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers -dan wel met een lichte toetsing-, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning’ andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; bijdrage: eigen bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; ondersteuningsvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet. mijn plan: Schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder het gesprek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de wet, inclusief een door het college noodzakelijk geachte maatwerkvoorziening en de daarmee beoogde resultaten. uitvoeringsregeling; de landelijke uitvoeringsregeling voor de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. uitvoeringsbesluit: het landelijke uitvoeringsbesluit voor de wet maatschappelijke ondersteuning. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inwoner met een ondersteuningsvraag: cliënt als bedoeld in de wet. HOOFDSTUK2:Melding, gesprek en aanvraag Artikel2.Melding 1.Een ondersteuningsvraag kan door of namens een inwoner met een ondersteuningsvraag vorm-vrij bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. De ontvangstbevestiging bevat informatie over: het gebruik van onafhankelijke cliëntondersteuning de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de wet in te dienen. Artikel3.Gesprek Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner met een ondersteuningsvraag het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner met een ondersteuningsvraag; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren; de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de inwoner met een ondersteuningsvraag met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de inwoner met een ondersteuningsvraag in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Als de gegevens van de inwoner met een ondersteuningsvraag en zijn situatie genoegzaam bekend zijn, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, afzien van een gesprek. Artikel4.Verslag 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2.Het college stelt nadere regels over de verslaglegging van het onderzoek. Artikel5.Advisering 1.Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviseur om advies vragen. De inwoner met een ondersteuningsvraag, zijn huisgenoten en andere betrokkenen zoals mantelzorgers verlenen hun medewerking aan de totstandkoming van een door de adviseur uit te brengen advies. Het college kan ter uitvoering van het in dit artikel bepaalde nadere regels stellen. Artikel6.Aanvraag 1.Een inwoner met een ondersteuningsvraag of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk of elektronisch indienen bij het college. 2.Het college kan ter uitvoering van het in dit artikel bepaalde nadere regels stellen. HOOFDSTUK3:Maatwerkvoorziening Artikel7.Criteria voor maatwerkvoorziening Een inwoner met een ondersteuningsvraag komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner met een ondersteuningsvraag niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner met een ondersteuningsvraag deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde gesprek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner met een ondersteuningsvraag in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of b.ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de inwoner met een ondersteuningsvraag met psychische of psychosociale problemen en de inwoner met een ondersteuningsvraag die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de inwoner met een ondersteuningsvraag deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen op eigen kracht; ii. met gebruikelijke hulp; iii. met mantelzorg; iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde gesprek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de inwoner met een ondersteuningsvraag aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner met een ondersteuningsvraag in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde. Artikel8.Voorwaarden en weigeringsgronden Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; voor zover de inwoner met een ondersteuningsvraag op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk zijn zelfredzaamheid kan handhaven of verbeteren; voor zover de inwoner met een ondersteuningsvraag met gebruikmaking van algemene voorzieningen zijn zelfredzaamheid kan handhaven of verbeteren; indien het een maatwerkvoorziening betreft die de inwoner met een ondersteuningsvraag na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; indien eerder aan de inwoner met een ondersteuningsvraag een maatwerkvoorziening is verstrekt in het kader van een wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de maatwerkvoorziening nog niet verstreken is, tenzij: deze maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner met een ondersteuningsvraag zijn toe te rekenen; de inwoner met een ondersteuningsvraag het college een naar het oordeel van het college te bepalen redelijke vergoeding verstrekt in de kosten van de aangevraagde maatwerkvoorziening; de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner met een ondersteuningsvraag aan maatschappelijke ondersteuning; voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt indien de inwoner met een ondersteuningsvraag geen ingezetene is van de gemeente Renkum. Geen woonvoorziening wordt verstrekt indien de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt tot renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of woonruimten betreft bij een specifiek op inwoners met een beperking gericht te renoveren of nieuw te bouwen woongebouw, waarbij de aanpassingen redelijkerwijs meegenomen kunnen worden; indien de noodzaak van de verhuizing het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij zelfredzaamheid of participatie en er redelijkerwijs geen reden voor verhuizing aanwezig is; indien de inwoner met een ondersteuningsvraag niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, terwijl dit redelijkerwijs wel van hem kon worden gevraagd, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Een inwoner met een ondersteuningsvraag kan voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in aanmerking komen wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel slechts gedeeltelijk mogelijk maken, dan wel wanneer een collectief systeem niet aanwezig is. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het in lid 2, 3 en 4 bepaalde. Artikel9.Beschikking Het college stelt nadere regels over de inhoud van de beschikking. Artikel10.Pgb 1.Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb in overeenstemming met de bepalingen van artikel 2.3.6 van de wet en onverminderd het bepaalde in dit artikel, indien de inwoner met een ondersteuningsvraag een budgetplan heeft overlegd dat voldoet aan de in lid 3 van dit artikel opgenomen eisen; 2.Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de inwoner met een ondersteuningsvraag voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3.Het budgetplan voldoet aan de volgende voorwaarden: de inwoner met een ondersteuningsvraag motiveert zijn keuze voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb in het budgetplan; de inwoner met een ondersteuningsvraag heeft beschreven hoe de ondersteuning veilig, doeltreffend en gericht op de inwoner met de ondersteuningsvraag wordt ingericht; de inwoner met een ondersteuningsvraag heeft beschreven of de ondersteuning wordt betrokken van een professionele aanbieder of van een niet-professioneel persoon uit zijn sociale netwerk. De inwoner met een ondersteuningsvraag heeft beschreven welke kosten zijn verbonden aan de ondersteuning. 4.Een inwoner met een ondersteuningsvraag aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk op voorwaarde dat dit doelmatiger is dan het betrekken van ondersteuning van een persoon buiten het sociale netwerk, gelet op de frequentie van de ondersteuning; het type ondersteuning; de aard van de ondersteuningsvraag waaraan met de verstrekking van een pgb tegemoet wordt gekomen; de duur van de ondersteuningsvraag en de mate van verplichting die voortvloeit uit het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden voor de persoon van wie de ondersteuning wordt betrokken. 5.Een pgb wordt niet besteed aan tussenpersonen en belangenbehartigers. 6.Een pgb is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen. 7.Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde in dit artikel. Artikel11.Controle Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. HOOFDSTUK4:Bijdrage in de kosten Artikel12.Bijdrage in de kosten 1.Een inwoner met een ondersteuningsvraag is een niet inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten verschuldigd voor de volgende algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning: voor algemene voorzieningen zonder voorafgaand onderzoek, waarbij de aanbieder een bijdrage in de kosten vaststelt en int. voor algemene voorzieningen met een lichte toetsing, waarbij de gemeenteraad de bijdrage in de kosten vaststelt, nl. voor Huishoudelijke Hulp Toelage ad € 7,50 per uur. 2.Een inwoner met een ondersteuningsvraag is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, in natura of in de vorm van een pgb. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb: is verschuldigd zolang de inwoner met een ondersteuningsvraag van de maatwerkvoorziening gebruikt maakt dan wel gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt en is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de inwoner met een ondersteuningsvraag en zijn echtgenoot en bedraagt de maximale eigen bijdrage die mogelijk is op grond van het uitvoeringsbesluit. 3.Het totaal van de bijdragen voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat de kostprijs niet te boven. 4.De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is afgewezen en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over het kind. 5.Conform artikel 2.1.5. lid 3 van de wet is geen eigen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de inwoner met een ondersteuningsvraag zijn ontheven of ontzet. 6.De bijdrage is verschuldigd per vier weken, de inkomensbedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de eigen bijdrage zijn gelijk aan de maximale bedragen en percentages zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit. De in rekening te brengen eigen bijdragen zijn gebaseerd op de, door de gemeente aan het CAK verstrekte tarieven van de betreffende maatwerkvoorzieningen. Artikel12A.Kostprijs maatwerkvoorziening en hoogte pgb 1.De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald: a. door een aanbesteding; b. na een consultatie in de markt. 2.De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van de in de betreffende situatie adequate maatwerkvoorziening in natura en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 3.De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten. 4.De maximale hoogte van een pgb voor diensten geleverd door een professionele aanbieder wordt bepaald aan de hand van een getrimd gemiddeld van de tarieven van de gecontracteerde aanbieders van de betreffende maatwerkvoorziening in natura. 5.De maximale hoogte van een pgb voor diensten geleverd door een niet-professioneel persoon uit het sociale netwerk wordt bepaald aan de hand van 80% van een getrimd gemiddelde van de tarieven van de gecontracteerde aanbieders van de betreffende maatwerkvoorziening in natura. 6.De maximale hoogte van een pgb voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen geleverd door een professioneel leverancier wordt bepaald aan de hand van een getrimd gemiddelde van de tarieven van de gecontracteerde leveranciers van de betreffende maatwerkvoorziening in natura. Indien geen leveranciers zijn gecontracteerd, worden, conform Het inkoop- en aanbestedingsbeleid van de gemeente Renkum, offertes opgevraagd. 7.De maximale hoogte van een pgb voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen geleverd door een niet-professioneel leverancier uit het eigen netwerk wordt bepaald aan de hand van 80% van een getrimd gemiddelde van de tarieven van de gecontracteerde leveranciers van de betreffende maatwerkvoorziening in natura. Indien geen leveranciers zijn gecontracteerd worden, conform het inkoop- en aanbestedingsbeleid van de gemeente Renkum, offertes opgevraagd. 8.De hoogte van de kostprijs voor een her te gebruiken materiële maatwerkvoorziening, dan wel voor de vervanging van een materiële maatwerkvoorziening, wordt gerelateerd aan de systematiek voor afschrijving. Er wordt een gemiddelde afschrijvingsduur gehanteerd van vijf of zeven jaar, afhankelijk van de soort voorziening. Het college beschrijft deze afschrijvingssystematiek in nadere regels. 9.Als de inwoner met een ondersteuningsvraag de materiële maatwerkvoorziening zeer intensief gebruikt, kan worden afgeweken van de gemiddelde afschrijvingsduur, als de inwoner met een ondersteuningsvraag aannemelijk maakt, dat in verband met bijzondere omstandigheden door het intensief gebruik een eerdere afschrijving en daardoor een eerdere vervanging van de materiële maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Artikel12B.Eigen bijdrage maatschappelijke opvang en beschermd wonen De eigen bijdragen voor maatschappelijke opvang en voor beschermd wonen worden vastgesteld en geïnd doorde gemeente Arnhem. HOOFDSTUK5:Wijzigingen in de situatie, intrekking, terugvordering Artikel13.Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner met een ondersteuningsvraag aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beschikking als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 2.Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beschikking als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de inwoner met een ondersteuningsvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid; de inwoner met een ondersteuningsvraag niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen; de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten; de inwoner met een ondersteuningsvraag niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden, of de inwoner met een ondersteuningsvraag de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt. 3.Een beschikking waarin het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb verstrekt kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Als het college een beschikking op grond van het tweede lid, onder a, d en e heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner met een ondersteuningsvraag opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner met een ondersteuningsvraag en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura of het ten onrechte genoten pgb. 5.Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, kan deze maatwerkvoorziening worden teruggevorderd. 6.Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, kan deze maatwerkvoorziening worden teruggevorderd. HOOFDSTUK6:Kwaliteit en veiligheid Artikel14.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner met een ondersteuningsvraag; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2.Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig, in overleg met de inwoner met een ondersteuningsvraag, ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel15.Prijs kwaliteitsverhouding 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°.een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°.de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat Artikel16.Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. HOOFDSTUK7:Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel17.Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners met een ondersteuningsvraag in de gemeente bestaat. Artikel18.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.Het college kan op aanvraag van personen met een beperking of chronisch psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.Het college stelt hiervoor nadere regels. HOOFDSTUK8:Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel19.Klachtregeling 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners met een ondersteuningsvraag ten aanzien van geleverde diensten of voorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel20.Medezeggenschap 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van inwoners met een ondersteuningsvraag over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van geleverde diensten of voorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel21.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval inwoners met een ondersteuningsvraag of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. HOOFDSTUK9:Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel22.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner met een ondersteuningsvraag afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel23.Indexering Het College indexeert jaarlijks, voor het eerst op 1 januari 2018, de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende besluit geldende bedragen aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. Artikel24.Overgangsrecht 1.Een inwoner met een ondersteuningsvraag houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum van januari 2015, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum van januari 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2017-2. 3.Een beslissing op een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2015, geschiedt op grond van die Verordening die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. 4.Van het in lid 2 en 3 gestelde kan in bijzondere omstandigheden ten gunste van de inwoner met een ondersteuningsvraag worden afgeweken. Artikel25.Inwerkingtreding, intrekking en citeertitel Deze verordening treedt in werking op de dag van bekendmaking en werkt terug tot 1 juni 2017, onder gelijktijdige intrekking van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum van januari 2017. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2017-2. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 september 2017DE RAAD VAN DE GEMEENTE RENKUMde griffier, de voorzitter,mr. Joyce I.M. le Comte A.M.J. (Agnes) SchaapToelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2017-2 AlgemeenDeze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakte bij haar invoering onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken werden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de Wet maatschappelijke ondersteuning van 2007. Er wordt met de Wmo 2015 deels voortgeborduurd op de weg die met de Wmo 2007 reeds was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de inwoner met een ondersteuningsvraag en zijn sociaal netwerk, wat vervolgens een algemene voorziening kan bijdragen aan het handhaven of verbeteren van zelfredzaamheid of participatie en als dat niet volstaat, een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige tweezijdige toegangsprocedure doorlopen te worden om de ondersteuningsvraag van de inwoner met een ondersteuningsvraag, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de inwoner met een ondersteuningsvraag op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wmo is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zou telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is op een wijze die passend is bij de ondersteuningsvraag. Indien de inwoner met een ondersteuningsvraag van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner met een ondersteuningsvraag in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundigen van de gemeente of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de wet kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de inwoner met een ondersteuningsvraag mandateren aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1 van de wet. Deze verordening kan niet los worden gezien van de kadernota sociaal domein die de raad heeft vastgesteld waarin de kaders met betrekking tot het door het college te voeren beleid met betrekking tot integrale maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. Artikelsgewijs HOOFDSTUK 1: BegripsomschrijvingenArtikel 1. BegripsbepalingenIn dit artikel wordt gedefinieerd wat onder de diverse begrippen wordt verstaan in deze Verordening. HOOFDSTUK 2: Melding, gesprek en aanvraagArtikel 2. Melding Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling (delegatie van de gemeenteraad aan het college) van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een inwoner met een ondersteuningsvraag in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat, indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Concreet betekent dat dus dat er in de wet onderscheid wordt gemaakt tussen een ‘melding’ en een ‘aanvraag’. Na de melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning heeft het college maximaal 6 weken de tijd om deze melding te onderzoeken. Na het onderzoek door het college kan de inwoner met een ondersteuningsvraag, als dat nodig blijkt, een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening. Als het college haar onderzoek na 6 weken nog niet heeft afgerond, kan ook een aanvraag voor een maatwerkvoorzienng worden ingediend. Na indiening van de aanvraag heeft het college nog twee weken te tijd om over de aanvraag een beslissing te nemen. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college. De melding kan ‘door of namens de inwoner met een ondersteuningsvraag’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner met een ondersteuningsvraag kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. De kring van personen die een aanvraag voor de inwoner met een ondersteuningsvraag kunnen doen is veel beperkter (zie verder art. 6.1). In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘ondersteuningsvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een ondersteuningsvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende melding te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Artikel 3. GesprekDeze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde beleidsplan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Het eerste lid bepaalt dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met de betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij. In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de inwoner met een ondersteuningsvraag wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zoveel mogelijk bij de inwoner met een ondersteuningsvraag thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Hiermee wordt gezorgd dat niet de vraag om een bepaalde voorziening centraal komt te staan in het gesprek, maar de vraag naar een oplossing van een participatieprobleem of een probleem op het gebied van zelfredzaamheid. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de inwoner met een ondersteuningsvraag zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In de Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie lid twee). Het kan bijvoorbeeld om een inwoner met een ondersteuningsvraag gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 4. VerslagDeze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de nadere regels, conform lid twee, wordt door het college uitvoering gegeven aan de wijze waarop het college aan de inwoner met een ondersteuningsvraag een weergave van de uitkomsten van het gesprek/onderzoek verstrekt teneinde hem in staat te stellen om een aanvraag te kunnen doen voor een maatwerkvoorziening. Met andere woorden; als het college de inwoner met een ondersteuningsvraag het verslag doet toekomen met de uitkomsten van het gesprek/onderzoek, dan is daarmee het onderzoek afgerond en kan een inwoner met een ondersteuningsvraag, indien dat nodig is, een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening. Artikel 5. AdviseringHet college kan extern advies inwinnen indien dat aan de hand van een melding en/of voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliёnt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliёnt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Artikel 6. AanvraagOok deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een inwoner met een ondersteuningsvraag voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. In het eerste lid is aangegeven dat naast de inwoner met een ondersteuningsvraag alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de inwoner met een ondersteuningsvraag die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. HOOFDSTUK 3: MaatwerkvoorzieningArtikel 7.Criteria voor een maatwerkvoorzieningIn artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een inwoner met een ondersteuningsvraag voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk noch wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. Voor de geschikte en toepasbare criteria meer in detail, dient artikel 7 van deze verordening in samenhang met artikel 8 van deze verordening te worden bezien. Artikel 8. Voorwaarden en weigeringsgrondenIn rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de inwoner met een ondersteuningsvraag niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. In het eerste lid van artikel 8: Ad. aDe wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend. Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de inwoner met een ondersteuningsvraag aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat inwoner met een ondersteuningsvraag de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat inwoner met een ondersteuningsvraag daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De inwoner met een ondersteuningsvraag kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Ad. bDit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Ad. cEen algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Ad. dHier wordt gedoeld op de situatie dat de inwoner met een ondersteuningsvraag een maatwerkvoorziening aanvraagt nadat deze reeds door de inwoner met een ondersteuningsvraag gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de maatwerkvoorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken maatwerkvoorziening, kan in deze situatie de maatwerkvoorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als passende maatwerkvoorziening beschouwt. Ad. eIn dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de inwoner met een ondersteuningsvraag verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de inwoner met een ondersteuningsvraag geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een inwoner met een ondersteuningsvraag een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Ad. g fDe maatwerkvoorziening is gericht op een individuele inwoner met een ondersteuningsvraag. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. De in het tweede lid (van artikel 8) opgenomen grond is specifiek bedoeld ter afbakening van toepassing van maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. In het derde lid (van artikel 8) zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien van toepassing zijn op een maatwerkvoorziening die wordt aangeduid met de term 'woonvoorziening'. Ad. aAan deze afwijzingsgrond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.