Verordening BI-zone Centrum Bergschenhoek 2018Verordening op de heffing en invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone Centrum Bergschenhoek 2018 (Verordening BI-zone Centrum Bergschenhoek 2018) HoofdstukIAlgemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: De BI-zone: de bedrijveninvesteringszone zijnde het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente Lansingerland waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende gebiedskaart (T17.13092); De wet: De Wet op de bedrijveninvesteringszones; Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland; Uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Lansingerland en Stichting BIZ Centrum Bergschenhoek gesloten Uitvoeringsovereenkomst. Artikel2Aanwijzing stichting De Stichting BIZ Centrum Bergschenhoek (hierna: stichting) wordt aangewezen als stichting als bedoeld in artikel 7 van de wet. HoofdstukIIBelastingbepalingen Artikel3Aard van de belasting De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Artikel4Belastbaar feit en belastingplicht 1.De belasting wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. 2.De BIZ-bijdrage wordt geheven van de gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. 3.Voor de toepassing van dit artikel wordt: gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 4.Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, wordt de van de gebruiker te heffen BIZ-bijdrage geheven van de eigenaar, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de BI-zone gelegen onroerende zaak. Artikel5Belastingobject 1.Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dient en die niet is genoemd in artikel 220d, eerste lid van de Gemeentewet. 2.Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 3.Indien twee objecten als één worden gebruikt, dan wordt deze als één object aangeslagen. Artikel6Maatstaf van heffing 1.De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het kalenderjaar
- 2.Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 3.De heffingsmaatstaf als bedoeld in het eerste lid geldt voor de gehele in artikel 4, eerste lid genoemde periode. 4.Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op voet van hoofdstuk IV Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20 tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel7Belastingtarief 1.De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak, per belastingjaar (bedragen in Euro’s): WOZ waarde 2018 2019 2020 2021 2022 0,00% 0,00% 3,00% 0,00% 2,00% € 0 t/m € 100.000 250 250 258 258 263 € 100.001 t/m € 200.000 350 350 361 361 368 € 200.001 t/m € 350.000 500 500 515 515 525 € 350.001 t/m € 550.000 650 650 670 670 683 € 550.001 t/m € 850.000 750 750 773 773 788 € 850.001 t/m € 1.250.000 850 850 876 876 893 € 1.250.001 t/m € 2.500.000 2.000 2.000 2.060 2.060 2.101 € 2.500.001 en hoger 5.000 5.000 5.150 5.150 5.253 2.Voor belastingbedragen tot € 10,- vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel8Vrijstellingen 1.In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend worden voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard; één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met een volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen- welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen; begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria; parkeergarages. 2.In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel9Wijze van heffing De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven. Artikel10Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. 2.In afwijking van het eerste lid geldt dat, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven en het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen of andere heffingen meer is dan € 60,- en minder dan € 5.000,- de aanslagen moeten worden betaald in acht termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en tweede lid gestelde termijnen. Artikel11Nadere regels door het college Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de BIZ-bijdrage. HoofdstukIIISubsidiebepalingen Artikel12Algemeen Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening gemeente Lansingerland niet van toepassing. Artikel13Subsidievaststelling 1.De subsidie wordt verstrekt aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst. 2.De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bedragen. 3.In de Uitvoeringsovereenkomst worden nadere regels opgesteld over de wijze van bevoorschotting en de verrekening van meer- en minderopbrengsten van de ontvangen BIZ-bijdragen. Artikel14Veranderingen en wijzigingen 1.De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie. 2.De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van een wijziging in de statuten, dan wel van verandering of beëindiging van activiteiten. HoofdstukIVSlotbepalingen Artikel17Inwerkingtreding en citeertitel De verordening treedt in werking 7 dagen nadat het college heeft bekend gemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet, is gebleken. De datum van ingang van de heffing is 1 januari
- Deze verordening wordt aangehaald als Verordening BI-zone Centrum Bergschenhoek
- Aldus vastgesteld als in de openbare vergadering van 30 november
- de griffier, Drs. Marijke Walhout Bijlage Uitvoerings overeenkomst BIZ Centrum Bergschenhoek