Afstemmingsverordening Wet investeren in jongerenParagraaf1.Algemene bepalingen Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Artikel1Begripsomschrijving 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Investeren in Jongeren en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); college: het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Rozendaal; zeer ernstig misdragen: gedrag dat in het algemeen maatschappelijk verkeer als onacceptabel wordt beschouwd; agressieprotocol: het door de gemeente Rheden vastgestelde protocol ter voorkoming en beheersing van agressie; WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere van toepassing zijn norm, vermeerderd of verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het college vastgestelde verhoging of verlaging; maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid van de wet; benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als inkomensvoorziening en/of werkleeraanbod op grond van de wet; inkomensvoorziening: de WIJ-norm zoals vermeld onder b van dit artikel; grens aangiftebedrag: het bruto-inkomensvoorzieningsbedrag waarvoor de gemeente is benadeeld door een belanghebbende en waarboven het college aangifte doet bij het Openbare Ministerie recidive: het binnen een bepaalde periode opnieuw plegen van een verwijtbare handeling uit dezelfde of hogere categorie; onverwijld uit eigen beweging: het via een daartoe beschikbaar gesteld formulier – bewegingsperiodieke verklaring of andere mutatieformulier- of anderszins op de daarop opgenomen wijze mededeling doen van alle voor het recht op de inkomensvoorziening van belang zijnde feiten en omstandigheden. Paragraaf2Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 44 en 45 van de wet Artikel2Afstemming van de inkomensvoorziening 1.Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college, overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college ernstig misdraagt. 2.Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen. 3.Van het verlagen van de inkomensvoorziening wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, dan wel deze verwijtbaarheid verschoonbaar is. Artikel3Berekeningsgrondslag De verlaging wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde WIJ-norm. Artikel4Het besluit tot afstemming van de inkomensvoorziening In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardmaatregel. Artikel5Horen van de belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van de jongere kan achterwege gelaten worden indien De vereiste spoed zich daartegen verzet; De jongere reeds in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan. Het college het horen van de jongere niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. Er sprake is van zeer ernstige misdragingen van de jongere, zoals bedoeld in artikel 13 Artikel6Indeling in categorieën van verwijtbare gedragingen Ten aanzien van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 44, tweede lid en artikel 45 van de wet, worden onderscheiden de volgende categorieën: a.Eerste categorie Het niet, niet tijdig of onvolledig voldoen aan administratieve verplichtingen in verband met het recht op een werkleeraanbod of inkomensvoorziening. Tweede categorie het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijk behandeling van medische aard. Derde categorie het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet dat leidt tot het ten onrechte toekennen of tot het ten onrechte te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening. Vierde categorie het stellen van onredelijke eisen in verband met het door de jongeren te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van arbeidsbekwaamheid; het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op arbeidsinschakeling; het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten; Artikel7De hoogte en de duur van de maatregel 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2 lid 2 wordt de maatregel vastgesteld op: € 50,- bij gedragingen van de eerste categorie; € 200,- bij gedragingen van de tweede categorie; i. € 50,00 bij een gedraging uit de derde categorie, waarbij het benadelingsbedrag lager is dan € 500,00; ii. € 150,00 bij een gedraging uit de derde categorie, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 500,00 maar lager is dan € 1.500,00; iii. € 350,00 bij een gedraging uit de derde categorie, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 1.500,00 maar lager is dan € 3.500,00; iv. € 600,00 bij een gedraging uit de derde categorie, waarbij het benadelingsbedrag groter dan of gelijk is aan € 3.500,00 maar lager is dan € 6.000,00; v. bij een gedraging uit categorie 3, waarbij het benadelingsbedrag groter is dan € 6.000,00 en waar geen aangifte bij het Openbaar Ministerie wordt gedaan, vindt een verhoging plaats van € 300,00 per € 3.000,00 of gedeelten daarvan; De gehele WIJ-norm bij gedragingen van de vierde categorie; 2.In afwijking van het gestelde in het eerste lid bedraagt de verlaging niet meer dan het maandbedrag dat voor de inkomensvoorziening in aanmerking komt. 3.De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op een maand. 4.Het college kan jaarlijks per 1 januari de bedragen als genoemd in lid 1 aanpassen door middel van indexering. De bedragen na indexering worden naar boven afgerond op een veelvoud van € 5,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.