Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Boxmeer 2018HoofdstukIAlgemene bepalingen Gemeente Boxmeer Onderwerp: Vaststelling van de Verordening reinigingsheffingen Boxmeer
- Nummer: 7f. De raad van de gemeente Boxmeer; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 oktober 2017; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; B E S L U I T : vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Boxmeer 2018 (Verordening reinigingsheffingen Boxmeer 2018) Artikel1Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: een afvalstoffenheffing; reinigingsrechten. Artikel2Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: 1.Bedrijfspand: een gebouwde onroerende zaak of een zelfstandig gebruikt gedeelteervan geen perceel zijnde. 2.Bedrijfsafval: afvalstoffen afkomstig van bedrijven, kantoren en instellingen, welke door geringe omvang of hoeveelheid gelijk te stellen zijn met huishoudelijk afval en als zodanig mede in aanmerking komen voor het periodiek inzamelen. HoofdstukIIAfvalstoffenheffing Artikel3Aard van de belasting en belastbaar feit 1.Onder de naam 'afvalstoffenheffing' wordt een directe belasting geheven alsbedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer (Stb. 1994, 80). 2.De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel4Belastingplicht 1.De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruikmaakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen vanhuishoudelijke afvalstoffen geldt. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van het perceel; ingeval een gedeelte van een perceel voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan. Artikel5Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 151,44; De belasting voor het ter beschikking stellen van opdrukzakken bedraagt per 10opdrukzakken van 60 liter € 12,50; 3.De belasting voor het ter beschikking stellen van opdrukzakken bedraagt per 10opdrukzakken van 30 liter € 6,
- Artikel6Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel7Wijze van heffing De belasting bedoeld in artikel 5, lid 1 wordt geheven bij wege van aanslag. De belasting bedoeld in artikel 5, lid 2 wordt geheven door middel van eenmondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waarondermede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreikingvan de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel8Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.De belasting bedoeld in artikel 5, lid 1 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaataanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaarverschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nogvolle kalendermaanden overblijven. 4.Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtigebinnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruikneemt. Artikel9Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 35,00 doch minder is dan € 4.000,00, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. In gevallen bedoeld in het tweede lid geldt in afwijking in zoverre van het aldaar bepaalde, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 7, tweede lid: mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen acht dagen na dagtekening van de kennisgeving. 5.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. HoofdstukIIIReinigingsrechten Artikel10Belastbaar feit 1.Onder de naam 'reinigingsrechten' worden rechten geheven voor het genot vandoor het gemeentebestuur verstrekte diensten als omschreven in het tweede lid. 2.Het in het eerste lid bedoelde genot van diensten bestaat uit het periodiek verwijderen van bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid, voor zover ditwordt aangeboden overeenkomstig de daartoe door de BestuurscommissieAfvalinzameling Land van Cuijk en Boekel te stellen regelen. Artikel11Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wiede dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingengebruik maakt. Artikel12Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar € 151,44; De belasting voor het ter beschikking stellen van opdrukzakken bedraagt per 10opdrukzakken van 60 liter € 12,50; 3.De belasting voor het ter beschikking stellen van opdrukzakken bedraagt per 10opdrukzakken van 30 liter € 6,
- Artikel13Belastingjaar Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. Artikel14Wijze van heffing 1.De rechten bedoeld in artikel 12, lid 1 worden geheven bij wege van aanslag met dien verstande dat per belastbaar feit een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd. 2.De rechten bedoeld in artikel 12, lid 2 worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt. Artikel15Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde rechten 1.De rechten bedoeld in artikel 12, lid 1 zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt zijn de rechten verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4.Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist. Artikel16Termijnen van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2.In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 35,00, doch minder is dan € 4.000,00, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.In gevallen bedoeld in het tweede lid geldt in afwijking in zoverre van het aldaar bepaalde, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingplichtige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4.De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 7, tweede lid: a.mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b.schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen acht dagen na dagtekening van de kennisgeving. 5.De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel17Kwijtschelding Voor de belasting als bedoeld in artikel 5, lid 2, respectievelijk de rechten als bedoeld inartikel 12, lid 1 en 2 van deze verordening wordt geen kwijtschelding verleend. HoofdstukIVAanvullende bepalingen Artikel18Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekkingtot de heffing en de invordering van de reinigingsheffingen. Artikel19Overgangsrecht De 'Verordening reinigingsheffingen Boxmeer 2017' vastgesteld bij raadsbesluit van 15december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 20, tweede lid genoemdedatum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op debelastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Artikel20Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van bekendmaking. 2.De datum van ingang van de heffing is 1 januari
- Artikel21Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening reinigingsheffingen Boxmeer 2018'. Aldus besloten door de raad van de gemeente Boxmeer in zijn openbare vergadering van 14 december
- De raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, A.W.J.M. Cornelissen MMC K.W.T. van Soest