Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2018De Raad van de gemeente Rotterdam, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 november 2017 (raadsvoorstel nr. 17bb9026); raadsstuk 17bb9924; gelet op: de artikelen 2.1.3, eerste, tweede en vierde lid, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; de artikelen 2.9, 2.12 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet; en artikel 147 en 149 van de Gemeentewet; overwegende, dat de gemeente op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet gehouden is om zo goed mogelijke ondersteuning en hulp aan volwassenen en jeugdigen te bieden; dat het in het kader van de doorontwikkeling van Welzijn, Zorg en Jeugdhulp wenselijk is om de ondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet, alsmede aanverwante onderwerpen die deze dienstverlening raken en waar gemeentelijk beleid op is ontwikkeld, zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen; deze afstemming het best tot uitdrukking komt in een gezamenlijke verordening voor beide hiervoor genoemde wetten; besluit vast te stellen: de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018’ Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt het volgende verstaan onder: algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; andere voorziening: voorziening niet vallend onder de wet op grond waarvan de ondersteuning of jeugdhulp wordt gevraagd, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; arrangement: een op een cliënt gericht aanbod van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp binnen één of meer resultaatsgebieden; beperking: objectief vastgestelde stoornis of conditie in lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke zin, die een normaal maatschappelijk functioneren van de cliënt belemmert en nadelige sociale gevolgen met zich meebrengt; CAV: Collectief Aanvullend Vervoer, bedoeld voor het vervoer van cliënten en ouderen die daar op grond van deze verordening gebruik van mogen maken; cliënt: cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 of de jeugdige of ouder die aanspraak maakt op jeugdhulp, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam; dienstverlening: jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een cliënt, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; eigen bijdrage: financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo 2015; huisvesting: beschermd wonen in de zin van artikel 1.2.1 lid b van de Wmo 2015; hulpvraag: behoefte van een cliënt aan ondersteuning of hulp op grond van de Jeugdwet of Wmo 2015; individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet, door het college verstrekt in natura of bij pgb; maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015; melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015, of melding van een behoefte aan jeugdhulp; ondersteuning: jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of maatschappelijke ondersteuning in het kader van de Wmo 2015; ondersteuningsplan: het onderdeel van het ondersteuningsverslag dat de weergave bevat van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding op grond van de Wmo 2015 of het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet dat door het college is gemaakt naar aanleiding van het onderzoek, waaronder tevens wordt verstaan het niet inhoudelijk gevulde ondersteuningsplan in geval van weigering van de ondersteuning; opvang: bieden van onderdak voor slachtoffers van huiselijk geweld en dak- en thuislozen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; overige voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet; periode: periode die het CAK hanteert voor de vaststelling van de door de cliënt te betalen eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet; pgb-plan: zorg- en budgetplan waarin staat op welke wijze het pgb wordt aangewend; SVB: Sociale Verzekeringsbank; resultaatgebied: leefdomein waarbinnen de zelfredzaamheid moet worden ondersteund door middel van gebruikmaking van een voorziening met eventueel ondersteuningselementen; vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget; voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 of overige voorziening of individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; wijkteam: uitvoerend team van professionals vanuit onder andere de domeinen jeugdhulp, maatschappelijk werk, maatschappelijke ondersteuning en eerstelijns zorg die niet- en beperkt zelfredzame inwoners basishulp en kortdurende zorg en ondersteuning bieden; Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning
- Artikel1.2Reikwijdte verordening 1.Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning ten behoeve van ingezetenen van de gemeente Rotterdam. 2.Deze verordening heeft betrekking op jeugdhulp voor jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1, onder 3o, van de Jeugdwet van wie minimaal een gezaghebbende ouder zijn woonplaats heeft in Rotterdam of die volgens toepasselijk Nederlands recht onder verantwoordelijkheid van de gemeente Rotterdam valt. 3.In afwijking van de voorgaande leden heeft deze verordening ten aanzien van opvang en beschermd wonen in het kader van de Wmo 2015, betrekking op een ieder die zich voor deze ondersteuning tot het college wendt in de zin van artikel 1.2.1, lid b en c, van de Wmo
- Artikel1.3Nadere regels en beleidsregels Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening. Hoofdstuk2Toegang tot voorzieningen Artikel2.1Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen 1.Ingezetenen die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening of een overige voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze vrij toegankelijke voorziening. 2.Overige voorzieningen voor jeugdigen worden onderscheiden in: basishulp wijkteam: ambulante opvoedhulp; begeleiding van jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke, of zintuiglijke beperking; kortdurende generalistische basis-ggz-hulp bij enkelvoudige problematiek; jongerentrajecten en intensief casemanagement, mede met het oog op jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast; gezinsondersteuning waaronder gezinscoaching. informatie, trainingen en (opvoed)advies; jeugdgezondheidszorg; jongerencoaching en participatiebevordering; schoolmaatschappelijk werk. Artikel2.2Melding behoefte aan ondersteuning 1.Een melding van een behoefte aan ondersteuning kan door of namens een persoon worden gedaan: bij de Vraagwijzers in de gemeente; bij een centrum voor Jeugd en Gezin; bij de stedelijke loketten ‘Jongerenloket’ en ‘Participatie en Stedelijke Zorg’; bij Veilig Thuis Rotterdam-Rijnmond; telefonisch via het centrale informatienummer van de gemeente; schriftelijk; digitaal; of via een andere, door het college geopende mogelijkheid. 2.Het college maakt voldoende kenbaar hoe en waar een melding kan worden gedaan. Artikel2.3Gesprek naar aanleiding van melding 1.Naar aanleiding van de melding, bedoeld in artikel 2.
- voert het college zo spoedig mogelijk een onderzoek ter verheldering van de hulpvraag uit. 2.In het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: als er sprake is van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, alsmede partijen op bijvoorbeeld het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn. als de ondersteuningsbehoefte zich (ook) richt op jeugdhulp: de behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; het vermogen van de jeugdige of zijn ouder om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; het gewenste resultaat van de in te zetten jeugdhulp; de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening; de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; de wijze waarop de jeugdhulp wordt afgestemd met andere voorzieningen; hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. 3.Als cliënt een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd voor zijn ondersteuning, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 4.Het college kan in overleg met de cliënt besluiten het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk achterwege te laten, als het college op basis van voorafgaand dossieronderzoek en bekendheid met de cliënt en zijn actuele situatie, over voldoende inzicht beschikt in de ondersteuningsbehoefte. 5.Indien de cliënt in geval van een aanvraag voor een pgb een vertegenwoordiger heeft gemachtigd, dan zal het college deze vertegenwoordiger in het onderzoek betrekken en daarmee minstens eenmaal een gesprek laten plaatsvinden, alvorens over te gaan tot besluitvorming op de aanvraag tot verstrekking van een voorziening in de vorm van een pgb. 6.Het college draagt er zorg voor dat de cliënt voorafgaand aan het onderzoek tijdig wordt geïnformeerd over de procedure van het onderzoek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure. Artikel2.4Ondersteuningsverslag naar aanleiding van het onderzoek 1.Cliënt ontvangt van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3, een ondersteuningsverslag dat in ieder geval een weergave van het gehouden gesprek bevat. 2.Indien het college vaststelt dat cliënt in aanmerking komt voor ondersteuning of dat hem ondersteuning moet worden geweigerd, wordt aan het in het eerste lid bedoelde gespreksverslag een ondersteuningsplan toegevoegd. Hierbij ziet het college erop toe dat het gespreksverslag en ondersteuningsplan als afzonderlijk herkenbare onderdelen in het ondersteuningsverslag worden opgenomen. 3.Cliënt ondertekent het ondersteuningsverslag voor akkoord of gezien. 4.Cliënt wordt in de gelegenheid gesteld om aanvullingen of correcties te plaatsen bij het ondersteuningsverslag en kan op een later moment in het ondersteuningstraject, maar uiterlijk tot het moment van ondertekening, dit verslag inzien met het oog op correctie of verwijdering van feitelijke onjuistheden. Artikel2.5Aanvraag individuele voorziening of maatwerkvoorziening 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening wordt ingediend door middel van ondertekening van het in artikel 2.4, tweede lid genoemde ondersteuningsverslag waarin naast het gespreksverslag een ondersteuningsplan is opgenomen. 2.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening kan ook via een daartoe ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. 4.De cliënt ontvangt een beschikking op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening waaruit concreet blijkt welke voorziening in natura of als pgb aan de cliënt wordt verstrekt; of op welke gronden deze wordt geweigerd. 5.Het bepaalde in lid 4 is van overeenkomstige toepassing indien de cliënt in het gesprek uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt zich niet te kunnen verenigen met een beslissing op het gebied van basishulp zoals bedoeld in artikel 2.1, tweede lid. Artikel2.6Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp 1.Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. 2.Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Artikel2.7Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3 of de aanvraag van cliënt. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet. Hoofdstuk3Individuele voorzieningen, maatwerkvoorzieningen, gezinsarrangementen, pgb, verplichtingen enoverige maatregelen Paragraaf3.1Individuele voorzieningen jeugdhulp Artikel3.1.1Beschikbare individuele voorzieningen jeugdhulp Het college stelt de volgende specialistische tweedelijns jeugdhulp beschikbaar: extramurale begeleiding, daghulp en ondersteunende mantelzorg voor licht verstandelijk beperkte jeugdigen; basis-GGZ en specialistische GGZ buiten het wijkteam; diagnostiek en behandeling in het kader van dyslexiezorg; pleegzorg; opname in de zin van bed en behandeling, via: open residentiële hulp basis; gesloten residentiële hulp binnen behandelsetting; gesloten jeugdhulp - JeugdzorgPlus; gesloten klinische opname; ambulante behandeling of ondersteuning in de thuissituatie; ambulante behandeling en ondersteuning in de thuissituatie in combinatie met (medische) dagbehandeling; blijvende of langdurige ondersteuning buiten de thuissituatie die niet ambulant kan worden verleend, in combinatie met vervangende opvoeding; crisishulp; forensische jeugdhulp opgelegd door de kinderrechter; zorgverlening aan jeugdigen binnen het sociaal netwerk. Artikel3.1.2Verlening arrangementen individuele voorzieningen jeugdhulp 1.Het college verleent een individuele voorziening binnen een arrangement van één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren; herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige; opvoeding, versterken mogelijkheden ouders. 2.Het college zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: vervangende opvoeding; dagbehandeling of dagbesteding; mantelzorgondersteuning. 3.Het college kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 4.Het college stelt de omvang van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteuningselementen, bedoeld in het tweede lid, vast in de intensiteitstreden “beperkt”, “midden” of “intensief”, dan wel een combinatie daarvan, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. Artikel3.1.3Algemene criteria individuele voorziening voor jeugdhulp 1.Een jeugdige komt in aanmerking voor een individuele voorziening voor zover het college heeft vastgesteld dat de jeugdige geen of slechts ten dele een oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden: op eigen kracht, al dan niet met zijn ouders of andere personen uit zijn netwerk; door gebruik te maken van een overige voorziening; of door gebruik te maken van de mogelijkheden in het kader van andere voorliggende voorzieningen of regelgeving. 2.Het college kent eveneens een individuele voorziening toe in de gevallen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, en artikel 2.
- Artikel3.1.4Aanvullende criteria voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders hier niet in kan voorzien: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van praktische vaardigheden; het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel3.1.5Aanvullende criteria voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige, als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de jeugdige in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; het verlagen van recidiverisico. Artikel3.1.6Aanvullende criteria voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de jeugdige; het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de jeugdige; het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige; het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de jeugdige; het kunnen zorgdragen voor deelname van de jeugdige aan onderwijs of vormen van daghulp; het kunnen ontwikkelen van een voor de jeugdige steunend netwerk. Artikel3.1.7Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op. Artikel3.1.8Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandelingof dagbesteding Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur. Artikel3.1.9Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement mantelzorgondersteuning Het college zet ondersteunende mantelzorg in, als de zorg aan de jeugdige een zodanig beslag legt op de draagkracht van de omringende opvoeders dat aanvullende ondersteuning noodzakelijk is, en zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen: de jeugdige heeft een verstandelijke beperking, gepaard gaande met beperkingen in het sociaal en persoonlijk functioneren; vanwege een lichamelijke of zintuigelijke beperking is ondersteuning voor de jeugdige geboden; de jeugdige heeft een meervoudige beperking in de zin van een combinatie van een lichamelijke-, verstandelijke- of zintuigelijke handicap, soms met moeilijk te reguleren gedragsproblematiek als gevolg van ernstige psychiatrische stoornissen; er is sprake van een chronische uitbehandelde psychiatrische aandoening of stoornis bij de jeugdige. Artikel3.1.10Waakvlamfunctie jeugdhulp De ondersteuning binnen de resultaatgebieden, genoemd in de artikelen 3.1.4, 3.1.5 en 3.1.6, kan tevens de vorm hebben van een waakvlamfunctie, waarbij periodiek in de gaten wordt gehouden of het behaalde resultaat nog steeds aanwezig is en of er aanvullende ondersteuning binnen een resultaatsgebied nodig is. Artikel3.1.11Zeventien en een half-jarigen Het college kan een jeugdige, die de leeftijd van 18 jaar bijna heeft bereikt en naar verwachting een voortdurende behoefte aan ondersteuning zal hebben na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, een arrangement aanbieden op basis van de resultaatgebieden die worden aangeboden in het kader van de Wmo 2015, mits dit arrangement de jeugdige in voldoende mate ondersteunt. Artikel3.1.12Voortzetting jeugdhulp na 18 jaar Het college kan besluiten om de ondersteuning aan een jeugdige, als bedoeld in artikel 1.1, onder 3o van de Jeugdwet, na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar als een arrangement jeugdhulp voort te zetten of te hervatten, indien de ondersteuning niet, niet adequaat of niet volledig in de vorm van een arrangement op grond van de Wmo 2015 kan worden verstrekt. Paragraaf3.2Maatwerkvoorzieningen Wmo 2015 Artikel3.2.1Ondersteuning binnen resultaatgebieden 1.De ondersteuning in de vorm van dienstverlening vindt plaats in de vorm van een arrangement binnen één of meer van de volgende resultaatgebieden: sociaal en persoonlijk functioneren; ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden; financiën; dagbesteding; zelfzorg en gezondheid; nachtelijk toezicht en huisvesting; mantelzorgondersteuning met verblijf. 2.Als onderdeel van dagbesteding kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. 3.Het college stelt de omvang van de ondersteuning vast in de intensiteitstreden beperkt, midden of intensief, dan wel een combinatie daarvan, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. Artikel3.2.2Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Een cliënt kan binnen de kaders van de Wmo 2015, voornamelijk de artikelen 1.2.1 en 2.3.5, en deze verordening in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. 2.Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar het oordeel van het college bij de cliënt de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, of met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig of ontoereikend zijn om: de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 3.Het college besluit, indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, tot de goedkoopste en meest doeltreffende maatwerkvoorziening. 4.Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken. Artikel3.2.3Aanvullende criteria maatwerkvoorziening 1.In aanvulling op artikel 3.2.2 hanteert het college voor een maatwerkvoorziening, voor zover relevant, de volgende criteria: er is sprake van kosten of voorzieningen die, gelet op de situatie van de cliënt, niet algemeen gebruikelijk zijn; de maatwerkvoorziening is, gelet op de persoon, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee; er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening als deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven; de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning kan plaatsvinden; de cliënt werkt binnen zijn vermogen in voldoende mate mee aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan en de afspraken met de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb; de noodzaak tot het verstrekken van een voorziening is niet aan de cliënt te verwijten; de noodzakelijke maatwerkvoorziening leidt tot meerkosten voor de cliënt ten opzichte van de situatie waarin een vergelijkbare persoon zonder dergelijke belemmeringen verkeert. 2.Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, anders dan voor dienstverlening, met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. Artikel3.2.4Aanvullende criteria voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij ondersteuning nodig heeft in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van praktische vaardigheden; het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; eenvoudige opvoedondersteuning in de zin van artikel 2.1, tweede lid, sub b, in het kader van een gezinsarrangement, voor zover cliënt ondersteuning nodig heeft bij de opvoeding van zijn kinderen en er geen sprake is van een behoefte aan specialistische tweedelijns jeugdhulp voor deze kinderen; het leren omgaan door de gezinsleden met de beperkingen die de cliënt heeft; het verkrijgen en behouden van huisvesting. 2.De ondersteuning binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren kan tevens de vorm hebben van een waakvlamfunctie, waarbij periodiek in de gaten wordt gehouden of de behaalde resultaten nog steeds aanwezig zijn en of er aanvullende ondersteuning nodig is. 3.Ondersteuning voor de in het vorige lid bedoelde waakvlamfunctie kan slechts aan de orde zijn als er geen sprake is van een indicatie voor nachtelijk toezicht en huisvesting. Artikel3.2.5Aanvullende criteria voor het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden als hij ondersteuning nodig heeft in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: het schoon en leefbaar houden van de woning volgens algemeen hygiënische normen; het beschikken over schone en draagbare kleding; het beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden; de zorg voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren, waarbij de inzet van de ouders de gebruikelijke zorg overstijgt; het voeren van regie over het doen van het huishouden. 2.Een cliënt die in aanmerking komt voor het ondersteuningselement huisvesting binnen het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting, kan niet in aanmerking komen voor ondersteuning voor het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden. Artikel3.2.6Aanvullende criteria voor het resultaatgebied financiën Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied financiën, als hij ondersteuning nodig heeft op één of meerdere van de volgende aspecten: het op orde krijgen en houden van zijn inkomsten; het op orde krijgen en houden van de administratie; het vergroten van de financiële zelfredzaamheid; het toe leiden naar inkomensbeheer; het toe leiden naar de technische schulddienstverlening; verkrijgen van structuur of vaardigheid tot regievoering op het gebied van administratie en financiën; het aanleren van praktische vaardigheden op het gebied van administratie en financiën. Artikel3.2.7Aanvullende criteria voor dagbesteding 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied dagbesteding, als: het noodzakelijk is het ondersteuningssysteem van cliënt te ontlasten; cliënt ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van zijn netwerk, teneinde gevoelens van eenzaamheid te doorbreken; cliënt belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag, zoals werk, scholing of vrije tijdsbesteding; de cliënt structuur en veiligheid nodig heeft teneinde verlies aan regie en zelfredzaamheid te voorkomen; het noodzakelijk is om cliënt te activeren tot zingevende activiteiten; of de cliënt ondersteund moet worden bij het verkrijgen van werknemersvaardigheden. 2.De dagbesteding vindt, al dan niet in groepsverband, plaats op een daartoe bestemde locatie onder begeleiding van de aanbieder. 3.De dagbesteding kan tevens worden geïndiceerd om cliënt voor te bereiden op en te stimuleren tot dagbesteding op een locatie. Artikel3.2.8Aanvullende criteria vervoer van en naar de dagbesteding 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer van en naar de dagbesteding als cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. 2.De afstand tussen de in het eerste lid bedoelde woon- of verblijfadres en de dagbesteding is ten hoogste 6 kilometer enkele reis. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk mits schriftelijk gemotiveerd en leidend tot goede ondersteuning. Artikel3.2.9Aanvullende criteria maatwerkvoorziening zelfzorg en gezondheid Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied voor ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid, als hij aansturing of ondersteuning nodig heeft bij één of meerdere van de volgende aspecten: zijn persoonlijke verzorging, niet zijnde persoonlijke verzorging of verpleging in het kader van de Zorgverzekeringswet; het in stand houden of bevorderen van zijn fysieke of psychische gezondheid; het nakomen van afspraken bij zorgverleners. Artikel3.2.10Aanvullende criteria voor nachtelijk toezicht en huisvesting 1.Een cliënt met problematiek op meerdere leefgebieden, waaronder in ieder geval een psychiatrische, psychosociale of verstandelijke beperking, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor nachtelijk toezicht, als dit toezicht noodzakelijk is om gestructureerd of veilig te kunnen wonen, samenhangend met diens sociaal en persoonlijk functioneren en met diens zelfzorg. 2.Nachtelijk toezicht en huisvesting kan alleen worden geleverd aan de cliëntgroepen (O)GGZ en Verstandelijk Beperkten in de vorm van een vaste wakende wacht of een ambulante wacht in geval er sprake is van zelfstandig of begeleid wonen. 3.Als een cliënt, zoals omschreven in het vorige lid, niet in staat is zelfstandig een woning te bewonen en een huishouden te voeren vanwege zijn beperkingen en problematiek, kan ook het ondersteuningselement huisvesting, onderdeel uitmaken van het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting. 4.Het nachtelijk toezicht is van toepassing tussen 23.00 en 7.00 uur en is gericht op: het voorkomen of de-escaleren van ongewenste situatie gedurende de nacht; ondersteuning bij het hanteren van een gezond dag-nachtritme; ingrijpen wanneer de cliënt teveel onder invloed staat van anderen waar dit een risico van achteruitgang met zich meebrengt; of de veiligheid in de buurt waar cliënt woont. 5.Indien aan een cliënt het ondersteuningselement huisvesting wordt geboden en er kinderen bij cliënt wonen, dan kan het ondersteuningselement huisvesting tevens betrekking hebben op die kinderen. Artikel3.2.11Aanvullende criteria maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning met verblijf 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van mantelzorgondersteuning, gepaard gaand met verblijf, als: de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met permanent toezicht; ontlasting van de mantelzorger die dit permanent toezicht levert noodzakelijk is; en de cliënt gedurende maximaal 3 etmalen per week aangewezen is op deze maatwerkvoorziening. 2.Het resultaatgebied mantelzorgondersteuning met verblijf kan, afhankelijk van de beperkingen en belemmeringen van de cliënt, worden geïndiceerd met en zonder individuele begeleiding. 3.Een cliënt die in aanmerking komt voor ondersteuning binnen het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting waarbij het ondersteuningselement huisvesting is toegekend, kan niet in aanmerking komen voor ondersteuning voor het resultaatgebied mantelzorgondersteuning met verblijf. Artikel3.2.12Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening doventolk 1.Voor een maatwerkvoorziening voor het inschakelen van een doventolk gelden de volgende aanvullende criteria: de cliënt is doof, doofblind of zwaar slechthorend; en de doventolk is noodzakelijk voor zijn zelfredzaamheid in de privé-situatie. 2.De inzet van de doventolk wordt door het college gemaximeerd op het aantal beschikbare uren per jaar. Artikel3.2.13Maatwerkvoorziening sociaal-recreatief vervoer 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer als hij als gevolg van zijn beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen belemmeringen ondervindt bij het zich lokaal verplaatsen. 2.Het college hanteert bij de verstrekking van een vervoersvoorziening voor sociaal-recreatief vervoer een maximaal reisbereik van 1.500 kilometer of 312 ritten per jaar, of een daaraan verbonden mobiliteitsbudget, tenzij door in de cliënt gelegen omstandigheden een hoger aantal kilometers of ritten noodzakelijk is. 3.De voorziening voor sociaal-recreatief vervoer kan bestemd zijn voor: begeleid gebruik van het openbaar vervoer; een vervoerspas voor het gebruik van het CAV; vervoer per eigen vervoermiddel; vergoeding van de kosten van individueel vervoer via de vervoersaanbieder; vergoeding van de kosten van een parkeervoorziening. 4.Het college legt het primaat bij het gebruik van het CAV, als het CAV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie en zelfredzaamheid of het bereiken van de locatie waar ondersteuning wordt geboden. 5.Als het college van oordeel is dat het primaat ligt bij het CAV, maar cliënt hier geen gebruik van wenst te maken, dan kan de cliënt in aanmerking komen voor een pgb, mits de cliënt: voor een termijn van 5 jaar, te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van het besluit tot toekenning van het pgb, afziet van het gebruik van het CAV; en het pgb gebruikt voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel. 6.Een cliënt die naar het oordeel van het college bij het vervoer met het CAV is aangewezen op persoonlijke ondersteuning en begeleiding, kan gratis een begeleider die in staat is om in die ondersteuning en begeleiding te voorzien, mee laten reizen. 7.Een cliënt die gebruik maakt van CAV kan een rit tevens boeken voor zijn kinderen jonger dan 12 jaar die met hem meereizen, anders dan als begeleider. Cliënten van het CAV die jonger zijn dan 12 jaar en die niet zijn aangewezen op begeleiding bij het vervoer kunnen eveneens na toestemming van het college een rit boeken voor een meereizende. 8.Een cliënt kan, als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is, aanspraak maken op een extra begeleidingsservice, bestaande uit het begeleiden tot in en vanuit de hal van de eigen woning alsmede ophalen en afzetten in de hal van het bestemmingsadres. 9.Een cliënt van 75 jaar of ouder kan in aanmerking komen voor een algemene voorziening voor het gebruik van het CAV in de avonduren vanaf 19.00 uur. Het derde tot en met achtste lid zijn op deze algemene voorziening niet van toepassing. 10.Als een cliënt een geboekte rit van het CAV niet uiterlijk één uur voor de geplande aanvang heeft geannuleerd bij de vervoerder: wordt de rit afgeboekt van het mobiliteitsbudget dat nog ter beschikking staat; en is de cliënt voor de geboekte rit en eventuele meereizende(n), anders dan de begeleider, de ritprijs verschuldigd. 11.Het college kan met de vervoerder afspreken dat hij voor een rit die niet binnen een redelijke periode voor de afgesproken vertrektijd geannuleerd is, aanvullend een redelijke bijdrage in verband met het niet nakomen van de vervoersafspraken bij de cliënt in rekening mag brengen. 12.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een combinatie van vervoersvoorzieningen, als dit voor zijn participatie of zelfredzaamheid noodzakelijk is. 13.Het college verstrekt een open gehandicaptenvoertuig alleen als de cliënt kan beschikken over een adequate stallingruimte voor het voertuig. Artikel3.2.14Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel, als hij als gevolg van zijn beperking belemmeringen ondervindt bij het zich verplaatsen in en om de woning. 2.Cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een elektrische rolstoel als hij kan beschikken over een adequate stallingruimte voor de elektrische rolstoel binnen of buiten de woning. Artikel3.2.15Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen 1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerk woonvoorziening voor een woning in Rotterdam voor: de aanpassing van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben en die geschikt is om het hele jaar door te worden bewoond, als een verhuizing geen adequate oplossing biedt voor cliënt of het bezoekbaar maken van een woning waarin de cliënt die in een instelling verblijft, regelmatig komt, in de zin dat de woonkamer en het toilet door hem bereikt en gebruikt kunnen worden en er, onverlet bijzondere situaties, niet eerder in Rotterdam of een andere gemeente een woning voor de cliënt bezoekbaar is gemaakt. 2.Het college kan een tegemoetkoming verstrekken voor: de kosten van een verhuizing, voor zover de te verlaten woning in Rotterdam staat; dubbele woonlasten als een cliënt tijdelijk elders moet verblijven totdat de woning is aangepast. 3.Een woonvoorziening voor de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex is niet mogelijk als het wooncomplex specifiek is bestemd voor de huisvesting van ouderen of personen met een beperking. 4.Het college weigert een voorziening indien de belemmeringen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten. 5.In afwijking van het vorige lid kan het college een tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing, als: de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning. 6.Het college verstrekt geen woonvoorziening: als de cliënt een maatwerkvoorziening ontvangt voor het ondersteuningselement huisvesting als bedoeld in artikel 3.2.10; voor verblijf in een hotel, pension, trekkerswoonwagen, tweede woning of andere niet voor permanente bewoning bedoelde verblijven. Artikel3.2.16Aanvullende criteria sportvoorzieningen 1.Het college kan ten behoeve van het uitoefenen van een sport een pgb verstrekken voor: de meerkosten van een speciaal voor personen met een beperking ontwikkeld of aangepast sporthulpmiddel; de onderhoudskosten van het sporthulpmiddel. 2.Het pgb voor de aanschafkosten van een sporthulpmiddel is gelijk aan de feitelijke kosten van de voorziening, aangevuld met de onderhoudskosten van een gemiddelde sportrolstoel per jaar. Paragraaf3.3Gezinsarrangementen Artikel3.3.1Verstrekking gezinsarrangement 1.Als er binnen een gezin sprake is van een gecombineerde behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, verleent het college deze waar mogelijk als één arrangement. 2.Als één arrangement niet of nog niet mogelijk is, draagt het college er zorg voor dat de partijen die de jeugdhulp en de maatschappelijke ondersteuning leveren, de ondersteuning op elkaar afstemmen, waarbij één van de aanbieders de regie hiervoor krijgt toebedeeld. 3.Een gezinsarrangement wordt in ieder geval aangeboden als, naast de benodigde maatschappelijke ondersteuning binnen één of meerdere resultaatgebieden, jeugdhulp alleen behoeft te worden geleverd in de vorm van eenvoudige opvoedondersteuning. Paragraaf3.4Persoonsgebonden budget Artikel3.4.1Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de cliënt daartoe volgens een door het college ter beschikking gesteld format een aanvraag en pgb-plan in, waarbij hij aangeeft: wat hij met het pgb wenst in te kopen; waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren; op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; hoe hij de voorziening volgens een puntsgewijze begroting dan wel een gespecificeerde offerte wenst te financieren; De machtiging en verklaring als bedoeld in artikel 3.4.1, vijfde lid, maken deel uit van het pgb-plan. 2.Een pgb is alleen mogelijk als: naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb: er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is; de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren; er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 3.Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: problematische schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid. 4.Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een vertegenwoordiger alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd. 5.Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren. 6.Een pgb is niet mogelijk: als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 2.5, vierde lid; voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college, op basis van nader door het college te stellen regels; voor vervoer als de cliënt in deze behoefte kan voorzien door gebruik te maken van het CAV, tenzij de cliënt gebruik maakt van de in artikel 3.2.13, vijfde lid, genoemde mogelijkheid; voor zover deze is bedoeld voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de vertegenwoordiger; voor de bekostiging van het ondersteuningselement huisvesting als bedoeld in artikel 3.2.
- 7.Een cliënt heeft de mogelijkheid om dienstverlening te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het informele circuit: als dit leidt tot volwaardige dienstverlening die tegemoet komt aan de hulpvraag van de cliënt; hij daarvoor blijkens het ingediende pgb-plan aan die persoon een vergoeding verstrekt die past binnen de kaders van het maximale pgb-tarief dat het college ter beschikking stelt voor informele zorg; 8.Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de persoon of organisatie verantwoorde dienstverlening kan leveren. De aanvraag voor een pgb kan worden geweigerd indien dit advies uitwijst dat de kwaliteit van de dienstverlening niet of onvoldoende gewaarborgd is. Artikel3.4.2Overige bepalingen pgb 1.De maatschappelijke ondersteuning in de vorm van dienstverlening dan wel de jeugdhulp binnen één resultaatgebied kan of in de vorm van een voorziening in natura of in de vorm van een pgb worden verstrekt. 2.Binnen een resultaatgebied wordt voor dienstverlening of het tarief voor professionele ondersteuning of het tarief voor ondersteuning binnen het informele circuit gehanteerd. 3.In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, kan jeugdhulp binnen de in artikel 3.1.2, eerste lid, onder b en c, genoemde resultaatsgebieden en tweede lid, onder a en b, genoemde ondersteuningselementen, niet in de vorm van een informeel pgb worden verstrekt. Artikel3.4.3Hoogte van het pgb en begroting 1.Het college stelt de hoogte van het pgb vast op basis van de door de cliënt ingediende begroting voor de benodigde ondersteuning, voor zover dit blijft binnen de grenzen van de maximale pgb-tarieven, zoals genoemd in deze verordening en de bijbehorende nadere regels. 2.Het college houdt, voor zover relevant, bij de vaststelling van de hoogte van het pgb rekening met het feit of er sprake is van professionele ondersteuning of ondersteuning in het informele circuit. 3.Het college stelt nadere regels op om te bepalen of er sprake is van professionele ondersteuning, waarbij het college waar mogelijk aansluit bij de kwaliteitscriteria die minimaal worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. 4.Voor zover de cliënt door de verstrekking van een pgb kosten bespaart voor een in zijn situatie algemeen gebruikelijk te achten voorziening, kan het college besluiten die kostenbesparing in mindering te brengen op het te verlenen pgb. 5.De kostprijs van een pgb wordt afgeleid van de kostprijs van een vergelijkbare maatwerkvoorziening of individuele voorziening of, bij ontbreken hiervan, van de marktprijs van de desbetreffende voorziening. 6.Het college kan bepalen dat van een pgb voor dienstverlening of jeugdhulp een bedrag vrij kan worden besteed binnen de kaders van de ondersteuning of jeugdhulp. 7.Uitbetaling van een pgb voor ondersteuning of jeugdhulp vindt op basis van zorgovereenkomsten of op declaratiebasis, plaats door de SVB. Uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing vindt plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen. Artikel3.4.4Pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp 1.Voor zover het pgb bestemd is voor de inkoop van dienstverlening door een dienstverlener die in dienst is van of werkt voor een professionele organisatie die gericht is op de verlening van deze ondersteuning, of als professionele freelancer of zelfstandige zonder personeel werkzaam is voor de in te kopen dienstverlening, geldt het tarief voor formeel verleende ondersteuning waarbij tot maximaal de volgende percentages van de kostprijs van de goedkoopste voorziening in natura, of bij het ontbreken hiervan, van de laagste marktprijs, wordt betaald: maatschappelijke ondersteuning: ondersteuning en regie bij het voeren van het huishouden: 90%; sociaal en persoonlijk functioneren, financiën en zelfzorg en gezondheid: 90%; dagbesteding: 90%; nachtelijk toezicht en huisvesting, exclusief het ondersteuningselement huisvesting: 90%; mantelzorgondersteuning met verblijf: 90%; jeugdhulp: ondersteuning van het sociaal en persoonlijk functioneren: 90%; vervangende opvoeding; 90%; mantelzorgondersteuning: 90%. 2.Voor zover het pgb bestemd is voor de inkoop van dienstverlening of jeugdhulp door iemand uit het informele circuit niet zijnde een onbetaalde vrijwilliger, geldt het informele tarief waarbij tot maximaal de volgende percentages van de kostprijs van de goedkoopste voorziening in natura, of bij het ontbreken hiervan, van de laagste marktprijs, wordt betaald: maatschappelijke ondersteuning: ondersteuning en regie bij het voeren van het huishouden: 61%; sociaal en persoonlijk functioneren, financiën en zelfzorg en gezondheid: 48,3%; dagbesteding: 50%; nachtelijk toezicht en huisvesting, exclusief het ondersteuningselement huisvesting: 51%; mantelzorgondersteuning met verblijf: 46,1%; jeugdhulp: ondersteuning van het sociaal en persoonlijk functioneren: 48,3%; vervangende opvoeding: 48,3%; mantelzorgondersteuning: 46,1%. 3.Voor zover de feitelijke dienstverlening om niet wordt verricht door aan de pgb-aanbieder verbonden vrijwilligers, geldt een nultarief. Artikel3.4.5Pgb voor vervoer 1.Voor een pgb voor vervoer als bedoeld in de artikelen 3.1.2, derde lid of 3.2.8, hanteert het college als formeel tarief maximaal 90% van het zorg in natura tarief, en als informeel tarief een bedrag van € 0,19,- per kilometer. 2.Indien cliënt kiest voor de in artikel 3.2.13, vijfde lid, genoemde mogelijkheid tot gebruikmaking van een pgb, hanteert het college als uitgangspunt het historisch gemiddelde vervoerspatroon van de cliënten in Rotterdam. Artikel3.4.6Pgb overige maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning Het college stelt het pgb voor overige maatwerkvoorzieningen vast op maximaal de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura, waarbij het college er zorg voor draagt dat de cliënt met het pgb in staat is kwalitatief goede ondersteuning in te kopen. Paragraaf3.5Verplichtingen aan voorzieningen en pgb Artikel3.5.1Verplichtingen aan maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen 1.Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen. 2.De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op: de medewerking aan de verduidelijking van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp; de medewerking aan het opstellen en uitvoeren van het ondersteuningsarrangement, gericht op de daarin geformuleerde resultaten; het naleven van leef- en gedragsregels bij het gebruik van een voorziening; het ondertekenen en naleven van de gebruiksovereenkomst met de leverancier van de maatwerkvoorziening; 3.het zorgvuldig gebruik van de voorziening. Het niet nakomen van de aan de voorziening verbonden verplichtingen of voorwaarden kan leiden tot herziening, intrekking of beëindiging van de voorziening of vergoeding door de cliënt van de veroorzaakte schade. Artikel3.5.2Besteding en verantwoording van het pgb 1.De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde pgb-plan. 2.De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld, vooral in relatie tot verantwoording, zorgovereenkomst en trekkingsrecht. 3.Het niet nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen kan in ieder geval leiden tot: terugvordering van het ten onrechte ontvangen pgb; en de weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een pgb te verstrekken. Artikel3.5.3Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Een ontvanger van een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening of de ouder van een betrokken jeugdige doet onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of individuele voorziening. 2.Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening herzien of intrekken indien het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of het pgb is aangewezen; de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb verbonden voorwaarden; of de cliënt de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft: geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte verstrekte individuele voorziening of maatwerkvoorziening; of het ten onrechte ontvangen pgb terugvorderen. 4.Een pgb wordt geacht niet te zijn besteed voor het doel waarvoor het is bestemd, als blijkt dat het pgb niet binnen een redelijke termijn na het beschikbaar zijn van het budget niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Paragraaf3.6Overige maatregelen in het kader van de Wmo 2015 Artikel3.6.1Blijk van waardering voor mantelzorgers 1.Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015, voor mantelzorgers van ingezetenen van Rotterdam in de vorm van: een jaarlijkse activiteit voor mantelzorgers, of een jaarlijkse attentie. 2.Het college kan steekproefsgewijs controleren of de attentie rechtmatig is verstrekt. 3.Als het college heeft vastgesteld dat de attentie niet rechtmatig is verstrekt, kan het college besluiten de persoon voor één of meerdere jaren uit te sluiten van het recht op een attentie. 4.Het college kan nadere regels stellen over in ieder geval: de vorm en waarde van de attentie; de wijze waarop de mantelzorger in aanmerking kan komen voor de attentie; het totaal aantal attenties dat het college per jaar beschikbaar stelt. Artikel3.6.2Tegemoetkoming meerkosten zorg 1.Een persoon met een beperking, chronische ziekte of chronische psychische of psychosociale problemen kan in een kalenderjaar in aanmerking komen voor een forfaitaire tegemoetkoming meerkosten zorg, als hij in het kalenderjaar daaraan voorafgaand, zijnde het peiljaar, daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten heeft gehad. 2.Een gehuwde of daarmee gelijkgestelde persoon komt alleen voor de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming in aanmerking, als het inkomen van hem en zijn partner samen in het peiljaar niet meer bedraagt dan 130% van het bruto wettelijk minimumloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. 3.Een alleenstaande, al dan niet met tot zijn huishouden behorende minderjarige kinderen, komt alleen voor de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming in aanmerking als zijn inkomen in het peiljaar niet meer bedraagt dan 130% van 70% van het bruto wettelijk minimumloon, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. 4.De aanvraag voor een tegemoetkoming moet worden ingediend vóór 1 oktober van het kalenderjaar, volgend op het peiljaar door middel van een daartoe door het college vastgesteld formulier. 5.In afwijking van het vorige lid kan het college een tegemoetkoming ook ambtshalve verstrekken, indien het college over de noodzakelijke gegevens beschikt om het recht op een tegemoetkoming vast te stellen. 6.Binnen een huishouden kunnen meerdere personen aanspraak maken op een tegemoetkoming, doch de meerkosten kunnen slechts éénmaal per huishouden als grondslag dienen voor de tegemoetkoming. 7.Het college controleert steekproefsgewijs of de tegemoetkoming rechtmatig is verstrekt. 8.Als het college heeft vastgesteld dat de tegemoetkoming niet rechtmatig is verstrekt, kan het college besluiten: de tegemoetkoming terug te vorderen; de persoon voor één of meerdere jaren uit te sluiten van het recht op een tegemoetkoming. 9.Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ten aanzien van in ieder geval de volgende onderwerpen: de situaties waarin een beperking, chronische ziekte en meerkosten aannemelijk worden geacht, waarbij een cliënt aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt geacht wordt in ieder geval aannemelijke meerkosten te hebben; de wijze en hoogte waarop het college het inkomen, bedoeld in het tweede en derde lid, vaststelt; de wijze waarop het college omgaat met het inkomen en de meerkosten van een kind, waarbij het college kan afwijken van de bepalingen in dit artikel; de wijze waarop het college omgaat met wijzigingen in het peiljaar; de hoogte van de tegemoetkoming, die mede afhankelijk wordt gesteld van het budgettaire kader. Hoofdstuk4Bijdragen en kostprijs maatwerkvoorzieningen en pgbWmo 2015 Paragraaf4.1Bijdragen en eigen bijdragen Wmo 2015 Artikel4.1.1Bijdrage algemeen gebruikelijke kosten 1.De aanbieder van een voorziening kan aan de cliënt een bijdrage vragen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van de algemeen gebruikelijke kosten die onderdeel uitmaken van de algemene of maatwerkvoorziening, voor zover dat tussen college en aanbieder is afgesproken. Het gaat hierbij in ieder geval om algemeen gebruikelijke kosten voor: het gebruik van Collectief Aanvullend Vervoer, het doen van een was; uitstapjes en het gebruik van consumpties en maaltijden bij inloop, dag- en nachtopvang; het gebruik van materialen bij dagbesteding; het gebruik van maaltijden bij dagbesteding; het gebruik van woonruimte. 2.De bijdrage, bedoeld in het vorige lid, wordt vastgesteld op basis van objectieve criteria, zoals richtlijnen van het NIBUD, tarief van het openbaar stadsvervoer of landelijke modellen voor de berekening van de huurprijs van woonruimte en bedragen niet meer dan de kostprijs voor de aanbieder van de voorziening. 3.De aanbieder brengt de verschuldigdheid en hoogte van de bijdrage vooraf duidelijk bij de cliënt onder de aandacht. Artikel4.1.2Eigen bijdrage algemene voorzieningen Wmo 2015 Een cliënt is voor de voucher voor huishoudelijke hulp een eigen bijdrage verschuldigd van € 5,- per voucher. Artikel4.1.3Verschuldigdheid inkomensafhankelijke eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgbWmo 2015 1.Een cliënt is voor een maatwerkvoorziening of pgb in het kader van de Wmo 2015 een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage verschuldigd, voor zover dat bij of krachtens de Wmo 2015 mogelijk is. 2.Een cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening die op grond van artikel 2.5, derde lid, of artikel 2.7 is verstrekt. 3.In afwijking van het eerste lid is geen eigen inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage verschuldigd voor: het gebruik van CAV voor sociaal-recreatief vervoer; het gebruik van een doventolk; de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex; een maatwerkvoorziening die wordt verstrekt ten behoeve van een jeugdige die op dat moment minderjarig was; een maatwerkvoorziening die in het kader van een gezinsarrangement ten behoeve van een jeugdige wordt verstrekt, tot het moment dat de jeugdige 18 jaar is geworden; spoedeisende ondersteuning als bedoeld in artikel 2.
- Artikel4.1.4Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgbWmo 2015 1.De eigen bijdrage wordt berekend conform hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en bedraagt maximaal de kostprijs van de maatwerkvoorziening. 2.De eigen bijdrage wordt in rekening gebracht: voor dienstverlening: zolang de indicatie niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden; voor een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening, anders dan onder a: zolang de cliënt in bezit is van de voorziening of, als dat korter is, totdat de niet per periode vastgestelde kostprijs van de eenmalig verstrekte voorziening is voldaan; voor een maatwerkvoorziening, anders dan onder a en b, waarvan de kostprijs per periode wordt vastgesteld: zolang de indicatie voor de voorziening niet is ingetrokken; voor een eenmalig verstrekt pgb: over de op basis van het pgb uitbetaalde aanschafkosten van de maatwerkvoorziening; bij een periodieke pgb-verstrekking over iedere periode waarover pgb is verstrekt. 3.Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een eigen bijdrage is verschuldigd, dan wordt de betaalde eigen bijdrage in de eerste plaats gebruikt voor de bekostiging van de voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het college geen huur verschuldigd is. Artikel4.1.5Eigen bijdrage maatwerkvoorziening nachtelijk toezicht en huisvesting 1.Een cliënt is in afwijking van artikel 4.1.3 een eigen bijdrage verschuldigd indien sprake is van een maatwerkvoorziening ten behoeve van het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting, als bedoeld in artikel 3.2.10, als er sprake is van een indicatie voor het ondersteuningselement huisvesting. 2.De eigen bijdrage wordt vastgesteld conform hoofdstuk 1, paragraaf 1 en 3, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, voor beschermd wonen. 3.Cliënt is de eigen bijdrage verschuldigd zolang de maatwerkvoorziening voor het ondersteuningselement huisvesting niet is ingetrokken en de huisvesting voor cliënt beschikbaar is. 4.Afwezigheid uit de instelling, anders dan in verband met beëindiging van de voorziening, wordt voor de verschuldigdheid van de eigen bijdrage buiten beschouwing gelaten. Paragraaf4.2Vaststelling kostprijs maatwerkvoorzieningen en pgbWmo 2015 Artikel4.2.1Vaststelling kostprijs pgb 1.De kostprijs van een eenmalig pgb is gelijk aan de hoogte van het toegekende pgb. 2.De kostprijs van een periodiek verstrekt pgb is per periode gelijk aan de hoogte van het pgb dat per periode is toegekend. Artikel4.2.2Vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening 1.De kostprijs van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening, anders dan voor dienstverlening, wordt als volgt vastgesteld: als er sprake is van een maatwerkvoorziening die door de gemeente wordt gehuurd, wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is gelijk aan 65% van de huurkosten die de gemeente voor de voorziening over die periode verschuldigd is aan de verhuurder van de maatwerkvoorziening; als er sprake is van een maatwerkvoorziening die door de gemeente wordt of zou worden ingekocht, wordt de kostprijs vastgesteld op de vergoeding die de gemeente hiervoor verschuldigd is of zou zijn als zij deze had ingekocht. 2.De kostprijs van een arrangement voor dienstverlening, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt per periode vastgesteld en is gelijk aan de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening of huisvesting over die periode verschuldigd is. Hoofdstuk5Kwaliteit, klachten, inspraak en misbruik Artikel5.5.1Kwaliteitseisen 1.Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders. 2.Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3.Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4.Het college draagt er zorg voor dat de aanbieder er zorg voor draagt dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 5.Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning. Artikel5.5.2Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.12, van de Jeugdwet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college vast: een vaste prijs of tarief, toegepast bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of een reële prijs of tarief, geldend als ondergrens voor: het doen van een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015 en 12.4, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst of jeugdhulp wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs ten minste op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs of tarief voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op wat gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5.Het college kan de uiteindelijk over een kalenderjaar te betalen vergoeding aan een aanbieder van dienstverlening of jeugdhulp korten met maximaal het bedrag waarmee bezoldigingen en uitgekeerde ontslagvergoedingen aan al dan niet ingehuurde (deeltijd) medewerkers, bestuurders en toezichthouders over dat jaar (naar rato) meer bedragen dan de normen, zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.10, van de Wet normering topinkomens. Artikel5.5.3Klachtbehandeling 1.Het college behandelt klachten van cliënten, onder wie jeugdigen, ouders of pleegouders die betrekking hebben op meldingen en afhandeling van aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de bepalingen van de Verordening Klachtbehandeling Rotterdam
- Desgewenst kan men hierna de klacht voorleggen aan de gemeentelijke (kinder) Ombudsman Rotterdam. 2.Het college neemt in de contracten en subsidieafspraken met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt. Artikel5.5.4Medezeggenschap 1.De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2.Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet. 3.De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de cliënten van zijn organisatie. Artikel5.5.5Incidenten, calamiteiten en geweld 1.De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening of van een aanbod aan jeugdhulp, dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor: de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Rotterdam-Rijnmond; en het Samenwerkingsverband SISA, verwijsindex risico’s jeugdigen Rotterdam. 2.Aanbieders melden calamiteiten en geweld actief aan de daarvoor aangewezen toezichthouder. 3.Aanbieders van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening of van een aanbod van jeugdhulp rapporteren incidenten aan het incidentenloket van de gemeente dan wel volgens de afspraken in het Incidentenprotocol en het bepaalde in artikel 4.1.8, lid 2, van de Jeugdwet. Artikel5.5.6Cliëntenbetrokkenheid Het college geeft vorm aan het betrekken van cliënten of hun vertegenwoordigers bij de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet overeenkomstig het bepaalde in de Verordening cliëntenparticipatie Sociaal Domein Rotterdam
- Artikel5.5.7Tegengaan oneigenlijk gebruik Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen, individuele voorzieningen en pgb’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; het college verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders van maatwerk- of individuele voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Rotterdam onderhouden en die verplicht zijn om kosteloos hun medewerking te verlenen; het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties; het college beperkt de looptijd van de indicaties of voert periodiek controles uit bij langlopende indicaties; het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op: de regiemogelijkheden van de cliënt of degene die de cliënt als vertegenwoordiger wenst in te schakelen conform artikel 3.4.1; de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt te overleggen pgb-plan, mede met het oog op de te bereiken resultaten; het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen. Hoofdstuk6Slot- en overgangsbepalingen Artikel6.1Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel6.2Intrekking oude verordeningen De Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 en de Verordening Jeugdhulp Rotterdam 2015 worden ingetrokken. Artikel6.3Overgangsbepalingen 1.Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend voor 1 januari 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 2.Een maatwerkvoorziening die is toegekend op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 blijft gehandhaafd tot er een nieuw besluit is genomen. 3.Op een maatwerkvoorziening die is toegekend op grond van de in het tweede lid bedoelde verordening, zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van de onderhavige verordening, de hierop betrekking hebbende voorwaarden en tarieven van toepassing. Voor voorzieningen in de vorm van een pgb, blijven de tarieven zoals deze golden onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 gehandhaafd tot zes maanden na inwerkingtreding van de onderhavige verordening. 4.Een individuele voorziening die is toegekend op grond van de Verordening jeugdhulp Rotterdam 2015 en op 1 januari 2018 nog niet is afgerond, blijft onder dezelfde voorwaarden en tarieven gehandhaafd tot uiterlijk 31 december
- 5.Het bepaalde in het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op cliënten met een geldige, voor 1 januari 2018 afgegeven aanspraak op jeugdhulp die op die datum nog niet in zorg zijn maar op uiterlijk 31 maart 2018 wel. 6.Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van de in de voorgaande genoemde leden genoemde verordeningen, te herzien: op de gronden, vermeld in de toepasselijke verordening; indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm. 7.Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de in de voorgaande leden genoemde verordeningen, terug te vorderen op de in deze verordeningen genoemde gronden. Artikel6.4Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari
- Artikel6.5Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 of Combiverordening Rotterdam
- Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 december 2017.De griffier,J.M. vanMiddenDe voorzitter,A.Aboutaleb Toelichting Algemene toelichtingInleidingOp 1 januari 2015 zijn onder andere de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet in werking getreden. Beide wetten hebben veel taken die voorheen bij het rijk of de provincie waren belegd, gedecentraliseerd naar de gemeenten. Met de invoering van beide wetten zijn 2 gemeentelijke verordeningen in werking getreden: de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015; de Verordening Jeugdhulp Rotterdam
- In 2015 en 2016 is de uitvoering van beide wetten verder doorontwikkeld, mede op basis van opgedane ervaringen en jurisprudentie. Op 13 oktober 2016 heeft de gemeenteraad het Rotterdamse plan voor de doorontwikkeling zorg, welzijn en jeugdhulp 2018 “Zorg voor elkaar” vastgesteld, die de kaders geeft voor de doorontwikkeling van het stelsel voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning die het college wenst te volgen vanaf 1 januari
- In 2017 is een aanbestedingsprocedure gehouden voor de inkoop van: Wmo-arrangementen; jeugdhulp; welzijn; wijkteams en doelgroepenvervoer. Zoals in voornoemd doorontwikkelingsplan is opgenomen, is het de ambitie om binnen het sociale domein nog meer de integrale samenwerking te realiseren tussen o.a. ondersteuning in het kader van de Wmo 2015 en jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. De Raad voor het openbaar bestuur heeft hier in zijn advies “Zorg voor samenhangende zorg” d.d. 22 juni 2017 eveneens voor gepleit. Hier past ook een gezamenlijke verordening bij. BurgerparticipatieIn de verordening is geen afzonderlijke bepaling opgenomen over de wijze waarop wij ingezetenen en cliënten betrekken bij de uitvoering van beide wetten. Reden is dat door de gemeenteraad daarvoor de Verordening cliëntenparticipatie sociaal domein Rotterdam 2017 vastgesteld. In de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 is daarom volstaan met een verwijzing in artikel 5.5.
- Meest opvallende wijzigingen ten opzichte van de vorige verordeningenTen opzichte van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 en de Verordening Jeugdhulp Rotterdam 2015, zijn de meest in het oog springende wijzigingen: Introductie resultaatgebieden voor de JeugdwetOp grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015 wordt al enkele jaren met resultaatsgebieden gewerkt. Vanaf 1 januari 2018 wordt ook in het kader van de Jeugdwet met resultaatgebieden gewerkt. Op grond van recente jurisprudentie is in de verordening op voor de burger herkenbare wijze beschreven welke ‘containerbegrippen’ van jeugdhulpvoorzieningen over de diverse resultaatgebieden heen worden gebruikt, en wanneer een cliënt daarvoor in aanmerking kan komen. Een verdere uitwerking zal plaatsvinden in Nadere regels en Beleidsregels. PgbTen aanzien van het verstrekken van een voorziening in de vorm van een persoonsgeboden budget, worden er ten opzichte van de vorige verordeningen strengere eisen gesteld aan het beheer, de vertegenwoordiger en de kwaliteit van de geleverde ondersteuning door de gekozen zorgaanbieder. VervoerDe mogelijkheden binnen de vervoersvoorziening zijn op basis van de laatste aanbesteding verruimd. Nieuw resultaatgebied: nachtelijk toezicht en huisvestingOnder de oude Wmo-verordening bestond het resultaatgebied huisvesting voor intramurale opvang (beschermd wonen en begeleid wonen). Het nieuwe resultaatgebied heet nachtelijk toezicht én huisvesting en is alleen beschikbaar voor de cliëntgroepen (O)GGZ intramuraal en verstandelijk beperkten (VB) intramuraal. Beide onderdelen hoeven niet altijd samen aan de orde te zijn. Bij intramurale arrangementen die in natura worden verstrekt is huisvesting aan de orde. Maar bij extramurale arrangementen die in de vorm van pgb wordt verstrekt, waarbij sprake is van zelfstandig of begeleid wonen, kan alleen nachtelijk toezicht worden geïndiceerd. De cliënt wordt in die gevallen geacht zelf te voorzien in zijn huisvestingslasten. Om een goede doorstroom naar extramurale begeleiding te bevorderen, of om intramurale opvang te voorkomen, is nachtelijk toezicht voor deze cliëntgroepen ook mogelijk in een extramurale setting. AMvB inzake nadere eisen ten aanzien van verhouding kwaliteit en kostprijsDe gemeente dient uitvoering te geven aan een nieuw artikel dat aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is toegevoegd. Dit artikel heeft tot doel dat de gemeente een reële prijs betaalt voor Wmo-diensten, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die de dienst verleent. Daarmee is het een onderwerp van de onderhandeling tussen instelling en gemeente. De AMvB is van toepassing op alle vormen van Wmo-dienstverlening, uitgezonderd de verstrekking van hulpmiddelen, individuele vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen. De strekking van uitwerking en vertaling van deze AMvB is opgenomen in artikel 5.5.
- van de Verordening. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing is het kader van de Jeugdwet. Artikelsgewijze toelichtingHoofdstuk 1 Algemene bepalingenArtikel 1.1 DefinitiesEen aantal definities behoeft nadere toelichting: In de Jeugdwet worden drie typen voorzieningen onderscheiden: overige voorzieningen; individuele voorzieningen; andere voorzieningen. In de Wmo 2015 wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen voorzieningen: algemene voorzieningen; maatwerkvoorzieningen. Deze verordening ziet vooral op de maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen. De definitie van ‘andere voorziening’ betreft de voorziening als bedoeld in artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. Het gaat om voorzieningen op grond van andere wetten dan de Jeugdwet. Bijvoorbeeld de jeugdgezondheidszorg die door jeugdartsen en verpleegkundigen wordt geboden op scholen en vestigingen van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in het kader van de Wet publieke gezondheid. arrangementZowel de individuele voorzieningen jeugdhulp als de maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 geschieden in de vorm van een arrangement. Een arrangement omvat het geheel van aan de cliënt te leveren ondersteuning op één of meerdere resultaatgebieden. Voor de jeugdhulp kunnen aan dergelijke resultaatgebieden eventueel ook ondersteuningselementen worden gekoppeld. Een arrangement in het kader van de Wmo 2015 kan bijvoorbeeld bestaan uit alleen ondersteuning op het resultaatgebied “regie bij het voeren van een huishouden” of een samenstelling, zoals bijvoorbeeld “ondersteuning en regie bij het voeren van het huishouden, dagbesteding, en mantelzorgondersteuning met verblijf”. Hierbij wordt één aanbieder verantwoordelijk gesteld om het totale arrangement integraal te leveren aan de cliënt. Een arrangement voor jeugdhulp kan bijvoorbeeld bestaan uit alleen het resultaatgebied “steunen van het sociaal en persoonlijk functioneren” of uit een combinatie van bijvoorbeeld “steunen van het sociaal en persoonlijk functioneren” en het ondersteuningselement “dagbehandeling of dagbesteding”. beperkingIn artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat de maatschappelijke ondersteuning zich onder andere richt op de ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen. Aangezien het begrip “beperking” noch in de Wmo 2015 noch in de Jeugdwet verder is gedefinieerd of toegelicht, is hiervan een eigen definitie geformuleerd, om aan te geven dat het hier gaat om een lichamelijke, zintuigelijke of verstandelijke stoornis of conditie. eigen bijdrageHet begrip “eigen bijdrage” is in deze verordening gerelateerd aan de eigen bijdrage die het college kan vragen voor geleverde maatwerkvoorzieningen of een pgb in het kader van de Wmo
- De eigen bijdrage is iets anders dan de bijdrage die aanbieders van algemene of maatwerkvoorzieningen kunnen vragen voor kosten die algemeen gebruikelijk zijn. Voorbeelden zijn een bijdrage voor een maaltijd op de dagbesteding, gebruik van materialen en de reguliere kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer of de kosten die een cliënt bespaart door gebruik te maken van de collectieve was service van een aanbieder. meldingDe melding is noch in de Wmo 2015, noch in de Jeugdwet gedefinieerd, terwijl het vooral voor de Wmo 2015 wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Met de melding maakt een persoon of zijn vertegenwoordiger de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar. Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is naar zijn aard geen melding. De melding markeert het begin van een onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo
- De Jeugdwet kent een dergelijke in de wet opgenomen onderzoeksfase niet, maar de melding en het onderzoek zijn wel in deze verordening opgenomen. ondersteuningDe Wmo 2015 en de Jeugdwet kennen 2 verschillende begrippen voor de hulp die aan een cliënt geboden wordt: maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) en jeugdhulp (Jeugdwet), Waar in deze verordening beide vormen worden bedoeld, wordt gesproken over ondersteuning. ondersteuningsplanZowel in het kader van de Jeugdwet als in het kader van de Wmo 2015 vindt een onderzoek plaats naar de behoefte aan ondersteuning. Dit onderzoek dat bij jeugdhulp bijvoorbeeld de vorm van screening of triage kan hebben, heeft zijn weerslag in het ondersteuningsplan dat naast het gespreksverslag een onderdeel is van het ondersteuningsverslag. Het ondersteuningsplan is in het kader van deze verordening niet hetzelfde als het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, maar betreft het plan dat hieraan voorafgaand door het college wordt opgesteld. In het hulpverleningsplan geeft de zorgaanbieder concreet invulling aan wat door het college is bepaald in het ondersteuningsplan en (indien van toepassing) in de verleningsbeschikking. In het geval van een maatwerkvoorziening maakt de zorgaanbieder, wanneer het gaat om zorg in natura, een leveringsplan waarin de in het ondersteuningsplan gestelde doelen en resultaatgebieden nader worden uitgewerkt naar de concreet te leveren zorg. overige voorzieningHet begrip “overige voorziening” is in de Jeugdwet niet gedefinieerd. Het begrip overige voorziening is vergelijkbaar met de algemene voorziening in de Wmo 2015 en is daarmee de tegenhanger van de individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Een overige voorziening is evenals de algemene voorziening zonder verwijzing of met een globale toegangstoets toegankelijk. periodeHet Centraal Administratiekantoor (CAK) stelt voor gemeenten voor de Wmo 2015 de eigen bijdrage vast per periode van 4 weken. Waar in deze verordening wordt gesproken over “periode”, wordt gedoeld op deze CAK-periode. vertegenwoordigerIn de Wmo 2015 is in art. 1.1.1 de vertegenwoordiger gedefinieerd als een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden. Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget. Er zijn in de praktijk en in het spraakgebruik diverse soorten vertegenwoordigers. Deze zijn niet automatisch gelijk aan de vertegenwoordiger die handelt namens de cliënt in het kader van de WMO 2015 of de Jeugdwet. In het maatschappelijk verkeer zijn er diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, de bewindvoerder, de mentor, de ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen. De wettelijk en persoonlijk vertegenwoordigers zijn niet per definitie de vertegenwoordiger in het kader van de WMO 2015 en de Jeugdwet. Wanneer er sprake is van een (aanvraag voor een) pgb, zowel binnen de WMO 2015 als de Jeugdwet, zijn er in de Rotterdamse regelgeving nadere eisen en voorwaarden gesteld aan degene die de rol van pgb-vertegenwoordiger op zich neemt. In de Jeugdwet is het begrip vertegenwoordiger niet gedefinieerd. In het kader van de Jeugdwet zal veelal sprake zijn van een wettelijk vertegenwoordiger in de zin van een bij gerechtelijke beschikking aangestelde vertegenwoordiger c.q. een door cliënt zelf aangewezen gevolmachtigde. De Jeugdwet kent daarnaast het begrip “vertrouwenspersoon” die de jeugdige, diens ouders of pleegouders, ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordlijkheden van diverse bij de jeugdhulp betrokken partijen. Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag. Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger vaak gelijk gesteld wordt) weigeren als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan. wijkteamIn de gemeente Rotterdam functioneert een aantal wijkteams, die vanuit de domeinen jeugdhulp, maatschappelijk werk, maatschappelijke ondersteuning en eerstelijns zorg, basishulp en kortdurende zorg en ondersteuning bieden bij vraagstukken en problematiek op sociaal gebied. Voor deze basishulp is geen eigen bijdrage verschuldigd in het kader van de Wmo
- indicatie(protocol)Naast de formele definities worden in deze toelichting ook de begrippen indicatie en indicatieprotocol gebruikt. Onder indicatie wordt verstaan: de feitelijke vaststelling na beoordeling van de ondersteuningsbehoefte van een cliënt. Het indicatieprotocol is feitelijk een “wijzer met arrangementen WMO” en bevat op basis van de wet- en regelgeving handvatten voor Wmo-adviseurs en medewerkers van de gemeente Rotterdam om te komen tot een gewogen indicatie en een arrangement voor een cliënt. Artikel 1.2 Reikwijdte verordeningOm in aanmerking te kunnen komen voor maatschappelijke ondersteuning op grond van deze verordening, moet iemand ingezetene zijn van Rotterdam. Iemand is ingezetene als hij zijn woonplaats heeft in de gemeente Rotterdam. Het gaat hierbij blijkens vaste jurisprudentie om de feitelijke verblijfplaats, waarbij de inschrijving in de basisregistratie personen van de gemeente belangrijk is, maar niet doorslaggevend. In het tweede lid wordt het begrip ingezeten voor de doelgroep jonger dan 18 jaar, jeugdigen nader uitgewerkt. Hierbij wordt met ‘toepasselijk Nederlands recht’ in eerste instantie gedoeld op de Jeugdwet waarin het woonplaatsbeginsel bepalend is voor de gemeente die verantwoordelijk is. In speciale gevallen zoals een in Nederland uitgesproken voogdijmaatregel met in het buitenland woonachtige jeugdigen, moeten de regels van de derde titel van boek 1 het Burgerlijk Wetboek uitkomst bieden. In het derde lid staat de wettelijke uitzondering op dit vereiste van ingezetenschap opgenomen die alleen geldt voor de Wmo 2015: voor de opvang, al dan niet in verband met slachtoffers van huiselijk geweld, alsmede voor een maatwerkvoorziening ten aanzien van beschermd wonen, kan iedere ingezetene van Nederland zich melden. Het kan voor het succes van een traject wenselijk zijn dat een cliënt elders opvang krijgt, bijvoorbeeld omdat hij daar personen heeft die hem kunnen ondersteunen. In dat geval kan het college in overleg treden met het college van die andere gemeente om de cliënt daar opvang te bieden. Het college conformeert zich hierbij aan de hierover landelijk gemaakte afspraken in het convenant Landelijke toegankelijkheid Beschermd Wonen. Zowel voor de opvang, als voor beschermd wonen, heeft de gemeente Rotterdam een regionale functie. Dat houdt voor wat betreft Beschermd Wonen in dat gemeente Rotterdam deze functie uitvoert ten behoeve van de regiogemeenten Barendrecht, Albrandswaard, Ridderkerk, Krimpen aan den IJssel, Capelle aan den IJssel en Lansingerland op grond van een (lichte vorm van) gemeenschappelijke regeling. Daarbij zijn het juridisch kader en de beleidsregels van gemeente Rotterdam wat betreft Beschermd Wonen leidend bij onder meer het proces van vraagverhelderingsonderzoek, besluitvorming en de indicatiestelling en eventuele juridische procedures. De regiogemeenten nemen in hun verordeningen en beleidsregels een statische verwijzing op waarin het Rotterdams model ten aanzien van de functie Beschermd Wonen van toepassing wordt verklaard en daarbij voor wat betreft de invulling en uitvoering wordt aangesloten. Artikel 1.3 Nadere regels en beleidsregelsDit artikel biedt een algemene grondslag voor het college om nadere regels en beleidsregels vast te stellen ter uitvoering van deze verordening. Daarnaast wordt deze bevoegdheid ook in enkele andere artikelen uitgewerkt. Hoofdstuk 2 Toegang tot voorzieningenArtikel 2.1 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningenInherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) en overige voorzieningen (Jeugdwet) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De bedoelde voorzieningen worden zowel in het kader van de Wmo 2015 als in het kader van de Jeugdwet aangeboden door enerzijds de gemeentelijke wijkteams en anderzijds de welzijnspartijen in de wijken. In het tweede lid staat naast de basishulp die door het gemeentelijke wijkteam wordt verleend, ook het aanbod van andere partijen opgesomd, zoals het schoolmaatschappelijk werk. Alle in dit lid bedoelde voorzieningen zijn vrij toegankelijk en kunnen daarom beschikkingsvrij worden aangeboden. Hetzelfde geldt voor de algemene voorzieningen in het kader van de Wmo
- Ook hiervoor wordt geen beschikking verstrekt en kunnen ingezetenen zonder tussenkomst van de gemeente hiervan gebruik maken. Artikel 2.2 Melding behoefte aan ondersteuningDe melding is in de Wmo 2015 niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is in artikel 1.1 een verwijzing naar artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 opgenomen. Voor deze verordening is het begrip “melding” op dezelfde wijze van toepassing op jeugdhulp. Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, is dus niet een melding in de zin van deze verordening. Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is in dit kader evenmin een melding. De melding markeert het begin van een onderzoek, zoals beschreven in artikel 2.
- Binnen de gemeente zijn diverse locaties waar een melding kan plaatsvinden. Deze staan opgenomen in het eerste lid. Daarnaast kan de melding ook telefonisch, digitaal of schriftelijk plaatsvinden. Omdat de toegangsprocedure zich nog verder kan ontwikkelen, is bij onderdeel g. opgenomen dat er nog andere mogelijkheden voor het doen van een melding kunnen worden opengesteld. Voor de doelgroep van de opvang en beschermd wonen is een melding bij de stedelijke loketten voor resp. jongeren (‘Jongerenloket’) of volwassenen (‘Participatie en Stedelijke Zorg’) de aangewezen weg. Mocht een melding voor opvang of beschermd wonen bij de Vraagwijzer of de wijkteams binnenkomen, dan wordt deze doorgestuurd naar het ‘Jongerenloket’. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond is het advies- en meldpunt inzake huiselijk geweld en kindermishandeling. Degene bij wie de melding binnenkomt, draagt er zorg voor dat deze wordt doorgeleid naar de Wmo-adviseur die deze verder in behandeling neemt. De melding hoeft niet door de cliënt zelf te geschieden, maar kan ook plaatsvinden door iemand die betrokken is bij de cliënt, zoals een professionele hulpverlener, een familielid of vriend, of de betrokken ouder(s) als wettelijk vertegenwoordiger. Naast de mogelijkheid om een melding te doen van een behoefte aan ondersteuning bij de gemeente, bestaan er in het kader van de Jeugdwet ook andere manieren om in aanmerking te komen voor jeugdhulp. Zie hiervoor artikel 2.
- Artikel 2.3 Gesprek naar aanleiding van meldingNaar aanleiding van de melding wordt een onderzoek gestart in het kader van de vraagverheldering. Als de melding is gedaan namens de cliënt en niet door de cliënt zelf, kan degene die de melding gedaan heeft door het college betrokken worden bij het onderzoek. Ook als er sprake is van een vertegenwoordiger of mantelzorger worden deze bij het onderzoek betrokken. Op deze manier ontstaat een zo volledig en waarheidsgetrouw beeld van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, maar ook van de cliënt zelf, zijn eigen mogelijkheden en mogelijkheden vanuit het netwerk. Dit laat onverlet de mogelijkheid de cliënt, in het kader van het onderzoek, alleen te spreken om een objectief beeld te kunnen krijgen van zijn ondersteuningsbehoefte, zonder dat er sprake is van mogelijke druk door derden, bijvoorbeeld vanwege hun aanwezigheid. De cliënt kan zich, indien hij dat wenst, tijdens het onderzoek laten bijstaan door de onafhankelijke cliëntondersteuning. Een aanbieder of hulpverlener die in het kader van een pgb ondersteuning wenst te verlenen aan de cliënt, is in beginsel niet betrokken bij het onderzoek. Pas nadat de juiste indicatie ten aanzien van de cliënt is gesteld, wordt bekeken op welke wijze de ondersteuning kan plaats vinden. In het tweede lid, onderdeel a, staat dat het onderzoek in het kader van de Wmo 2015 plaatsvindt langs de punten die staan vermeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015, al dan niet op basis van het persoonlijke plan dat de cliënt zelf heeft overgelegd. Onderzocht wordt wat de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt zijn. Tevens wordt gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening of het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, maar ook kortdurende ondersteuning door het wijkteam of een verwijzing naar een algemene voorziening. Daarnaast wordt gekeken naar wat de cliënt zelf kan doen om in zijn ondersteuningsbehoefte te voorzien, al dan niet met inzet van zijn huisgenoten (gebruikelijke zorg), mantelzorgers, hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of vrijwilligers. Voor een cliënt is niet altijd een dure maatwerkvoorziening nodig om te voorzien in zijn behoefte aan opvang, participatie of bevordering van de zelfredzaamheid. In veel gevallen kan een cliënt op andere wijze gestimuleerd worden, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk te doen of deel te nemen aan activiteiten bij een algemene voorziening zoals een wijkaccommodatie of het welzijnswerk. In andere gevallen kan een cliënt gewezen worden op programma’s van een zorgverzekeraar, sportbeoefening of de mogelijkheden om tijdelijk hulpmiddelen te huren of te kopen bij een thuiszorgwinkel. Mocht tijdens het onderzoek blijken dat een maatwerkvoorziening aangewezen is, dan informeert het college de cliënt over de mogelijkheid deze in natura of in de vorm van een pgb te ontvangen, waarbij de cliënt geïnformeerd wordt over de consequentie van zijn keuze. Als de cliënt aangeeft interesse te hebben voor verstrekking in de vorm van een pgb, zal al zoveel mogelijk bekeken worden in hoeverre de cliënt de regie kan (laten) voeren over dit pgb en wordt hem verteld dat hij in dat geval een pgb-plan moet indienen volgens een door het college vastgesteld format. Ook ontvangt de cliënt informatie over de eventuele eigen bijdragen die in het geval van een maatwerkvoorziening of pgb verschuldigd zijn. Aangezien de verantwoordelijkheid tot het vaststellen en innen van de eigen bijdrage berust bij het CAK, kan de cliënt daarover niet tot in detail worden geïnformeerd, maar de medewerker zal de cliënt zoveel mogelijk informatie verstrekken, zodat hij een idee heeft wat de eigen bijdrage ongeveer zal worden en hoe deze wordt berekend. Hoe uitgebreid alle punten worden besproken, is onder andere afhankelijk van de vraag of het om een nieuwe cliënt gaat of over een cliënt die al bekend is bij de gemeente in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet. Ook de aard van de ondersteuningsbehoefte zal hierbij een rol spelen. Als de cliënt lopende het onderzoek aangeeft dat hij voldoende informatie heeft om in zijn hulpvraag te voorzien of afziet van verdere ondersteuning, kan het onderzoek op dat moment worden afgesloten, ook al zijn niet alle punten doorlopen. In het tweede lid, onder b, wordt beschreven welke onderwerpen er in het kader van een melding voor jeugdhulp in ieder geval moeten worden besproken. De onderwerpen zijn grotendeels vergelijkbaar met de onderwerpen zoals in de Wmo 2015 staan opgenomen. Op grond van de Wmo 2015 dient het onderzoek naar de vraagverheldering zo snel mogelijk te worden afgerond, maar in ieder geval binnen zes weken. De Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 stelt dat in het geval het college het onderzoek niet in zes weken kan afronden, het in de rede ligt dat het college hierover met de cliënt in overleg treedt. Een zorgvuldig onderzoek is volgens de wetgever uitgangspunt; het zal met het oog daarop niet per definitie in het nadeel van de cliënt zijn als hij instemt met een langere duur van het onderzoek. Het staat de cliënt echter vrij om na zes weken een aanvraag in te dienen. Het derde lid bepaalt dat het college met een door de cliënt overhandigd persoonlijk plan rekening moet houden. Wat betreft jeugdige cliënten betekent dit dat als er reeds door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, een hulpverleningsplan of plan van aanpak in de zin van artikel 1.1 is opgesteld, een zogenoemd ‘familiegroepsplan’, dit plan door de aanbieder van de toegewezen individuele voorziening bij de concrete invulling van het hulpaanbod dient te worden betrokken. In het vierde lid is geregeld dat het college in overleg met de cliënt kan besluiten het onderzoek geheel of gedeeltelijk achterwege te laten, als het college op basis van voorafgaand dossieronderzoek en bekendheid met de cliënt en zijn actuele situatie, over voldoende inzicht beschikt in de ondersteuningsbehoefte. Er wordt dan wel een verslag opgemaakt zoals bedoeld in artikel 2.4, eerste lid. In het vijfde lid is geregeld dat, wanneer er sprake is van een pgb aanvraag en de cliënt voornemens is een vertegenwoordiger te machtigen, er tenminste eenmaal een gesprek dient te hebben plaatsgevonden met deze vertegenwoordiger. Het college dient immers te kunnen beoordelen of de vertegenwoordiger voldoet aan de criteria zoals gesteld in artikel 3.4.
- Indien dit het geval is dienen tevens de machtiging en de verklaring zoals bedoeld in artikel 3.4.1 te zijn ondertekend door cliënt en vertegenwoordiger voordat er een beslissing op de aanvraag wordt genomen. Het zesde lid regelt vervolgens dat deze machtiging en verklaring deel uitmaken van het pgb-plan. Het zevende lid beschrijft de plicht van het college om de cliënt te wijzen op zijn rechten en plichten, maar ook op de procedurele aspecten rond zijn melding en aanvraag. Van belang hierbij zijn onder andere het recht van de cliënt om zelf een familiegroepsplan als vorm van ondersteuningsplan te overleggen, een eventuele medische verklaring in te brengen omtrent de aard van zijn beperkingen, het recht in het kader van de Wmo 2015 op onafhankelijke cliëntondersteuning e.d. Artikel 2.4 Ondersteuningsverslag naar aanleiding van het onderzoekDe afronding van het onderzoek vindt op grond van artikel 2.3.2, achtste lid, van de Wmo 2015 plaats door middel van een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, het gespreksverslag. Aan het gespreksverslag kan een ondersteuningsplan worden gekoppeld. In dit plan worden de relevante afspraken en noodzakelijke ondersteuning in de vorm van algemene of maatwerkvoorzieningen opgenomen. De Jeugdwet kent, anders dan de Wmo 2015, geen getrapte toegang met een meldingsfase en aanvraagfase. Maar ook in het kader van de Jeugdwet wordt het onderzoek afgerond met een verslag van het met de cliënt gehouden gesprek. Het college merkt dit gespreksverslag aan als een basaal element van het ondersteuningsverslag. Als het college van mening is dat er daadwerkelijk behoefte is aan ondersteuning, dan geeft het college dat in het gespreksverslag aan. Daarbij vermeldt het college wat de eigen mogelijkheden en mogelijkheden uit het netwerk zijn, maar ook op welke algemene c.q. overige voorzieningen of individuele c.q. maatwerkvoorzieningen hij een beroep zou kunnen doen om te voorzien in zijn ondersteuningsbehoefte. Zowel bij een maatwerkvoorziening als een individuele voorziening, dient een dergelijk ondersteuningsplan naast het gespreksverslag in het ondersteuningsverslag te worden opgenomen. Alleen bij gevallen waarin wordt verwezen naar voorzieningen die geen maatwerkvoorzieningen of individuele voorzieningen zijn, behoeft geen ondersteuningsplan te worden geschreven. Het gespreksverslag en ondersteuningsplan dienen binnen het ondersteuningsverslag als een afzonderlijk onderdeel herkenbaar te blijven. Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de inhoud van het ondersteuningsverslag, wordt de cliënt gevraagd om dit document voor akkoord c.q. voor gezien te ondertekenen en het aan het college te verstrekken. Het derde lid regelt dit. De cliënt (of zijn vertegenwoordiger) wordt binnen een redelijke termijn van twee weken in de gelegenheid gesteld aanvullingen of wijzigingen aan te brengen in het ondersteuningsverslag. Cliënt kan hier echter niet toe worden gedwongen. Indien gewenst kan de cliënt op een later moment maar uiterlijk tot het moment van ondertekening van het ondersteuningsverslag (de feitelijke aanvraag zie artikel 2.5), inzage verlangen met het oog op correctie of verwijdering van feitelijke onjuistheden. Een langere periode acht het college niet opportuun gezien de status van ‘aanvraag individuele voorziening jeugdhulp’, die een ondertekend verslag op grond van artikel 2.5 heeft. Een correctie- of verwijderingsmogelijkheid na ondertekening zou een eerdere ondertekening zinledig maken, wat in het kader van de rechtszekerheid ongewenst is. Artikel 2.5 Aanvraag individuele voorziening of maatwerkvoorzieningHet eerste lid regelt dat een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 of een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden aangevraagd door middel van ondertekening van het ondersteuningsverslag, onverlet het gestelde in het tweede lid. Een cliënt kan ook een aanvraag indienen via een op de gemeentelijke website beschikbaar gesteld digitaal aanvraagformulier. Het tweede lid vermeldt deze aanvraagmogelijkheid die bijvoorbeeld door de cliënt benut kan worden om voor hem een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking te genereren in de situatie dat hij geen ondersteuningsverslag ter ondertekening krijgt aangeboden omdat in de gespreksfase geen noodzaak tot of recht op een maatwerkvoorziening of individuele voorziening is gebleken. In het derde lid is opgenomen dat een maatwerkvoorziening in bijzondere gevallen ook ambtshalve kan worden verstrekt in het dringende belang van de cliënt. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn bij cliënten met psychiatrische of psychosociale (multi)problematiek, waarbij door middel van zogenaamde bemoeizorg stap voor stap naar een reguliere ondersteuningssituatie toe wordt gewerkt. Via de bepaling in het vierde lid volgt het college een voor beide beleidsdomeinen overeenkomstige systematiek voor het afgeven van schriftelijke besluiten op de in het eerste en tweede lid bedoelde aanvragen. De Wmo 2015 regelt dat een cliënt altijd een beschikking op zijn ingediende aanvraag voor een maatwerkvoorziening dient te ontvangen. Voor de Jeugdwet is de grondslag voor het standaard verstrekken van een beschikking voor een individuele voorziening jeugdhulp, gelegen in artikel 1:3 tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet merkt in dit kader op dat deze niet-vrij toegankelijke voorzieningen altijd een verleningsbeslissing veronderstellen op basis van een beoordeling door de gemeente van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager. Onder verleningsbeslissing verstaat het college in dit verband zowel een beslissing tot verstrekking als tot weigering. In een beschikking ter verlening van een voorziening wordt in elk geval vermeld welke voorziening wordt verstrekt, de wijze waarop (zin of pgb), de ingangsdatum, de looptijd en de hoogte van het budget. In een beschikking tot weigering dienen zoals vereist in de Awb, duidelijk de gronden voor weigering te worden gemotiveerd. Dit kan ook een partiële weigering betreffen. Het vijfde lid regelt dat cliënten die zich om welke reden dan ook niet kunnen verenigen met de beslissing omtrent basishulp en dit via het ondersteuningsverslag uitdrukkelijk kenbaar hebben gemaakt door dit verslag “voor gezien” en niet “voor akkoord” te ondertekenen, recht hebben op een beschikking waartegen zij desgewenst bezwaar kunnen maken. Artikel 2.6 Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulpBehalve op basis van een melding (zie artikel 2.2) of de rechtstreekse toegang tot overige voorzieningen (zie artikel 2.1) kan een cliënt op grond van de Jeugdwet ook op andere manieren toegang krijgen tot jeugdhulp. Het college gaat hierbij in principe uit van toegang tot het gecontracteerde c.q. gesubsidieerde aanbod. Dit kan na verwijzing door de behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. In het uitzonderlijke geval dat de cliënt hierom verzoekt, kan het college ter bevestiging van de verwijzing een beschikking afgeven. Het college moet op grond van artikel 2.7, vierde lid, afspraken met hen en met de zorgverzekeraars maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop deze verwijzing plaatsvindt. Zij moeten zich daarnaast de voor hen geldende professionele standaarden hanteren. Het tweede lid regelt de uitvoering van de verplichting van het college om jeugdhulp in te zetten die nodig wordt geacht in situaties waarbij de uitvoering van kinderbescherming en jeugdreclassering aan de orde is. In die situaties zal de inzet in eerste instantie bestaan uit het beschikbaar stellen van het voorzieningenpakket dat door de gemeente is ingekocht via subsidies dan wel contracten. Maar mocht hierin een leemte bestaan, dan zal het college anderszins in de op haar rustende verplichting moeten voldoen. Omdat het college in deze situaties geen beschikking verstrekt, bestaat voor de betrokken jeugdige of ouders geen mogelijkheid om bij de gemeente bezwaar in te dienen tegen hen onwelgevallige beslissingen. Wat onder kinderbeschermingsmaatregelen en reclasseringswerkzaamheden wordt verstaan, is gedefinieerd in artikel 1.
- van de Jeugdwet. Deze maatregelen en werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door gecertificeerde instellingen. Het Ministerie van Justitie beslist op aanvraag op de afgifte van een (kwaliteits)certificaat of voorlopig certificaat aan en instelling die gecertificeerd wil worden. Om daadwerkelijk in aanmerking te kunnen komen voor een certificaat, moet de instelling aan een aantal in de Jeugdwet opgenomen eisen voldoen. Artikel 2.7 Spoedeisende ondersteuningIndien er een melding plaatsvindt voor spoedeisende hulp, is het college op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 gehouden een tijdelijke voorziening te treffen, totdat het onderzoek is afgerond en er een aanvraag is ingediend op basis waarvan een reguliere maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Het college kan derhalve in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Het college kan voorts in het dringende belang van de cliënt een al dan niet ambtshalve ingediende aanvraag in behandeling nemen zonder ondertekend gespreksverslag, indien en zolang de cliënt niet in staat of bereid is het gespreksverslag te ondertekenen. Een besluit tot spoedeisende ondersteuning wordt door het college in de beschikking duidelijk gemotiveerd, zodat het voor de cliënt inzichtelijk is waarom tot ambtshalve verstrekking is overgegaan. Crisisopvang kan plaats vinden in het geval van huiselijk geweld, maar kan ook in andere situaties noodzakelijk zijn. Als het spoedeisende jeugdhulp betreft, kant het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 juncto artikel 6.1.8 van de Jeugdwet aanvragen. Dit betreft een nieuwe collegebevoegdheid binnen het vrijwillig kader. Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen, maatwerkvoorzieningen,gezinsarrangementen, pgb, verplichtingen en overige maatregelenParagraaf 3.1 Individuele voorzieningen jeugdhulpArtikel 3.1.1 Beschikbare individuele voorzieningen jeugdhulpDit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan individuele voorzieningen dat het college als zorg in natura ter beschikking staat. Een groot deel van deze voorzieningen is regionaal ingekocht, maar wordt lokaal ingezet. Andere zijn uitsluitend lokaal ingekocht. Bij de toepassing hiervan, zal het college mede gebruikmaken van de productencatalogus. en de resultaatgebieden en ondersteuningsgebieden (zie ook artikel 3.1.2) om het voorzieningenaanbod nader in te kleuren. Hierbij schaart het college de voorzieningen in de vorm van ‘specialistische tweedelijns jeugdhulp’. Met de aanbieders van deze ‘zorg in natura’ heeft het college contracten afgesloten om de cliënten de mogelijkheid te bieden om hun recht op toegekende jeugdhulp te verzilveren. Slechts in enkele spaarzame gevallen is sprake van een subsidierelatie tussen het college en de aanbieder. Bij het aanbieden van JeugdzorgPlus is een voorafgaande machtiging gesloten jeugdzorg van de kinderrechter vereist. Artikel 3.1.2 Verlening arrangementen individuele voorzieningen jeugdhulpIndividuele voorzieningen worden verstrekt in de vorm van een arrangement, bestaande uit één of meerdere resultaatgebieden. Bijvoorbeeld het resultaatsgebied ‘herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige’, in de praktijk ook wel ‘behandeling’ (R2) genoemd. Indien noodzakelijk kunnen aanvullende ondersteuningselementen worden aangeboden, die vermeld staan in het tweede lid. Hierbij kan bijvoorbeeld het ondersteuningselement ‘vervangende opvoeding’ worden genoemd, in de praktijk ook wel aangeduid met ‘verblijf’ (O1). Ook kan aan een jeugdige op grond van het derde lid een vervoersvoorziening worden toegekend indien een dergelijke voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Een voorbeeld hiervan is vervoer voor een jeugdige met een beperking of voor een jeugdige die naar een voorziening voor geestelijke gezondheidszorg (jeugd-GGZ) moeten reizen. De gemeente heeft hiervoor een contract met een doelgroepenvervoerder afgesloten. In de artikelen 3.1.4 t/m 3.1.6 staat een nadere omschrijving van de resultaatgebieden opgenomen. Artikel 3.1.3 Algemene criteria individuele voorziening voor jeugdhulpIn artikel 2.3 van de Jeugdwet is het algemene kader opgenomen waarbinnen het college gehouden is overige voorzieningen of individuele voorzieningen te treffen. Er moet sprake zijn van: opgroei– en opvoedingsproblemen; of psychische problemen en stoornissen. Daarnaast moet er sprake zijn van ontoereikende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Ook kan er onder in de wet genoemde voorwaarden jeugdhulp aan de orde zijn om de ouders in staat te stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen als er sprake is van een jeugdige tot 18 jaar. Deze voorzieningen kunnen worden verstrekt in de vorm van overige voorzieningen of individuele voorzieningen. In het eerste lid is benoemd wanneer een jeugdige in aanmerking kan komen voor een individuele voorziening. Deze criteria sluiten aan bij hetgeen hierover in de Jeugdwet is opgenomen. De verwijzing in het tweede lid heeft betrekking op kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclasseringswerkzaamheden en spoedeisende jeugdhulp. Artikel 3.1.
- Aanvullende criteria voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functionerenDe zorgen over het dagelijks functioneren van de jeugdige kunnen bij de jeugdige zelf, maar ook bij zijn omgeving liggen. De te verlenen jeugdhulp is gericht op behoud, compensatie (acceptatie) of trainen van het functioneren en/of deels overnemen, zodat de mogelijkheden van de jeugdige worden vergroot. Zo nodig maakt een periode van bemoeizorg deel uit van dit resultaatgebied. Artikel 3.1.
- Aanvullende criteria voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdigeAls er bij de jeugdige aanwijzingen zijn van een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, kan een individuele voorziening binnen dit resultaatgebied noodzakelijk blijken. Dit kan ook aan de orde zijn als er sprake is van delict gedrag als gevolg van een stoornis bij of beperking van de jeugdige. Artikel 3.1.
- Aanvullende criteria voor het resultaatgebied opvoeding, versterking mogelijkheden oudersDe inzet op dit resultaatgebied is gericht op de opvoedingsvaardigheden van de ouder(s). De jeugdhulp richt zich op het gedrag en handelen van de ouder(s) in de opvoeding en niet primair op de jeugdige. Het gaat hierbij om het bieden van veiligheid, het stimuleren van de sociale en affectieve ontwikkeling van de jeugdige, gedragsregulatie, gezondheid en opleiding. Veiligheid is een basisvereiste voor de ontwikkeling en om gezond op te kunnen groeien. Het resultaat van de ondersteuning is dat ouders met steun van mensen uit hun omgeving de opvoeding van hun kind(eren) weer zelfstandig aan kunnen. Artikel 3.1.7 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding kindAls hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden, kan het college ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige inzetten Dit artikel beschrijft de criteria die hiervoor worden gehanteerd. Artikel 3.1.8 Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbestedingHet college kan ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding inzetten als de jeugdige lijdt onder een in dit artikel genoemde stoornis of beperking waardoor deze, al dan niet tijdelijk, aan het onderwijs kan deelnemen. Ook kan een dergelijke vorm van ondersteu