TERUGVORDERINGSBELEID MIDDEN-DRENTHE 2016 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe; gelet op paragraaf 6.4 Participatiewet, de artikelen 25 en 28 van de IOAW en de artikelen 25 en 28 van de IOAZ; BESLUIT: vast te stellen de navolgende Beleidsregels Terugvordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Midden-Drenthe HOOFDSTUK1.ALGEMEEN Artikel1.Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ; Artikel2.Gebruikmaking van wettelijke bevoegdheden Het college maakt gebruik van de in de Participatiewet, de IOAW en IOAZ toekomende bevoegdheid tot: herziening of intrekking als bedoeld in artikel 54, derde lid, laatste volzin van de Participatiewet, of 17, derde lid, laatste volzin van de IOAW en IOAZ intrekking als bedoeld in artikel 54, vierde lid van de Participatiewet, of 17, vierde lid van de IOAW en IOAZ; terugvordering zoals deze haar op grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de Participatiewet alsmede artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAW en IOAZ toekomt; brutering van de vorderingen, welke zijn ontstaan door gebruik te maken van de onder b genoemde bevoegdheden, bij niet tijdige betaling; en verrekening van inkomsten als bedoeld in 58, vierde lid van de Participatiewet of 25, vierde lid van de IOAW en IOAZ. HOOFDSTUK2GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN VERDERE TERUGVORDERING Artikel3.Kwijtschelding fraudevordering in verband met het gedurende een bepaalde periode voldoen aan de betalingsverplichtingen 1.Het college besluit van terugvordering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, af te zien, indien de persoon van wie de kosten van bijstand worden teruggevorderd: gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of; een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de openstaande vordering, in één keer aflost. Artikel4.Reikwijdte De bepalingen in dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 3, zijn niet van toepassing op vorderingen vanwege het schenden van de inlichtingenplicht die op of na 1 januari 2013 zijn ontstaan. Artikel5.Afzien van terugvordering of van verdere terugvordering na het voldoen aan de 1.In de gevallen genoemd in artikel 2 onder c besluit het college af te zien van terugvordering of van verdere terugvordering van uitkering indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of; een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de openstaande vordering in één keer aflost. 2.De in het eerste lid onder a. en b. genoemde termijn van vijf jaar is drie jaar indien: het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; het gaat om leenbijstand of borgtocht. Voor deze onderdelen wordt de aflossingsverplichting eenmalig vastgesteld voor een periode van 36 maanden. Artikel6.Uitzondering 1.Artikel 5 is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die: het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. 2.Het op basis van artikel 5 genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel7.Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen In afwijking van het bepaalde in artikel 2, onderdeel b, ziet het college af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien de terug te vorderen uitkering een bedrag van € 100,00 op netto basis per kalenderjaar niet te boven gaat. Artikel8.Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de Participatiewet en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en; de vordering van de gemeente ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien: de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet; de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. 3.Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid; de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichting ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden, dan wel; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. HOOFDSTUK3INVORDERING Artikel9.Algemeen 1.Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. 2.Het afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten: de hoogte van de vordering en eventueel het saldo na verrekening; de verplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen; de datum waarop de betalingsverplichting in gaat en de betaaltermijn; de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen; een korte aanduiding van de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb (verzuim en wettelijke rente) en afdeling 4.4.4 Awb ( aanmaning en invordering bij dwangbevel); de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichtingen behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden. Artikel10.Verrekening Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de Participatiewet en artikel 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ en ongeacht de in artikel 9 genoemde betalingstermijn gaat het college indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op bijstand of een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ. Artikel11.Uitstel van betaling en betalingsregeling 1.Het college verleent uitstel van betaling indien haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan. 2.Behoudens bijzondere omstandigheden wordt de uitstel van betaling voor een jaar verleend. De beschikking vermeldt de termijn. 3.Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit, verbindt het college aan het uitstel van betaling de voorwaarde dat belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld (betalingsregeling). 4.Het uitstel van betaling en de betalingsregeling wordt ingetrokken indien de belanghebbende de nader overeengekomen aflossing niet nakomt. Van niet nakoming is in ieder geval sprake als twee maanden achtereen verwijtbaar niet is betaald. Artikel12.Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering 1.Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ, voert de gemeente een berekening uit volgens artikel 475d Rv om de juiste beslagvrije voet en daarmee de juiste hoogte van verrekening te bepalen. 2.De belanghebbende wordt verzocht de benodigde informatie voor de berekening van de beslagvrije voet aan te leveren. Indien de belanghebbende de benodigde gegevens niet of niet tijdig aanlevert, wordt de hoogte van de aflossing vastgesteld op het maximaal voor beslag vatbare deel van het inkomen wat overeenkomt met 10% van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Artikel13.Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de Participatiewet, IOAW of IOAZ en bij debiteuren die geen recht hebben op algemene bijstand krachtens de Participatiewet, uitkering krachtens de IOAW en uitkering krachtens de IOAZ. 1.De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode of periode waarin een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ is ontvangen. 2.Na afloop van de termijn van zes maanden wordt in beginsel bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op 50% van het inkomen inclusief vakantietoeslag, dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde beslagvrije voet. 3.Indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, wordt bij alle vorderingen in beginsel de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op 50% van het inkomen, inclusief vakantietoeslag, dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde beslagvrije voet. Artikel14.Tussentijdse beoordeling van een betalingsregeling door het college 1.Bij een gegrond vermoeden dat de afloscapaciteit van belanghebbende is gewijzigd, kan het college een draagkrachtonderzoek instellen. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, stelt het college telkens binnen 12 maanden een draagkrachtonderzoek in. 3.Wanneer het college als gevolg van een draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsregeling, wordt belanghebbende hiervan in kennis gesteld bij beschikking. 4.In het geval van een gewijzigde betalingsregeling wordt deze van kracht met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking. Artikel15.Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende 1.Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot: wijziging van de eerder vastgestelde betalingsregeling, of; tijdelijk uitstel van de betalingsregeling, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen. 2.Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid en deelt dit aan belanghebbende mee. 3.Het verzoek tot wijziging van de betalingsregeling schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen. Artikel16.Niet of niet meer voldoen van de betalingsregeling 1.Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, wordt de uitstel van betaling en de betalingsregeling ingetrokken en gaat het college over tot invordering. Nadat de betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen, wordt het invorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door: middel van een executoriaal beslag. 2.Na twee jaar wordt de doeltreffendheid van genomen executiemaatregelen beoordeeld. Artikel17.Rente en kosten Indien moet worden overgegaan tot aanmaning dan wordt de vordering verhoogd met de aanmaningskosten als bepaald in artikel 4:113 Awb. Bij eventuele overdracht van de vordering aan de deurwaarder worden verdere kosten van rente en overige kosten vastgesteld volgens de door deurwaarders gestelde regels. HOOFDSTUK4SLOTBEPALINGEN Artikel18.Citeertitel Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Terugvorderingsbeleid Midden-Drenthe 2016”. Artikel19.Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking de eerste dag na de bekendmaking. Burgemeester en wethouders van gemeente Midden-DrentheDe secretaris, De burgemeester,Toelichting Op grond van artikel 58 van de Participatiewet kan het college dat de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen. Een gelijksoortige bepaling is opgenomen in artikel 25 van de IOAW en IOAZ. Terugvordering is in dat kader een aan het college toekomende bevoegdheid. In dit document staan de beleidsregels ten aanzien van terugvordering Participatiewet, IOAW en IOAZ van de gemeente Midden-Drenthe. In de beleidsregels terugvordering Participatiewet, IOAW en IOAZ regelen we dat we gebruik maken van de volgende bevoegdheden: Herziening of intrekking terugvordering Brutering Verrekening Als er sprake is van een terugvordering als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, dan zijn we verplicht om terug te vorderen. De verplichting tot terugvordering geldt alleen voor vorderingen die zijn ontstaan na inwerkingtreding van de Wet aanscherping (1 januari 2013). Is het besluit tot terugvordering voor 1 januari 2013 afgegeven dan blijft ook voor de vordering als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, een en ander een bevoegdheid. Wanneer sprake is van schending van de inlichtingenplicht, is er ook een wettelijk verbod om medewerking te verlenen aan een schuldregeling. BbzDe beleidsregels terugvordering zijn niet van toepassing op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Beleidsregels terugvordering Participatiewet, IOAW en IOAZEr zijn 4 hoofdstukken. Achtereenvolgens: Hoofdstuk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.