← Nederland

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland houdende regels omtrent het sociaal domein Verordening Sociaal Domein gemeente Lansinger

lege: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland; inwoner: iemand met een woonadres in Lansingerland, met inbegrip van diens wettelijk vertegenwoordiger, of een jeugdige

Artikel4

:1Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de inwoner daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang; meerkosten: kosten die uitgaan boven de kosten die als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen; uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning

  1. Artikel4:2Overige Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning en de Algemene wet bestuursrecht. Paragraaf4.2.Procedure Artikel4:3Criteria voor maatwerkvoorziening 1.Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie: ter compensatie van de beperkingen, chronische, psychische, fysieke of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen; als de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het in het hoofdstuk twee bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 2.Tijdens een onderzoek naar de inzet van een maatwerkvoorziening wordt eerst onderzocht of de gewenste resultaten behaald kunnen worden op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; met gebruikmaking van algemene voorzieningen; met gebruikmaking van andere voorzieningen. 3.Voorzieningen die worden verstrekt dienen de goedkoopst passende voorziening te zijn. 4.Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor de periode die noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken. Artikel4:4Voorwaarden en weigeringsgronden 1.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: indien de hulpvrager geen inwoner is van de gemeente Lansingerland; een uitzondering hierop vormen inwoners die hun laatste woonadres in Lansingerland hebben, maar (tijdelijk) gebruik maken van vrouwenopvang of een vorm van maatschappelijke opvang; voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; voor zover de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; indien de voorziening algemeen gebruikelijk is; indien er een voorliggende voorziening is; indien het een voorziening betreft waarover de inwoner al beschikt of kan beschikken vóór de melding; indien de gevraagde voorziening al eerder op grond van een wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de afschrijftermijn nog niet verstreken is; indien de inwoner, na onderzoek, nalatigheid en onverantwoordelijk handelen kan worden verweten, in het gebruik van een geboden voorziening. 2.Geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening wordt verstrekt: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen ten behoeve van de toegankelijkheid van deze ruimte; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; Indien de aanvraag voorzienbaar was op basis van de beperking die inwoner ondervindt. Artikel4:5Oproep personen Het college is bevoegd om ten behoeve van het onderzoek de inwoner of bij gebruikelijke hulp de personen die tot de leefeenheid van de inwoner behoren: uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen; voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, Artikel4:6Beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt en op welke wijze bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: aan welk resultaat het persoonsgebonden budget kan worden besteed; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget, en of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Artikel4:7Persoonsgebonden budget 1.Om voor een PGB in aanmerking te komen dient de inwoner in een persoonlijk PGB-plan toe te lichten dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB aantoonbaar tot een betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura. 2.Indien voldaan wordt aan de voorwaarden onder lid 1 kan het PGB aangewend worden als beloning aan iemand in het sociale netwerk indien de zorg de gebruikelijke hulp overstijgt. 3.Het PGB kan niet worden aangewend voor de beloning voor huishoudelijke werkzaamheden door aan- of bloedverwanten. 4.Het tarief voor een pgb: is gebaseerd op de frequentie van de in te zetten ondersteuning en/of het resultaat, en hangt af van de uitvoering. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen professionele inzet (beroepsmatig) en niet-professionele inzet (informele hulp); is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen, en; bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. 5.In het geval de maatwerkvoorziening een hulpmiddel betreft wordt het bedrag aangevuld met een bedrag voor het onderhoud gedurende de duur van de verstrekking. 6.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten; 7.Een inwoner ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, onder de volgende voorwaarden betreffende het tarief betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk: De persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten als deze persoon niet professioneel werkzaam is op het gebied van de te leveren dienst. Dit lagere tarief wordt door het college in de beleidsregels verder uitgewerkt; tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald. 8.Een persoonsgebonden budget dient door de inwoner binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 9.De hoogte van het pgb is afhankelijk van de persoon die de dienstverlening uitoefent. Het tarief: is gebaseerd op de frequentie van de in te zetten ondersteuning en hangt af van de uitvoering er wordt rekening gehouden met een verschil tussen gediplomeerde en niet-professionele inzet; is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen, en; bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. Artikel4:8Hoogte Persoonsgebonden budget 1.1.Niet-professionele hulpverleners Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal netwerk krijgen o.b.v. de landelijke vereniging van budgethouders (Per Saldo) het volgende tarief: Individuele begeleiding: maximaal € 20 per uur Kortdurend verblijf: maximaal € 30 per etmaal Huishoudelijke Ondersteuning: 75 % van het ZIN tarief per periode (4 weken). 2.Hulpmiddelen De bedragen voor een persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.
  2. 3.Verhuizing Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.580,
  3. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 4.Toegankelijk maken woning Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning bedraagt € 2.
  4. Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 5.Tijdelijke huisvesting In de gemeente Lansingerland worden de werkelijke kosten van huur van de door betrokkene bewoonde woning vergoed voor zover het de meerkosten betreft. 6.Collectief vraagafhankelijk vervoer Voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer wordt overeenkomstig het OV tarief een bedrag per zone afgerekend. Elk jaar wordt opnieuw nagegaan wat het dan geldende tarief is voor vaststelling van de kosten per zone. 7.Vervoerskosten Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: Taxikostenvergoeding € 1.923 per jaar Rolstoeltaxikostenvergoeding € 2.371 per jaar Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is. 8.Aanpassingen eigen auto Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. 9.Aanpassing van een scootmobiel en rolstoel Pgb bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. Onder de noodzakelijke kosten worden ook verstaan de kosten van verzekering, onderhoud, reparatie en stalling. Paragraaf4.3Bijdrage in de kosten Artikel4:9Bijdrage in de kosten 1.Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd: voor het gebruik van een deel van de algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning; voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden budget. 2.De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 3.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. 4.De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten zijn in de onderstaande tabel weergegeven (grijs = afwijking van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015): Huishouden Max. periodebijdrage inkomen Marginaal tarief Eenpersoons, niet AOW-gerechtigd € 13,13 € 28.108 12,5% Eenpersoons, wel AOW-gerechtigd € 13,13 € 21.109 12,5% Meerpersoons, niet AOW-gerechtigd € 0,00 € 35.000 12,5% Meerpersoons, wel AOW-gerechtigd € 13,13 € 29.218 12,5% 5.De bijdragen in de kosten voor Beschermd wonen worden door de aanbieder vastgesteld en geïnd. 6.In uitzonderlijke gevallen kan voor een voorziening die in een algemene ruimte wordt ingezet, worden besloten om geen eigen bijdrage te heffen voor verstrekking, onderhoud en reparatie. 7.De eigen bijdrage wordt bij koopvoorzieningen gebaseerd op de kostprijs. Afhankelijk van de hoogte van het bedrag wordt onder de 702 euro een eigen bijdrage geïnd in 13 periodes en boven de 702 euro in 39 periodes. 8.Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner wordt geen eigen bijdrage geheven tot het achttiende levensjaar Paragraaf4.4Kwaliteit en veiligheid Artikel4:10Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: voldoende deskundigheid van beroepskrachten; afstemming van de ondersteuning op de persoonlijke situatie van de cliënt; afstemming van de ondersteuning op andere vormen van zorg en hulp; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2.Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks klantervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel4:11Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en kosten voor bijscholing van personeel. 2.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: de marktprijs van de voorziening, en de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; instructie over het gebruik van de voorziening; onderhoud van de voorziening, en verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel4:12Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en heeft daartoe een toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de wet aangewezen. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthouder. 3.De toezichthouder doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Paragraaf4.5Waardering en ondersteuning van mantelzorgers Artikel4:13Waardering en ondersteuning mantelzorgers Het college draagt zorg voor een periodieke blijk van waardering voor mantelzorgers. Het college richt daarnaast een centraal aanmeldpunt in. Dit centrale aanmeldpunt kan de mantelzorger toeleiden naar passende ondersteuning. De gemeente heeft daarnaast diverse algemene mantelzorgvoorzieningen ingesteld ter ondersteuning van mantelzorgers om overbelasting te voorkomen en tegen te gaan. Take Care: bestaande uit het overnemen van een deel van de mantelzorgtaken voor de zorgvrager, het laten verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden en het uitvoeren van praktische klussen in en om het huis. Huishoudelijke mantelzorghulp: Mantelzorgers kunnen in het huis waar zij wonen huishoudelijke mantelzorghulp inzetten ter ontlasting van hun mantelzorgtaken. Verwendagen: Mantelzorgers kunnen de persoon waar zij voor zorgen een of meerdere dagen en eventueel ook nachten onderbrengen waardoor zij ontlast worden. Paragraaf4.6Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel4:14Klachtregeling 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel4:15Medezeggenschap 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Paragraaf4.7Blijverslening Artikel4:15aBegrippen In deze paragraaf wordt verstaan onder: aanvrager: een woningeigenaar die een aanvraag voor een Blijverslening doet. Bij twee of meer eigenaren gelden deze gezamenlijk als aanvrager. blijverslening: een lening die, na toewijzing door het college, door SVn kan worden verstrekt aan een aanvrager ten behoeve van de financiering van de door het college aanvaarde werkelijke kosten van de maatregelen, die worden getroffen in de woning ten behoeve van een (toekomstige) zorgvraag van de inwoner. maatregelen: maatregelen en voorzieningen gericht op woningaanpassing. SVn: Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten, statutair gevestigd te Hoevelaken en kantoorhoudende te Amersfoort, financiële dienstverlener, geregistreerd onder AFM–vergunningnummer
  5. werkelijke kosten: de kosten van materialen en werkzaamheden voor zover noodzakelijk voor het treffen van maatregelen, eventueel vermeerderd met de bijkomende kosten voor het verkrijgen van de Blijverslening en de kosten van door een deskundig vakbedrijf terzake van deze maatregelen in rekening gebrachte arbeidsuren en verminderd met de van derden ontvangen of nog te ontvangen tegemoetkomingen (subsidies) in deze kosten. Artikel4:15bBlijverslening en toepassingsbereik 1.Het college kan de consumptieve of hypothecaire verstrekking van een Blijverslening voorlopig toewijzen aan een aanvrager, die blijkens zijn aanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden. De aanvrager is een woningeigenaar met een zorgvraag die aanpassing van de woning vereist of een woningeigenaar die de woning levensloopbestendig wil maken. Ten minste een van de aanvragers van een Blijverslening die consumptief wordt verstrekt is jonger dan 76 jaar op het moment van het indienen van de aanvraag Blijverslening. De aanvrager bewoont de woning waarvoor een Blijverslening wordt aangevraagd zelf. 2.Het college kan de consumptieve of hypothecaire verstrekking van een Blijverslening voorlopig toewijzen, indien de aanvraag betrekking heeft op realiseerbare maatregelen die aantoonbaar bijdragen aan het aanpassen van de woning aan een zorgvraag of het levensloopbestendig maken van een woning. 3.Het college kan de voorwaarden in dit artikel in lid 1 onder a en in lid 2 nader uitwerken. Artikel4:15cBudget voor Blijversleningen 1.Het budget voor de uitkering van Blijversleningen bedraagt € 75.375,- per jaar. 2.Het college kent alleen Blijversleningen toe voor zover het vastgestelde budget hiervoor toereikend is. Artikel4:15dHoogte Blijverslening 1.Het college verstrekt Blijversleningen consumptief met een hoogte van minimaal € 2.500,- en maximaal € 10.000,-. 2.Het college verstrekt Blijversleningen hypothecair met een hoogte van minimaal € 2.500,- en maximaal € 30.000,-. 3.Het college bepaalt of er bij de Blijverslening die hypothecair wordt verstrekt een deel aflossingsvrij is toegestaan. Artikel4:15eGronden voor afwijzing van een aanvraag of het intrekken van een toewijzing 1.Het college wijst een aanvraag af of trekt een toewijzingsbesluit Blijverslening in, indien: Er niet is voldaan aan de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften en/of bepalingen. Het budget niet toereikend is om de aanvraag te honoreren. Er is niet voldaan aan de voorschriften en/of bepalingen van SVn, zoals die op het moment van aanbieden door SVn zijn opgenomen in de dan geldende SVn Informatiemap, die door SVn wordt uitgereikt aan de aanvrager bij het sluiten van de overeenkomst van geldlening. SVn een negatieve krediettoets uitbrengt. De Blijverslening is toegekend of vastgesteld op grond van onjuiste gegevens. De aanvraag bij het college is ingediend ná het treffen van de maatregelen. 2.Het college onderzoekt uit het oogpunt van rechtmatigheid, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van de Blijverslening. Paragraaf4.8Slotbepalingen Artikel4:16Nadere regels en hardheidsclausule 1.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin dit onderdeel niet voorziet, beslist het college. 2.Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit onderdeel. 3.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van dit onderdeel indien toepassing van dit onderdeel tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Hoofdstuk5.Jeugdhulp Artikel5:1Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; ouder: ouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; wet: Jeugdwet. Artikel5:2Vormen van jeugdhulp 1.De volgende overige voorzieningen zijn beschikbaar: preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals: informatie, advies en training jeugdgezondheidszorg opvoedondersteuning ambulante jeugd- en opvoedhulp tot en met maximaal 5 contactmomenten 2.De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: begeleiding, behandeling, verzorging en verblijf van (licht)verstandelijk beperkte jeugd, jeugd met een lichamelijke handicap, jeugd met langdurige GGZ problematiek ambulante jeugd- en opvoedhulp meer dan 5 contactmomenten gespecialiseerde ambulante jeugdhulp residentiële jeugdhulp pleegzorg crisisopvang jeugdbescherming jeugdreclassering gesloten jeugdhulp forensische jeugdhulp gespecialiseerde Jeugd GGZ ambulante generalistische basis Jeugd GGZ vervoer Artikel5:3Toegang Jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulp-aanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Het college informeert huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen welke jeugdhulp bij welke aanbieder gecontracteerd is dan wel waar deze informatie beschikbaar is. Artikel5:4Voorwaarden voor het toekennen van individuele voorzieningen Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2:4 wordt vastgesteld dat de jeugdige of zijn ouders: op eigen kracht of met andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige of voorliggende voorziening. Artikel5:4aAfgifte beschikking 1.Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders als bedoeld in artikel 5:
  6. 2.In uitzondering op lid 1 geeft het college enkel een beschikking af als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoekt, wanneer de inzet van jeugdhulp plaatsvindt na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Artikel5:5Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum, omvang en duur van de verstrekking is; welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van jeugdhulp de voorziening verstrekt; en indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking vastgelegd: voor welk resultaat het PGB kan worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB; wat de hoogte van het PGB is en hoe deze is berekend; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het PGB is bedoeld; de wijze van verantwoording van de besteding van het PGB, en dat de jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling doet van gewijzigde feiten en/of omstandigheden. Artikel5:6Regels voor persoonsgebonden budget 1.Indien de jeugdige of zijn ouders dit wenst, verstrekt het college hun een persoonsgebonden budget (PGB) dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. 2.Conform artikel 8.1.1 van de Jeugdwet verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders alleen een PGB, indien: de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; naar het oordeel van het college de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend acht; en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de inwoner van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. 3.De hoogte van het pgb is afhankelijk van de persoon die de ondersteuning verleent: Formeel pgb: de maximale hoogte van een formeel pgb is begrensd op 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura. Informeel pgb: de maximale hoogte van een informeel pgb is begrensd op 51,7% van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura. 4.Het college stelt het tarief voor het PGB vast op basis van het door de jeugdige of zijn ouders ingediende plan met begroting over hoe hij het PGB gaat besteden. 5.Degene aan wie een PGB wordt verstrekt, kan de individuele voorziening uitsluitend betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk: indien deze persoon een lager tarief krijgt betaald voor zijn diensten dan het ingevolge het derde lid vastgestelde tarief; indien deze persoon niet heeft aangegeven dat de zorg aan de ontvanger van de PGB hem te zwaar valt; indien het PGB niet zal worden gebruikt voor de betaling van tussenpersonen of belangenbehartigers; indien deze persoon op geen enkele wijze druk op de ontvanger heeft uitgeoefend bij diens beslissing en; indien het geen dienst is die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Artikel5:7Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening. 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of PGB herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening in natura of op het PGB zijn aangewezen; de individuele voorziening in natura of het PGB niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening in natura of het PGB, of de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening in natura of het PGB niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het ten onrechte genoten PGB. 4.Een beslissing tot verlening van een PGB kan worden ingetrokken als blijkt dat het PGB binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5.Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van PGB’s. Artikel5:8Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel5:9Vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2.Het college wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel5:10Klachtregeling Het college ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken en ziet toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheid onderzoek. Artikel5:11Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel5:12Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Hoofdstuk6.Werk, re-integratie en tegenprestatie Onderdeel6.1Werk en re-integratie Paragraaf6.1.

Artikel6

:1Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar. Paragraaf6.1.2Beleid en financiën Artikel6:2Evenwichtige verdeling en financiering 1.Het college kan de voorziening bedoeld in artikelen 6:5, 6:7, 6:8 en 6:12 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2.Het college kan de voorzieningen bedoeld in de artikelen 6:5, 6:6, 6:8, 6:9, 6:10, 6:11 en 6:12 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3.Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4.Het college zendt elke vier jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid. Het verslag bevat in ieder geval het oordeel van de Adviesraad Sociaal Domein. Artikel6:3Budget- en subsidieplafonds 1.Het college kan in beleidsregels een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen die in dit onderdeel worden genoemd. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2.Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. Paragraaf6.1.3Voorzieningen Artikel6:4Algemene bepalingen over voorzieningen 1.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit onderdeel geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2.Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in dit onderdeel genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, onder 2 van de Participatiewet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in dit onderdeel worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. Artikel6:5Werkstage 1.Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze behoort tot de doelgroep. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4.In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkstage, en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel6:6Sociale activering 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2.Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3.Het college stelt in beleidsregels nadere voorwaarden op voor het aanbieden van sociale activering voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel6:7Detacheringsbaan 1.Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel6:8Scholing en training 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholings- of trainingstraject aanbieden. 2.Een scholing- of trainingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: De ingezette scholing of training moet resulteren in een reële verhoging van de kansen op de arbeidsmarkt; De scholing of training is noodzakelijk om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; en Scholing of training wordt niet ingezet indien een persoon in het jaar voorafgaand aan het verzoek om scholing of training al met succes een beroepsgerichte scholing heeft afgerond. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, sub a, van de Participatiewet. Artikel6:9Participatieplaats 1.Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2.Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3.De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt € 100,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel6:10Participatievoorziening beschut werk 1.Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. 2.Het college kan voorpersonen uit de doelgroep een advies inwinnen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 3.Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 4.Het college stelt het aantal plekken voor beschut werk beschikbaar conform het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. Het college stelt niet meer plekken voor beschut werk beschikbaar dan het minimum aantal in het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. 5.Het college biedt de voorziening beschut werk aan personen met een indicatie beschut werk op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. 6.Het college bepaalt welke voorzieningen worden aangeboden aan personen met een indicatie beschut werk wanneer het aantal beschikbare beschutte werkplekken in een jaar reeds is vervuld. 7.Tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking op een beschutte werkplek, kan het college de doelgroep een werkstage aanbieden zoals bedoeld in artikel 6:5. Artikel6:11Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel6:12Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van tijdelijke, langdurige of structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Artikel6:13No-riskpolis Vervallen Artikel6:14Werkgeverscheque 1.Het college kan een vergoeding in de vorm van een werkgeverscheque verstrekken aan een werkgever die met een werknemer met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een arbeidsovereenkomst sluit. 2.De werkgeverscheque wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. 3.De werkgeverscheque wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 4.Het college legt de hoogte van de werkgeverscheque en verdere voorwaarden vast in beleidsregels. Artikel6:15Uitstroompremie 1.Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand. 2.Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. 3.Onder duurzaam in de zin van het eerste lid wordt verstaan een dienstverband van tenminste zes aaneengesloten maanden. Paragraaf6.1.4Slotbepalingen Artikel6:16Hardheidsclausule Indien hiervoor gegronde redenen zijn, kan het college ten gunste van een persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in dit onderdeel. Artikel6:17Overgangsrecht Dit artikel is komen te vervallen. Onderdeel6.2Tegenprestatie Paragraaf6.2.

Artikel6

:18Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar; mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; belanghebbende: iemand die een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Paragraaf6.2.2Beleid Artikel6:19Verslag over beleid 1.Het college zendt elke vier jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid. 2.Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van de Adviesraad Sociaal Domein. Paragraaf6.2.3Tegenprestatie naar vermogen Artikel6:20Inhoud van een tegenprestatie 1.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en niet leiden tot verdringing. 2.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel6:21Het opdragen van een tegenprestatie 1.Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. 2.Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen 3.Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen. Artikel6:22Duur en omvang van een tegenprestatie 1.De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 13 weken. 2.De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal twintig uur per week. 3.De tegenprestatie kan binnen een periode van twaalf maanden slechts twee keer worden opgedragen. 4.Het college kan met verwijzing naar artikel 6:21 lid 3 ook besluiten geen tegenprestatie op te leggen. Artikel6:23Uitzonderingen Vervallen Artikel6:24Geen werkzaamheden voorhanden 1.Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 2.Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen vier maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. Onderdeel6.3Loonkostensubsidie Artikel6:25Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1.Het college kan vaststellen of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2.Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3.Voorafgaand aan de vaststelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan het college een voormeting uitvoeren. 4.Het college kan een derde inschakelen die het college adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Deze derde neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Artikel6:26Vaststelling loonwaarde 1.Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 2.Het college kan een derde inschakelen die het college adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze derde neemt daarbij de in de toelichting van deze verordening omschreven methode in acht. Hoofdstuk7.Inkomen Paragraaf7.1Individuele inkomenstoeslag Artikel7:1Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum. Artikel7:2Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel7:3Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Artikel7:4Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: € 382,- voor een alleenstaande; € 486,- voor een alleenstaande ouder; € 544,- voor gehuwden; 2.Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3.Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4.De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s. Artikel7:5Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Onderdeel7.2Individuele studietoeslag Artikel7:6Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel7:7Dringende redenen Naast de in artikel 36b van de Participatiewet genoemde voorwaarden dient er sprake te zijn van dringende redenen op grond waarvan verlening van de individuele studietoeslag noodzakelijk is. Het college kan hier in de Beleidsregels Sociaal Domein nadere bepalingen over opnemen. Artikel7:8Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Artikel7:9Hoogte individuele studietoeslag 1.Een individuele studietoeslag bedraagt € 900,-. 2.Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's. Artikel7:10Betaling individuele studietoeslag Een individuele studietoeslag wordt eenmalig als één bedrag uitbetaald. Onderdeel7.3Afstemming Paragraaf7.3.

Artikel7

:11Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel7:12Het handhavingsbeleid 1.Het college biedt iedere vier jaar een beleidsplan handhaving aan de gemeenteraad aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover jaarlijks aan de gemeenteraad. 2.Indien de gemeenteraad of het college daartoe aanleiding ziet, kan besloten worden tot het eerder aanpassen van het handhavingsplan. Artikel7:13Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel7:14Horen van belanghebbende 1.Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel7:15Afzien van verlaging 1.Het college ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel7:16Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2.Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. 3.Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 7:15, eerste lid, sub b, opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel7:17Berekeningsgrondslag 1.Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.Bij toepassing van het tweede lid, sub a, moet in de paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4.Bij toepassing van het tweede lid, sub b, moet in de paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. Paragraaf7.3.2Niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel7:18Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9 en 9a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub c, van de Participatiewet. Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet het niet of onvoldoende meewerken aan een door het college aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. Artikel7:19Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. derde categorie: het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; Het niet of onvoldoende meewerken aan een door het college aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. vierde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. Artikel7:20Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7:18 en 7:19, wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie. Paragraaf7.3.3Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel7:21Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Artikel7:22Verrekenen verlaging 1.Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 7:21, wordt toegepast over de maand van oplegging van de afstemming en de volgende twee maanden. 2.Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, sub a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. Paragraaf7.3.4Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel7:23Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2.De verlaging wordt vastgesteld op: 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-; 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of hoger. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid wordt bijzondere bijstand verlaagd met een bedrag gelijk aan de noodzakelijke kosten, wanneer de noodzaak voor het verlenen van bijzondere bijstand wordt veroorzaakt door tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan door belanghebbende. Artikel7:24Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen kan een verlaging worden opgelegd van: 60% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen. Artikel7:25Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Paragraaf7.3.5Samenloop en recidive Artikel7:26Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel7:27Recidive 1.Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7:18, 7:19, 7:23, 7:24 of 7:25 opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld. 2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. Paragraaf7.3.6Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ Artikel7:28Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. Hoofdstuk8.Slotbepalingen Artikel8:1Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen. Artikel8:2Evaluatie Over het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt halfjaarlijks gerapporteerd. Het college zendt hiertoe elk half jaar een rapportage over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk naar de gemeenteraad. Artikel8:3Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 5 maart 2018. Artikel8:4Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken: Verordening Sociaal Domein 2018 T17.11159 zoals vastgesteld op 7 december 2017. Artikel8:5Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland”. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in de openbare raadsvergadering van 22 februari 2018.De griffier,drs. Marijke WalhoutToelichting Verordening Sociaal Domein 2017 gemeente Lansingerland Toelichting Sociaal Domein 2017

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.