Verordening Jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018raad van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; overwegende: dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over: de door het college te verstrekken individuele, alsmede vrij toegankelijke voorzieningen; de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening; de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij het verstrekken van een individuele voorziening; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet wordt vastgesteld; de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet; de wijze waarop ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen, hun ouders of pleegouders, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet; de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, voor de gevallen waarin het college het leveren van jeugdhulp of het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering laat verrichten door een derde; dat het wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk; b e s l u i t : Vast te stellen de navolgende verordening: Verordening Jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018. Artikel1Begripsbepalingen 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a.andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; b.CIZ: het Centrum indicatiestelling zorg, genoemd in artikel 7.1.1 van de Wet langdurige zorg; c.evaluatieverslag: weergave van de uitkomsten van de evaluatie van de afspraken uit het familiegroepsplan of het gezinsplan; d.familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; e.gemeente: de gemeente Capelle aan den IJssel; f. gezinsplan: weergave van de uitkomsten van het onderzoek bedoeld in artikel 6, eerste lid en van de afspraken die met de jeugdige of zijn ouders zijn gemaakt omtrent de concrete doelen die men wil bereiken en de manier waarop men zich inzet om deze doelen te behalen; g. hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; h. individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; i.ingezetene: persoon die is ingeschreven op een adres in de gemeente en ook feitelijk in de gemeente woont; j. melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid; k. pgb: een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; l. vrij toegankelijke voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid; m. wet: de Jeugdwet. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene verordening gegevensbescherming en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel2Jeugdhulpvoorzieningen 1.De volgende vormen van vrij toegankelijke voorzieningen zijn beschikbaar: a.basishulp: i.ambulante opvoedhulp van het wijkteam van het Centrum voor Jeugd en Gezin; ii.kortdurende generalistische basis-GGZ bij enkelvoudige problematiek; b.informatie, trainingen en (opvoed)advies; c.jeugdgezondheidszorg; d.jongerencoaching en participatiebevordering. 2.De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a.crisisopvang; b.diagnose en behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie; c.forensische hulp; d.opname (bed en behandeling); e.langdurig verblijf; f.specialistische GGZ (diagnose en behandeling); g.langdurige begeleiding, (dag)behandeling of verzorging, dan wel een combinatie daarvan, voor jeugd met een beperking; h.medische kinderdagbehandeling; i.pleegzorg; j.residentiële hulp; k.specialistische ambulante opvoedhulp bij langdurige complexe problematiek. 3.Het college legt in nadere regels vast wat de inhoud is van de vrij toegankelijke en individuele voorzieningen die op basis van het eerste en tweede lid beschikbaar zijn. Artikel3Toegang jeugdhulp via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.In het geval van inzet van een individuele voorziening na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts legt het college de te verstrekken individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking, als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken. Artikel4Toegang jeugdhulp via het college, melding hulpvraag Jeugdigen of hun ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, tenzij de melding direct kanworden afgehandeld; In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Jeugdigen of hun ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een vrij toegankelijke voorziening. Het college kan een jeugdige of zijn ouders de toegang tot een vrij toegankelijke voorziening weigeren, indien het bieden van jeugdhulp aan deze jeugdige of diens ouders niet tot de verantwoordelijkheid van het college behoort. Het college legt het weigeren van de toegang tot een vrij toegankelijke voorziening vast in een beschikking. Artikel5Vooronderzoek door het college 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige of zijn ouders en hun situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hen een afspraak voor een gesprek als bedoeld in artikel 6, eerste lid. 2.Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 3.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid. Artikel6Onderzoek door het college 1.Het college onderzoekt in een gesprek tussen een of meer deskundigen en de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig ten minste: a.de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; b.het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c.het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d.de mate waarin de in het kader van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen te bieden hulp de gebruikelijke hulp bedoeld in artikel 10, tweede lid, overstijgt; e.de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; f.de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een vrij toegankelijke voorziening; g.de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; h.de wijze waarop een mogelijk te verstrekken individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; i.hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouders; en j.de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2.Het college informeert bij de aanvang van het gesprek de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en wijst hen op de noodzaak om hun persoonsgegevens te verwerken. 3.Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek. Artikel7Familiegroepsplan In de gevallen waarin de mogelijkheid daartoe openstaat, stelt het college de ouders van de jeugdige op de hoogte van de mogelijkheid om met inachtneming van een redelijke termijn een familiegroepsplan op te stellen. Op verzoek van de ouders draagt het college er zorg voor, dat zij bij het opstellen van het familiegroepsplan worden ondersteund. Artikel8Gezinsplan 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging in het gezinsplan van de uitkomsten van het onderzoek, bedoeld in artikel 6, eerste lid en van de naar het oordeel van het college op basis daarvan aangewezen jeugdhulp. 2.Binnen zes weken na de melding van de hulpvraag bedoeld in artikel 4, eerste lid, verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders het gezinsplan, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen. 3.Het college kan de termijn bedoeld in het vorige lid eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen. De jeugdige of zijn ouders krijgen een schriftelijke bevestiging van de verdaging en de reden daarvoor. 4.Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders dan wel van het college worden aan het gezinsplan toegevoegd. Artikel9Aanvraag en beschikking 1.Een jeugdige of zijn ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. 2.Het college kan een ondertekend familiegroepsplan, gezinsplan of evaluatieverslag aanmerken als aanvraag, indien de jeugdige of zijn ouders dit op het familiegroepsplan, gezinsplan of evaluatieverslag hebben aangegeven. 3.Het college legt een te verstrekken individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. 4.Als de jeugdige of zijn ouders de procedure bedoeld in de artikelen 4, 5, en 6 hebben doorlopen, beslist het college op de aanvraag om een individuele voorziening binnen twee weken nadat de aanvraag is ingediend. 5.Als de jeugdige of zijn ouders een aanvraag indienen zonder de procedure bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 te hebben doorlopen, wordt de procedure bedoeld in de artikelen 5 en 6 alsnog gevolgd en beslist het college op de aanvraag om een individuele voorziening binnen acht weken nadat de aanvraag is ingediend. Artikel 4, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 6.Het college kan de termijn bedoeld in het vierde lid eenmaal met eenmaal met ten hoogste twee weken en de termijn bedoeld in het vijfde lid eenmaal met ten hoogste acht weken verdagen. De jeugdige of zijn ouders krijgen een schriftelijke bevestiging van de verdaging en de reden daarvoor. Artikel10Voorwaarden voor het verstrekken van een individuele voorziening 1.Het college verstrekt een individuele voorziening voor zover: a.de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders, ook met steun vanuit het sociale netwerk, ontoereikend zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen waarvoor de voorziening wordt gevraagd het hoofd te bieden; en b.de jeugdige of zijn ouders geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden door gebruik te maken van een andere voorziening of een vrij toegankelijke voorziening. 2.De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in elk geval geacht toereikend te zijn, indien de in het kader van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen te verlenen hulp, de gebruikelijke hulp aan een kind niet overstijgt en de ouders in staat zijn om deze hulp te bieden. Het college stelt nadere regels voor de beantwoording van de vraag wanneer in een concrete situatie sprake is van gebruikelijke hulp. 3.Als de jeugdige of zijn ouders kosten voor jeugdhulp in de vorm van een individuele voorziening hebben gemaakt voordat een daartoe bevoegde partij heeft besloten tot de inzet van deze voorziening, kan het college hiervoor een individuele voorziening verstrekken indien: a.de aanvraag daartoe wordt gedaan binnen zes maanden nadat het verlenen van de jeugdhulp een aanvang heeft genomen; b.op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen waarvoor de jeugdhulp is ingezet; en c.het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 4.Het derde lid is niet van toepassing op jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk, zoals omschreven in artikel 14, eerste lid. Artikel11Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot het verstrekken van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a.wat de te verstrekken voorziening is; b.wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en c.door welke jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp die behoort tot de voorziening wordt verleend. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens vastgelegd: a.voor welke voorziening het pgb kan worden aangewend; b.wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend; c.wat de ingangsdatum en duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en d.de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Het college verstrekt bij de beschikking in algemene zin informatie over de rechten en plichten die zijn verbonden aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb en over de mogelijke gevolgen van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb, alsmede van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de wet. Artikel12Regels voor pgb 1.Het college verstrekt een pgb indien: a.is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 8.1.1 van de wet; b.op grond van deze verordening aanspraak kan worden gemaakt op een individuele voorziening; en c.is voldaan aan de eisen gesteld in artikel 13 of artikel 14. 2.Een pgb mag alleen worden gebruikt voor de bekostiging van door een derde verleende jeugdhulp en in ieder geval niet voor de betaling van tussenpersonen, bemiddelaars en belangenbehartigers. Evenmin mogen uit een pgb aan de persoon die de jeugdhulp verleent uitkeringen worden gedaan die niet verplicht zijn op grond van wet- en regelgeving of cao. Artikel13Verstrekken en hoogte pgb voor bedrijfs- of beroepsmatig verleende jeugdhulp (pgb formeel) Een pgb voor bedrijfs- of beroepsmatig verleende jeugdhulp bedraagt maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste passende individuele voorziening in natura. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid dient een pgb toereikend te zijn om jeugdhulp in te kopen die voldoet aan de norm voor verantwoorde jeugdhulp, zoals omschreven in artikel 4.1.1 van de wet. Het verstrekken en het bepalen van de hoogte van een pgb vindt plaats aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld budgetplan over de inzet van het pgb. Het budgetplan bevat in ieder geval een onderbouwde begroting en een antwoord op de volgende vragen: welke jeugdhulp met het pgb zal worden ingekocht; bij wie deze jeugdhulp zal worden ingekocht; indien van toepassing: wie gemachtigd is om de belangen van de jeugdige te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; waarom de wens bestaat de jeugdhulp via een pgb te ontvangen; hoe beoogd wordt de jeugdhulp in praktische zin te organiseren; op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd. Als de begrote kosten voor de met een pgb in te kopen jeugdhulp hoger zijn dan het tarief van de goedkoopste passende individuele voorziening in natura, wordt het pgb verstrekt tot het bedrag van bedoeld tarief, indien de jeugdige of zijn ouders zelf het extra benodigde bedrag betalen. Artikel14Verstrekken en hoogte pgb voor jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk (pgb informeel) 1.Van jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk is sprake als de jeugdhulp wordt betrokken van: a.een persoon die de jeugdhulp anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep verleent; of b.een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de jeugdige of zijn ouders. 2.De jeugdige of zijn ouders kunnen de jeugdhulp die deel uitmaakt van de individuele voorziening uitsluitend betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, indien: a.de jeugdhulp verleend door deze persoon passend en toereikend is in het kader van de hulpvraag; b.de jeugdhulp verleend door deze persoon aantoonbaar leidt tot betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is dan beroeps- of bedrijfsmatig verleende jeugdhulp; c.het verlenen van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet leidt tot overbelasting van deze persoon; en d.deze persoon of andere personen in de omgeving van de jeugdige of zijn ouders op geen enkele wijze invloed hebben uitgeoefend op de beslissing van de jeugdige of diens ouders tot de aanvraag van een pgb. 3.Een pgb voor jeugdhulp verleend door een persoon die behoort tot het sociale netwerk bedraagt maximaal: a.50% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste passende individuele voorziening in natura; of b.het bedrag dat nodig is om de persoon die de jeugdhulp verleent te betalen conform de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, in het geval de jeugdige of zijn ouders wettelijk verplicht zijn om met de persoon die de jeugdhulp verleent een overeenkomst te sluiten waarop de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van toepassing is. 4.Op het verstrekken en het bepalen van de hoogte van een pgb voor jeugdhulp die wordt betrokken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk is artikel 13, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel15Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering De jeugdige of zijn ouders doen aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of een pgb. Het college kan een besluit aangaande een individuele voorziening in natura of een pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verschaft en deverstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet of niet langer op de individuele voorziening in natura of het pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening in natura of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening in natura of het pgb; of de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening in natura of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college van degene die onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldwaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het ten onrechte genoten pgb. Een beslissing tot het verstrekken van een individuele voorziening in natura of pgb kan worden ingetrokken, als blijkt dat niet binnen zes maanden nadat deze is verstrektgebruik is gemaakt van de individuele voorziening in natura, respectievelijk als het pgb binnen zes maanden nadat het is verstrekt niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Artikel16Toezicht en handhaving 1.Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of pgb, misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de wet. 2.Ter uitvoering van het eerste lid stelt het college telkens voor een periode van vier jaar een handhavingsbeleidsplan vast waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden beschreven. Het handhavingsbeleidsplan kan tussentijds worden gewijzigd. 3.Ter uitvoering van het handhavingsbeleidsplan bedoeld in het tweede lid stelt het college jaarlijks een handhavingsuitvoeringsplan vast. Het handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de wet, alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de manier waarop deze worden toegepast. 4.Het college informeert één maal per vier jaar de gemeenteraad over de uitvoering en de resultaten van de handhaving conform het handhavingsbeleidsplan en het handhavingsuitvoeringsplan bedoeld in het tweede en derde lid. 5. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en het bepaalde bij of krachtens deze verordening. 6. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de bevoegdheden van de personen bedoeld in het vijfde lid Artikel17Afstemming met voorzieningen op het gebied van zorg 1.Het college draagt zorg voor afspraken met huisartsen en zorgverzekeraars over de aansluiting tussen de voorzieningen die worden verstrekt op grond van deze verordening en de zorg waarvoor deze partijen verantwoordelijk zijn. 2.Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, draagt het college er zorg voor dat zij worden ondersteund bij het verkrijgen van een besluit van het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 3.Het college maakt afspraken met zorgverzekeraars en het CIZ over de continuïteit van de zorg voor jeugdigen aan wie jeugdhulp wordt verleend en voor wie deze zorg als gevolg van het bereiken van de leeftijd van achttien jaar onder de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg komt te vallen. Artikel18Afstemming met voorzieningen op het gebied van onderwijs Het college maakt afspraken met de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs over de aanwezigheid van een contactpersoon op de scholen en vroegsignalering, alsmede over de gezamenlijke onderwijszorgarrangementen en de toegang hiertoe. Artikel19Afstemming met voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning 1.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen die worden verstrekt op grond van deze verordening en voorzieningen verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg voor jeugdigen aan wie jeugdhulp wordt verleend en voor wie de zorg als gevolg van het bereiken van de leeftijd van achttien jaar onder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 komt te vallen. Artikel20Afstemming met voorzieningen op het gebied van werk en inkomen 1.Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen die worden verstrekt op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Participatiewet. 2.Het college draagt zorg voor het tijdig signaleren van financiële belemmeringen voor het slagen van jeugdhulp en voor de ondersteuning van jeugdigen of hun ouders, bij het doen van een beroep op gemeentelijke voorzieningen op het gebied van werk en inkomen die er mogelijk aan kunnen bijdragen dat deze belemmeringen worden opgeheven. 3.Het college draagt zorg voor de ondersteuning van jeugdigen aan wie jeugdhulp wordt verleend en die na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een beroep doen op de Participatiewet. Artikel21Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerderskinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te verlenen jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel22Inspraak Ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen, hun ouders of pleegouders, dan wel vertegenwoordigers van jeugdigen, hun ouders of pleegouders, worden betrokken bij de uitvoering van de wet op de wijze die is bepaald in de Verordening adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel. Artikel23Evaluatie Deze verordening wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. De eerstvolgende keer gebeurt dit in 2024. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel24Hardheidsclausule 1.Het college kan afwijken van een of meer artikelen van deze verordening, als daaraan vasthouden voor de jeugdige of zijn ouders gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. 2.Toepassing van de hardheidsclausule bedoeld in het eerste lid wordt gemotiveerd in de betreffende beschikking. 3.Van de toepassing van de hardheidsclausule bedoeld in het eerste lid wordt periodiek verslag gedaan aan de gemeenteraad. Artikel25Inwerkingtreding en citeertitel Gedurende de looptijd van beschikkingen die zijn afgegeven op grond van de Verordening jeugdhulp 2015 blijft op deze beschikkingen de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2015 van toepassing. De Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2015 wordt ingetrokken. Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van haar bekendmaking. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Capelle aan den IJssel 2018. Vastgesteld in de openbare vergadering van 12 maart 2018, de griffier, de voorzitter, Toelichting Algemeen Sinds de invoering van de Jeugdwet in januari 2015 staan gemeenten voor de taak om te realiseren dat voor wie dat nodig heeft jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar zijn en dat de jeugdhulp wordt verleend door aanbieders van goede kwaliteit. Ook moeten zij er voor zorgen dat er instellingen zijn die kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering kunnen uitvoeren. De Jeugdwet draagt gemeenten verder onder meer op om maatregelen te nemen voor de bestrijding van kindermishandeling en om te voorzien in een vertrouwenspersoon op wie jeugdigen, ouders of pleegouders een beroep kunnen doen, als zij bijvoorbeeld problemen hebben met een jeugdhulpverlener. Dit alles moeten de gemeenten ook bekostigen. Gezien de samenhang tussen het werkterrein van de Jeugdwet en dat van andere wetten, bevat de Jeugdwet verder de verplichting voor gemeenten om samen te werken met andere sectoren die voor jeugdigen en hun ouders van belang (kunnen) zijn zoals de zorg, het onderwijs en politie en justitie. De Jeugdwet stelt de eigen kracht van jeugdigen, ouders en hun sociale netwerk voorop en gaat er vanuit dat jeugdigen en hun ouders zelf de regie voeren over hun leven. De gemeente moet daarom ook inzetten op preventie (vergelijk artikelen 2.1 en 2.2 van de wet). Als er voor jeugdigen of hun ouders niettemin problemen bestaan, wordt er op ingezet dat zij daarvoor zelf een oplossing zoeken, bij voorkeur samen met hun eigen omgeving en alleen indien noodzakelijk met professionele hulpverleners. In het geval professionele hulp moet worden verleend gebeurt dit in de lichtste vorm die gegeven de omstandigheden kan worden geacht effectief te zijn. De hulpverlening vindt plaats vanuit de doelstelling dat jeugdigen en hun ouders zo snel als dat kan weer op eigen kracht verder gaan. Jeugdhulp wordt verleend in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders en als hulpverleners van verschillende disciplines bij de hulpverlening betrokken zijn, moeten zij met elkaar samenwerken (1 gezin, 1 plan, 1 regisseur). Met deze verordening geeft de gemeenteraad uitvoering aan de verplichting die de wetgever hem oplegt om een aantal regels te stellen voor het uitvoeren van de door de Jeugdwet opgedragen taken. De gemeenteraad maakt daarbij ook gebruik van de bevoegdheid die de Jeugdwet hem geeft om ten aanzien van bepaalde onderwerpen voorschriften te formuleren. Na enkele begripsbepalingen (artikel 1) geeft artikel 2 van de verordening een overzicht van de jeugdhulpvoorzieningen die voor inwoners van de gemeente beschikbaar zijn. Artikel 3 betreft de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Hierna volgt een aantal artikelen (4 tot en met 10) over de wijze waarop het college de noodzaak van het inzetten van jeugdhulp voor een jeugdige of zijn ouders beoordeelt. In artikel 11 is uiteengezet welke elementen moeten worden benoemd in de beschikking tot het verstrekken van een individuele voorziening. Vervolgens zijn regels gesteld voor het verstrekken van een pgb door het college (artikelen 12 tot en met 14). De mogelijke gevolgen van nieuwe feiten en omstandigheden zijn weergegeven in artikel 15, waarna artikel 16 ingaat op de handhaving van het gestelde in de Jeugdwet en deze verordening. Samenwerking en afstemming tussen het college en partijen die verantwoordelijk zijn voor andere voorzieningen die voor de jeugdige of zijn ouders relevant kunnen zijn, komen aan de orde in de artikelen 17 tot en met 20. Een bepaling omtrent het bewaken van de verhouding tussen prijs en kwaliteit bij de inkoop van diensten van jeugdhulpaanbieders en uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering is in artikel 21 verwoord. Artikel 22 betreft de verplichting van het college om ervoor te zorgen dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Voor de inspraak van jeugdigen, ouders of pleegouders dan wel hun vertegenwoordigers bij de uitvoering van de Jeugdwet verwijst artikel 23 naar de Verordening adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel die op 1 februari 2018 in werking is getreden. Tenslotte bevatten de artikelen 24 tot en met 26 achtereenvolgens een evaluatiebepaling, een hardheidsclausule en een artikel betreffende de inwerkingtreding en citeertitel van deze verordening. Deze verordening kan niet los worden gezien van het Beleidsplan Jeugdhulp, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet periodiek moet vaststellen. In dit beleidsplan wordt vastgelegd, welk beleid de gemeente voert met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. De Jeugdwet en de op de Jeugdwet gebaseerde regelgeving leggen vele taken en bevoegdheden bij het college. Het college kan het uitoefenen daarvan door een derde laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Van deze mogelijkheid heeft het college onder meer gebruik gemaakt door de uitvoering van de Jeugdwet met de bijbehorende regelgeving op te dragen aan het Centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan den IJssel (hierna: CJG). Veel van de werkzaamheden die worden beschreven in deze verordening worden dan ook gedaan door (medewerkers van) het CJG. Door het college te geven beschikkingen worden in de dagelijkse praktijk afgegeven door de directeur van het CJG, die daarvoor van het college een mandaat gekregen heeft. Artikel 2.8, eerste lid, van de Jeugdwet verplicht colleges om samen te werken als dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de wet aangewezen is. De gemeenten in de regio Rijnmond hebben deze samenwerking vorm gegeven in de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond. Een belangrijke taak van deze gemeenschappelijke regeling is het contracteren of subsidiëren van de aanbieders van de jeugdhulpvoorzieningen bedoeld in artikel 2, tweede lid, van deze verordening alsmede van de instellingen die in de regio de jeugdreclassering en de jeugdbescherming uitvoeren. Toegang tot jeugdhulp Het toewijzen van jeugdhulp is niet alleen een taak voor de gemeente (meer in het bijzonder het college). Ook andere partijen kunnen besluiten dat voor een jeugdige of zijn ouders jeugdhulp noodzakelijk is. De wegen waarlangs jeugdigen of hun ouders toegang kunnen krijgen tot jeugdhulp zijn de volgende. Vrij toegankelijk Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing van een arts of een beschikking van het college nodig hebben. De jeugdige of zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden (zie ook artikel 4, lid 4). Toegang via het college Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij het college. De Jeugdwet geeft in artikel 2.3, eerste lid, het college in dit kader de volgende opdracht: ‘Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. De beslissing van het college welke zorg een jeugdige of zijn ouders precies nodig hebben, komt tot stand in overleg met die jeugdige of zijn ouders. Zie verder de toelichting op artikel 4 en volgende. Toegang via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts Artikel 2.6, eerste lid, onder g, van de Jeugdwet houdt in, dat naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook een directe verwijzingsmogelijkheid naar jeugdhulp bestaat voor de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts. Dit geldt zowel voor de vrij toegankelijke als de individuele voorzieningen. Na een dergelijke verwijzing staat veelal nog niet vast welke specifieke vorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouders precies nodig hebben. De jeugdige of zijn ouders kunnen zich daarvoor wenden tot een jeugdhulpaanbieder. Omdat de gemeente op grond van de Jeugdwet formeel geen rol speelt bij de toegang via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts, regelt deze verordening slechts een enkel aspect met betrekking tot dit proces (zie verder artikel 3 en de toelichting daarop). Door het gebruik van het woord ’en’ wekt de wet in artikel 2.6, eerste lid, onder g, de indruk dat de verwijzing naar jeugdhulp van de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts gezamenlijk afkomstig zou moeten zijn. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3) op dit onderdeel van de Jeugdwet kan worden afgeleid dat het gaat om deze artsen afzonderlijk. Toegang via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het openbaar ministerie en de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is die via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het openbaar ministerie en de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting. Het college is gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook moet het college de jeugdhulp inzetten die specifiek is benoemd in een strafrechtelijke beslissing, zoals een vonnis (artikel 2.4 van de Jeugdwet, zie ook artikel 3.5, vierde lid). Deze toegang wordt in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder niet terug in deze verordening. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepalingen Het aantal definities in artikel 1 is beperkt, omdat de Jeugdwet al een groot aantal definities kent die ook gelden voor deze verordening. Dit betreft onder meer definities van centrale begrippen als 'jeugdige' en 'ouder'. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een aantal definities die voor deze verordening van belang zijn, zoals de beschrijving van ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en 'beschikking' (artikel 1:3, tweede lid, van de Awb). Bij het gebruik van de terminologie 'de jeugdige of zijn ouders' impliceert het woord ‘of’ ook de betekenis 'en'. Met de aanduiding 'de jeugdige of zijn ouders' wordt derhalve bedoeld: de jeugdige zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de Jeugdwet: de gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder), of de ouders namens de jeugdige. Jeugdigen vanaf zestien jaar beslissen in beginsel zelfstandig over het verlenen van jeugdhulp, jeugdigen vanaf twaalf tot zestien jaar besluiten daarover gezamenlijk met hun ouders. Voor jeugdigen jonger dan twaalf jaar geldt dat de ouders namens de jeugdige een besluit over de verlening van jeugdhulp nemen. Op deze uitgangspunten bestaan diverse uitzonderingen, zie artikel 7.3.4 van de Jeugdwet. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is ‘jeugdhulp’ als volgt gedefinieerd: ‘1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.’ De beschrijving van het begrip ‘andere voorziening’ in deze verordening is gebaseerd op artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. Zie over de afstemming tussen individuele voorzieningen en andere voorzieningen artikel 17 en volgende van deze verordening. Wanneer de termijn waarvoor een individuele voorziening is verstrekt afloopt en de jeugdhulp moet worden voortgezet, worden de afspraken die zijn gemaakt in het familiegroepsplan of het gezinsplan geëvalueerd en vindt een nieuwe afweging plaats ten aanzien van eventueel gewijzigde omstandigheden. De uitkomsten van de evaluatie worden verwoord in het evaluatieverslag dat kan worden gebruikt bij het doen van een nieuwe aanvraag (artikel 9, tweede lid). De definitie van 'melding' is nodig omdat dit begrip niet is gedefinieerd in de Jeugdwet en het gebruik hier afwijkt van het normale spraakgebruik. De melding is het eerste contact van de jeugdige of zijn ouders met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De melding (artikel 4, eerste lid) is iets anders dan de aanvraag om een individuele voorziening die is geregeld in artikel 9. Er is een omschrijving van 'pgb' opgenomen, omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan het begrip 'persoonsgebonden budget' voluit. Op de regel dat begrippen die zijn gedefinieerd in de Jeugdwet niet worden omschreven in deze verordening is een uitzondering gemaakt voor het begrip ‘familiegroepsplan’. De reden daarvoor is dat het familiegroepsplan op enkele plaatsen in de verordening tegelijk wordt genoemd met het gezinsplan en het daarom minder handig is als het ene begrip wel en het andere niet in de begripsbepalingen teruggevonden kan worden. De termen ‘hulpverleningsplan’ en ‘plan van aanpak’ in de definitie van familiegroepsplan hebben de betekenis die daar in de Jeugdwet aan is gegeven. Wel wordt in deze verordening het hulpverleningsplan in de zin van de Jeugdwet gezinsplan genoemd en wordt de inhoud van het begrip meer in detail beschreven. De Wet bescherming persoonsgegevens die wordt vermeld in het tweede lid zal naar verwachting per 25 mei 2018 worden vervangen door de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming. Artikel 2 Jeugdhulpvoorzieningen Dit artikel geeft een uitwerking van de delegatiebepaling van artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet, waarin onder meer wordt voorgeschreven dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verstrekken individuele voorzieningen en overige (in deze verordening: vrij toegankelijke) voorzieningen. Aldus krijgen de inwoners een duidelijk beeld van de vormen van jeugdhulp die door de gemeente worden aangeboden (zie de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet). In het tweede lid wordt aan het college opgedragen om in nadere regels te beschrijven wat de vrij toegankelijke en individuele voorzieningen inhouden. Het begrip ‘voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de Memorie van Toelichting aan dat de door het college te treffen voorziening zowel een vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal meestal betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeenteraad bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door het college (artikelen 4 tot en met 10) of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder naar wie zij verwijzen (artikel 3) eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning inderdaad nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een voorziening kan daarom een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Voor zover het college dit noodzakelijk oordeelt in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid omvatten voorzieningen op het gebied van jeugdhulp het vervoer van de jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden (artikel 2.3, tweede lid, van de Jeugdwet). Artikel 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts Zoals hiervoor in het algemeen deel van de toelichting is vermeld, bepaalt de Jeugdwet dat jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks wenden tot een jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld een jeugdpsychiater, gezinswerker of orthopedagoog). In de praktijk zijn na de verwijzing verschillende routes mogelijk voor de beoordeling welke jeugdhulp precies nodig is en wat de intensiteit, de frequentie en de duur van de benodigde jeugdhulp moeten zijn. Welke daarvan wordt doorlopen hangt ervan af, of de huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijst naar een jeugdhulpaanbieder die is gecontracteerd door de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond, dan wel naar het CJG of een jeugdhulpaanbieder die een contractuele relatie heeft met het CJG. Met de aanbieders die een contract hebben met de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond is afgesproken dat, als zij na triage vaststellen dat op meer resultaatgebieden hulp (ofwel een meervoudig arrangement) nodig is, zij er bij de jeugdige of zijn ouders op aandringen om het CJG te betrekken bij het bepalen van de noodzakelijke jeugdhulp. Een dergelijke situatie doet zich bijvoorbeeld voor, als de jeugdhulpaanbieder constateert dat de jeugdige waarschijnlijk zowel hulp nodig heeft op het gebied van zijn sociaal en persoonlijk functioneren als voor het herstel, verminderen of stabiliseren van een stoornis of een gedragsprobleem. Als de jeugdige of zijn ouders instemmen met de beoordeling door het CJG, wordt voor het zorgvuldig vaststellen op welke resultaatgebieden jeugdhulp geboden moet worden (het ‘wat’) alsnog de procedure die is beschreven in de artikelen 5 tot en met 8 doorlopen. Willen de jeugdige en zijn ouders niet dat het CJG bepaalt welke jeugdhulp noodzakelijk is, dan beslist de jeugdhulpaanbieder daar zelf over. Nadat, hetzij door het CJG, hetzij door de jeugdhulpaanbieder is beoordeeld op welke resultaatgebieden de noodzaak van jeugdhulp bestaat, wordt in de regel door de jeugdhulpaanbieder uitgewerkt wat de inhoud, de intensiteit, de frequentie en de duur van de jeugdhulpverlening (het ‘hoe’) zullen zijn. De door de Gemeenschappelijke regeling jeugdhulp Rijnmond gecontracteerde jeugdhulpaanbieders beoordelen ook zelf op welk gebied jeugdhulp moet worden verleend als de jeugdige of zijn ouders slechts op één resultaatgebied hulp nodig hebben (enkelvoudig arrangement). Indien de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts de jeugdige of zijn ouders direct verwijst naar het CJG, beslist het CJG aan de hand van de stappen benoemd in de artikelen 5 tot en met 8 zowel over de vraag op welk gebied jeugdhulp moet worden verleend, als over de inhoud, de intensiteit, de frequentie en de duur daarvan. Hetzelfde geldt als wordt verwezen naar een jeugdhulpaanbieder die door het CJG is gecontracteerd. Het college legt na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts de te verstrekken individuele voorziening dan wel het afwijzen daarvan alleen vast in een beschikking, als de jeugdige of zijn ouders daartoe een verzoek doen. Op deze manier wordt aan de jeugdige of zijn ouders desgewenst de beschikbare rechtsbescherming (bestaande in de mogelijkheid van bezwaar en beroep) geboden, maar wordt ook voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde inhouden als het oordeel van de jeugdhulpaanbieder. De verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts moet door het college worden geaccepteerd als toegang tot jeugdhulp. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.6, eerste lid, onder g, van de Jeugdwet blijkt dat de gemeente desondanks in bepaalde gevallen toch niet voor deze jeugdhulp hoeft te betalen. Dit is, aldus de Memorie van Toelichting, bijvoorbeeld het geval als de jeugdige of zijn ouders zich na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts wenden tot een jeugdhulpaanbieder met wie de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft én de gemeente soortgelijke jeugdhulp kan laten bieden door een jeugdhulpaanbieder met wie wel een contract- of subsidierelatie bestaat. Als een arts naar jeugdhulp zou verwijzen, terwijl de jeugdige of zijn ouders een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 1.2 van de Jeugdwet, is het college behoudens de uitzonderingen genoemd in artikel 1.2, tweede lid, evenmin gehouden de jeugdhulpvoorziening te treffen. Derhalve wordt in artikel 3, tweede lid, ook de mogelijkheid van het afwijzen van een individuele voorziening genoemd. In principe is het mogelijk dat voor de individuele voorziening die de huisarts, medisch specialist of jeugdarts noodzakelijk achten een pgb wordt toegekend. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kunnen echter niet zelf beslissen over het toekennen van een pgb. Het oordeel daaromtrent is voorbehouden aan het college, dat hierbij de criteria zal toepassen die zijn geformuleerd in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 12 en volgende van deze verordening. Artikel 4 Toegang jeugdhulp via het college, melding hulpvraag Jeugdigen of hun ouders hebben onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdhulp en geen individuele aanspraken op jeugdhulp. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een accurate procedure. Deze verordening bevat in de artikelen 4 tot en met 10 een aantal bepalingen die moeten waarborgen dat het beoordelen van de noodzaak en de inhoud van jeugdhulp zorgvuldig plaatsvindt en dat daarbij sprake is van een zorgvuldige dossiervorming. Dit eveneens ter uitvoering van artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. De artikelen 4 tot en met 10 kunnen de indruk wekken dat voor het verkrijgen van jeugdhulp telkens een uitvoerig en onnodig bureaucratisch proces moet worden doorlopen. Dit is echter niet de bedoeling. Zo kan een melding eventueel meteen worden afgehandeld (artikel 4, tweede lid) en kan het vooronderzoek van artikel 5, afhankelijk van de inhoud van de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Bovendien is het mogelijk dat, als daar aanleiding voor is, in overleg met de jeugdige of zijn ouders van het vooronderzoek en van het in artikel 6 bedoelde onderzoek wordt afgezien (artikel 5, derde lid en artikel 6, derde lid). Artikel 4, eerste lid, beschrijft de eerste stap in het proces van het verstrekken van een jeugdhulpvoorziening door het college, te weten de melding van de hulpvraag. In het vierde lid is verwoord dat de jeugdige of zijn ouders die een beroep willen doen op een vrij toegankelijke voorziening hier naartoe kunnen gaan, zonder de procedure in de zin van artikel 4 en volgende van deze verordening te doorlopen. De vrij toegankelijke voorzieningen zijn bedoeld voor de jeugdigen en ouders voor wie het college op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk is. Mocht een jeugdige of ouder voor wie het college deze verantwoordelijkheid niet draagt zich tot een vrij toegankelijke voorziening wenden, dan heeft het college de bevoegdheid om de toegang tot de voorziening te weigeren (vijfde lid). Artikel 5 Vooronderzoek door het college Ter voorbereiding van het gesprek bedoeld in artikel 6 worden naar aanleiding van de melding de voor het college toegankelijke gegevens in kaart gebracht. Aldus worden de jeugdige of zijn ouders niet belast met vragen over zaken die al bij het college bekend zijn. De regels met betrekking tot de bescherming van de privacy van betrokkenen die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hier vanzelfsprekend van toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college op grond van deze regelgeving of het medisch beroepsgeheim geen toegang heeft, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Aan de jeugdige of zijn ouders wordt verzocht om de stukken te overleggen waartoe het college geen toegang heeft en die wel relevant worden geacht (tweede lid). In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval de identiteit van de jeugdige of zijn ouders vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 6 Onderzoek door het college Uit de in de algemene toelichting geciteerde opdracht van artikel 2.3, eerste lid, van Jeugdwet blijkt dat het college een of meer jeugdhulpvoorzieningen moet treffen als een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. In artikel 1.1 van de Jeugdwet wordt beschreven wat onder opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen wordt verstaan: ‘1°. psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en 3°. een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.’ Voor een zorgvuldig te nemen besluit over het al of niet verstrekken van een jeugdhulpvoorziening is het belangrijk dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht en afgewogen. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders wordt verricht. Het ligt daarom voor de hand dat het een en ander tijdens een gesprek met de jeugdige of zijn ouders wordt besproken. Of dit gesprek plaatsvindt op een gemeentelijke locatie, bij het CJG, op school, bij de jeugdige of zijn ouders thuis, of bij een ter zake deskundige is afhankelijk van de concrete situatie. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meer gesprekken. Het gesprek wordt aan de kant van het college gevoerd door iemand die beschikt over de deskundigheid om te beoordelen van welke problematiek met betrekking tot de jeugdige of zijn ouders sprake is. In het gesprek tussen deze deskundige en de jeugdige of zijn ouders wordt eerst bezien wat de hulpvraag is van de jeugdige of zijn ouders. Vervolgens beoordeelt de deskundige of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en, zo ja, welke problemen of stoornissen dat zijn. Als dit is vastgesteld wordt de vraag beantwoord welke hulp naar aard en omvang noodzakelijk is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat is bepaald welke hulp nodig is, moet nagegaan worden of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.