Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013De raad van de gemeente Vlissingen; gezien het voorstel van het college van 25 juni 2013 gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; b e s l u i t : vast te stellen de volgende verordening "Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2013". Hoofdstuk1.ALGEMENE BEPALINGEN Afdeling1.Algemene bepalingen Artikel 1:1 Algemene begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats: Hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Vlissingen; g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. college: het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen; j. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 1:2 Beslistermijn
- Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
- Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
- Het verdagingsbesluit voldoet aan artikel 31 van de Dienstenwet.
- De ontvangstbevestiging voldoet aan artikel 29 van de Dienstenwet.
- In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a.
- Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid. Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag
- Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
- Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
- Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
- Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. Artikel 1:6a Vervallen van vergunning of ontheffing Een vergunning of ontheffing vervalt wanneer: a. sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen, zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing; b. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing; c. de verlening van een vergunning of ontheffing, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning of ontheffing, van kracht is geworden. Artikel 1:7 Vergunningsduur
- De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
- De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:7a Meldingen Indien op grond van deze verordening een melding is vereist maakt het bevoegde bestuursorgaan bekend op welk tijdstip en in welke vorm een dergelijke melding moet plaatsvinden. Artikel 1:8 Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. Artikel 1:9 Gereserveerd. Artikel 1:10 Gereserveerd Afdeling
- Coördinatiebepalingen Artikel 1:11 Gecoördineerde behandeling van aanvragen
- Het bevoegde bestuursorgaan kan ambtshalve of op verzoek van de aanvrager besluiten tot een gecoördineerde behandeling van aanvragen van alle door hem of door een ander gemeentelijk bestuursorgaan te nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten activiteit.
- Ambtshalve gecoördineerde behandeling blijft achterwege in het geval dat de aanvrager een dergelijke behandeling niet wenst. Artikel 1:12 De aanvraag
- Bij een gecoördineerde behandeling van aanvragen worden de aanvragen zoveel mogelijk gelijktijdig ingediend, met dien verstande dat de laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan vier weken na de ontvangst van de eerste aanvraag.
- Bij gecoördineerde behandeling wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier gecoördineerde ebhandeling.
- Indien de ontbrekende aanvraag niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn is ingediend, kan het bestuursorgaan de aanvrager in de gelegenheid stellen de ontbrekende aanvraag alsnog binnen een door hem et bepalen termijn in te dienen.
- De in deze afdeling geregelde procedure wordt buiten toepassing gelaten, indien de ontbrekende aanvraag niet tijdig is gedaan. In dat geval wordt voor de toepassing van krachtens wettelijk voorschrift geregelde termijnen het tijdstip waarop tot het buiten toepassing laten wordt beslist, gelijkgesteld met het tijdstip van ontvangst van alle betrokken aanvragen.
- Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, begint bij de toepassing van deze afdeling de termijn voor het nemen van besluiten met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen. Artikel 1:13 Beslistermijn bij coördinatie Bij de toepassing van deze afdeling geldt in afwijking van artikel 1:2 als termijn binnen welke de besluiten worden genomen, de termijn voor het besluit met de langste beslistermijn. Artikel 1:14 Gelijktijdige verzending beslissing
- Bij gecoördineerde behandeling zendt het bevoegde bestuursorgaan de beslissing op de aanvragen gelijktijdig aan de aanvrager.
- Indien sprake is van besluiten van zowel college als burgemeester, draagt het laatst beslissende bestuursorgaan zorg voor de verzending en bekendmaking. Hoofdstuk
- Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling1.Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
- Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
- Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
- Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
- De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
- Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
- Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:2 Verzamelingsverbod en gebiedsontzegging
- Onverminderd het bepaalde in artikel 2:1 kan de burgemeester wegen aanwijzen waar het verboden is deel te nemen aan een verzameling van drie of meer personen, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die verzameling verband houdt met heling of het gebruik van of handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar.
- De aanwijzing van wegen wordt gegeven voor ten hoogste zes maanden, welke termijn iedere keer kan worden verlengd voor een periode van zes maanden.
- Degene die zich bevindt in een verzameling is verplicht op een daartoe door of namens de burgemeester gegeven bevel direct zijn weg te vervolgen of zich in de door of namens de burgemeester aangewezen richting te verwijderen.
- Een ieder is verplicht op een daartoe door of namens de burgemeester gegeven bevel in het belang van de openbare orde, zich te verwijderen en zich verwijderd te houden uit een door hem aangewezen gebied, gedurende de tijd in het bevel genoemd. Afdeling
- Betoging Artikel 2:3 Melding betogingen op openbare plaatsen
- Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, meldt dat schriftelijk voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden aan de burgemeester.
- De melding bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
- Hij die de melding doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de melding is vermeld.
- Indien het tijdstip van de schriftelijke melding valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de melding gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.
- De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge melding in behandeling nemen. Afdeling
- Vertoning e.d. op de weg Artikel 2:4 Straatartiest e.d.
- Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur, muzikant of gids op te treden op de volgende door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen: Aagje Dekenstraat zuidzijde vanaf de ingang van de parkeergarage (hoek Scheldestraat) tot het Scheldeplein, Hellingbaan, Betje Wolfplein, Scheldeplein, passage door het ABC-winkelcomplex, Coosje Buskenstraat zuidzijde tussen Scheldeplein en Spuistraat, Spuistraat, Walstraat, Scherminkelstraat, Bussestraat, Lange Zelke, Korte Zelke, Schutterijstraat, Sint Jacobsstraat, Branderijstraat, Lepelstraat, de Oude Markt, Kleine Markt, Vrouwestraat, Groenewoud, Plein Vierwinden, Kerkstraat, Nieuwstraat, Bellamypark, Nieuwendijk, Zeemanserve, Beursplein, Smallekade, Beursstraat, Brugstraat, Sint Sebastiaanstraat, Nieuwendijk en Zeilmarkt.
- De burgemeester kan nadere regels stellen inzake het in het eerste lid gestelde verbod.
- De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
- Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling
- Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats Artikel 2:5 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan
- Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak; d. indien het beoogd gebruik afbreuk doet aan het doelmatig gebruik van de groenstrook als geheel. e. Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.
- Het verbod geldt niet voor: a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelten van de weg en mits; - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; en – geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden en lossen ervan, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is; d. voertuigen, met uitzondering van bouwkranen, mobiele bouwliften en kraanwagens; e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard; f. evenementen als bedoeld in artikel 2:16 van deze verordening; g. terrassen als bedoeld in artikel 2:23 van deze verordening; h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 van deze verordening.
- Het is verboden op, over of boven een openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de openbare plaats of voor het doelmatig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats.
- Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod. Aan de ontheffing kan het bevoegd bestuursorgaan voorschriften verbinden, die betrekking hebben op: de oppervlakte en de omvang, de constructie en de situering.
- a. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Zeeland 2010; b. de weigeringsgrond van het eerste lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; c.de weigeringsgrond van het eerste lid, onder c geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
- Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg.
- Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
- De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. door het college in de overige gevallen.
- Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Zeeland 2010, de Keur waterschap Scheldestromen 2009, de Telecommunicatiewet of de Telecommunicatieverordening gemeente Vlissingen
- Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:7 Maken en veranderen van een uitweg
- Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: a. indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; b. indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.
- Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.
- Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: a. indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
- De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden.
- Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Scheldestromen 2009 of de Wegenverordening Zeeland
- Afdeling
- Veiligheid op de weg Artikel 2:8 Voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt
- Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen, met inbegrip van daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
- Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie of voor zover door het bij zich dragen van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel 2:8a Messenverbod
- Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben.
- Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn.
- Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie. Artikel 2:9 Winkelwagentjes
- De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
- Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.
- Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.
- Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:10 Verbod rijden met skateboards e.d.
- Het is verboden te rijden met skateboards, skeelers, rollerskates, in-lineskates en dergelijke: a. in de volgende straten en de daarbij behorende passages: Aagje Dekenstraat zuidzijde vanaf de ingang van de parkeergarage (hoek Scheldestraat) tot het Scheldeplein, Scheldeplein, passage door het ABC-winkelcomplex, Coosje Buskenstraat zuidzijde tussen Scheldeplein en Spuistraat, Walstraat, Lange Zelke, Sint Jacobsstraat, Lepelstraat voor zover het voetgangersgebied betreft, voetgangersgedeelten van de Oude Markt, Kleine Markt en Sint Sebastiaanstraat; b. in de volgende straten voor zover het voetgangersgedeelten betreft: Nieuwendijk, De Ruijterplein, Beursplein, oostzijde Koopmanshaven, oprit Boulevard de Ruijter, Keizersbolwerk, middengedeelte Bellamypark gelegen zuidelijk van de Brugstraat; c. op de trottoirs aan de zeezijde van de Boulevard de Ruijter, in de periode van 15 april tot en met 15 september; d. op andere door het college aan te geven plaatsen.
- Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder: a. skateboard: schaatsplank op twee paar achter elkaar staande wieltjes. b. in-lineskate: rolschaats met vier wieltjes achter elkaar; c. skeeler: rolschaats met drie of vijf wieltjes achter elkaar; Artikel 2:11 Openen straatkolken, rioolputten, brandkranen e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:12 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
- Het is verboden te roken in bossen en duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.
- Het is verboden in bossen en in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
- Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Tabakswet.
- Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:13 Verontreiniging door trekdieren
- De eigenaar of houder van een aangespannen trekdier is verplicht ervoor te zorgen dat dit dier geen uitwerpselen achterlaat: a. op de weg binnen de bebouwde kom; b. buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of fietsers; c. op toegangswegen naar het strand en andere niet onder a en b genoemde wegen of gedeelten daarvan.
- Ter voorkoming van vervuiling van de weg door uitwerpselen moeten mestzakken worden bevestigd, op zodanige wijze dat geen uitwerpselen op de weg vallen. Artikel 2:14 Verontreiniging door rijdieren
- De eigenaar of houder van een rijdier is verplicht ervoor te zorgen dat dit dier geen uitwerpselen achterlaat: a. op de weg binnen de bebouwde kom; b. buiten de bebouwde kom op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers en/of fietsers; c. op toegangswegen naar het strand en andere niet onder a en b genoemde wegen of gedeelten daarvan;
- De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van het rijdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel 2:15 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
- De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
- Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:15a Overhangend groen Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op een zodanig wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Afdeling
- Evenementen Artikel 2:16 Evenementenvergunning
- In dit artikel wordt verstaan onder: a. Evenement: het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg of het openbaar water, met uitzondering van: - een manifestatie in de zin van de Wet openbare manifestaties; - markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet; - betogingen, vergaderingen en samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties en - activiteiten in gebouwen. b. Evenemententerrein: de ruimte die in de vergunning als bedoeld in het tweede lid is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daar naar te kijken of eraan deel te nemen. c. Categorie 0-evenement: Zeer kleinschalig evenement. d. Categorie A-evenement: Laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en beperkte gevolgen voor het verkeer. e. Categorie B-evenement: Gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of gevolgen voor het verkeer. f. Categorie C-evenement: Hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A-, B- ofC-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.
- De burgemeester stelt de vergunningaanvraag buiten behandeling indien: a. een A-evenement niet ten minste vier weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd; b. de vooraankondiging van een B-, of C-evenement niet voor 15 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenementenoverzicht wordt vastgesteld, is ingediend; c. het B-, of C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is opgenomen op het evenementenoverzicht, welke is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd plaatsvindt. De burgemeester weigert de vergunning voor een B-, of C-evenement indien de aanvrager: a. onder curatele staat; b. in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of c. de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.
- Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: a. dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid, voorkomen of beperken van overlast of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement; b. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd; c. de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd; d. het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden verricht of voortgezet; e. de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is; f. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en betreffende hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet; g. tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke sanctie is genomen; h. de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de gemeente Vlissingen
- De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op: a. de plaats en het tijdstip van het evenement; b. de benodigde technische voorzieningen; c. de inrichting van het evenemententerrein; d. het activiteitenprogramma; e. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers; f. het verkeersplan.
- De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste: a. de plaats waar het evenement wordt gehouden; b. de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden; c. een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers; d. de inrichting van het evenemententerrein; e. het activiteitenprogramma; f. de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid; g. het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers; h. de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen; i. gegevens als bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
- Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de aanvrager onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld.
- De burgemeester kan bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning de volgende belangen in aanmerking nemen: a. de mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de ruimte, de tijd en de hulpdiensten; b. het aantal bezoekers dat wordt verwacht; c. het, in het Evenementenbeleid, vastgestelde maximale aantal evenementen per categorie en per locatie; d. of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie; e. of gevaar bestaat voor de openbare orde, gezondheid of veiligheid, waaronder de brandveiligheid en het belang van het voorkomen van wanordelijkheden; f. of gevaar bestaat voor belemmeringen van het verkeer; g. of gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van het woon- of leefklimaat in de omgeving van het evenement; h. of gevaar bestaat voor verontreiniging, aantasting van het uiterlijk aanzien van de stad, beschadiging van de openbare groenvoorzieningen of van voorzieningen voor het openbaar nut; i. of de organisator voldoende waarborgen biedt of kan bieden voor een goed en ordelijk verloop van het evenement, gelet op de eerder vermelde belangen; j. of de organisator voldoende waarborgen biedt om de schade aan het milieu te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken; k. of de organisator voldoende waarborgen biedt inzake de verzekering van verkeersregelaars.
- De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden met het oog op de in het negende lid bedoelde belangen en hij kan ter verzekering van de nakoming van deze voorschriften in de vergunning bepalen dat een borgsom moet worden verstrekt voordat het evenement wordt gehouden.
- Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of andere gemeentelijke vergunningplichtig zijn, heeft de houder van de vergunning voor het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid.
- Het is aan anderen dan de vergunninghouder verboden op het evenementterrein activiteiten te verrichten, waarvoor bij of krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist en welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld in het tweede lid, tenzij die anderen met de houder van de vergunning een overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en beperkingen, die aan de vergunning zijn verbonden in acht te nemen.
- De vergunninghouder die een evenement organiseert of degene die er feitelijke leiding bij heeft is, indien de burgemeester een bevel geeft met het oog op het waarborgen van de in het derde lid bedoelde belangen, verplicht daaraan direct gevolg te geven en, indien nodig, het evenement onmiddellijk te beëindigen, waarbij hij verplicht is ervoor zorg te dragen dat geen publiek meer wordt toegelaten.
- Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:16a Beslistermijn In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester: a. Binnen vier weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is van een A-evenement; of b. Binnen acht weken voorafgaand aan het evenement, indien sprake is van een B- of C-evenement na de dag waarop de aanvraag voor een vergunning krachtens artikel 2:16 of 2.17 is ontvangen. Artikel 2:16b 0-evenementen
- Het is verboden zonder kennisgeving aan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.
- Van een 0-evenement is sprake indien: a. het een feest op eigen terrein of straatfeest in de openlucht betreft; b. het een evenement dat plaatsvindt tussen 9 en 23 uur of op een zon- of feestdag (feestdag is gelijk aan zondag) tussen 13.00 en 23.00 uur; c. er alleen akoestische muziek ten gehore wordt gebracht; d. het geluidsniveau op een afstand van 5 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 70 dB(A); e. het niet plaatsvindt op de rijbaan, een fiets-, bromfiets- of parkeergelegenheid of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; f. het geen extra politiecapaciteit vergt; g. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 50 m² per object; h. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt; i. er een organisator is die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
- De aanvrager stelt de burgemeester ten minste 10 dagen voorafgaand aan het 0-evenement in kennis van het evenement door middel van het door de burgemeester vastgestelde kennisgevingsformulier.
- Toestemming voor het evenement is verleend indien: a. na ontvangst van het kennisgevingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en b. de aanvrager een ontvangstbevestiging, van het feit dat hij een kennisgeving heeft gedaan, kan tonen.
- Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na de kennisgeving er vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde kan de burgemeester alsnog bepalen dat het verboden is. Artikel 2:17 Evenementen in gebouwen
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in of in een gedeelte van een gebouw of van een vaartuig een voor het publiek toegankelijke gebeurtenis te houden of te doen houden, of voor dat doel een gebouw of vaartuig of gedeelte daarvan te gebruiken.
- Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op: a. manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties; b. markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet; c. evenementen in gebouwen waarvoor een gebruiksvergunning als bedoeld in het Bouwbesluit 2012 van kracht is en sprake is van reguliere activiteiten die volledig binnen de begrenzing van één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer vallen. d. De burgemeester kan categorieën van voor het publiek toegankelijke gebeurtenissen aanwijzen, waarop het in het eerste lid bedoelde verbod niet van toepassing is. De burgemeester kan bij deze aanwijzing nadere eisen stellen.
- De burgemeester kan de in het eerste lid bedoeld vergunning weigeren op grond van een belang als bedoeld in artikel 2:16, derde,vierde en vijfde lid.
- De leden zes tot en met dertien, genoemd in artikel 2:16, zijn overeenkomstig van toepassing. Artikel 2:18 Ordeverstoring bij evenementen
- Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.
- Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
- Het is verboden bij door de burgemeester aangewezen evenementen blikjes, glaswerk, glazen flessen en hardplastic flessen aanwezig te hebben, te verkopen, te verstrekken of te vervoeren.
- Een ieder is verplicht, bij evenementen, alle aanwijzingen van een toezichthouder in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
- De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening.
- De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na het evenement: a. alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde; b. het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor; c. een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen; d. ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde, na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.
- Het is voor bezoekers van een evenement tijdens en na het evenement: a. verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen; b. verboden al dan niet op het evenemententerrein, op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren; c. verboden zich op een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste, dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten; d. verplicht ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval, waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan een daartoe strekkende aanwijzing van een ambtenaar van de politie of brandweer zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen. Afdeling
- Kermissen Artikel 2:19 Kermissen, aantal, locaties en periodes In de gemeente Vlissingen bestaan drie kermissen:
- De kermis die jaarlijks wordt gehouden in binnenstad van Vlissingen, vanaf de vrijdag voorafgaande aan de derde maandag in juli, tot en met de zondag daaraanvolgend.
- De Pinksterkermis die jaarlijks wordt gehouden in Oost-Souburg, vanaf de vrijdag voor Pinksteren tot en met derde Pinksterdag, op een door het college te bepalen plaats.
- De overdekte kermis in het gebouw De Carrousel van het vermaakscentrum Het Arsenaal. De duur van deze kermis is het gehele jaar door. Artikel 2:20 Kermis binnenstad Vlissingen
- De in artikel 2:19, eerste lid, genoemde kermis is een algemene kermis.
- Het college stelt voorschriften vast omtrent de tijden dat de kermis voor het publiek is geopend en ter voorkoming van geluidsoverlast. Het college bepaalt het aantal, de locatie en het soort attracties.
- Het openingstijdstip van deze kermis is op vrijdag om 18.00 uur.
- Deze kermis wordt geëxploiteerd door de gemeente. Artikel 2:21 Kermis Oost-Souburg
- De in artikel 2:19, tweede lid, genoemde kermis is een algemene kermis.
- Het college stelt voorschriften vast omtrent de tijden dat de kermis voor het publiek geopend is en ter voorkoming van geluidsoverlast. Het college bepaalt het aantal en het soort van de te plaatsen attracties.
- Het college is bevoegd de organisatie van deze kermis te verpachten. Artikel 2:22 Kermis Arsenaal
- De in artikel 2:19, derde lid, bedoelde kermis betreft de expositie van kermiscuriosa, automaten en andere voorwerpen, uitsluitend ter bezichtiging en de exploitatie van kermisautomaten die vallen onder de speelautomatenregeling. De exploitatie van een horecabedrijf ter plaatse is, met inachtneming van de desbetreffende voorschriften, toegelaten.
- Deze kermis wordt geëxploiteerd door een particulier.
- De burgemeester is belast met het verlenen van een vergunning aan de exploitant ingevolge deze verordening tot exploitatie van deze kermis. In de vergunning worden nadere voorwaarden gesteld omtrent de openingstijden van deze kermis, aantal van de op te stellen automaten en voorschriften over de toelating van publiek tot gebruik van deze automaten. 4.Op deze vergunning is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling
- Toezicht op horecabedrijven Artikel 2:23 Begripsomschrijvingen De afdeling verstaat onder:
- In deze paragraaf wordt verstaan onder: Openbare inrichting: a. een voor het publiek toegankelijk ruimte; b. de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis alsmede een bij het bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. Deze opsomming is niet limitatief.
- Terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt, met daarin het onderscheid tussen een: a. gevelterras: terrassen grenzend aan de gevel van een openbare inrichting waarin een horecabedrijf geëxploiteerd wordt; b. overige terrassen: alle terrassen niet grenzend aan de gevel van een openbare inrichting.
- Personen die geen bezoeker zijn van een openbare inrichting: a. de directe gezinsleden van de houder; b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is;
- Leidinggevende: a. de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico wordt uitgeoefend: - het horecabedrijf, met uitzondering van bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 van de Alcoholwet; - een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht; b. de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een openbare inrichting, waarin wordt uitgeoefend het horecabedrijf of het bedrijf waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht in een of meer openbare inrichtingen; c. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van het horecabedrijf of het bedrijf waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht in een openbare inrichting;
- Houder: degene die een openbare inrichting exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:24 of artikel 2:
- Artikel 2:24 Exploitatie openbare inrichting
- Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
- De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien: a. De vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;; b. de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, of in het geval de aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon de bestuurder dan wel zijn gevolmachtigde daarvan, of de leidinggevende: - geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten hoogste drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; - onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet is;in enig opzicht van slecht levensgedrag is; - de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht; -de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt indien het een openbare inrichting betreft waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht; c. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester houdt daarbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.
- De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid of trekt deze geheel of gedeeltelijk in wanneer feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd of wanneer sprake is van: het benutten van voordelen uit strafbare feiten en het plegen van strafbare feiten.
- De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, indien de houder van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning door het bevoegde bestuursorgaan ingetrokken op grond van de in het tweede lid genoemde weigeringsgronden, met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid onder b
- In afwijking van het bepaalde in artikel 2:5 beslist de burgemeester in geval van een vergunningenaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg voor het terras.
- Het bepaalde in het zevende lid geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland
- Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit en waarbij de openbare inrichting maximaal twintig vierkante meter mag bedragen en niet meer dan twintig procent van het vloeroppervlak van het voor publiek toegankelijke winkelgedeelte.
- Voor de openbare inrichting als bedoeld in het negende lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel.
- Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting in een zorginstelling, museum, een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.
- Paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:25 Terrassen
- Het is de exploitant van een openbare inrichting, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2:24 juncto artikel 2:26 niet is vereist, verboden zonder vergunning van de burgemeester een terras in gebruik te nemen.
- De burgemeester weigert een vergunning voor de ingebruikneming van een terras indien de exploitant van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 2:24, tenzij deze ingevolge artikel 2:26 niet is vereist.
- Een vergunning voor een gevelterras geldt voor het hele jaar. Een vergunning voor de overige terrassen geldt alleen voor de periode 1 maart tot 31 oktober. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester de overige terrassen (niet zijnde gevelterrassen) tijdens de sluitingsperiode (winterstop) voor bezoekers geopend te hebben dan wel ter plaatse aanwezig te hebben.
- De burgemeester kan voor overige terrassen alsnog vergunning verlenen ten tijde van de winterstop. Dit kan in gevallen wanneer er sprake is van een speciaal winterterras.
- Onverminderd het gestelde in het tweede lid, kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting horende terrassen weigeren indien: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; d. deze liggen onder het beluifelde gedeelte van de Walstraat, Kleine Markt of Oude Markt.
- Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zeeland
- Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:26 Vrijstelling vergunningsplicht
- De burgemeester kan besluiten onder door hem te stellen voorschriften dat het gestelde in artikel 2:24 niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.
- De exploitatie van een openbare inrichting, en de exploitatie van bij een openbare inrichting behorende terras(sen) waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. Artikel 2:27 Sluitingsuur
- Openbare inrichtingen, inclusief daartoe behorende terrassen, zijn gesloten tussen 02.00 en 06.00 uur (sluitingstijd).
- Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting of het bijbehorende terras te laten verblijven tijdens sluitingstijd.
- De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd: a. om tussen 02.00 uur en 03.00 uur bezoekers in de openbare inrichting aanwezig te hebben, mits geen nieuwe bezoekers worden toegelaten; b. op grond van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling; c. aan maximaal vier openbare inrichtingen waar alcoholhoudende drank mag worden verstrekt om tot 05.00 uur bezoekers in de openbare inrichting aanwezig te hebben, onder het voorbehoud dat deze openbare inrichtingen in elk geval gesloten zijn tussen 05.00 uur en 09.00 uur en tussen 04.00 uur en 05.00 uur geen nieuwe bezoekers worden toegelaten; d. aan maximaal vier openbare inrichtingen die zich in hoofdzaak richten op het verstrekken van geringe etenswaren om tot 04.00 uur bezoekers in de openbare inrichting aanwezig te hebben.
- Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing voor zover in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
- Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.. Artikel 2:28 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting.
- De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:27 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen.
- Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
- De burgemeester kan de tijdelijke sluiting bevelen van een openbare inrichting zoals bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, onder a, indien: a. daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de Kansspelen. b. daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen. c. daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend. d. zich in de inrichting een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en de exploitant van de inrichting daarvan geen melding heeft gemaakt dan wel het opsporingsonderzoek heeft belemmerd. e. zich daar andere feiten hebben voorgedaan, die de verwachting wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid. Artikel 2:29 Aanwezigheid in gesloten openbare inrichting. Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:27 of ingevolge een op grond van artikel 2:28 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. Artikel 2:30 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting:
- de orde te verstoren dan wel zich te gedragen in strijd met de goede zeden;
- zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:28, eerste lid;
- op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 2:31 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:23 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de artikelen 2:24 tot en met 2:
- Artikel 2:32 Beslistermijn
- Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.
- Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 2:33 Aanwezigheid van een leidinggevende Het is verboden een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht voor het publiek geopend te houden, indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning als bedoeld in artikel 2:24 met betrekking tot die inrichting. Artikel 2:34 Inrichtingseisen
- Een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht, dient ten minste te voldoen aan de eisen zoals vermeld in de Alcoholwet, Alcoholregeling en het Bouwbesluit
- Een openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht en waar tegen vergoeding voor gebruik elders dan ter plaatse uitsluitend of in hoofdzaak geringe etenswaren worden verstrekt die in dezelfde inrichting worden bereid, dient te beschikken over een voor het publiek toegankelijke ruimte met een nuttige vloeroppervlakte van ten minste 15m².
- Een openbare inrichting, waarin geen alcoholhoudende drank wordt verkocht, dient ten minste te voldoen aan dezelfde eisen voor mechanische ventilatie als waar een horecabedrijf waar alcoholhoudende dranken worden verkocht aan moet voldoen.
- De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel. Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Artikel 2:34a Verbod verstrekken sterke drank in bepaalde inrichtingen Het is verboden tegen vergoeding sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting. a. waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten worden verkocht; b. die uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is voor het geven van onderwijs; c. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of -instellingen; d. die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of -instellingen; e. die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoerbedrijf; f. die gelegen is op een kampeer- of caravanterrein; g. die in gebruik is bij en/of geëxploiteerd wordt door een paracommerciële rechtspersoon. Artikel 2:35 Begripsbepalingen De begripsbepalingen uit artikel 1 van de Alcoholwet zijn op deze afdeling van toepassing. Artikel 2:36 Regulering paracommerciële rechtspersonen
- Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard mag alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken: (koppeling aan activiteit) a. vanaf 2 uren (twee uren) voor de aanvang tot 2 uren (twee uren) na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon; en (koppeling aan dagen / tijden) b. op maandag tot en met vrijdag niet eerder dan 17:00 uur tot uiterlijk 24:00 uur; c. zaterdag, zon- en feestdagen niet eerder dan 12:00 uur tot uiterlijk 24:00 uur.
- Voor zover de paracommerciële rechtspersoon, als bedoeld onder lid 1, activiteiten overdag op werkdagen heeft mag op deze dagen, in afwijking van het bepaalde onder 1, sub b, vanaf 12:00 uur alcoholhoudende drank worden verstrekt.
- Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sociaal-culturele aard in de vorm van een poppodium (podium voor een breed aanbod van bijvoorbeeld muziek, theater en dans) kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 2 uur (twee uur) voor de aanvang tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, op maandag tot en met woensdag tot uiterlijk 24.00 uur, en op donderdag tot en met zondag tot uiterlijk 02.00 uur van de daaropvolgende dag.
- Overige paracommerciële rechtspersonen mogen alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 2 uren (twee uren) voor de aanvang tot uiterlijk 2 uren (twee uren) na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon en tot uiterlijk 24:00 uur.
- Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet, of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. Artikel 2:37 gereserveerd Artikel 2:38 Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de veiligheid, de zedelijkheid of de volksgezondheid aan een vergunning van de Alcoholwet voorschriften verbinden en de vergunning beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank een en ander in aanvulling op artikel 2:34a. Artikel 2:38a Proeverijen in slijtersbedrijven De burgemeester kan vrijstelling verlenen van het verbod in artikel 14, lid 1 van de Alcoholwet, ten behoeve van proeverijen in een slijtersbedrijf. Proeverijen moeten voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in art. 6.1 van het Alcoholbesluit. Artikel 2:39 Verbod 'happy hours' en ‘stuntprijzen' Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. Artikel 2:39a Ontheffingen
- De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in artikel 2:34a gestelde verbod en de in artikel 2:36, leden 1 tot en met 4 genoemde dagen en tijden.
- De burgemeester stelt beleidsregels op ten aanzien van de beoordeling van verzoeken om ontheffing.
- Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling
- Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:40 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: Inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers: een inrichting, niet zijnde een woning, gericht op het tijdelijk verblijven van (inter)nationale werknemers. Artikel 2:41 Melding exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk melding te doen bij het college. Artikel 2:41a Vergunning exploitatie complexgewijze huisvesting (inter)nationale werknemers Het is verboden complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers te exploiteren zonder exploitatievergunning van het college. Het college weigert de exploitatievergunning als bedoeld in het eerste lid, indien: De vestiging of de exploitatie van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers in strijd is met een geldend bestemmingsplan; de aanvrager, voor zover het een natuurlijke persoon betreft, of in het geval de aanvraag wordt gedaan door een rechtspersoon de bestuurder dan wel zijn gevolmachtigde daarvan, of de beheerder van het complex: - geen verklaring omtrent gedrag overlegt die ten hoogste drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; - onder curatele staat dan wel uit het ouderlijk gezag of voogdij ontzet is; - in enig opzicht van slecht levensgedrag is; redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college de exploitatievergunning onder voorwaarden (tijdelijk) verlenen, indien: de aanvraag aan alle gestelde indieningsvereisten voldoet. de aanvraag op basis van de systematiek voor de verdeling van exploitatievergunningen voor complexgewijze huisvesting een vergunning heeft toegekend gekregen. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers op ontoelaatbare wijze niet nadelig wordt beïnvloed. Het college houdt daarbij rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers is of zal zijn gelegen, de aard van de complexgewijze huisvesting voor (inter)nationale werknemers en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. Het college weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid of trekt deze geheel in wanneer feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd of wanneer sprake is van: het benutten van voordelen uit strafbare feiten en het plegen van strafbare feiten. Het college trekt de exploitatievergunning in indien niet aan de gestelde voorwaarden zoals in de verleende exploitatievergunning staan vermeld wordt voldaan. Paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:41b Beleidsregels voor toekenning exploitatievergunning Het college stelt beleidsregels op voor de verkrijging van de vergunning bedoeld in artikel 2:41a. Artikel 2:41c Nachtregister
- De houder van een inrichting die bedrijfsmatig kamers verhuurt en of anderszins overnachting verzorgt is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.
- De houder van een inrichting die bedrijfsmatig kamers verhuurt en of anderszins overnachting verzorgt is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.
- Het nachtregister wordt ter beschikking gesteld aan de hulpdiensten. Artikel 2:41d Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling
- Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:42 Speelgelegenheden
- Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.
- De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
- Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:43 Speelautomaten
- In dit artikel wordt verstaan onder: a. wet: de Wet op de kansspelen; b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de wet; c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de wet; d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de wet; e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de wet.
- In hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
- In laagdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Afdeling
- Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:44 Betreden gesloten woning of lokaal
- Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
- Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
- Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:45 Plakken en kladden
- Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
- Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een andere openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer, inkt of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of graffiti aan te brengen of te doen aanbrengen.
- Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
- Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
- Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
- Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
- De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:46 Vervoer plakgereedschap e.d.
- Het is verboden op een openbare plaats enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, inkt, kleur- of verfstof, verfgereedschap, plaksel of lijm te vervoeren of bij zich te hebben.
- Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:
- Artikel 2:47 Bezit van inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal
- Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
- Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.
- Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen Artikel 2:48 Varen in openbaar water In dit artikel wordt verstaan onder: a. taluds: de hellende oppervlakten van de zijdelingse begrenzingen van oppervlaktewater en waterlopen; b. oppervlaktewater het water met inbegrip van de waterbodem en de taluds die een functie hebben voor de af- en aanvoer en/of berging van het op de bodem vrij aanwezige water; c. waterlopen het water met inbegrip van de waterbodem en de taluds die een functie hebben voor de af- en aanvoer en/of de berging van het op de bodem vrij aanwezige water, en die als zodanig in de legger zijn aangegeven; d. legger de legger als bedoeld in de Waterverordening Zeeland
- Het is verboden te varen in openbaar oppervlaktewater en openbare waterlopen.
- Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet in de haven, zoals bedoeld in artikel 1.
- van de Havenbeheersverordening Vlissingen
- Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
- Het in het tweede lid gesteld verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde on derwerp wordt voorzien door de Waterverordening Zeeland of de Keur waterbeheer waterschap Scheldestromen
- Artikel 2:49 Slapen op of aan openbare plaatsen
- Onverminderd het bepaalde in artikel 4:20 is het verboden tussen zonsondergang en zonsopgang: a. op of aan openbare plaatsen te liggen of te slapen, dan wel daartoe gelegenheid te bieden; b. op of aan openbare plaatsen te liggen of te slapen in een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk onderkomen dan wel daartoe gelegenheid te bieden.
- Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.
- Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.
- Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Verordening kleinschalig kamperen Vlissingen. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
- Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt;
- Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
- Artikel 2:51 Verboden drankgebruik
- Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied: a. alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben; b. drank in glazen met zich te voeren of bij zich te hebben; c. anderszins dan verpakt, glazen bij zich te hebben, tenzij met het kennelijk en uitsluitend oogmerk van vervoer.
- Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, onder c; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35, tweede lid, van de Alcoholwet.
- Het bevoegde bestuursorgaan kan van het verbod, bedoeld in het eerste lid onder a, ontheffing verlenen. Artikel 2:52 Verboden gedrag bij of in gebouwen
- Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
- Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een dergelijk gebouw. Artikel 2:52a Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d, van de Gemeentewet
- Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
- als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.
- De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie vanuit een woning of een erf. Artikel 2:53 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel 2:54 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijke wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor de ingang versperd wordt. Artikel 2:55 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2:56 Honden De eigenaar of houder van een hond is verplicht de hond binnen de bebouwde kom in de openbare ruimte aangelijnd te houden. Het college wijst in de gemeente de zogenaamde hondenrenvelden en andere plaatsen aan, waarop het in lid 1 gestelde verbod niet van toepassing is. De eigenaar of houder van een hond is verplicht de hond in de openbare ruimte te voorzien van aan een halsband of op andere wijze aangebrachte identificatiegegevens die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond aanwezig te laten zijn: op een voor publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op andere door het college aangewezen plaatsen; buiten de bebouwde kom in de openbare ruimte zonder voldoende toezicht; op de stadsstranden tijdens de strandperiode, jaarlijks van 1 mei tot en met 16 september. De stadsstranden zijn gelegen tussen het Keizersbolwerk aan de Boulevard De Ruyter en het dijkhoofd aan de westzijde van het Nollestrand. Deze stranden zijn op de bij dit artikel behorende tekening aangegeven. Het college kan ontheffing verlenen van het in dit artikellid gestelde verbod. De verboden genoemd in lid 4 onder a. en d. gelden niet indien de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden. In afwijking van het gebod in lid 1 geldt voor de stranden Zwanenburg en Westduin het volgende regime: tijdens de strandperiode, jaarlijks van 1 mei tot en met 16 september, mogen honden dagelijks tussen 10.00 en 19.00 uitsluitend aangelijnd aanwezig zijn; tijdens strandperiode mogen honden dagelijks tussen 19.00 en 10.00 onaangelijnd aanwezig zijn. Deze stranden zijn op de bij dit artikel behorende tekening aangegeven. In afwijking van het gebod in lid 1 geldt voor alle stranden, dat jaarlijks van 17 september tot en met 30 april honden onaangelijnd op deze stranden aanwezig mogen zijn. Artikel 2:57 Verontreiniging door honden De eigenaar of houder van een hond is verplicht er voor te zorgen dat uitwerpselen van die hond onmiddellijke worden verwijderd. Deze verplichting geldt voor: - de openbare ruimte binnen de bebouwde kom; - de openbare ruimte buiten de bebouwde kom op het gedeelte van de weg dat is [mede]bestemd voor het verkeer van voetgangers. Binnen de bebouwde kom dient de eigenaar of houder van een hond tenminste één deugdelijk hulpmiddel bij zich te hebben voor de onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen. Dit hulp-middel dient op eerste aanvraag van een tot controle bevoegde ambtenaar worden getoond. Artikel 2:58 Gevaarlijke honden
- In dit artikel wordt verstaan onder: a. muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de ruimte een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn; b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.
- Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: a. anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
- In afwijking van artikel 2:56, eerste lid onder f, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. Artikel 2:59 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
- Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben, of b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven, of d. te voeren.
- Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
- Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:60 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:61 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden. Artikel 2:61a Mosquito
- In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.
- In afwijking van het bepaalde in artikel 4:5 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.
- De aanwezigheid van een mosquito wordt kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.
- Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.
- Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen. Afdeling
- Vuurwerk Artikel 2:62 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2:63 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
- Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.
- Op deze vergunning is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking) niet van toepassing. Artikel 2:64 Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
- Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
- Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
- De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Afdeling
- Drugsoverlast Artikel 2:65 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:65a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden hebben. Afdeling
- Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:66 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:2, 2:5, 2:6, 2:8, 2:11, 2:50, 2:51, 2:52 of 2:64 groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:67 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:68 Cameratoezicht op openbare plaatsen
- De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
- De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen te weten: a. parkeergarage Aagje Dekenstraat en b. parkeergarage Spuistraat (De Fonteyne). Afdeling
- Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen. Artikel 2:69 Begripsomschrijvingen A. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. B. Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijzen overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar Artikel 2:70 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
- De burgemeester kan voor daarbij aangegeven categorieën van goederen vrijstelling verlenen van de in het eerste lid gestelde verplichting. Artikel 2:71 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
- De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 van het wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis te stellen dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, waarbij hij tevens schriftelijk opgave doet van zijn woonadres b. de onder a. bedoelde ambtenaar onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit. c. aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben aangebracht waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn vermeld; d. indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van enig misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a. bedoelde ambtenaar. e. Wanneer hij is opgehouden met het opkopen van goederen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van opkoper niet langer uitoefent, de onder a. bedoelde ambtenaar hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis stelt. Artikel 2:72 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door verkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf werkdagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen, tenzij deze wijziging niet van invloed is op de herkenbaarheid van het goed Afdeling 16 Carbidschieten Artikel 2:73 Carbidschieten
- Het is verboden acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden op zodanige wijze dat gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt.
- Het verbod gesteld in het eerste lid geldt niet indien: a. gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale omvang van 50 liter, met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen en b. het gebruik plaatsvindt op 31 december van 10.00 uur tot 17.00 uur en c. hiervan ten minste 14 dagen voorafgaand aan de datum van gebruik melding is gedaan aan het college d. de melding vergezeld is van een schriftelijke toestemming van de eigenaar van het terrein van waaraf geschoten wordt en de melding tevens is voorzien van een kaart waarop de betreffende locatie is ingetekend en e. de melding geaccepteerd is door het college.
- De plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen: a. op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing en b. op een afstand van tenminste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg en c. op een afstand van tenminste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren en d. wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin dicht bij woonbebouwing is gelegen en e. het vrijschootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen.
- Dit artikel is niet van toepassing voor zover, de Wet milieubeheer, Wet wapens en munitie, Wet milieugevaarlijke stoffen, Wet vervoer gevaarlijke stoffen, Wetboek van strafrecht van toepassing is en is niet van toepassing op artikel 4.7 Knalapparatuur. Artikel 2:74gereserveerd Artikel 2:75 gereserveerd Artikel 2:76 gereserveerd Artikel 2:77gereserveerd Artikel 2:78 gereserveerd Artikel 2:79 gereserveerd Afdeling 17 Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen Artikel 2:80 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
- In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend. b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten. c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
- De burgemeester kan gebieden, gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebied of een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
- Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied of gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. In het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. Indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. Indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; d. Indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. Indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening; f. Indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. Door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. Door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. De voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. De exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. De exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. Er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. Er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. De bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. Redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
- De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd.
- Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.
- De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
- Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
- Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is.
- In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
- Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 18 Tegengaan uitbuiting en onevenredige benadeling huurders Artikel 2:81 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. woning: woonruimte als bedoeld in artikel 1 onder j van de Huisvestingswet 2014; b. woningverhuur: het, al dan niet bedrijfsmatig tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning; c. woningbemiddeling: het, al dan niet bedrijfsmatig, tegen een vergoeding bemiddelen bij de totstandkoming van een overeenkomst tot het tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning; d. verhuurder: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, een woning tegen een vergoeding beschikbaar stelt dan wel in gebruik geeft; e. bemiddelingsbedrijf: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die, al dan niet bedrijfsmatig, tegen vergoeding bemiddelt bij de totstandkoming van een overeenkomsten tot het tegen een vergoeding beschikbaar stellen dan wel in gebruik geven van een woning. Artikel 2:82 aanwijzing vergunningplichtige woningverhuur
- Het college kan woningverhuur aanwijzen waarop het verbod uit het eerste lid van artikel 2:84 van toepassing is.
- Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats als naar het oordeel van het college: a. huurders en/of gebruikers worden uitgebuit en/of onevenredig benadeeld; en/of b. de leefbaarheid, de volksgezondheid, de openbare orde en/of de veiligheid onder druk staan; en/of c. het welzijn van huurders en/of gebruikers onder druk staat; en/of d. er zich strafbare feiten voordoen.
- Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan zich beperken tot: a. de woningverhuur van één of meer verhuurders; en/of b. de verhuur van één of meer woningen binnen een straat, wijk of gebied; en/of c. alle woningverhuur binnen een straat, wijk, of gebied; en/of d. een bepaalde vorm van woningverhuur al dan niet beperkt tot een straat, wijk, of gebied; en/of e. één of meer onder verantwoording van of in opdracht van een verhuurder of meerdere verhuurders werkende natuurlijke personen of rechtspersonen.
- Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid welke betrekking heeft op alle woningverhuur binnen een wijk of gebied of op (een) bepaalde vorm(en) van woningverhuur binnen de gehele gemeente geschiedt niet eerder voordat de gemeenteraad hierover vooraf is geïnformeerd. Artikel 2:83 Aanwijzing vergunningplichtige woningbemiddeling
- Het college kan woningbemiddeling aanwijzen waarop het verbod uit het eerste lid van artikel 2:84 van toepassing is.
- Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats als naar het oordeel van het college: a. huurders en/of gebruikers worden uitgebuit en/of onevenredig benadeeld; en/of b. de leefbaarheid, de volksgezondheid, de openbare orde en/of de veiligheid onder druk staan; en/of c. het welzijn van huurders en/of gebruikers onder druk staat; en/of d. er zich strafbare feiten voordoen.
- Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan zich beperken tot: a. de woningbemiddeling van één of meer bemiddelingsbedrijven; en/of b. de woningbemiddeling inzake één of meer woningen binnen een straat, wijk of gebied; en/of c. alle woningbemiddeling binnen een straat, wijk of gebied; en/of d. een bepaalde vorm van woningbemiddeling al dan niet beperkt tot een straat, wijk, of gebied; en/of e. een of meer onder verantwoording van of in opdracht van een bemiddelingsbedrijf of meerdere bemiddelingsbedrijven werkende natuurlijke personen of rechtspersonen.
- Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid welke betrekking heeft op alle woningbemiddeling binnen een wijk of gebied of op (een) bepaalde vorm(en) van woningbemiddeling binnen de gehele gemeente geschiedt niet eerder voordat de gemeenteraad hierover vooraf is geïnformeerd. Artikel 2:84 Vergunning woningverhuur en/of woningbemiddeling
- Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een woning te verhuren als deze woningverhuur valt onder de werking van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2:82, lid
- Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een woning te bemiddelen als deze woningbemiddeling valt onder de werking van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2:83, lid
- Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid weigeren: a. ter voorkoming van uitbuiting, onevenredige benadeling en strafbare feiten; b. in het belang van het welzijn van huurders en/of gebruikers; c. in het belang van de leefbaarheid; d. indien de verhuurder en/of het bemiddelingsbedrijf dan wel onder verantwoording van of in opdracht van de verhuurder of het bemiddelingsbedrijf werkende natuurlijke en/of rechtspersonen in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; e. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. indien er aanwijzingen zijn dat voor de verhuurder en/of het bemiddelingsbedrijf personen werkzaam zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als de activiteit strijdigheden oplevert met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
- Op de vergunning als bedoeld in lid 1 en in lid 2 is paragraaf 4.1.3.
- van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:85 Intrekking en wijziging van een vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:84 intrekken of wijzigen indien naar het oordeel van de burgemeester: a. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; en/of b. er zich een omstandigheid voordoet op grond waarvan de vergunning op grond artikel 1:8 en van het derde en vierde lid van artikel 2:84 zou zijn geweigerd. Artikel 2:86 Nadere regels Het college kan, in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat en de veiligheid, nadere regels stellen ten aanzien van de exploitatie van woningverhuur en woningbemiddeling die valt onder de vergunningplicht van artikel 2:
- Hoofdstuk3.SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Afdeling
- Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; c. bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester; d. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
- de exploitant;
- de beheerder;
- de prostituee;
- het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
- toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;
- andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. e. escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; f. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; g. klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; h. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; i. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; j. prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; k. seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling; l. seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; m. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd. Afdeling
- Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Vergunning
- Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
- Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
- Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
- Een vergunning kan slechts voor één seksinrichting worden verleend.
- De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. Artikel 3:4 Gereserveerd. Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen
- Voor het uitoefenen van een raamprostitutie- of straatprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.
- Er kan voor in totaal ten hoogste twee seksinrichtingen van prostitutiebedrijven, niet zijnde escortbedrijf, vergunning worden verleend. Artikel 3:6 Aanvraag
- Een aanvraag om vergunning wordt ingediend middels een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.
- Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; c. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting; f. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; g. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant; h. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant; i. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst; j. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf; k. voor zover van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding; l. voor zover van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.
- Als er een beheerder is aangesteld is het tweede lid, onder a tot en met c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.
- Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen. Artikel 3:7 Weigeringsgronden
- Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij; c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening.
- Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.
- De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
- Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
- Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met e, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven[; g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend. Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning
- De vergunning vermeldt in ieder geval: a. de naam van de exploitant; b. voor zover van toepassing, die van de beheerder; c. voor welke activiteit de vergunning is verleend; d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend; e. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt; f. voor zover van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend; g. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; h. voor zover van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning; i. het nummer van de vergunning.
- De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt. Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
- De vergunning wordt ingetrokken als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14[, eerste OF tweede lid], 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i; f. de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening.
- De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Afdeling
- Uitoefenen seksbedrijf Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven Artikel 3:10 Beëindiging exploitatie
- De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:3 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.
- Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, doet de exploitant daarvan schriftelijk melding bij het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3:11 Wijziging beheer
- Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, doet de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk melding bij het bevoegd bestuursorgaan.
- Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.
- In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
- Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te l