Notitie investeringen, Waardering en AfschrijvingGemeente Houten Notitie investeringen,Waardering en Afschrijving Vastgesteld door het college op 27 maart 2018 Inhoud 1 MANAGEMENTSAMENVATTING 3 2 INLEIDING 5 1 Algemeen 5 2 Wettelijk kader 5 3 Begrippen 5 4 Leeswijzer 5 3 INVESTERINGEN 6 1 Definitie investeringen 6 2 Onderscheid investeringen versus vervangingsinvesteringen 6 3 Beschikbaar stellen krediet investeringen 7 4 Meerjareninvesteringsplan 8 5 Voorbereidingskrediet 8 6 VERVANGINGSINVESTERINGEN 9 3.6.1 Algemeen 9 3.6.2 Lijst vervangingsinvesteringen 9 3.6.3 Actueel houden lijst vervangingsinvesteringen 11 3.6.4 Aanvraag vervangingsinvestering 11 4 ACTIVEREN 13 4.1 Soorten activa 13 4.1.1 Immateriële vaste activa 13 4.1.2 Materiële vaste activa 14 4.1.3 Financiële vaste activa 15 2 Niet activeerbare kosten 16 3 Lease 17 4 Criteria voor het activeren van activa 17 5 WAARDEREN 18 1 Waarderingsgrondslagen 18 2 BTW 18 3 Afwaarderen activa 18 4 Desinvesteren activa 19 6 AFSCHRIJVEN 20 1 Inleiding 20 2 Methoden van afschrijven 20 3 Restwaarde 20 4 Afschrijvingstermijnen 21 5 Ingangsmoment van de afschrijvingen 21 6 Rentetoerekening 21 7 Componentbenadering 22 7 BIJLAGEN 23 1 Bijlage I: Begrippen en definities 23 2 Bijlage II: Wetgeving 24 3 Bijlage III : Afschrijvingstermijnen 31 4 Bijlage IV: Schema cyclus investeren en activeren 32 MANAGEMENTSAMENVATTING Voor u ligt de ‘Notitie investeringen, waardering en afschrijving” . Deze notitie is een nadere uitwerking van het kader rondom investeren zoals dat is opgenomen in de financiële verordening en vervangt de Notitie investeringen, waardering en afschrijving 2011. Deze actualisering van het investeringsbeleid is noodzakelijk vanwege de vernieuwing van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) provincies en gemeenten die in 2016 van kracht is geworden. De begroting en het investeringsbeleid van de gemeente moeten hierop zijn aangepast. De belangrijkste wijzigingen van de wetgeving i.r.t. het investeringsbeleid zijn: De systematiek van activering en afschrijving wordt voor alle investeringen gelijk getrokken. Investeringen met een maatschappelijk nut worden, evenals investeringen met een economisch nut, geactiveerd en over de verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven. Daarmee wordt een betere vergelijkbaarheid van de kosten beoogd. In het kader van de uniformiteit, transparantie en vergelijkbaarheid tussen gemeenten is het zogenaamde netto activeren verplicht gesteld. Dit houdt in dat eventuele bijdragen van derden in aftrek moeten worden gebracht van de investering. Het verrekenen van bijdragen uit de reserves is met ingang van het begrotingsjaar 2017 niet meer toegestaan. Deze notitie geeft verder inzicht in de uitgangspunten om bepaalde investeringen te activeren (op de balans te presenteren) en de termijn waarop deze investeringen worden afgeschreven. In onderstaande tabel staan alle beleidsmatige uitgangspunten opgenomen. Uitgangspunt Omschrijving 1 Binnen gemeente Houten wordt onderscheid gemaakt tussen ‘nieuwe’ investeringen en vervangingsinvesteringen. 2 Nieuwe investeringen die niet in de begroting zijn opgenomen en minimaal € 25.000 bedragen (bruto bedragen), dienen voor het aangaan van de verplichtingen aan de raad te worden voorgelegd. 3 Niet benutte kredieten blijven in principe niet langer dan twee jaar openstaan. 4 Bij een kredietoverschrijding van minimaal 10% van een beschikbaar gesteld krediet voor investeringen met een minimum van € 25.000, wordt eerst gerapporteerd aan het college en vervolgens aan de raad middels een verantwoordingsdocument. 5 Een meerjareninvesteringsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. De uitvoering van het meerjareninvesteringsplan vindt plaats via separaat aan te vragen kredieten. 6 Indien de raad besluit tot beschikbaarstelling van het definitieve krediet, dan wordt een voorbereidingskrediet toegevoegd aan de investering. 7 Als de investering niet tot stand komt, dan wordt het voorbereidingskrediet in één keer afgeschreven ten laste van het resultaat. 8 Van vervangingen groter of gelijk aan € 10.000 worden de kapitaallasten functioneel geraamd. 9 De initiële aanschaf van een bedrijfsmiddel dat opgenomen moet worden op de lijst van vervangingsinvesteringen wordt altijd voorgelegd aan het college van B&W. 10 De raad autoriseert bij de vaststelling van de begroting een lijst van de te verwachten vervangingsinvesteringen. De uitgevoerde vervangingsinvesteringen worden vervolgens bij de eerstvolgende bestuursrapportage verantwoord. 11 Afwijkingen van de door de raad geautoriseerde lijst vervangingsinvesteringen worden gemeld bij de eerstvolgende bestuursrapportage. 12 Bij afwijkingen per vervanging vanaf € 25.000 moet men eerst naar de raad ter goedkeuring. 13 De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio worden lineair afgeschreven gedurende de periode gelijk aan de looptijd van de betreffende geldlening. 14 Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in maximaal 5 jaar afgeschreven. 15 Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd, indien aan de voorwaarden wordt voldaan. 16 Voor afvalstoffenheffing en rioolheffing geldt een kostendekkend tarief. 17 Materiele vaste activa met een maatschappelijk nut moeten met ingang van 2017 worden geactiveerd. 18 Er dient sprake te zijn van meerjarig nut (exploitatieduur > 2 jaar). 19 Activa met een economische levensduur van 2 jaar of minder worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 20 Activa met een economisch nut met een waarde < € 10.000 worden niet geactiveerd, met uitzondering van gronden en terreinen. Activa met een maatschappelijk nut < € 250.000 worden niet geactiveerd, met uitzondering van gronden en terreinen. 21 Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, inclusief toegerekende uren, rente wordt niet geactiveerd. 22 Niet compensabele of verrekenbare BTW wordt opgeteld bij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs van het actief en geactiveerd. 23 De lineaire afschrijvingsmethode wordt toegepast voor de afschrijving van activa. Uitzondering hierop zijn de activa ten behoeve van de producten riolering en afvalinzameling, en activa die terugverdiend worden middels huurinkomsten. Op deze activa wordt annuïtair afgeschreven. In bijzondere gevallen kan in het raadsvoorstel of middels een collegebrief hiervan worden afgeweken.. 24 Activa worden afgeschreven naar een boekwaarde van nihil. Er wordt geen rekening gehouden met een restwaarde. 25 De afschrijvingstermijnen die als bijlage zijn gevoegd bij de notitie investeringen, waardering en afschrijving worden als basis gehanteerd voor het afschrijven van de vaste activa. 26 De afschrijvingslasten starten op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het actief gereed komt c.q. verworven wordt. 27 -Aan de geactiveerde kapitaaluitgaven wordt rente toegerekend middels een berekend omslagpercentage. -Voor gerealiseerde activa met een boekwaarde per 1 januari ( de ‘aanwezige activa’) op de staat van activa wordt rente berekend over die boekwaarde per 1 januari. 2 INLEIDING 2.1 Algemeen In de “Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede de regels voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Houten” (verder te noemen “Financiële verordening gemeente Houten”) stelt de raad de kaders vast waarbinnen vervolgens specifieke detailnotities per onderwerp worden uitgewerkt. Deze notities worden door het college vastgesteld. Ingevolge artikel 8 van de verordening worden de kaders voor de waardering en afschrijving van de vaste activa uitgewerkt in de “Notitie investeringen, waardering en afschrijving”. Deze notitie vervangt de Notitie Investeringen, waardering en Afschrijvingen 2011. Ten opzichte van de Notitie Investeringen, waardering en Afschrijvingen 2011 zijn eventuele inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd die voortvloeien uit het Besluit Begroting en Verantwoording en zijn aanpassingen gedaan op basis van voortschrijdend inzicht. Door de actualisatie sluit de notitie aan op de vigerende Financiële verordening gemeente Houten. De notitie is een instrument dat zorgt voor het eenduidig behandelen van gemeentelijke investeringen. Voor zowel bestuur als ambtelijke organisatie is het van belang om een transparant en adequaat activabeleid op basis van objectieve grondslagen vast te stellen. Een transparant en adequaat activabeleid vormt één van de pijlers voor het bepalen van de financiële positie en het financiële vermogen van de gemeente. De notitie beperkt zich tot de investeringen en vervangingsinvesteringen die van invloed zijn op de begroting van de ‘Algemene Dienst’. Investeringen binnen de grondexploitatie worden in deze regeling niet behandeld, vanwege het specifieke karakter ervan. 2.2Wettelijk kader Bij het actualiseren van de regeling zijn de volgende kaders van belang: De “Financiële verordening gemeente Houten”, vastgesteld in de vergadering van de raad van 14 februari 2017. De regelgeving op basis van Besluit Begroting en Verantwoording ( BBV). De vraag en antwoordrubriek en gepubliceerde notities met richtlijnen door de commissie Besluit Begroting en Verantwoording. De antwoorden zijn niet vrijblijvend maar worden gezien als een stellige uitspraak, waar uitsluitend op basis van gegronde redenen van afgeweken mag worden. 2.3 Begrippen Eenduidige definities zijn belangrijk bij toepassing van kaders. In bijlage I zijn daarom de definities opgenomen van de begrippen die horen bij activeren, waarderen en afschrijven. 2.4 Leeswijzer In deze nota worden uitgangspunten weergegeven in omkaderde vakken. In de tekst na de uitgangspunten wordt de onderbouwing gegeven van het betreffende uitgangspunt. 3 INVESTERINGEN 3.1 Definitie investeringen Investeringen zijn uitgaven voor zaken die over een periode van meerdere jaren opbrengsten en/of nut opleveren. De kosten van investeren worden uitgesmeerd over de periode dat de opbrengsten en/of het nut optreden (afschrijven). Investeringsuitgaven zijn eenmalig. De afschrijvingen over de volgende jaren komen jaarlijks terug tot het moment dat de investering geheel is afgeschreven. Investeringen leggen door de jaarlijkse afschrijvingen beslag op de begrotingen van meerdere jaren. 3.2 Onderscheid investeringen versus vervangingsinvesteringen Uitgangspunt 1: Binnen gemeente Houten wordt onderscheid gemaakt tussen ‘nieuwe’ investeringen en vervangingsinvesteringen. Investeringen kunnen worden onderverdeeld in ‘nieuwe’ investeringen en vervangingsinvesteringen. Van vervangingsinvesteringen is sprake als de investeringen gedaan worden ter vervanging van een bestaand (intern) bedrijfsmiddel waarvan de afschrijvingstermijn verstreken is en de vervanging noodzakelijk is. Nieuwe investeringen geven in de regel een uitbreiding van de activa. Het onderscheid tussen nieuw en vervanging is zowel beleidsmatig als financieel van belang. Aan nieuwe investeringen liggen vrijwel altijd beleidsmatige veranderingen ten grondslag terwijl bij vervangingsinvesteringen sprake is van een going concern gedachte (bestaand beleid). Ook financieel is het onderscheid van belang. Bij vervangingsinvesteringen is in principe dekking binnen de begroting aanwezig. Nieuwe investeringen behoeven een nieuw aan te geven dekking en een expliciete beslissing van de raad. Vervangingsinvesteringen kennen een relatief korte levensduur (maximaal 15 jaar). Vervangingsinvesteringen zijn bedoeld om de bestaande processen in stand te houden te denken valt aan meubilair en inventaris, automatiseringsapparatuur, software, telefooncentrales, (vracht)auto’s, andere voertuigen en overig zwaar materieel, gereedschappen en instrumentarium. Als het gaat om investeringen ter vervanging van bestaande activa waarbij sprake is van andere (nieuwe cq uitgebreidere) functionaliteiten is sprake van een nieuwe investering en niet van een vervangingsinvestering. De grens tussen wanneer er wel en wanneer er niet sprake is van een vervanging is niet altijd even duidelijk. Ieder geval zal dan ook apart moeten worden beoordeeld. In paragraaf 3.5 wordt nader ingegaan op het monitoren en aanvragen van vervangingsinvesteringen. 3.3 Beschikbaar stellen krediet investeringen Uitgangspunt 2: Nieuwe investeringen die niet in de begroting zijn opgenomen en minimaal € 25.000 bedragen (bruto bedragen), dienen voor het aangaan van de verplichtingen aan de raad te worden voorgelegd. Uitgangspunt 3: Niet benutte kredieten blijven in principe niet langer dan twee jaar openstaan Uitgangspunt 4: Bij een kredietoverschrijding van minimaal 10% van een beschikbaar gesteld krediet voor investeringen met een minimum van € 25.000, wordt eerst gerapporteerd aan het college en vervolgens aan de raad middels een verantwoordingsdocument De gemeenteraad stelt op grond van het budgetrecht de kredieten voor de investeringen beschikbaar. De beschikbaarstelling geschiedt of bij de begroting (bijvoorbeeld via stelposten) en/of bij een separaat kredietvoorstel. Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar die niet in de begroting zijn opgenomen en minimaal € 25.000 bedragen (conform delegatiebesluit), dient voor het aangaan van verplichtingen een voorstel aan de raad te worden voorgelegd. Het krediet is het maximumbedrag dat de gemeenteraad voor een investering autoriseert. Om de bestuurlijke afweging goed tot zijn recht te laten komen is het noodzakelijk dat een krediet voldoende wordt onderbouwd. De onderbouwing dient aan de volgende criteria te voldoen: Aangegeven wordt waarvoor de investering is bestemd (nut en noodzaak). Aangegeven wordt, indien van toepassing, welke (afgeschreven) investering wordt vervangen. Aangegeven wordt welke afschrijvingsmethode (lineair of annuïtair) wordt toegepast De opbouw van het gevraagde krediet wordt gegeven (looptijd en fasering zodat indien nodig opgedeeld kan worden in deelkredieten). De structurele lasten (kapitaallasten, groot onderhoud en overige exploitatielasten) worden in beeld gebracht. Indien de afschrijvingstermijn afwijkt van de tabel afschrijvingstermijn wordt dit specifiek genoemd met een onderbouwing wat de reden hiervan is. De dekking van de structurele lasten wordt aangegeven (bijv. bestemmingsreserve, vervangingsinvesteringen). Sommige kredieten worden niet geheel besteed in het jaar waarin ze zijn gevoteerd. Dat betekent dat deze kredieten over de jaargrens heenlopen. Teneinde te voorkomen dat stuwmeren van kredieten ontstaan en dat daardoor een onduidelijk beeld bestaat van het budgetbeslag is het noodzakelijk om kaders te stellen. Bovendien dient goed bewaakt te worden dat beschikbare budgetten een relatie hebben met de beschikbare capaciteit in de organisatie. Niet benutte kredieten blijven in principe niet langer dan twee jaar na aanvraag openstaan. Voor verlenging van deze periode is aanvullende besluitvorming nodig door burgemeester en wethouders. Indien een krediet niet in zijn geheel wordt uitgegeven dan wordt het krediet afgeraamd en leidt dit tot lagere kapitaallasten. In de eerste en tweede bestuursrapportage doet het college voorstellen voor wijziging van de gevoteerde kredieten en bijstelling van het beleid. Bij een overschrijding van 10% van een beschikbaar gesteld krediet voor gelijksoortige investeringen met een minimum van € 25.000, wordt eerst gerapporteerd aan het college en vervolgens aan de raad middels een bestuursrapportage. Daarbij dient te worden aangegeven hoe in het tekort wordt voorzien Bij politiek en/of bestuurlijk gevoelige overschrijdingen wordt de raad actief geïnformeerd door middel van een collegebrief. 3.4 Meerjareninvesteringsplan Uitgangspunt 5: Een meerjareninvesteringsplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad. De uitvoering van het meerjareninvesteringsplan vindt plaats via separaat aan te vragen kredieten. In een meerjareninvesteringsplan staan nog te plegen nieuwe investeringen vermeld. Het betreft vooral investeringen in accommodaties (scholen, sport, sociaal-culturele centra e.d.). Het meerjareninvesteringsplan is bedoeld voor de bewaking van de planning en de voortgang van deze investeringen. De wijzigingen hebben dan vooral betrekking op de fasering van de investeringen die in het meerjareninvesteringsplan zijn opgenomen, en daarmee op de raming van de lasten in de meerjarenbegroting. Het meerjareninvesteringsplan wordt jaarlijks geactualiseerd bij het opstellen van de begroting. Onderdeel van de actualisering is de bijstelling van het prijsniveau. Het meerjareninvesteringsplan wordt, als onderdeel van de begroting, vastgesteld door de gemeenteraad. De lasten worden via stelposten verwerkt in de begroting. De uitvoering vindt plaats via, op de betreffende onderdelen, separaat aan te vragen kredieten. In het kredietvoorstel wordt een oordeel gegeven over de hoogte van de kapitaallasten en exploitatielasten in relatie tot de beschikbare stelpost. Na votering van het krediet en afronding van de investering, wordt de investering uit het meerjareninvesteringsplan overgeheveld naar de staat van activa en de komen de (kapitaal)lasten ten laste van de exploitatie of een bestemmingsreserve. 3.5 Voorbereidingskrediet Uitgangspunt 6: Indien de raad besluit tot beschikbaarstelling van het definitieve krediet, dan wordt een voorbereidingskrediet toegevoegd aan de investering. Uitgangspunt 7: Als de investering niet tot stand komt, dan wordt het voorbereidingskrediet in één keer afgeschreven ten laste van het resultaat. Voor grootschalige projecten, kan het noodzakelijk zijn om vooruitlopend op de votering van het krediet, reeds substantiële uitgaven te doen. Ten einde dergelijke voorbereidingskosten in beeld te houden en te beheersen, kan de raad een voorbereidingskrediet beschikbaar stellen. Op voorbereidingskredieten wordt niet afgeschreven. Als de raad besluit tot beschikbaarstelling van het definitieve krediet, dan wordt het voorbereidingskrediet toegevoegd aan de investering. Als de investering niet tot stand komt dan wordt het voorbereidingskrediet in één keer afgeschreven ten laste van het begrotingssaldo. 3.6 VERVANGINGSINVESTERINGEN 3.6.1 Algemeen In paragraaf 3.2 is het begrip vervangingsinvestering uitgelegd en zijn de verschillen belicht met gewone investeringen. In onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op de aanvraag van een vervangingsinvestering en het monitoren hiervan. 3.6.2 Lijst vervangingsinvesteringen Uitgangspunt 8: Van vervangingen groter of gelijk aan € 10.000 worden de kapitaallasten functioneel geraamd. Uitgangspunt 9: De initiële aanschaf van een bedrijfsmiddel dat opgenomen moet worden op de lijst van vervangingsinvesteringen wordt altijd voorgelegd aan het college van B&W. Een financieel instrument welke gebruikt dient te worden voor het monitoren en realiseren van vervanging is de lijst van vervangingsinvesteringen. In dit schema dient te worden vermeld, op welk moment een bestaand activum dient te worden vervangen en wat voor financiële maatregelen noodzakelijk zijn om, zonder een sterke uitschieter in de kosten, tot vervanging over te kunnen gaan. Dit schema dient eveneens inzicht te bieden in de voortschrijdende kapitaallasten en biedt daarmee een meerjarige vervangingsplan bedrijfsvoering. Criteria opname lijst van vervangingsinvesteringen Bij vervangingsinvesteringen gelden grotendeels dezelfde criteria als bij investeringen omtrent activering, afschrijvingstermijnen en delegatie van bevoegdheden. In het geval van opname op de lijst van vervangingsinvesteringen van vervanging van bedrijfsmiddelen gaat het ook het om een verkrijgings- cq vervaardigingsprijs van boven de € 10.000 gaan. Voor voorgenomen vervangingsinvesteringen van minimaal € 10.000 geldt dat de lasten in de begroting zijn opgenomen als kapitaallast vervangingsinvesteringen op de betreffende beleidsvelden. Software wordt voor 25% van de aanschafwaarde op de lijst van vervangingsinvesteringen opgenomen. Bij vervanging van software in enig jaar zal de behoefte organisatiebreed geïnventariseerd worden en zal een integrale afweging gemaakt. Gemeente Houten hanteert 25% van de aanschafwaarde omdat software tegenwoordig vooral via updates bijgehouden wordt. In eerdere tijden werden deze pakketten geheel vervangen. Moment van plaatsing op de lijst met vervangingsinvesteringen Om een ”nieuwe” vervangingsinvestering op de lijst en dus in de begroting te krijgen moet al bij de initiële aanschaf worden aangegeven of het een bedrijfsmiddel betreft dat periodiek vervangen zal moeten worden. De initiële aanschaf van een bedrijfsmiddel dat opgenomen moet worden op de lijst vervangingsinvesteringen wordt altijd voorgelegd aan het college van B&W. In de financiële paragraaf van het collegevoorstel wordt gemeld dat de investering moet worden opgenomen op de lijst vervangingsinvesteringen. Dit gebeurt feitelijk bij de eerstvolgende bestuursrapportage. Bij de beslispunten van het collegevoorstel wordt het volgende punt opgenomen: “De vervanging van de aanschaf van dit bedrijfsmiddel wordt voor het bedrag van € …… opgenomen op de lijst vervangingsinvesteringen met een afschrijvingstermijn van …. jaar en een eerste vervanging in het jaar ….. De lasten hiervan zullen in de eerstvolgende bestuursrapportage worden verwerkt.” Bij de verwerking van de bijgevoegde begrotingswijziging, dient een melding uit te gaan naar de beheerder van lijst van vervangingsinvesteringen zodat bij de eerstvolgende bestuursrapportage deze vervangingsinvestering wordt toegevoegd op de lijst met vervangingsinvesteringen. Mocht in de loop van de tijd blijken dat er een te vervangen bedrijfsmiddel ontbreekt op de lijst vervangingsinvesteringen dan zal dit via de reguliere bestuursrapportages moeten worden hersteld. Dit houdt in dat de afdeling via de aanlevering voor de bestuursrapportage een wijziging van de jaarlast aanvraagt. Hierbij is het noodzakelijk dat het aanschafbedrag, de afschrijvingstermijn en het jaar van eerstvolgende vervanging wordt vermeld. Na goedkeuring door de raad van de bestuursrapportage zal de betreffende kapitaallast vervangingsinvesteringen aangepast worden. Waardestijging activum Een belangrijk aspect dat bij vervanging een rol speelt is de stijging van de waarde van een activum in de tijd. Na verloop van tijd is het activum niet meer aan te schaffen of te vervaardigen voor de in het verleden betaalde prijs. Dit houdt expliciet in, dat de huidige kapitaallasten niet voldoende zullen zijn voor de dekking bij daadwerkelijke vervanging. Jaarlijks vindt bij het opstellen van de primitieve begroting indexering plaats van de aanschafprijzen met de percentages zoals die worden vastgesteld in de begrotingsrichtlijnen. De vakgroep bedrijfsvoering draagt er zorg voor dat dit in de spreadsheet waarin de vervangingsinvesteringen worden bijgehouden jaarlijks wordt aangepast. Tussentijdse aanpassingen van de aanschafwaarden moeten worden gemeld bij de bestuursrapportages. 3.6.3 Actueel houden lijst vervangingsinvesteringen Zoals in paragraaf 3.2 al is opgemerkt worden alleen vervangingsinvesteringen gedaan die noodzakelijk zijn. Bij de eerste en/of de tweede bestuursrapportage van het lopende jaar wordt een afweging gemaakt tot het wel of niet vervangen conform de (financiële) planning. De budgethouder beargumenteert waarom een vervanging noodzakelijk is op het moment dat de economische levensduur van het activum verstreken is. Indien in het lopende begrotingsjaar wordt besloten tot vervanging van het bedrijfsmiddel over te gaan moet een en ander financieel afgewikkeld worden en wordt tot aanschaf overgegaan. Zie acties bij paragraaf 2.6.4. Als de budgethouder bij de bestuursrapportage aangeeft dat de vervanging niet plaatsvindt in een bepaald jaar maar wel op een ander moment, dan blijft het item op de vervangingslijst staan, maar het jaartal van de vervanging wordt opgeschoven naar het jaar waarop de vervanging wel zal plaatsvinden. Hierdoor wijzigt de omvang van de jaarlast voor de toekomstige jaren. Het incidenteel vrijgevallen bedrag (ten bedrage van de kapitaallasten en voor maximaal een aantal jaren) valt vrij ten gunste van de algemene middelen. Als tijdens het lopende begrotingsjaar wordt geconstateerd dat geplande vervangingsinvesteringen voor latere jaren vervroegd zullen worden, dan moet dit nieuwe inzicht worden aangegeven bij de eerstvolgende bestuursrapportage. Het totale budget van vervangingsinvesteringen in het betreffende jaar is daarbij taakstellend. In de lijst van vervangingsinvesteringen wordt het jaartal van aanschaf aangepast. Hierdoor wijzigt de omvang van de kapitaallast vervangingsinvesteringen in de komende jaren. Als de vervanging helemaal niet meer noodzakelijk is, wordt het item verwijderd uit de lijst van vervangingsinvesteringen en wordt de vrijkomende ruimte structureel toegevoegd aan het begrotingssaldo 3.6.4 Aanvraag vervangingsinvestering Uitgangspunt 10: De raad autoriseert bij de vaststelling van de begroting een lijst van de te verwachten vervangingsinvesteringen. De uitgevoerde vervangingsinvesteringen worden vervolgens bij de eerstvolgende bestuursrapportage verantwoord Uitgangspunt 11: Afwijkingen van de door de raad geautoriseerde lijst vervangingsinvesteringen worden gemeld bij de eerstvolgende bestuursrapportage Uitgangspunt 12: Bij afwijkingen per vervanging vanaf € 25.000 moet men eerst naar de raad ter goedkeuring. Voordat er daadwerkelijk tot aanschaf kan worden overgegaan, zijn een aantal acties noodzakelijk: De raad heeft bij de vaststelling van de begroting een lijst van te verwachten vervangingsinvesteringen geautoriseerd. De uitgevoerde vervangingsinvesteringen worden vervolgens bij de eerstvolgende bestuursrapportage verantwoord. De vervangingslijst wordt hierop aangepast. Indien het voor de specifieke vervangingsinvestering opgenomen bedrag niet toereikend is, is goedkeuring van de raad nodig. Deze goedkeuring kan achteraf plaatsvinden bij bedragen tot € 25.000 en moet vooraf plaatsvinden indien het om een aanschafbedrag gaat vanaf € 25.000 conform delegatiebesluit. Het gaat hier om het niet gedekte deel van het aanschafbedrag. In deze gevallen wordt in de beslispunten voor het college opgenomen dat de verwerking van de extra lasten plaatsvindt bij de eerstvolgende bestuursrapportage. Daarnaast dient, bij een ontoereikend deel vanaf € 25.000, in het collegevoorstel als beslispunt te worden opgenomen dat de afdeling vooruitlopend op het raadsbesluit tot het verrichten van uitgaven mag overgaan. Bij politiek en/of bestuurlijk gevoelige overschrijdingen wordt de raad actief geïnformeerd door middel van een collegebrief. In de eerstvolgende bestuursrapportage zal op hoofdlijnen melding worden gemaakt van de overschrijding van de betreffende jaartranche met betrekking tot de vervangingsinvesteringen. Het is van belang dat de aanschaf zo snel mogelijk na goedkeuring plaatsvindt. In ieder geval in hetzelfde kalenderjaar en dat (bij vervangingsinvestering vanaf € 10.000) het kredietnummer wordt afgesloten. Dit om te voorkomen dat er financiële knelpunten ontstaan. Deze knelpunten ontstaan namelijk als het kredietnummer later wordt afgesloten dan dat de planning was. De kapitaallasten komen dan ook later ten laste van de exploitatie en daarmee worden de lasten naar latere jaren geschoven. Als de vervangingsinvestering aan het einde van het jaar niet heeft plaatsgevonden terwijl dit wel het voornemen was, wordt dit verklaard in de jaarrekening bij het betreffende beleidsveld. Het gevolg van niet-vervangen is dat de lijst van vervangingsinvesteringen met de daarbij behorende kapitaallasten voor de komende jaren niet meer actueel is. Dit wordt in de eerste bestuursrapportage van het volgende jaar door de afdeling aangegeven en door de vakgroep bedrijfsvoering verwerkt. 4 ACTIVEREN 4.1 Soorten activa Op de balans worden de activa onderscheiden in de vaste en de vlottende activa. Investeringen worden verantwoord onder de vaste activa. Het BBV hanteert de volgende soorten vaste activa: immateriële vaste activa materiële vaste activa financiële vaste activa 4.1.1 Immateriële vaste activa Uitgangspunt 13: De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio worden lineair afgeschreven gedurende de periode gelijk aan de looptijd van de betreffende geldlening. Uitgangspunt 14: Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in maximaal 5 jaar afgeschreven. Uitgangspunt 15: Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd, indien aan de voorwaarden wordt voldaan De immateriële vaste activa bestaan volgens artikel 34 van het BBV uit: kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief bijdrage in activa in eigendom van derden Kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio Voor kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen geldt een lineaire afschrijving met een maximale afschrijvingsduur van de looptijd van de lening. Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief Kosten van onderzoek en ontwikkeling moeten in maximaal 5 jaar worden afgeschreven en er moet zijn voldaan aan de voorwaarden in artikel 60 van het BBV, te weten: er bestaat een voornemen het actief te gebruiken of te verkopen; de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien staat vast; het actief zal in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereren; de uitgaven die toe te rekenen zijn aan het actief kunnen betrouwbaar worden vastgesteld. Bijdrage in activa in eigendom van derden In artikel 61 van het BBV worden strenge voorwaarden gesteld aan het mogen activeren van bijdragen aan activa in eigendom van derden. Indien aan één of meerdere van deze voorwaarden niet wordt voldaan, mag niet geactiveerd worden. Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd, indien: er sprake is van een investering door een derde; de investering bijdraagt aan de publieke taak; de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en; de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie onderscheidenlijk gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. 4.1.2 Materiële vaste activa Volgens artikel 35 van het BBV bestaan er drie soorten materiële vaste activa: investeringen met een economisch nut; investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Deze investeringen moeten volgens artikel 59 lid 1 van het BBV worden geactiveerd en herkenbaar worden opgenomen op de balans van de gemeente. Een uitzondering wordt gemaakt voor kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde, zoals een schilderij van een beroemd kunstenaar. Deze worden niet geactiveerd. Het vernieuwde BBV heeft in het kader van de uniformiteit, transparantie en vergelijkbaarheid tussen gemeenten, het zogenaamde netto activeren verplicht gesteld. Dit houdt in dat eventuele bijdragen van derden in aftrek moeten worden gebracht op de investering. Investeringen met economisch nut Dit zijn de investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/ of verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in gebouwen, vervoermiddelen, installaties, automatisering en ook investeringen in afvalstoffenverzameling en riolering. Deze laatste investeringen vallen onder de categorie investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven. Het gaat bij economisch nut nadrukkelijk om de mogelijkheid middelen te verwerven. De gemeente kan er zelf voor kiezen om ergens geen of geen kostendekkend tarief te rekenen, maar die keuze is niet van invloed op de vraag of het actief economisch nut heeft en moet worden geactiveerd. Eenzelfde redenering geldt voor de verhandelbaarheid. In november 2014 is een Notitie riolering uitgebracht door de commissie BBV. Als gevolg van deze notitie worden spaarbedragen uit de inkomsten rioolheffing, die opgenomen worden in de artikel 44.1d voorziening, in mindering gebracht op de geactiveerde investering. De commissie ziet de uit de ontvangen heffingen gespaarde bedragen als bijdragen van derden die in mindering moeten worden gebracht op de investering. Uitgangspunt 16: Voor afvalstoffenheffing en rioolheffing geldt een kostendekkend tarief Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut Dit betreft investeringen in de openbare ruimte, zoals wegen, bruggen en openbaar groen. Deze investeringen genereren geen middelen en er is geen markt voor. Het vernieuwde BBV bepaalt in artikel 59 lid 1 dat er geen keuze meer is om deze investeringen wel of niet te activeren. Ook investeringen met een maatschappelijk nut moeten worden geactiveerd. Uitganspunt 17: Materiele vaste activa met een maatschappelijk nut moeten met ingang van 2017 worden geactiveerd. 4.1.3 Financiële vaste activa In artikel 36 van het BBV staat dat in de balans onder de financiële vaste activa afzonderlijk moeten worden opgenomen: kapitaalverstrekkingen aan: deelnemingen; gemeenschappelijke regelingen; overige verbonden partijen; leningen aan: openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden; woningbouwcorporaties; deelnemingen; overige verbonden partijen; overige langlopende leningen; uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer; uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer; overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer. 4.2 Niet activeerbare kosten In de (toelichting op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.