Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze 2018Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1 Inleiding 2 Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen 3 Artikel 1 Begripsbepalingen 3 Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag 4 Artikel 2 Melding 4 Artikel 3 Spoedprocedure 4 Artikel 4 Cliëntondersteuning 4 Artikel 5 Algemene voorzieningen 4 Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening 5 Artikel 6 Beschikking huishoudelijke verzorging 5 Artikel 7 Sportvoorzieningen als maatwerk 5 Artikel 8 Persoonsgebonden budget (Pgb) en 8a Financiële tegemoetkoming 5 Artikel 9 Uitsluitingsgronden Persoonsgebonden budget (Pgb) 6 Artikel 10 De hoogte van het Persoonsgebonden budget 6 Artikel 11 Kwaliteitseisen Persoonsgebonden budget 6 Artikel 12 Verantwoording van het Persoonsgebonden budget 7 Artikel 13 Bijdragen in de kosten 7 Hoofdstuk 4 Mantelzorgwaardering 8 Artikel 14 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 8 Hoofdstuk 6 Kwaliteit, inspraak en slotbepalingen 9 Artikel 15 Reële kostprijs bij diensten van derden 10 Artikel 16 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 10 Artikel 17 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 10 Artikel 18 Inwerkingtreding 10 Artikel 19 Intrekking oude regels en besluit 10 Artikel 20 Citeertitel 10 Toelichting Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning 2018 10 BIJLAGE 1 Regeling Huishoudelijke verzorging en procedure 15 BIJLAGE 2 Visie voor sportvoorzieningen als maatwerk 22 BIJLAGE 3 Voorbeeld ondersteuningsplan HV 24 Inleiding Deze nadere regels vormen een nadere uitwerking van de Verordening Wmo Bernheze 2018 en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en zijn hiermee onlosmakelijk verbonden. In de Verordening Wmo Bernheze 2018 is opgenomen dat het college op een aantal onderdelen nadere regels kan stellen. Dit document bevat deze nadere regels. Daarnaast bevat dit document een aantal bijlagen, bijvoorbeeld over Huishoudelijke Verzorging, waarin het college aangeeft hoe zij invulling geeft aan het verstrekken van een dergelijke maatwerkvoorziening. Hoofdstuk1Begripsbepalingen Artikel1Begripsbepalingen Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de Wet; Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2. eerste lid van de wet; Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet; Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en o in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel o zal staan ingeschreven; dan wel o het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet; Melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet: Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid van de Wet Wmo. Het college bevestigt de ontvangst van de melding; Onderzoek: het onderzoek zoals bedoeld in artikel 7 van de Verordening Ondersteuningsplan Huishoudelijke Verzorging: Het plan, opgesteld overeenkomstig het format in bijlage 3, waarmee door de zorgaanbieder, in overleg met de cliënt, de door cliënt benodigde Huishoudelijke verzorging in kaart wordt gebracht, en dat de input vormt voor de toekenning van Huishoudelijke verzorging. Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de Wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; Persoonsgebonden budget (Pgb): een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet; Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt Voorliggende voorziening: al hetgeen tegemoetkomt aan de hulpvraag, al dan niet wettelijk, en voorgaat op een verstrekking van een maatwerkvoorziening; Verordening; Verordening Wet Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Bernheze 2018 Ingezetene: cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Alle begrippen die in deze Nadere Regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze 2018. Hoofdstuk2Procedure melding, onderzoek en aanvraag Artikel2Melding 1.Een melding zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening is een verzoek waarin wordt gevraagd om maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wet. 2.Na ontvangst van de melding wordt uiterlijk binnen 10 werkdagen een afspraak voor een gesprek gemaakt. Het gesprek dan wel onderzoek vindt zo spoedig mogelijk plaats, doch uiterlijk binnen de wettelijke termijn van 6 weken. Artikel3Spoedprocedure 1.Als er een melding wordt gemaakt van een situatie waarin direct maatschappelijke ondersteuning nodig is, wordt, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek, een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekt. 2.Gedurende deze periode wordt, indien er langer ondersteuning wordt gevraagd, het onderzoek uitgevoerd om zodoende te komen tot een definitief besluit over het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening. Artikel4Cliëntondersteuning 1.Het College informeert de cliënt over de mogelijkheid van cliëntondersteuning en waar deze verkregen kan worden. 2.Voor het onderzoek kan cliëntondersteuning ingezet worden om informatie en advies te geven en daarmee bij te dragen aan verheldering van de hulpvraag. 3.Als cliëntondersteuning heeft plaatsgevonden worden de resultaten hiervan meegenomen in het onderzoek. Artikel5Algemene voorzieningen Onder een algemene voorziening zoals bedoeld in de Wet, wordt in ieder geval doch niet limitatief verstaan: de Regiotaxi, voor zover het openbaar vervoer betreft; laagdrempelige inloopvoorzieningen. Hoofdstuk3Maatwerkvoorziening Artikel6Beschikking huishoudelijke verzorging 1.De met inzet van Huishoudelijke Verzorging te behalen resultaten zijn uitgewerkt in de Regeling Huishoudelijke verzorging, die zijn opgenomen in bijlage 1 2.Het ondersteuningsplan wordt opgesteld overeenkomstig het format in bijlage 3 en de procedure in bijlage 1 en wordt onderdeel gemaakt van de toekenning van Huishoudelijke Verzorging. Artikel7Sportvoorzieningen als maatwerk Het college biedt mogelijkheden voor de verstrekking van sporthulpmiddelen of andere sportvoorzieningen aan mensen met beperkingen. In bijlage 2 van deze nadere regels is een visie voor de verstrekking van sportvoorzieningen als maatwerk opgenomen. Artikel8Persoonsgebonden budget (Pgb) Aan het verstrekken van een Persoonsgebonden budget (Pgb) zijn, naast de verplichtingen en voorwaarden zoals vermeld in artikel 2.3.6. van de Wet en artikel 11 van de Verordening de volgende aanvullende voorwaarden verbonden: De cliënt dient een gemotiveerd verzoek in om voor een Persoonsgebonden budget in aanmerking te komen De cliënt dient schriftelijke afspraken met de aanbieder te maken, waaruit in ieder geval blijkt dat het Persoonsgebonden budget veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt besteed. In artikel 11 is dit nader uitgewerkt. De afspraken dienen in een zorgovereenkomst te worden opgenomen Bij het verstrekken van een Persoonsgebonden budget voor inzet van hulp vanuit het sociale netwerk moet tijdens het onderzoek door de cliënt worden aangetoond dat er sprake is van overstijging van de gebruikelijke hulp. Artikel8aFinanciële tegemoetkoming 1.Indien cliënt in aanmerking komt voor een sportvoorziening, of een voorziening voor verhuizing en (her)inrichting, dan wordt deze verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming. 2.Om de hoogte van deze financiële tegemoetkoming te kunnen bepalen overlegt de cliënt tenminste 2 offertes. Het College kan bij de beoordeling van de offerte voor verhuiskosten de richtlijnen van het NIBUD hanteren. 3.Aan de toekenning van de financiële tegemoetkoming kunnen in de toekenningsbeschikking nadere voorwaarden worden verbonden. 4.De financiële tegemoetkoming moet door cliënt binnen een jaar na toekenning worden besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt. 5.De financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening wordt niet vaker dan eens per drie kalenderjaren verstrekt. 6.De cliënt dient de besteding van de financiële tegemoetkoming desgevraagd te verantwoorden middels verstrekking van betalingsbewijzen. 7.Het college kan een beslissing tot toekenning van een financiële tegemoetkoming herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Het college kan in die situatie de financiële tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Artikel9Uitsluitingsgronden Persoonsgebonden budget (Pgb) Naast de algemene uitsluitingsgronden voor een maatwerkvoorziening en de verplichtingen en voorwaarden zoals vermeld in artikel 11 lid 3 van de Verordening, gelden ten aanzien van het Persoonsgebonden budget de volgende specifieke uitsluitingsgronden: Indien de inschatting is dat de cliënt niet in staat is om zelf, om met behulp van zijn sociale omgeving, de besteding van het Persoonsgebonden budget of de verantwoording hiervoor te verzorgen. Indien de cliënt bij een eerder toegekende Persoonsgebonden budget zich niet aan de geldende regels en verantwoordelijkheden heeft gehouden en als dit verwijtbaar is. Er sprake is van een maatwerkvoorziening die naar verwachting binnen een kort tijdsbestek vervangen moet worden door een andere maatwerkvoorziening Artikel10De hoogte van het Persoonsgebonden budget Naast de in artikel 11 lid 1 van de Verordening opgenomen bepalingen ten aanzien van de hoogte van het Persoonsgebonden budget gelden de volgende aanvullende bepalingen: In alle gevallen geldt dat het Persoonsgebonden budget toereikend moet zijn om de benodigde ondersteuning in te kunnen kopen. Het college hanteert bij het vaststellen van de hoogte van het Persoonsgebonden budget maximaal het tarief dat bij aanbesteding en gunning aan de zorgaanbieders tot stand is gekomen voor de desbetreffende geïndiceerde categorie. Om de hoogte van het Persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding of een sportvoorziening te kunnen bepalen, overlegt de cliënt tenminste 2 offertes. Het College kan bij de beoordeling van de offerte voor verhuiskosten de richtlijnen van het NIBUD hanteren. De hoogte van het Persoonsgebonden budget is een bruto budget. Artikel11Kwaliteitseisen Persoonsgebonden budget Ter borging van de kwaliteit van de geleverde maatwerkvoorziening in de vorm van een Persoonsgebonden budget, gelden de volgende voorwaarden: De cliënt maakt met de aanbieder van welke hij de maatwerkvoorziening inkoopt, schriftelijke afspraken over de kwaliteit en legt deze vast in het Pgb-plan. Ten aanzien van de kwaliteit geldt dat een persoonsgebonden budget alleen wordt verstrekt indien de maatwerkvoorziening: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt gerealiseerd; is afgestemd op de persoonlijke situatie en behoeften van de cliënt en zijn omgeving; is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg, waaronder informele zorg; wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren; voldoet aan alle eisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Ten aanzien van de maatwerkvoorziening geldt dat: een bewindvoerder niet als vertegenwoordiger kan worden aangemerkt indien hij uitsluitend zorgt voor de financiële regievoering van een cliënt; het een cliënt niet is toegestaan de regie over het persoonsgebonden budget uit te besteden aan dezelfde organisatie of persoon die de maatwerkvoorziening levert. Indien de maatwerkvoorziening, niet zijnde een hulpmiddel of woningaanpassing, wordt uitgevoerd door een andere zorgaanbieder dan een persoon uit het sociaal netwerk, gelden naast de eisen op grond van het tweede en derde lid de volgende specifieke eisen: de cliënt en de aanbieder maken gebruik van een Pgb-plan waarin doelen, afspraken en evaluatiemomenten worden vastgelegd. Het plan is afgestemd op door het college gestelde doelen en evaluatiemomenten. Uit het plan blijkt de betrokkenheid van de cliënt en het sociaal netwerk; de aanbieder werkt aantoonbaar aan kwaliteitsverbetering en doet op verzoek verslag aan het college van de voortgang van de ondersteuning; er wordt gebruik gemaakt van een meldcode waarin wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden; de aanbieder meldt iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de levering van de voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar van de GGD Hart van Brabant; de medewerkers en niet-incidentele vrijwilligers die ingezet worden bij de maatwerkvoorziening beschikken over een Verklaring omtrent gedrag (VOG) voor natuurlijke personen die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop deze persoon voor de organisatie of ondernemer ging werken; de aanbieder houdt een klachtensysteem bij en neemt indien nodig aantoonbaar maatregelen. Indien de maatwerkvoorziening, niet zijnde een hulpmiddel of woningaanpassing, wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk, gelden naast de eisen op grond van het tweede en derde lid de volgende specifieke eisen: de cliënt en de persoon die de maatwerkvoorziening uitvoert, maken gebruik van een Pgb-plan waarin doelen, afspraken en evaluatiemomenten worden vastgelegd. Het plan is afgestemd op door het college gestelde doelen en evaluatiemomenten. Uit het plan blijkt de betrokkenheid van de cliënt en het sociaal netwerk; de persoon die de maatwerkvoorziening uitvoert doet op verzoek verslag aan het college van de voortgang van de ondersteuning; de persoon die de maatwerkvoorziening uitvoert meldt iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar van de GGD Hart van Brabant; indien het college dit nodig acht in het kader van de veiligheid van de te leveren maatwerkvoorziening, kan het college bepalen dat de persoon die de maatwerkvoorziening uitvoert beschikt over een VOG voor natuurlijke personen die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop deze persoon is gestart met het uitvoeren van de maatwerkvoorziening. Het college kan periodiek onderzoek doen naar de voortgang van de resultaten en kwaliteit van de maatwerkvoorziening. Bij een Persoonsgebonden budget hoger dan € 25.000, of een lager budget wanneer dat wenselijk geacht wordt, wint het college zo nodig een aanvullend advies in van een inhoudelijk deskundige over het Pgb-plan en/of de uitvoering daarvan. De kwaliteitseisen worden in de beschikking vastgelegd. Artikel12Verantwoording van het Persoonsgebonden budget 1.Naast de taken in het kader van de handhaving door de SVB, kan het college een aanvullende controle uitvoeren op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van het Persoonsgebonden budget. 2.In de beschikking wordt opgenomen aan welke verantwoordingseisen voldaan moet worden. Artikel13Bijdragen in de kosten Op grond van artikel 16 lid 8 van de Verordening stelt het college de kostprijs voor de volgende maatwerkvoorzieningen vast op: € 23,11 per uur geleverde huishoudelijke verzorging geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder. voor hulpmiddelen hanteren we de kostprijs van Welzorg zoals gehanteerd op de laatste dag van het contract (31 maart 2018). Hoofdstuk4Mantelzorgwaardering Artikel14Jaarlijkse waardering mantelzorgers Met toepassing van artikel 23 van de Verordening, belegt het college de waardering van mantelzorgers integraal bij een aanbieder die ook mantelzorgondersteuning biedt. De jaarlijkse waardering van mantelzorgers vindt plaats in natura en krijgt invulling conform de wettelijke vereisten. Met de aanbieder wordt afgestemd hoe de waardering vorm krijgt. Hoofdstuk5Kwaliteit, inspraak en slotbepalingen Artikel15Reële kostprijs bij diensten van derden Bij een inschrijving door een derde, zoals bedoeld in artikel 18 lid 1 van de Verordening, wordt aan deze derde de eis gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid van dat artikel. Artikel16Meldingsregeling calamiteiten en geweld Met inachtneming van artikel 19 van de Verordening kunnen naast de aanbieders ook anderen een calamiteit en/of geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de levering van een voorziening, melden aan de toezichthoudend ambtenaar. Artikel17Betrekken van ingezetenen bij het beleid Het betrekken van inwoners bij het beleid, zoals bedoeld in artikel 22 van de Verordening, verloopt via de Adviesraad Sociaal Domein. Afspraken met de Adviesraad hierover zijn vastgelegd in het Convenant Adviesraad Sociaal Domein gemeente Bernheze 2017. Artikel18Inwerkingtreding Deze “Nadere Regels” treden met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2018, tenzij dit in het individuele geval in het nadeel van de cliënt is. Artikel19Intrekking oude regels en besluit De Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning 2016 gemeente Bernheze worden met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken. Artikel20Citeertitel Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als “Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze2018”. Deze nadere regels dienen in samenhang te worden gezien met de Verordening en de toelichting daarop als uitvloeisel van de Wet. BIJLAGE 1 Regeling Huishoudelijke verzorging (HV) en procedure Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden (hierna: huishoudelijke verzorging) is aan de orde als er beperkingen zijn bij het voeren van een gestructureerd huishouden. Dat kan zich uiten door (dreigende) vervuiling van de woning of van kleding doordat de cliënt het huishouden niet meer (voldoende) zelf kan doen, maar ook doordat de cliënt niet in staat is voor zichzelf maaltijden te bereiden of boodschappen te doen. In noodsituaties (bijvoorbeeld plotselinge uitval van de moeder door ziekenhuisopname) kan binnen dit resultaatgebied ondersteuning worden geboden voor de verzorging van minderjarige kinderen. Hulp bij huishouden op onderstaande resultaten wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen die cliënt hierbij ondervindt kunnen voorkomen of oplossen. In de dagelijkse praktijk betekent dit dat, waar dat mogelijk is, cliënt, de leefeenheid of het netwerk de huishoudelijke werkzaamheden (blijven) uitvoeren. Aanvullend hierop wordt ondersteuning bij het huishouden geboden. Van een cliënt wordt medewerking gevraagd om deze ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat van de betrokkene mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de wijze waarop de woning is ingericht. Uiteraard mag de cliënt de woning gezellig maken door het plaatsen van persoonlijke zaken, beeldjes etc. Als de woning hier vol mee staat, belemmert dit echter de voortgang van de werkzaamheden. Dit kan betekenen dat de cliënt gevraagd wordt voor de komst van de hulp de spulletjes alvast van het dressoir of de tafel te halen en later weer terug te plaatsen. Of dat er wat spullen worden opgeruimd. Cliënt kan ervoor kiezen dit niet te doen, maar dat kan effect hebben op de wijze waarop bijvoorbeeld wordt gestoft. 1. Inhoud resultaatgebied Het gaat bij huishoudelijke verzorging om de volgende resultaten: het huis is schoon en leefbaar; de cliënt beschikt over schone en draagbare kleding; de cliënt beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden; er wordt thuis gezorgd voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren; er is sprake van regie over het doen van het huishouden. Binnen de resultaten onderscheiden we diverse HV-activiteiten waarop de huishoudelijke verzorging gericht kan zijn. Per individuele situatie wordt bekeken bij welke huishoudelijke taken ondersteuning nodig is en op welke wijze wordt bijgedragen aan het voeren van een gestructureerd huishouden. Resultaat; het huis is schoon en leefbaar Zwaar huishoudelijk werk; stofzuigen, ramen wassen (binnenzijde), reinigen van vloeren, keuken en sanitair, bed(den) verschonen en opruimen huishoudelijk afval. Licht huishoudelijk werk; afstoffen, afwassen (als er geen maaltijdbereiding is geïndiceerd), opruimen en bed opmaken. Resultaat; de cliënt beschikt over schone en draagbare kleding De was doen; sorteren en wassen van de kleding en linnengoed, het drogen in de wasdroger, opvouwen en opbergen. Strijken van bovenkleding. Resultaat; de cliënt beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden Het beschikken over de noodzakelijke producten voor levensonderhoud, het schoonhouden van de woning en de persoonlijke verzorging (boodschappen doen); samenstellen boodschappenlijst, inkopen en opruimen van de boodschappen. Broodmaaltijd bereiden en warme maaltijd bereiden; bereiden van de maaltijd, dekken en afruimen van de tafel, koffie en thee zetten, afwassen of een maaltijd opwarmen. Resultaat; er wordt thuis gezorgd voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren §Anderen helpen bij de zelfverzorging en de maaltijden; uit bed halen/naar bed brengen, wassen, douchen, aankleden en eten en drinken. Bij baby’s omvat het ook het verschonen van luiers en het voeden. Resultaat; er is sprake van regie over het doen van het huishouden Dagelijkse organisatie van het huishouden; ondersteuning bij de organisatie van de huishoudelijke activiteiten en het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden, alsook het verkrijgen van structuur hierbij. Advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden; instructie/aanleren hoe en wanneer je huishoudelijke activiteiten uitvoert, instructie/aanleren om de huishoudelijke activiteiten te plannen, instructie/aanleren de middelen te beheren in relatie tot de huishoudelijke activiteiten. 2. Frequentie uitvoering ondersteuning Het aangeven van een vaste, objectieve frequentie voor de uit te voeren werkzaamheden is niet mogelijk. Enerzijds is er geen vaste objectieve norm voor de frequentie waarmee bijvoorbeeld een huis schoongemaakt moet worden, hooguit van een indicatieve norm. Anderzijds is de frequentie ook sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden van de cliënt. Met andere woorden: ten aanzien van de frequentie van de ondersteuning is maatwerk en flexibiliteit noodzakelijk. De frequentie is bijvoorbeeld afhankelijk van: wat een cliënt of zijn netwerk zelf nog kan of geleerd kan worden; wat de aard van de beperkingen van de cliënt is; of er verzwarende omstandigheden zijn bij de persoon (bijvoorbeeld dementie, psychische problemen, bedlegerigheid); in hoeverre er sprake is van algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen waar de cliënt gebruik van kan maken; wat de grootte van het huishouden is; en kan wijzigen of variëren, bijvoorbeeld door: veranderingen in omstandigheden die betrekking hebben op de belastbaarheid binnen het gezin; huishoudelijke werkzaamheden in de directe leefruimten van cliënt die incidenteel (bijvoorbeeld tweejaarlijks) worden gedaan naast de reguliere wekelijkse of tweewekelijkse werkzaamheden. De frequenties die bij elk resultaatgebied staan beschreven, zijn daarom richtlijnen, maar per cliënt zal bekeken moeten worden of hiervan afgeweken moet of kan worden. Daarbij kan de zorgaanbieder ook de efficiëntie van de inrichting van de ondersteuning betrekken. 3. Uitwerking resultaatgebied Schoon en leefbaar huis Kern van het te bereiken resultaat Een schoon en leefbaar huis wil zeggen dat een cliënt kan beschikken over een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Dat wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat deze vertrekken niet vervuilen en met het oog daarop periodiek schoongemaakt worden om zo een naar algemeen aanvaarde maatstaven verantwoord basisniveau van ‘schoon en hygiënisch’ te realiseren. Hiermee wordt het te behalen eindresultaat in afdoende mate kwalitatief genormeerd geacht. Voor een bij de frequentie van de werkzaamheden in acht te nemen kwantitatieve normering wordt verwezen naar het hierop volgende onderdeel Frequentie van de werkzaamheden. Het gaat bij dit resultaatgebied overigens alleen om de binnenruimte van de woning. De buitenruimte, waaronder ook het zemen van de ramen aan de buitenzijde of het tuinonderhoud, valt niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied. Werkzaamheden in huis die niet noodzakelijk zijn om de ruimtes waarin geleefd wordt schoon en hygiënisch te houden, zoals het in de was zetten van vloeren en meubilair, het schoonmaken van vliering of berging of het poetsen van zilver, vallen niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied. Niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied behoren: de verzorging van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren); het schoonhouden van ruimtes die hierboven niet zijn genoemd, zoals een vliering of garage of andere ruimten die niet als leefruimte in gebruik zijn. Frequentie van de werkzaamheden De werkzaamheden kunnen worden onderscheiden in activiteiten die wekelijks/tweewekelijks of met een lagere frequentie (bijvoorbeeld maandelijks, 1x per kwartaal of jaar) hoeven te worden gedaan. Activiteiten die wekelijks of tweewekelijks moeten worden gedaan: het schoonmaken van de keuken (aanrecht, gootsteen, kookplaat, vloer), badkamer en toilet(ten); het stoffen, opruimen, stofzuigen en eventueel reinigen van de gang, eventuele trap naar de slaapetage, woonkamer en als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes; het verschonen van de bedden. Activiteiten die met een lagere frequentie worden gedaan: het schoonmaken van de keukenkastjes (incl. bovenkant en binnenzijde), oven, afzuigkap en de koelkast/vriezer; het afnemen van lamellen, radiatoren en deuren/deurposten; het afnemen van tegelwanden in badkamer en toilet; het zemen van de ramen aan de binnenzijde. Aspecten die bij dit resultaatgebied en de frequentie van werkzaamheden een rol spelen Samen met de cliënt wordt bekeken of deze nog in staat is om onderdelen van het schoonmaken zelf uit te voeren, zoals het uitvoeren van lichte werkzaamheden (bijvoorbeeld stoffen, afwassen, met vochtige reinigingsdoekjes schoonmaken van het toilet of met statische stofdoeken reinigen van harde vloerbedekking). Daarbij kan ook een rol spelen of cliënt dat bijvoorbeeld alleen op lichaamshoogte kan doen, of ook laag of hoog. Ook wordt gekeken of aanpassing van de inrichting/stoffering kan bijdragen aan het makkelijker schoonhouden van de woning. Hierbij worden de (financiële) mogelijkheden en individuele situatie van de cliënt meegewogen. Van de cliënt wordt binnen zijn mogelijkheden gevraagd om werkzaamheden te (blijven) uitvoeren en in ieder geval de woning op te ruimen, zodat het schoonmaken efficiënter gebeurt. Als cliënt regie kan voeren over het huishouden, mag van hem/haar tevens worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en er keuzes worden gemaakt. Bij de frequentie van werkzaamheden kunnen, naast bovengenoemde zaken, ook bijvoorbeeld een rol spelen: of cliënt COPD of allergieën heeft waardoor een hoger niveau van hygiëne nodig is; de gezinssamenstelling, waaronder de aanwezigheid van jonge kinderen; of cliënt bedlegerig is waardoor het bed eventueel vaker verschoond moet worden, maar andere werkzaamheden eventueel minder frequent kunnen gebeuren. De aanbieder die de (aanvullende) ondersteuning op dit resultaatgebied levert, kan de uitvoering van de werkzaamheden laten plaatsvinden door een professionele hulp en/of deze op andere wijze organiseren. Voorbeelden van dit laatste zijn onder andere inzet van een glazenwasservice of (tussentijds) gebruik van een robotstofzuiger. 4. Uitwerking resultaatgebied Schone en draagbare kleding Kern van het te bereiken resultaat Dit resultaatgebied omvat twee resultaten: cliënt beschikt over gewassen kleding en beddengoed; cliënt beschikt over gestreken bovenkleding. Onder a wordt verstaan: het wassen van de kleding; het drogen van de was; het opvouwen van de was; het in de kast opbergen van de was. Onderdeel b omvat het strijken van de bovenkleding. Voor het strijken van onderkleding of het bedden- en linnengoed is geen ondersteuning mogelijk. Frequentie van de werkzaamheden De frequentie van de werkzaamheden is afhankelijk van diverse factoren: de grootte van het huishouden; is er sprake van bedlegerigheid; is er sprake van extra vervuiling als gevolg van de beperkingen van de cliënt, zoals incontinentie. Leidend is de hoeveelheid was die de cliënt normaal gesproken heeft. Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van werkzaamheden een rol spelen Een professionele ondersteuner kan ervoor kiezen de was bij de cliënt thuis te doen of deze te laten doen bij een wasservice. De kosten van de wasmiddelen en de aanschaf en het gebruik van de apparatuur voor was en strijk komen voor rekening van de cliënt. Niet altijd hoeft voor alle onderdelen (volledig) ondersteuning geboden te worden. Aangenomen wordt dat in elk huishouden een wasdroger aanwezig is waardoor het ophangen en afhalen van de was niet of nauwelijks noodzakelijk is. Mocht er geen wasdroger aanwezig zijn en de financiële situatie leent zich er niet voor een aan te schaffen, dan kan het ophangen en afhalen van de was onderdeel zijn van de ondersteuning. Soms is het mogelijk dat cliënt door de werkzaamheden anders te organiseren deze (gedeeltelijk) zelf kan blijven doen. Bijvoorbeeld door de wasmachine of droger op een verhoging te plaatsen of de was zittend op te vouwen of te strijken. Van de cliënt wordt verwacht dat deze bij aanschaf van kleding zoveel mogelijk erop let dat het strijken hiervan niet noodzakelijk is. Ook wordt verwacht dat cliënt vermijdt dat kleding via speciale wasprogramma’s of handwas moet worden gewassen. Ook wordt verwacht dat hij voldoende kleding en ondergoed heeft, zodat er bijvoorbeeld één keer per twee weken in plaats van één keer per week een volle trommel gewassen kan worden. 5. Uitwerking resultaatgebied Primaire levensbehoeften en maaltijden Kern het te bereiken resultaat Het gaat hierbij om twee resultaten: het beschikken over de noodzakelijke producten voor levensonderhoud, het schoonhouden van de woning en zijn persoonlijke verzorging; het verzorgen van maaltijden. Het verzorgen van maaltijden kan gericht zijn op: het verzorgen van een warme maaltijd; het opwarmen van een maaltijd; het verzorgen van een broodmaaltijd. Frequentie Uitgangspunt is het wekelijks in huis halen van de boodschappen. Bij het verzorgen van de maaltijd wordt uitgegaan van 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd per dag, waarbij 1 of 2 keer per week ook in plaats van een warme maaltijd een broodmaaltijd aan de orde kan zijn. Er wordt alleen ondersteuning geboden voor het aantal dagen waarop (aanvullend) ondersteuning nodig is bij het verzorgen of opwarmen van de maaltijd. Het maximum is zeven dagen per week. Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van werkzaamheden een rol spelen Als cliënt in staat wordt geacht om gebruik te maken van een boodschappenservice die de boodschappen thuisbezorgt, is een indicatie voor dit doel niet aan de orde. Het opbergen van de boodschappen behoort ook binnen dit resultaatgebied. Voor de maaltijden is van belang of cliënt in staat is gebruik te maken van een maaltijdservice of “open tafels” in de wijk. Als dit het geval is, dan wordt hiermee rekening gehouden bij de indicatie. Een dergelijke maaltijdservice geldt niet als voorliggende voorziening als er sprake is van minderjarige kinderen in het gezin. Als een cliënt ondersteuning krijgt bij de verzorging van de warme maaltijd dan hoeft er niet iedere dag gekookt te worden. Koken voor 2 dagen is mogelijk. Ook kan een broodmaaltijd alvast klaargemaakt en klaargezet worden gelijktijdig met het bereiden van een andere maaltijd of het uitvoeren van andere ondersteuning. 6. Uitwerking resultaat Zorg voor minderjarige kinderen Kern van het resultaat Het bij onverwachte noodsituaties in het gezin tijdelijk ondersteunen bij de zorg van kinderen tot 9 jaar. Het gaat om het ondersteunen van de kinderen bij het naar bed brengen/uit bed halen, wassen, douchen, aankleden en eten. Bij baby’s omvat het ook het verschonen van luiers en het voeden. Het bieden van opvang aan of oppas voor de kinderen valt niet onder dit resultaat. Frequentie De zorg voor kinderen dient dagelijks plaats te vinden. De feitelijke frequentie is afhankelijk van de beschikbaarheid van netwerk, voorliggende voorzieningen etc. De indicatie wordt in principe afgegeven voor een maximale duur van drie maanden zodat ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.