← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2019 (Apeldoorn)

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2019Wetstechnische informatie Gegevens van de regeling: Overheidsorganisatie Gemeente Apeldoorn Officiële naam: regeling Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn Citeertitel: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn Vastgesteld door: College van Burgemeester en Wethouders Onderwerp: Maatschappelijke zorg en welzijn Opmerkingen met betrekking tot de regeling Deze regeling vervangt de volgende documenten: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2018 niet van toepassing. Wettelijke grondslag(

  1. en)of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn en de Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn Intitulé Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2019 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn; gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Apeldoorn 2019 en de Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn 2019; BESLUITEN: vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2019 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd 2019 DEEL I Algemeen 1. Inleiding 2. Begripsbepaling 3. Toeleiding tot maatschappelijke ondersteuning en Jeugd -Cliëntondersteuning -Procedure melding, onderzoek en aanvraag Stap 1: Melding hulpvraag Stap 2: Inventarisatie situatie van de cliënt (Het Gesprek) Stap 3: Weging ondersteuningsmogelijkheden Stap 4: Vaststelling maatwerkvoorziening (Verslag) Stap 5: Plan 4. Gebruikelijke Hulp 5. Mantelzorg 6. Persoonsgebonden budget 7. Wijziging en handhaving 8. Eigen bijdrage en tegemoetkoming meerkosten Wmo 9. Bezwaar en mediation 10. Inherente afwijkingsbevoegheid 11. Inwerkingtreding en citeertitel DEEL II Uitwerking naar thema A. Jeugdhulp B. Huishoudelijke hulp C. Wonen D. Lokaal verplaatsen per vervoermiddel E. Verplaatsen in en om de woning F. Rolstoel en sportrolstoel G. Dagbesteding H. Wonen/Verblijf Bijlagen Bijlage 1: Begripsbepaling Beleidsregels Bijlage 2: Trechtermodel Gemeente Apeldoorn Bijlage 3: Richtlijn Gebruikelijke Hulp Bijlage 4: Pgb vergoedingenlijst Bijlage 5: Richtlijnen individuele weging aanvullende uren Bijlage 6: Zelfredzaamheidsmatrix Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd Apeldoorn 2019 DEEL 1 Algemeen Hoofdstuk 1 Inleiding De beleidsregels in dit document zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Apeldoorn en de Verordening Zorg voor Jeugd Gemeente Apeldoorn die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2019. Dit document kan in de loop der tijd verder aangevuld worden met andere onderwerpen. De beleidsregels geven een toelichting op en een instructie voor de uitvoering van het beleid in het kader van de Wmo en de Jeugdwet. In de beleidsregels verduidelijkt het college van burgemeester en wethouders hoe in een concrete situatie met een bevoegdheid wordt omgegaan. Denk bijvoorbeeld aan een bepaling waarin wordt gezegd dat het college iets 'kan' doen. Burgemeester en wethouders kunnen dan in de beleidsregels aangeven wanneer dit wel of niet zal gebeuren. In de beleidsregels kunnen ook begrippen uit de verordening worden uitgelegd. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid”. Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen naar worden verwezen. De Wmo 2015 en de Jeugdwet leggen de nadruk op de eigen kracht, zelfredzaamheid en samenredzaamheid. Mensen komen zelf tot oplossingen op basis waarvan wordt bepaald op welke punten aanvullend een maatwerkvoorziening of individuele jeugdhulpvoorziening nodig is. Waar een burger niet meer in staat is om zelf of samen met het sociale netwerk te voorzien in zijn of haar zelfredzaamheid en participatie, kan hij of zij een beroep doen op een Wmo maatwerkvoorziening of een individuele voorziening Jeugdhulp. Bj de beoordeling van de passende hulp wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden van de cliënt, de mogelijkheden van het netwerk rond de cliënt of van vrijwillige in zet, de beschikbaarheid van algemene voorzieningen, de mogelijkheid van voorzieningen in de buurt, zoals het consultatiebureau, een maaltijdservice, een boodschappendienst of klussendienst of van (andere) algemene of overige voorzieningen die het college ter beschikking stelt. De basisgedachte van de Wmo 2015 en de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven. Dit betekent dat iedere burger ervoor moet zorgen dat hij voldoende is verzekerd. Tevens zal een burger zich rekenschap moeten geven van en anticiperen op wat vaak inherent is aan nieuwe levensfases. Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid en, de grootte van de woning, de bereikbaarheid van winkels en voorzieningen. Een burger moet hierop anticiperen door tijdig maatregelen te nemen om voorbereid te zijn op een nieuwe levensfase. Ook zal hij bereid moeten zijn zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator. Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen. Hoofdstuk 2 Begripsbepaling De definities die in deze beleidsregels worden gehanteerd en de daarop rustende bepalingen zijn opgenomen in bijlage 1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wetten, de Verordeningen en de Algemene Wet Bestuursrecht. Hoofdstuk 3 Toeleiding tot maatschappelijke ondersteuning en jeugd Cliëntondersteuning 3.1Cliëntondersteuning is er op gericht om cliënten te ondersteunen bij het formuleren en beantwoorden van hun ondersteuningsvraag. De cliëntondersteuning is: onafhankelijk; de cliëntondersteuner handelt vanuit het belang van de cliënt; een algemene, vrij toegankelijke voorziening; voor iedereen kosteloos beschikbaar. 3.2Iedere cliënt kan gebruik maken van cliëntondersteuning. Ook kan een consulent van de gemeente cliëntondersteuning adviseren aan een cliënt. In ieder geval worden alle cliënten die een melding van een hulpvraag doen bij de gemeente gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Procedure melding, onderzoek en aanvraag De gemeente Apeldoorn hanteert als uitgangspunt voor de procedure voor melding, onderzoek en aanvraag het trechtermodel. Dit model is opgenomen in bijlage 2 van deze regeling. De aanvraag stelt de gemeente in de gelegenheid om onderzoek te doen naar de noodzakelijkheid van hulp of ondersteuning. Als de cliënt al kosten gemaakt heeft en kan worden vastgesteld dat de voorziening noodzakelijk was, dan kunnen deze worden vergoed. De inwoner toont middels bankafschriften aan dat hij de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt voor de betreffende voorziening. Dit moet blijken uit de vermelde omschrijvingen. Alleen kosten die zijn gemaakt vanaf de meldingsdatum en tot maximaal het bij beschikking toegekende pgb voor deze voorziening of de kostprijs van de voorziening in natura worden vergoed. Het trechtermodel is onderverdeeld in de volgende stappen die in de procedure melding, onderzoek en aanvraag worden doorlopen: Stap 1: Melding hulpvraag cliënt/huishouden. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Bij de aanvraag kan ingegaan worden op specifieke persoonskenmerken die van toepassing zijn. Stap 2: Inventarisatie situatie van de cliënt (Het Gesprek) In Het Gesprek wordt de situatie van de cliënt in kaart gebracht. Daarbij komen aan de orde : wat de eigen kracht van de cliënt is; waar de gebruikelijke hulp in de desbetreffende situatie uit bestaat; welke voorliggende voorzieningen er voor de desbetreffende cliënt zijn; welke algemeen gebruikelijke voorzieningen relevant zijn in de desbetreffende situatie; welke de toepasbare en financieel haalbare algemene voorzieningen voor de desbetreffende cliënt zijn. Op basis van deze inventarisatie wordt het totaal aan ondersteuningsmogelijkheden gewogen. 3.5.3Stap 3: Mantelzorg In deze stap wordt in kaart gebracht wat naast de mogelijkheden uit stap 2 (indien van toepassing) door de mantelzorg kan worden opgepakt/overgenomen. 3.5.4Stap 4: Vaststelling maatwerkvoorziening Indien naar aanleiding van voorgaande stappen onvoldoende hulp of ondersteuning kan worden geboden vanuit eigen kracht, eigen netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en mantelzorg, kan in stap 4 worden vastgesteld of één of meerdere individuele/maatwerkvoorzieningen nodig zijn. 3.5.5Stap 5: Ondersteuningsplan/hulpverleningsplan In deze stap wordt op basis van de uitkomsten van de vorige stappen een plan van aanpak door het college en/of de cliënt en/of het gezin opgesteld. Onder het ondersteuningsplan wordt ook verstaan het gezinsplan, zoals wordt gebruik binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin Apeldoorn. Het ondersteuningsplan: Is persoonlijk; Betrekt, waar dit relevant is, de situatie van alle betrokkenen als er sprake is van een huishouden dat bestaat uit meerdere personen (één huishouden, één plan); Is gericht op bevordering van, behoud van of ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie van het huishouden; Behandelt, indien relevant, de leefgebieden: activiteiten in huis, activiteiten in de samenleving, onderwijs en leren, arbeid en dagbesteding, opvoeden en zorgen voor een kind, gedrag en veiligheid, belangenbehartiging, regelgeving en geldzaken, gezondheid en welzijn, sociale activiteiten; Is de drager van het proces en is de samenvatting van het onderzoek (wat is er aan de hand, welke zorgen zijn er), beschrijft doelen, de in te zetten ondersteuning/hulp en zorg (wat gaan we doen, wie doet wat en wanneer) en de te behalen resultaten; Geeft richting aan de geboden hulp/ondersteuning in de praktijk (professionele sturing), het is richtinggevend voor de betrokken professionals en bindend voor alle betrokkenen; Beschrijft de benodigde hulp/ondersteuning die bijdraagt aan de kwaliteit van bestaan; Is gericht op ondersteunen van het huishouden, rekening houdend met zijn mogelijkheden en beperkingen, waarbij het huishouden zo veel mogelijk de regie heeft; Is consistent; Is doelgericht, methodisch en heeft een cyclisch karakter; Benoemt, indien van toepassing, de regisseur die overzicht over alle afspraken heeft, deze coördineert en bewaakt (wie/wat/wanneer, één regisseur). Ook draagt deze zorg voor evaluatie van het ondersteuningsplan, eventuele bijstelling en afronding. Het ondersteuningsplan/ vormt, indien van toepassing, de basis voor de aanvraag van een/meerdere individuele/maatwerkvoorzieningen. Het college neemt een besluit op de aanvraag voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen / individuele voorzieningen in de vorm van een beschikking. De cliënt ontvangt de beslissing op zijn aanvraag op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet schriftelijk in een beschikking. In de beschikking staat: de aanvraagdatum, de beslissing, de motivering van de beslissing en informatie over de uitvoering van het besluit, zoals de eigen bijdrage. Hoofdstuk 4 Gebruikelijke Hulp Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde hulp bieden, is de cliënt niet aangewezen op een individuele maatwerkvoorziening op basis van de Wmo of de Jeugdwet. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voor kinderen geldt dat ouders de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen behoren te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook al is er sprake van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Bij verblijf gaat het om het leefklimaat beschermende woonomgeving, dat gelet op de levensfase van het kind als gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen moet worden aangemerkt. Het hangt af van de sociale relatie welke hulp mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp mensen elkaar horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar hulp bieden, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot de aanspraak op een individuele (maatwerk)voorziening op basis van Wmo en Jeugdwet, bijvoorbeeld hulp van ouders aan hun kinderen. De invulling van gebruikelijke hulp in kortdurende en langdurige situaties is opgenomen in bijgevoegde richtlijn Gebruikelijke Hulp in bijlage 3. Hoofdstuk 5 Mantelzorg Mantelzorgers dragen vaak in belangrijke mate bij aan de zelfredzaamheid en participatie van burgers en aan de mate waarin hun naasten nog in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. De mantelzorger is vertrouwd voor de cliënt die ondersteuning / hulp nodig heeft. Een groot risico is dat mantelzorgers worden overbelast. Om dat te voorkomen kan ondersteuning aan de mantelzorger worden geboden. Bijvoorbeeld door de cliënt voor 1 of meer dagdelen per week naar de dagbesteding te laten gaan, zodat de mantelzorger even iets voor zichzelf kan doen. Ook respijtzorg is mogelijk, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat. In dat geval wordt de mantelzorg tijdelijk overgenomen door een formele hulpverlener. Onder voorwaarden kan een cliënt ook één of meer etmalen per week worden opgenomen in een instelling. De belangrijkste voorwaarde daarbij is dat de cliënt ’s nachts toezicht nodig heeft en niet alleen gelaten kan worden. In dat geval kan het overigens ook zo zijn dat de cliënt in aanmerking komt voor de Wlz. De gemeente heeft oog voor de inzet van mantelzorgers. Dit wordt erkend en gewaardeerd. De inzet van mantelzorgers verdient steun en waardering. Zij maken de beoogde participatiesamenleving mede tot werkelijkheid. De gemeente wil de waardering vormgeven op basis van artikel 20 Verordening Wmo door aan getoetste aanvragen een geldelijke waardering toe te kennen. Hoofdstuk 6 Persoonsgebonden budget (pgb) Als een cliënt in aanmerking komt voor een (individuele) (maatwerk)voorziening en deze in de vorm van een pgb wenst te ontvangen, dan geldt het volgende: Een pgb is alleen mogelijk als: naar het oordeel van het college is voldaan aan alle in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo of artikel 8.1.1 Jeugdwet genoemde voorwaarden en de weigeringsgronden van artikel 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo of artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet niet van toepassing zijn; de cliënt naar het oordeel van het college in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren of hij daarvoor een vertegenwoordiger of een gewaarborgde regievoerder heeft die: is verbonden aan een organisatie die beschikt over het keurmerk van PerSaldo; of een persoon is die niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning, hulp en zorg die met het pgb wordt ingekocht. Tenzij dit, gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte voorziening en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college bij de betreffende gewaarborgde regievoerder voldoende is geborgd. De taken omvatten onder andere het afsluiten van een zorgovereenkomst, het nakomen van werkgeversverplichtingen en het afleggen van verantwoording over de besteding van het pgb. de ouders van kinderen onder de 18 jaar zijn op grond van de wet in alle opzichten verantwoordelijk voor hun kinderen. Voor hen gelden de voorwaarden, zoals deze gelden voor iedere budgethouder. Ouders hoeven niet te voldoen aan de gestelde voorwaarden voor de gewaarborgde regievoerder, tenzij ze de pgb-administratie niet zelf uitvoeren, maar beleggen bij een derde binnen of buiten het gezin. De maatwerkvoorziening / individuele voorziening die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van de in het ondersteuningsplan of hulpverleningsplan opgenomen doelstellingen; Het college instemt met het pgb-plan dat door de cliënt is ingediend. Het college houdt bij de vaststelling van de hoogte van het pgb rekening met het feit of er sprake is van formele hulpverlening of informele hulpverlening. De gewaarborgde regievoerder neemt o.a. de volgende taken van de budgethouder over: de administratie van het pgb; het kiezen, aansturen en beoordelen van de hulpverleners; Beschikken over basiskennis en –vaardigheden die horen bij goed werkgever- of opdrachtgeverschap; het nakomen van de rechten en plichten van het pgb; het in de gaten houden van de kwaliteit van de zorg. Een gewaarborgde regievoerder voldoet aan de volgende voorwaarden: beheerst de Nederlandse taal in woord en geschrift; zit niet in detentie; kan aan alle pgb verplichtingen voldoen; woont maximaal 200 kilometer bij de cliënt vandaan in Nederland; krijgt geen vergoeding uit het pgb voor zijn taken als gewaarborgde regievoerder; heeft geen betalingsproblemen (zoals WSNP, faillissement of uitstel van betaling) is niet eerder vertegenwoordiger geweest, waarbij niet aan de verplichtingen is voldaan; heeft de verklaring gewaarborgde regievoerder samen met de cliënt ingevuld en ondertekend. De met het pgb ingekochte formele hulp moet voldoen aan de kwaliteitseisen, zoals gesteld in de meest recente algemene voorwaarden sociaal domein en het zorg- en ondersteuningsproductenboek Wmo, maatschappelijke opvang en beschermd wonen GGZ en individuele voorzieningen Jeugd 2019. Het college bepaalt of in verband met de kwaliteitsborging bepaalde hulp door een formele hulp moet worden geboden. Zie in bijlage vier de uitwerking hiervan in de pgb-vergoedingenlijst. Hulpverleners kunnen geen taken van elkaar overnemen (uitruil), tenzij hierover andere afspraken door het college zijn vastgelegd. Over de omvang van de inzet van deeltijd verblijf/ logeeropvang worden altijd afspraken gemaakt. De cliënt kan bij een pgb geen vrij besteedbaar bedrag opnemen, behalve voor de kosten van het basislidmaatschap van PerSaldo. Het op te nemen bedrag mag uitsluitend voor dit doel worden aangewend. Cliënten die gebruik willen maken van het vrij besteedbaar bedrag moeten zich bij de gemeente melden en een (betalings)bewijs van lidmaatschap tonen. Het gebruik van de model zorgovereenkomsten van de SVB is verplicht. Het afspreken van een vast maandloon is binnen de gemeente Apeldoorn uitsluitend mogelijk bij een vaste inzet van uren per week of per maand. Er wordt geen feestdagenuitkering verstrekt. De cliënt kan met de hulpverlener een reiskostenvergoeding van € 0,19 per km afspreken. Een kilometervergoeding kan worden verstrekt als de enkele reis afstand meer dan 6 km bedraagt. De maximaal te vergoeden reisafstand is 150 km per keer (retour reis). De totale kosten van hulpverlening, inclusief vervoer, kunnen de kostprijs van Zorg in Natura, zoals genoemd in de verordening maatschappelijke ondersteuning 201 artikel 9 en artikel 11 van de verordening Zorg voor Jeugd 201 niet overschrijden. Met andere woorden de reiskosten maken integraal onderdeel uit van het geldende maximum uurtarief. De SVB biedt gratis ondersteuning aan cliënten met een pgb, waaronder het verzorgen van de salarisadministratie en opting-in. Hoofdstuk 7 Wijziging en handhaving Nieuwe feiten en omstandigheden die leiden tot een herziening of het herroepen of intrekken van een maatwerkvoorziening/individuele voorziening in natura en/of pgb, moeten door de cliënt worden gemeld. Zie hiervoor tevens artikel 18 en 19a van de verordening maatschappelijke ondersteuning 201 en de artikelen 13 en 15 van de Verordening Zorg voor Jeugd 201. Tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het pgb moet de cliënt rekening houden met (thema)controles door het college van de besteding van het pgb en moet de cliënt hiervoor van belang zijnde stukken beschikbaar houden. Het pgb voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere eenmalige voorzieningen wordt door het college rechtstreeks aan de leverancier of aanbieder uitbetaald. Voor zover het een pgb voor een periodieke voorziening als hulpverlening betreft, controleert het college de besteding van het budget na afloop van een kalenderjaar of anders steekproefsgewijs. De cliënt mag tot een door de SVB te bepalen en met de cliënt gecommuniceerde datum in het jaar volgend op het kalenderjaar waarover verantwoording moet worden afgelegd, betalingen vanuit het pgb doen die betrekking hebben op het te verantwoorden jaar; De besteding van het pgb moet, tenzij hierover schriftelijke afwijkende afspraken zijn gemaakt, binnen 6 maanden zijn gestart. Indien dit niet het geval is, kan het pgb worden ingetrokken. Bedragen tot € 50,- worden niet teruggevorderd of verrekend. Indien de cliënt het terug te vorderen pgb of de restwaarde van een in natura verstrekte voorziening niet of niet volledig binnen de schriftelijk gestelde termijn terugbetaald, kan overdracht aan de gerechtsdeurwaarder plaatsvinden. De openstaande vordering wordt in dat geval verhoogd met buitengerechtelijke en eventuele gerechtelijke kosten. Nadat het door de cliënt terug te betalen bedrag door het college is ontvangen, meldt het college het aangepaste periodebedrag bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK voert vervolgens een herberekening van de eigen bijdrage uit en informeert de cliënt over de uitkomst hiervan. In geval van spoed, crisis en dwang treft het college direct een tijdelijke voorziening. Het college beschikt achteraf. Overgangsbepaling De cliënt met een lopende indicatie behoudt dit recht tot de datum waarop de huidige indicatie afloopt, tenzij er sprake is van tussentijdse gewijzigde feiten of omstandigheden. Wanneer nieuwe afspraken met het college leiden tot aanpassing van de zorgovereenkomst van de informele hulp, en deze door de nieuwe gemeentelijke pgb-regels er qua inkomen op achteruitgaat, kan afhankelijk van de situatie en de omvang van de inkomensdaling een overgangsperiode van minimaal 1 maand en maximaal een half jaar worden geboden. Hoofdstuk 8 Bijdrage en tegemoetkoming meerkosten Wmo 8.1De te treffen maatwerkvoorzieningen / individuele voorzieningen kunnen als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget worden verstrekt: 8.1.1Voorziening in natura en pgb en de eigen bijdrage Bij een voorziening in natura en pgb mag een bijdrage in de kosten worden gevraagd. In de verordening maatschappelijke ondersteuning 2019 zijn de kaders opgenomen bij welke voorzieningen een bijdrage gevraagd wordt en de hoogte van deze bijdrage. Het college kondigt schriftelijk aan dat een bijdrage opgelegd wordt. Berekening en inning zal plaats vinden door het CAK. Tegemoetkoming meerkosten 8.2Voor de gevallen waarin een tegemoetkoming in de meerkosten van toepassing is, wordt verwezen naar de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2019. Hoofdstuk 9 Bezwaar en mediation Iedere belanghebbende heeft het recht als hij het met een beschikking niet eens is, in bezwaar te gaan. In de beschikking is de mogelijkheid vermeld om binnen 6 weken na dagtekening van de beschikking bezwaar in te dienen. De belanghebbende wordt in de beschikking ook nadrukkelijk gevraagd om niet alleen bezwaar in te dienen, maar in geval van problemen of onduidelijkheden ook contact met de gemeente op te nemen. Met de belanghebbende wordt overlegd of en op welke wijze de problemen kunnen worden opgelost (uiteraard binnen de grenzen van de compensatieplicht). Kan het probleem naar tevredenheid worden opgelost (indien nodig met de inzet van mediation) dan kan de belanghebbende zijn bezwaarschrift intrekken en wordt hij niet belast met het doorlopen van de bezwarenprocedure. Neemt de belanghebbende na het verstrijken van de periode van 6 weken contact op, dan wordt uiteraard opnieuw het gesprek met de belanghebbende gevoerd. Dit wordt echter als een nieuwe melding gezien, waarbij eventuele nieuwe feiten of omstandigheden in kaart worden gebracht. Er kan doorverwijzing volgen of er wordt een aanvraag ingenomen waarop een besluit wordt genomen. Het college streeft ernaar, voordat een negatief of afwijkend besluit valt, betrokkene in de gelegenheid te stellen hierop te reageren, zodat door het college eventueel gemaakte fouten hersteld kunnen worden. Bij het in bezwaar gaan wordt het bezwaarschrift door het college beoordeeld en indien deze direct aanleiding geeft het besluit te wijzigingen, zal op grond van de Algemene wet bestuursrecht een gewijzigd besluit worden genomen. Hoofdstuk 10 Inherente afwijkingsbevoegdheid 10.1Burgemeester en wethouders kunnen artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de cliënt, jeugdige of ouders leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Hoofdstuk 11 Inwerkingtreding en citeertitel Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2019. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugd gemeente Apeldoorn 2019”. Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders d.d. 18 december 2018. Burgemeester en wethouders voornoemd, De waarnemend secretaris, de burgemeester, drs. T.J.H.M. Berben drs. J.C.G.M. Berends MPA DEEL 2 Uitwerking naar thema Hoofdstuk A. Jeugdhulp 1 Inleiding 1.1De Verordening Zorg voor Jeugd Gemeente Apeldoorn 201 en deze beleidsregels geven uitvoering aan de Jeugdwet. Met de Jeugdwet is de verantwoordelijkheid van de gemeenten vanaf 2015 uitgebreid met de provinciale (geïndiceerde) jeugdzorg, de gesloten jeugdzorg, geestelijke gezondheidzorg voor kinderen en jongeren (jeugd-ggz), zorg voor jeugd met een licht verstandelijk beperking (jeugd-lvb), ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg), jeugdbescherming en jeugdreclassering. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt naar een stelsel met een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen, waar nodig, tijdig bij hun situatie passende hulp. Met als beoogd doel de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. 2 Afwegingskader 2.1Met de stelselwijziging streven we naar een grotere inzet op preventie, (vroeg)tijdige ondersteuning en het versterken van eigen kracht van jeugdigen en hun ouders. Door gemeenten verantwoordelijk te maken voor alle taken op het gebied van de ondersteuning en hulp aan jeugd, krijgen zij de mogelijkheid om een samenhangend stelsel te realiseren. Daarbij gelden in Apeldoorn de volgende uitgangspunten: Preventie en vroege signalering van opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen. De-medicaliseren, ontzorgen en normaliseren door onder meer het opvoedkundig klimaat te versterken in gezinnen, wijken, buurten, scholen en voorzieningen als kinderopvang en peuterspeelzalen. Het bevorderen van de opvoedvaardigheden van ouders en de sociale omgeving, zodat de ouders zoveel mogelijk in staat worden gesteld om zelf de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen. Het inschakelen, herstellen en versterken van het eigen probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en zijn sociale omgeving (eigen kracht). Ondersteuning zoveel mogelijk inzetten op lokaal niveau, zo dicht mogelijk bij het kind en gezin. Het bevorderen van de veiligheid van de jeugdige in de opvoedsituatie waarin hij opgroeit. Integrale hulp aan gezinnen volgens het uitgangspunt: één gezin, één plan, één regisseur. Transitie en transformatie vraagt om een forse cultuuromslag bij álle betrokkenen. Kernbegrippen zijn het leveren van zorg en ondersteuning op maat, uitgaan van te bereiken resultaten en eigen verantwoordelijkheid. Een belangrijk uitgangspunt bij de toeleiding en toegang is het centraal stellen van de hulpvraag van de jeugdige en zijn ouders. De aanpak is vervolgens oplossingsgericht. Omdat maatwerk nodig is, vindt een gesprek plaats ter verkenning van de mogelijkheden, waaronder ook de eigen kracht en het eigen netwerk. In deze beleidsregels wordt het proces van de toegang tot een individuele voorziening vastgelegd. Jeugdigen en ouders hebben het recht op een zorgvuldige procedure. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal tot een juist besluit moeten leiden; passende zorg en ondersteuning waar deze nodig is. De verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn 2019 legt veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundigen in het CJG. 3 Voorliggende voorzieningen (algemene voorzieningen) In de samenleving zijn veel voorzieningen te vinden waar ouders en jeugdigen terecht kunnen met vragen en voor preventieve ondersteuning, vaak gekoppeld aan welzijn, onderwijs of vrije tijdsbesteding. Deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk en dragen bij aan de eigen kracht. Preventie, informatie, advies en (vroeg)signalering vallen hier onder. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet. 4 Individuele voorzieningen Individuele voorzieningen zijn beschikbaar in de vorm van (intensieve,) specialistische ondersteuning. Deze voorzieningen zijn niet vrij toegankelijk. Individuele voorzieningen jeugd zijn voorzieningen op het gebied van: Jeugd- en opvoedhulp in de thuissituatie Verblijf in gezinsvormen (pleegzorg, gezinshuizen) en andere vormen van verblijf voor jeugdigen Crisiszorg en spoedzorg Ondersteuning en behandeling voor jeugd met een (licht) verstandelijke beperking Specialistische zorg o.a. geestelijke gezondheidszorg voor Jeugd Dyslexiezorg bij enkelvoudige ernstige dyslexie Gesloten jeugdhulp Activiteiten in het preventief justitieel kader Kindergeneeskunde Vervoer Individuele voorzieningen zijn ingekocht bij de aanbieders die een overeenkomst zijn aangegaan met de gemeente Apeldoorn voor het leveren van individuele voorzieningen jeugdhulp. Individuele voorzieningen kunnen worden ingezet als zorg in natura en via een pgb. Voor de regels met betrekking tot een pgb wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van deze beleidsregels. Verblijf in gezinsvormen: in Apeldoorn streven we er naar kinderen op te laten groeien in een gezin. Liefst het eigen gezin. Lukt dat, ook met ondersteuning, niet, dan in een ander gezin. Het CJG heeft zicht op eventueel beschikbare plekken. Verschillende aanbieders spannen zich optimaal in om plaatsing in een gezin te realiseren. Plaatsing binnen een leefgroep is het uiterste middel als dit voor de ontwikkeling van de jeugdige de beste keus is of geen plek in een gezin gerealiseerd kan worden. Dyslexiezorg: Een individuele voorziening op het gebied van dyslexiezorg is mogelijk na overleg met de school. De school toont met het leesdossier aan dat volgens het “protocol dyslexie” is gehandeld en dat extra begeleiding op school (minimaal 60 minuten per week gedurende minimaal 24 weken) geen gemeten effect heeft gehad (meting met genormeerde toetsen). Aanwezigheid van bijkomende stoornissen kan een contra-indicatie zijn. 4.1 Vervoersregeling Jeugdhulp Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Ook als de jeugdhulp buiten de gemeente Apeldoorn wordt geboden. Er kunnen omstandigheden zijn waardoor hierin niet kan worden voorzien door de jeugdige, zijn ouders en hun netwerk. De gemeente kan dan ook een voorziening voor vervoer afgeven. Artikel 1 Voorwaarden voor vervoer jeugdhulp Het college kent op aanvraag een vervoersvoorziening toe als: de jeugdige is aangewezen op een door het college toegekende individuele voorziening voor jeugdhulp bij een jeugdhulpaanbieder buiten de gemeente Apeldoorn en sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt en de jeugdige geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden: op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn omgeving ; door, al dan niet (gedeeltelijk), gebruik te maken van een overige voorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de verordening Zorg voor Jeugd 2019, of door, al dan niet (gedeeltelijk), gebruik te maken van een andere voorziening, zoals bedoeld in artikel 1 van de verordening Zorg voor Jeugd 2019; Het college kent een vervoersvoorziening toe indien de jeugdige niet in staat is zelfstandig te reizen, bij de ouders sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor hij de jeugdige niet kan vervoeren of met de jeugdige meereizen Het college kent een vervoersvoorziening toe als er geen andere mogelijkheid is die de jeugdige in staat stelt de jeugdhulp te ontvangen die in de beschikking is vastgelegd. Artikel 2 Aanvraag en toekenning van een vervoersvoorziening De aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt ingediend bij het college. De jeugdige of zijn ouders doen een aanvraag voor een vervoersvoorziening, voordat de jeugdhulp start of voordat mogelijk aanspraak ontstaat op een vervoersvoorziening. Jeugdigen of hun ouders kunnen de jeugdhulpaanbieder machtigen de aanvraag jeugdhulp namens hen te doen bij het college. Vervoerskosten die zijn gemaakt voordat deze zijn aangevraagd, komen niet voor vergoeding door het college in aanmerking. Artikel 3 Dichtstbijzijnde voorziening voor jeugdhulp Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen het hoofdverblijf van de jeugdige en de dichtstbijzijnde goedkoopst adequate voorziening jeugdhulp, zoals bedoeld in artikel 10 van de verordening Zorg voor Jeugd 2018. Artikel 4 Vergoeding op basis van de reiskosten van eigen vervoer Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening vergoedt het college aan de ouders die een jeugdige zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren naar de jeugdhulpaanbieder een bedrag van ten hoogste € 0,38 per kilometer dat het kind meereist. De te vergoeden kilometers worden berekend op basis van de kortste route via de ANWB routeplanner. Artikel 5 Vergoeding van de reiskosten van openbaar vervoer Het college verstrekt aan de ouders van de jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden in artikel 2 van deze regeling, een vergoeding op basis van de reiskosten van het openbaar vervoer 2e klas. Indien meereizen met de jeugdige in het openbaar vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de reiskosten welke verbonden zijn aan het meereizen met de jeugdige in het openbaar vervoer. Het college verstrekt aan de ouders van de jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden in artikel 2 van deze regeling, een vergoeding van ten hoogste de reiskosten 2e klas van één meereizende ouder indien door de ouders wordt aangetoond dat de jeugdige niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. Artikel 6 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Het college verstrekt aan de ouders van een jeugdige, die voldoet aan de voorwaarden in artikel 2 van deze regeling, een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als de jeugdige door de ernst van de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet in staat is - ook niet met een meereizende ouder- van het openbaar vervoer gebruik te maken Indien meereizen in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de reiskosten welke verbonden zijn aan het meereizen met de jeugdige in het aangepaste vervoer. Artikel 7 Goedkoopst adequate vervoersvoorziening Het college kent maximaal de kosten van de goedkoopst adequate vervoersvoorziening toe. Artikel 8 Nieuwe feiten en omstandigheden Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen een jeugdige en zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een vervoersvoorziening. Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening doet het college onderzoek en neemt een besluit. Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, doet het college onderzoek en neemt een besluit. Een ten onrechte genoten vervoersvoorziening wordt van de ouders teruggevorderd, dan wel verrekend met een vervoersvoorziening waar recht op bestaat. 5 Overige voorzieningen Onder de Jeugdwet is ook sprake van overige voorzieningen. Dit zijn voorzieningen jeugdhulp die vrij toegankelijk zijn (artikel 2 van de Verordening Zorg voor Jeugd). De overige voorzieningen zijn: CJG4kracht: ambulante jeugdhulp voor maximaal 1 jaar; Veilig Thuis: advies- en meldpunt kindermishandeling en huiselijk geweld; meldpunt spoedeisende zorg: interventiehulp in spoedeisende situaties. Toezichthoudend ambtenaar jeugd Op grond van hoofdstuk 9 van de Jeugdwet zijn de inspecties Jeugdzorg, Gezondheidszorg en Veiligheid en Justitie verantwoordelijk voor de kwaliteit van de Jeugdhulp. Op grond van de Jeugdwet artikel 2.6 lid 1a. is de gemeente verantwoordelijk voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod aan jeugdhulp. In de processen contracteren, samenwerking, afstemming, facturatie en monitoring komen signalen naar voren over de kwaliteit van de te leveren/geleverde zorg. Deze signalen kan de gemeente doorspelen naar de gezamenlijke inspecties Toezicht Sociaal Domein of Samenwerkend Toezicht Jeugd. Ook heeft de gemeente een verantwoordelijkheid in het tegengaan van misbruik en fraude (artikel 2.9a Jeugdwet). Binnen deze opdrachten past het aanwijzen van een toezichthoudend ambtenaar jeugd. KWALITATIEVE ZORG Toezicht op rechtmatigheid en kwaliteit wordt vooral ingezet om burgers/cliënten de juiste kwalitatieve zorg te kunnen geven. Kwaliteit en rechtmatigheid hangen daarbij vaak samen, waar onrechtmatigheid is, is de kwaliteit van de zorg vaak ook niet goed. Toezicht is daarom een belangrijk middel om goede zorg te kunnen garanderen voor cliënten. Toezicht op kwaliteit Het is aan de toezichthouder om vast te stellen of de criteria die we aan aanbieders stellen voor goede zorg (wenselijke zorg) overeenkomen met de praktijk van de zorg (feitelijke zorg). Dit betekent dat de toezichthouder zich voor de kwaliteit van zorg dient te richten op: De uitvoering van de zorg en ondersteuning: oWordt er methodisch gewerkt? Wordt de norm verantwoorde werktoedeling toegepast (bij jeugdhulp)? Zijn de professionals ingezet die het zorgproductenboek vereist? Is er een ondersteuningsplan dat samen met de cliënt is opgesteld? Worden er professionele standaarden gehanteerd? Wordt er systemisch gewerkt (1 gezin, 1 plan)? Wordt er doelmatig gewerkt, en evalueert de zorgaanbieder die doelen? Hoe is de cliënttevredenheid? Is er sprake van een uitvoeringsplan? Hoe wordt hier invulling aan gegeven? Hoe worden benodigde netwerkpartners hierbij betrokken (afschalen)? De organisatie: oZijn de wachtlijsten en wachttijden transparant? Is de geboden hulp passend bij het zorgproduct (qua aard en doelen van de hulp)? Hoe ziet de functiemix per product er uit? Hoe wordt er geregistreerd? Hoe is de verantwoordelijkheidsverdeling tussen verschillende professionals geregeld? Hoe is de afstemming met netwerkpartners geregeld? Wat is de groepsgrootte? Wat is het aantal professionals per cliënt (bij groepen en verblijf)? Wat is het aantal en de aard van de incidenten? Wordt er gewerkt aan deskundigheidsbevordering? Wordt de Verwijsindex gebruikt? Is de zorgaanbieder aangesloten bij beroepsverenigingen/moederorganisaties? Is de zorgaanbieder HKZ/ISO of gelijkwaardig gecertificeerd? Hoe was de laatste audit? De veiligheid: oWordt er zicht gehouden op de veiligheid van cliënten, en wordt er een risicotaxatie instrument gebruikt? Op welke momenten in het zorgproces? Zachte elementen van zorg: oTe denken valt aan de geschiktheid van zorg, voldoende professionele afstand tussen cliënt en zorgverlener, voldoende ambitieuze doelen voor de cliënt, bejegening (eventueel) voor, tijdens en na het zorgtraject, Als input voor toezicht op kwaliteit kunnen onder andere de zorgsignalen over zorgaanbieders gebruikt worden. Momenteel wordt daar nog te weinig gebruik van gemaakt. Toezicht op rechtmatigheid Met betrekking tot rechtmatigheid dient de toezichthouder te controleren of de factuur en de daadwerkelijk afgesproken en geleverde zorg met elkaar in overeenstemming zijn. Ofwel; of de zorggelden rechtmatig gebruikt zijn. Er kan hierbinnen een onderscheid gemaakt worden tussen fouten: ‘het onbedoeld overtreden van regels als gevolg van onduidelijkheid of vergissingen’ en fraude: ‘het opzettelijk en doelbewust in strijd met regels handelen, met het oog op eigen of andermans financiële gewin’. De toezichthouder rechtmatigheid zal niet álle taken op het gebied van rechtmatigheid op zich gaan nemen. De back-offices van de gemeenten gaan over de lokale taken en verantwoordelijkheden op het gebied van rechtmatigheid. Hieronder vallen de interne controle en jaarverantwoording richting de accountants. Het toezicht op de fouten vindt daarmee plaats bij de back-offices van de verschillende gemeenten. Zij spreken aanbieders er op aan als er onregelmatigheden in de financiën zijn. Wanneer binnen deze back-offices gesignaleerd wordt dat er vaak fouten gemaakt worden of wanneer zich signalen voordoen van fraude, dan komt de regionale toezichthouder rechtmatigheid in zicht. Het is daarvoor belangrijk dat er werkafspraken gemaakt worden tussen de back-offices en de toezichthouder(s). Ook is het van belang dat ook de back-offices fraudealert zijn, zodat doorgeschakeld kan worden naar de toezichthouder indien nodig. Met de back-offices is contact geweest over de huidige mate van fraudealertheid en welke wensen zij daarin hebben. Hieruit is naar voren gekomen dat de back-offices acteren op ontvangen signalen van mogelijke fraude maar dat er bij geen van de back-offices een formele werkwijze ontwikkeld is om fraude op te sporen. Bij de meeste back-offices is er daarin wel een behoefte naar eenvoudig instrumentarium/handvatten voor een eerste check op mogelijke fraude. Daarom zal aan hen een lijst verstrekt worden met indicatoren van fraude. Fraude met zorggelden kan op verschillende manieren voorkomen: Spookzorg: Niet-geleverde zorg en ondersteuning die wel door de aanbieder gedeclareerd wordt Niet-vergoede zorg: Een aanbieder declareert voor hulp en zorg die in principe niet wordt vergoed of alleen onder bepaalde voorwaarden Declaratie-overtredingen: De zorg en ondersteuning komt in principe wel voor vergoeding in aanmerking, maar in het proces van declaratie ontstaan onrechtmatigheden door bijvoorbeeld: Het tweemaal declareren van dezelfde hulp en zorg Het declareren van een hoger bedrag dan het afgesproken tarief Het ten onrechte rekenen van een hoger tarief voor een complexe behandeling, terwijl sprake is van een standaard behandeling (upcoding) Onderdelen van een bundel activiteiten apart declareren met hogere kosten. Tegen/om de patiënt: De patiënt wordt gedupeerd door bijvoorbeeld onterecht een eigen bijdrage voor bepaalde diensten te vragen of door een vergoeding voor de verwijzing te vragen. Ongepast gebruik: De hulp en zorg is rechtmatig geleverd en gedeclareerd maar er is geen medische noodzaak voor (overbehandeling) of de noodzakelijke hulp en zorg wordt niet geleverd (onderbehandeling) Dubbele bekostiging: De geleverde zorg en ondersteuning wordt dubbel gedeclareerd Op basis van meerdere bekostigingssystemen Bij aanbieders met een vaste en een variabele component doordat iets dat al in de behandeling zit via een toeslag nog een keer extra wordt gedeclareerd Te hoge indicatie: De ondersteuningsbehoefte van een patiënt of cliënt/budgethouder kan ernstiger worden voorgesteld dan die in de realiteit is. PGB-fraude: Frauderen met het persoonsgebonden budget doordat: Het budget aan iets anders wordt besteed dan hulp en zorg; De hoogte van de declaratie niet overeenkomt met de ingekochte of geleverde hulp of zorg; De cliënt/budgethouder een onnodige of te hoge indicatie krijgt. Identiteitsfraude: Het doelbewust verkrijgen en misbruik maken van de persoonsgegevens van anderen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer PGB-houders hun DigiD moeten afstaan aan een zorgbemiddelingsbureau. VEREISTEN AAN EEN TOEZICHTHOUDER De toezichthouder wordt aangesteld door de gemeenten. Een toezichthouder is in zijn toezicht onafhankelijk. De toezichthouder vormt een oordeel op basis van feiten. De beschrijving over wat plaatsvindt / plaatsgevonden heeft, is een feitelijke weergave. Naast deze feiten worden alle omstandigheden waarin de feitelijke situatie heeft plaatsgevonden meegewogen. Door oog te hebben voor de ‘zachte’ elementen, zoals beleving en gevoel kan tot een weloverwogen advies gekomen worden. Toezicht op kwaliteit en toezicht op rechtmatigheid zijn twee verschillende takken van sport en vragen om verschillende competenties. Het heeft daarom de voorkeur om het toezicht in te richten met twee verschillende rollen, een toezichthouder kwaliteit en een toezichthouder rechtmatigheid. Beide rollen zullen worden verenigd in één ‘Team Toezicht’. INRICHTING TOEZICHT Fraude en misbruik De gemeente heeft een taak in het beoordelen van de rechtmatigheid van de bestedingen van een individuele voorziening in natura of pgb. Voor het tegengaan van en ingrijpen bij misbruik en fraude doet de toezichthoudend ambtenaar periodiek onderzoek, al dan niet steekproefsgewijs, naar het gebruik van de individuele voorzieningen in natura of pgb. Ook treedt hij op bij signalen die wijzen op misbruik of fraude. Hij handelt daarbij volgens paragraaf 6b van de Regeling Jeugdwet. Calamiteiten en geweld Bij aanbieders die vallen onder de Jeugdwet worden calamiteiten en geweld bij verlening van hulp gemeld bij de Inspectie Jeugdzorg. Hieronder vallen ook voorzieningen die toeleiden naar jeugdhulp. In artikel 4.1.8, lid 1 van de Jeugdwet is opgenomen dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen melding doen bij de rijksinspectie van: Iedere calamiteit die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft plaatsgevonden; Geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor een kwalitatief en kwantitatief goed aanbod, is het van belang dat zij informatie krijgt wanneer zich calamiteiten voordoen bij een aanbieder die zij heeft gecontracteerd en/of wanneer inwoners uit de gemeente bij een calamiteit betrokken zijn. De toezichthoudend ambtenaar jeugd moet weten van calamiteiten en geweldsincidenten die zich hebben voorgedaan. De impact van een calamiteit kan lokaal en ook daarbuiten groot zijn. De gemeente moet in dit proces haar rol en taak kunnen vervullen. Daarnaast is de kans groot dat er media-aandacht en/of (dreiging) voor maatschappelijke onrust is n.a.v. de calamiteit. Omwille van eenduidigheid wordt er daarom ook bij jeugd gewerkt volgens het calamiteitenprotocol. De zorgaanbieder meldt de calamiteit of het geweldsincident bij zowel de toezichthoudend ambtenaar jeugd als de inspectie Jeugdzorg. Hoofdstuk B. Huishoudelijke Hulp 1 Doel van de ondersteuning Het doel van de ondersteuning is dat de cliënt kan participeren en zo veel mogelijk zelfredzaam is. Daarbij moet het huishouden geen obstakel zijn. Het resultaat van de ondersteuning is dat de cliënt beschikt over een schoon huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en de gang/ trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Op basis van objectief, onafhankelijk empirisch onderzoek is in het rapport ‘Normering van de basisvoorziening ‘Schoon Huis’ d.d. 12 augustus 2016 onderbouwd welke schoonmaakactiviteiten, met welke frequentie moeten worden uitgevoerd om dit resultaat te bereiken. Tevens is de benodigde tijd per schoonmaakactiviteit berekend aan de hand tijdsmetingen. 2 Afwegingskader Hulp bij het huishouden als maatwerkvoorziening wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen oplossen. Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Als sprake is van gebruikelijke hulp biedt het college geen ondersteuning. Onderzocht wordt of de cliënt op eigen kracht of met hulp van zijn of haar netwerk het gewenste resultaat kan bereiken. Er wordt ook gekeken of er algemeen gebruikelijke voorzieningen, voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen zijn die tot het resultaat ‘Schoon Huis’ kunnen leiden. Pas als dat niet of onvoldoende het geval is, zal onderzocht worden in welke mate het gemeentelijk aanbod in ondersteuning kan voorzien. In de navolgende tekst staat beschreven welke elementen tijdens het gesprek in ieder geval worden afgewogen. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Was men al gewend om voor eigen rekening huishoudelijke hulp in te huren, dan is het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen financiële mogelijkheden wegvallen of de ondersteuning door de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak niet meer toereikend is. Als er gebruikelijke hulp aanwezig is, biedt het college geen of minder ondersteuning bij het schoonhouden of organiseren van het huishouden. Gebruikelijke hulp betreft de normale, dagelijkse zorg op basis van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de leefeenheid (huisgenoten) voor elkaar omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren. Onder leefeenheid verstaan we een geheel aan personen waarmee een persoon op hetzelfde adres woonachtig is en een huishouden deelt. Als er tot de leefeenheid huisgenoten behoren die huishoudelijke werkzaamheden kunnen overnemen, worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten vanaf 18 jaar. Studie of (vrijwillige) werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien. Als er sprake is van commerciële kamer(ver)huur, rekenen we de huurder van de betreffende ruimte niet tot de leefeenheid. Veel personen zijn bereid mantelzorg te verlenen. Deze vorm van vrijwillige ondersteuning door derden, niet behorend tot de leefeenheid, gaat voor op ondersteuning van de gemeente. Tegelijk is deze vorm van vrijwillige hulp niet afdwingbaar en daarmee in de praktijk vaak incidenteel en aanvullend op andere vormen van zorg. Indien noodzakelijk kan de gemeentelijke ondersteuning bestaan uit tijdelijke vervanging van de ondersteuning die de mantelzorger of vrijwilliger biedt. Er zijn voorzieningen in de handel die niet speciaal bedoeld zijn voor personen met een beperking maar die wel (deels) kunnen voorzien in het realiseren van het resultaat schoon huis. Deze voorzieningen behoren tot het normale uitgavenpatroon voor personen met of zonder beperking. We noemen dit algemeen gebruikelijke voorzieningen. Als het probleem met inzet van algemeen gebruikelijke voorzieningen kan worden opgelost en deze voorziening in het individuele geval ook daadwerkelijk beschikbaar is voor een cliënt, biedt het college geen of minder ondersteuning bij het schoon houden van het huis. Tot deze voorzieningen behoort in ieder geval een wasmachine. Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen die beschikbaar zijn voor een burger op basis van andere wetten dan de Wmo 2015. Zo wordt vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) ook huishoudelijke hulp geboden, bij mensen met een PGB, een VPT (volledig pakket thuis) en vanaf 2017 een MPT (modulair pakket thuis). Op basis van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) is er o.a. kinderopvang of buitenschoolse opvang geregeld, waar mensen gebruik van kunnen maken. Daarnaast kennen we nog collectieve voorziening, dit zijn voorzieningen die voor een aangewezen groep mensen beschikbaar zijn, bijvoorbeeld bewoners van een serviceflat of bewoners van een bepaald appartementen complex. Diensten die verleend worden kunnen bijvoorbeeld zijn: ramen zemen, gebruik van wasserette, boodschappenservice etc. Tot slot wordt afgewogen of de ondersteuning (deels) door de inzet van algemene voorzieningen kan worden geboden. Het gaat hierbij om initiatieven die algemeen of voor brede doelgroepen toegankelijk zijn. Het gaat zowel om particuliere als gesubsidieerde initiatieven. Voorwaarde is dat een dergelijke voorziening feitelijk toegankelijk is. Hiermee wordt bedoeld dat de voorziening redelijkerwijs door de cliënt kan worden bekostigd en er daadwerkelijk geschikte hulp geleverd kan worden onder redelijke voorwaarden. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn bijvoorbeeld de was service, de boodschappen service en het nuttigen van de maaltijd op een ontmoetingsplek. 3 Maatwerk Als ondersteuning door het college bij het schoon houden van het huis noodzakelijk blijkt, wordt een maatwerkvoorziening toegekend. Deze maatwerkvoorziening heet de zorgproduct ‘Schoon Huis’. Deze maatwerkvoorziening bestaat uit basisuren die, als dat noodzakelijk is, aangevuld worden met extra uren op maat. 3.1 Zorgproduct ‘Schoon Huis’ Zoals hierboven aangegeven bestaat de maatwerkvoorziening ‘Schoon Huis’ uit basisuren gericht op het realiseren van een schoon huis en aanvullende uren die individueel en op maat toegekend kunnen worden als dit in het individuele geval noodzakelijk is om het resultaat schoon en huis te behalen of als er daarnaast een ander resultaat, b.v. het beschikken over schone kleding en beddengoed gerealiseerd moet worden. De basisuren worden altijd toegekend als uit het onderzoek is gebleken dat ondersteuning bij het huishouden noodzakelijk is. De cliënt kan de huishoudelijke werkzaamheden niet (meer) zelf uitvoeren. De werkzaamheden moeten worden overgenomen omdat het cliëntsysteem niet in staat is dit (volledig) op te vangen. Met de basisuren kan het huis schoon gehouden worden op het door de gemeente gedefinieerde niveau van schoon. De basisuren richten zich op het uitvoeren van het lichte en zware schoonmaakwerk. Denk aan het afnemen van stof, stofzuigen, reinigen van ramen, vloeren en sanitair en bedden verschonen. Uit objectief, onafhankelijk onderzoek is gebleken dat er 105 uur op jaarbasis nodig is om het resultaat ‘Schoon Huis’ te behalen. Via de basisuren krijgt de cliënt de beschikking over 105 uren ondersteuning per jaar. Op de volgende pagina staat aangegeven uit welke taken de basisnorm is opgebouwd. De cliënt is echter vrij de uren naar eigen inzicht in te zetten voor het realiseren van het resultaat ‘Schoon Huis’. De cliënt stemt zelf met de door hem/haar gekozen aanbieder af met welke taken met welke frequentie dit wordt ingevuld. Het aantal uren dat verstrekt wordt via de Zorgproduct ‘Schoon Huis’ en het niveau van schoon dat hiermee behaald kan worden is gebaseerd op het objectieve onafhankelijke onderzoek, uitgevoerd door KPMG Plexus en Bureau HHM (augustus 2016). Voor nadere informatie: https://www.utrecht.nl/fileadmin/uploads/documenten/zorg-en-onderwijs/hulp-en-ondersteuning-Wmo/2016-08-Onderzoek-KPMG-Plexus-en-Bureau-HHM-Normering-van-de-basisvoorziening-schoon-huis.pdf 3.2 Aanvullende uren op maat Wanneer als gevolg van objectiveerbare (medische) beperkingen cliënten onvoldoende ondersteund worden door de basisuren bij het realiseren van een schoon huis of als er een ander noodzakelijk resultaat behaald moet worden, kunnen er aanvullende uren ingezet worden. Via een zorgvuldig, individueel onderzoek wordt bepaald of de cliënt aanvullende uren nodig heeft. In dit onderzoek wordt gekeken of via de eigen mogelijkheden, de algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen in combinatie met een eventuele inzet van de basisuren voor een schoon huis voldoende oplossing wordt geboden. De grootte van het huis(houden) is, in het algemeen, geen aanleiding om aanvullende uren toe te kennen. Ook de aanwezigheid van dieren (uitgezonderd hulphonden e.d.) zijn in het algemeen geen aanleiding voor het toekennen van aanvullende uren. De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort, in de eerste plaats, tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Het onderhoud van de tuin wordt niet tot het huishouden gerekend. We onderscheiden twee vormen van aanvullende uren: Aanvullende uren Schoon Huis Aanvullende uren Regie op een gestructureerd huishouden 3.2.1 Aanvullende uren Schoon Huis De volgende resultaten vallen onder de aanvullende uren Schoon Huis A.Een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren Deze aanvullende uren kunnen ingezet worden als cliënt vanwege geobjectiveerde medische/fysieke belemmeringen onvoldoende resultaat kan bereiken met het slim inzetten van de basisuren die beschikbaar zijn voor het realiseren van een schoon huis, maar inhoudelijk geen ander resultaat behaald moet worden. Aanleiding voor de inzet van deze aanvullende uren kan zijn ernstige fysieke beperkingen waardoor betrokkene geen mogelijkheden heeft zelf enige huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Ook kan er sprake zijn van medische beperkingen waardoor een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is, of medische/fysieke beperkingen die leiden tot een snellere vervuiling van het huis. De extra noodzakelijke schoonmaak dient een medische/fysieke oorzaak te hebben, welke aantoonbaar is. Daarnaast kan de aanwezigheid van kinderen onder de 13 jaar leiden tot een snellere vervuiling van het huis. Deze extra vervuiling dient door de ouders in redelijkheid tot het noodzakelijke beperkt te worden, maar kan aanleiding zijn aanvullende uren op maat toe te kennen. Voor het hanteren van de leeftijdsgrens van 13 jaar is aansluiting gezocht bij het Protocol voor huishoudelijke hulp van het CIZ uit 2006, pagina 10. Door middel van een zorgvuldig onderzoek wordt bekeken of de medische/fysieke beperking van de cliënt leidt tot de noodzaak voor het realiseren van een hoger niveau van hygiëne of een intensievere ondersteuning bij het schoonmaken. Ook wordt bekeken of er andere noodzakelijke factoren zijn die buiten de beïnvloedingsfeer van de aanvragen liggen en meegewogen moeten worden. Er wordt eerst onderzocht of cliënt via de eigen mogelijkheden, het eigen netwerk en de eigen kracht in combinatie met de basisuren in staat is (een deel van) het noodzakelijke hoger niveau van hygiëne of schoonmaken te realiseren. B.Het klaarzetten of bereiden van primaire levensbehoeften Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten en de warme maaltijd opwarmen. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijd wordt bereid en klaargezet en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Is er een huisgenoot aanwezig die in staat is de maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Dan hoeft de gemeente op grond van gebruikelijke hulp geen ondersteuning te bieden. Kan betrokkene op eigen kracht of met hulp van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is bijvoorbeeld een kind of één van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt er in het onderzoek gekeken of voorliggende voorzieningen zoals kant en klaar maaltijden van de supermarkt, mee-eten bij een verzorgingshuis, maaltijdbezorging aan huis etc. oplossingen bieden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de persoon aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Indien een persoon niet (meer) in staat is zelf of met hulp van de omgeving maaltijden te verzorgen en voorliggende voorzieningen niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leiden, kan ondersteuning door het college worden bezien. C.Beschikken over schoon linnen- en beddengoed en schone kleding Ondersteuning ten behoeve van dit resultaat wordt geboden als de cliënt een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van het linnen- en/of beddengoed en kleding. Het doel van dit resultaat is de beschikking hebben over schoon linnen- en beddengoed en/of over schone kleding. De verzorging van de was, zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed. Verwacht mag worden dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het realiseren van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de cliënt. Daarnaast wordt van de klant verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger of kleding die niet gestreken hoeft te worden. Van betrokkene wordt tevens verwacht dat hij/zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Er wordt binnen dit resultaatgebied gekeken naar wat de cliënt zelf nog kan en in welke mate het sociaal netwerk ondersteuning kan bieden. Daarbij kan gedacht worden aan de vraag of de cliënt met behulp van de mensen om hem of haar heen kan zorgen voor schone en draagbare kleding. Is er bijvoorbeeld een familielid of zijn buren bereid de was wekelijks te doen? Zijn er algemene of voorliggende voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Als er bijvoorbeeld door de inzet van een was- service het gewenste resultaat behaald kan worden hoeft de gemeente hierin niet te ondersteunen. Als sprake is van een gezonde huisgenoot valt dit resultaat vrijwel altijd onder de reikwijdte van gebruikelijke zorg en biedt het college geen ondersteuning. Als het noodzakelijke resultaat desondanks niet wordt behaald kan het nodig zijn aanvullende uren op maat te verstrekken. Omvang, vorm en normering aanvullende uren (enkelvoudig) De vaststelling van het noodzakelijk aantal uren vindt plaats in een individuele weging en wordt afgestemd op de individuele situatie. De uren worden op maat toegekend en zijn altijd aanvullend op de basisuren van zorgproduct Schoon Huis. De cliënt krijgt de ondersteuning verstrekt in uren per 4 weken. Voor het individueel vaststellen van de benodigde uren wordt gebruik gemaakt van de tabel normering huishoudelijke taken (bijlage 5). Deze is gebaseerd op het Protocol voor huishoudelijke hulp van het CIZ uit 2006. Deze tabel geldt als richtlijn. De aard van de ondersteuning, frequentie en intensiteit wordt afgestemd op het minimaal te behalen noodzakelijke resultaat. Hierbij is het uitgangspunt dat de ondersteuning via de goedkoopste en meest efficiënte wijze vorm krijgt. Een hoger gekwalificeerde hulp is met inzet van deze module niet noodzakelijk. De volgende resultaten vallen onder Aanvullende uren Regie op een gestructureerd huishouden. D.Thuis zorgen voor kinderen onder 6 jaar Het zorgen voor kinderen is een taak van ouder en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van zijn of haar kinderen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke zorg hoeft het college niet te compenseren. Het college ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met de leeftijd van 5 jaar. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een definitieve oplossing. Een indicatie wordt afgegeven met een maximale duur van 3 maanden om ouder(
  2. s)of verzorger(
  3. s)de mogelijkheid te bieden in een oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de cliënt aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. De zorg voor kinderen omvat het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van baby's. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. Tijdens het gesprek met de cliënt worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Zijn er algemene, collectieve of voorliggende voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de cliënt op eigen kracht, of met behulp van de mensen om hem heen zorgen voor de kinderen? E.Organiseren van huishoudelijke taken Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de cliënt niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen heeft de hulp aansturende en regietaken. Daarbij geldt voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de cliënt/ Ook kan ondersteuning bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Het doel van het voeren van de regie over het huishouden is het schoonhouden van het huis, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de cliënt verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijv. een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. De hulp dient bij het uitoefenen van de ondersteuning zoveel mogelijk de cliënt te betrekken bij het maken van keuzes. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de cliënt. Bij een deel van deze groep zal geen sprake zijn van ontwikkelvermogen, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Bewaken of het nog verantwoord is dat de cliënt zelfstandig woont, is daarom onderdeel van het resultaatgebied (signaleren en doorgeven aan de gemeente). In schema ziet de opbouw van de maatwerkvoorziening ‘Schoon Huis’ en regie op gestructureerd huishouden er als volgt uit: Omvang, vorm en normering aanvullende uren (meervoudig) De resultaten uit deze module krijgen vorm door een gespecialiseerde hulp in te zetten (voor alle toegekende uren ondersteuning bij het huishouden). De vaststelling van het noodzakelijke aantal uren vindt plaats in een individuele weging en wordt afgestemd op de individuele situatie. De uren worden op maat toegekend en zijn altijd aanvullend op de basisuren vanuit de zorgproduct Schoon Huis. De cliënt krijgt de uren verstrekt per 4 weken. Voor het individueel vaststellen van de benodigde uren wordt gebruik gemaakt van de tabel normering huishoudelijke taken (bijlage 5). Deze is gebaseerd op het Protocol voor huishoudelijke hulp van het CIZ uit 2006. Deze tabel geldt als richtlijn. De aard van de ondersteuning, frequentie en intensiteit wordt afgestemd op het minimaal te behalen noodzakelijke resultaat. Hoofdstuk C. Wonen 1 Inleiding Een cliënt komt in aanmerking voor een woonvoorziening indien de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Maar wat wordt nu verstaan onder de eigen leefomgeving? En hoe ver gaat zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving? Hieronder wordt dit uitgewerkt. Onder de eigen leefomgeving wordt verstaan de eigen woonruimte. Onder woonruimte wordt verstaan een woning bedoeld voor permanente zelfstandige bewoning. En een woonwagen als bedoeld in de Woningwet. Het kan zowel een koop als huurwoning betreffen. Problemen die de cliënt ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte kunnen door de verstrekking van woonvoorzieningen worden opgelost. Het streven is de problemen geheel weg te nemen of aanzienlijk te verminderen. 1.1Bezoekbaar maken van een woning Woont cliënt in een WLZ-instelling, dan kan er wel een woning bezoekbaar worden gemaakt indien: de cliënt de woning regelmatig bezoekt de kosten niet meer bedragen dan door het college in de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 vastgestelde bedrag de aan te passen woning in de gemeente Apeldoorn staat en niet eerder in de gemeente Apeldoorn een woning voor de cliënt bezoekbaar is gemaakt. In aanvulling op de cliënt die genoemd is in het eerste lid, kan een woning ook bezoekbaar worden gehouden indien de cliënt een student is die gedurende zijn studietijd elders op kamers woont. Onder bezoekbaar houden wordt verstaan: het in bruikleen behouden van verstrekte voorzieningen; het eventuele onderhoud en reparaties van deze verstrekte voorzieningen. Onder bezoekbaar maken wordt verstaan dat de cliënt de woning, de woonkamer en een toilet (zo nodig) kan bereiken en gebruiken met voorzieningen die hiervoor noodzakelijk zijn. 1.2Mantelzorgunit of woning Betreft de vraag een extra grote woning of een mantelzorgunit op het erf om mantelzorgtaken op zich te kunnen nemen, dan dient men hier zelf voor te zorgen. 1.3Uitraaskamer Indien het noodzakelijk is om een cliënt tot rust te brengen in een specifieke ruimte in de woning, dan kan een voorziening voor het creëren van een uitraasruimte worden verstrekt. 1.4Rechtstreeks oorzakelijk verband Een woonvoorziening kan pas worden verstrekt indien er een rechtstreeks oorzakelijk verband is tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) problemen, en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de betreffende woning. Wanneer belemmeringen voortvloeien uit de aard van het gebruikte materiaal, dan wordt een woonvoorziening niet verstrekt (bijvoorbeeld vocht en tocht). Indien er sprake is van onverwacht optredende meerkosten, waarvoor de cliënt niet heeft kunnen reserveren, kan wel een woonvoorziening worden verstrekt. 1.5Sloop en kraakwoningen Aan bewoners van sloopwoningen en kraakpanden worden alleen eenvoudige, losse, opnieuw te gebruiken woonvoorzieningen verstrekt, aangezien het hier gaat om woningen, waarbij de verdere woonduur beperkt is. 1.6Toestemming van de woningeigenaar bij bouwkundige en woontechnische aanpassingen Op grond van artikel 2.3.7 van de Wet maatschappelijke ondersteuning moet de eigenaar van een woning een noodzakelijke woningaanpassing die door het college wordt aangebracht accepteren. 2 Afwegingskader Om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen zullen eerst alle mogelijke alternatieven al beoordeeld worden. Dit betekent dat eerst eigen kracht, voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen beoordeeld worden. Om dit te kunnen beoordelen zal allereerst gekeken worden waar de behoefte en de beperkingen van de cliënt uit bestaan. 2.1Eigen kracht/mogelijkheden Onderzocht wordt of cliënt zelf in een oplossing kan en wil voorzien. Gebruik maken van de mogelijkheid zich te laten behandelen is voorliggend op compensatie vanuit de Wmo. 2.2Sociale netwerk/mantelzorgers Indien cliënt een beroep kan en wil doen op zijn sociale netwerk is dit voorliggend op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. 2.3Vrijwilligers Indien cliënt een beroep kan en wil doen op ondersteuning van vrijwilligers is dit voorliggend op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. 3 Voorliggende voorzieningen Wanneer een cliënt aanspraak kan maken op een voorziening op grond van een andere wet, hoeft de gemeente geen voorziening te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de betrokkene op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. 3.1Wet Langdurige Zorg (WLZ) Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt aan personen die verblijven in een WLZ-instelling. 3.2Zorgverzekeringswet Wanneer een hulpmiddel uit de Zvw het probleem kan compenseren, wordt geen voorziening uit de Wmo verstrekt. 3.3Collectieve maatwerkvoorzieningen Als aan de hand van de inventarisatie blijkt dat een roerende woonvoorziening noodzakelijk is, en er een pool van deze voorziening in de nabije omgeving van de cliënt is, dan wordt gebruik van deze voorziening als voorliggend beschouwd op een maatwerkvoorziening. 4 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemeen gebruikelijke voorzieningen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Tenzij de voorziening voor de aanvrager niet als algemeen gebruikelijk kan worden geacht. Specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte gebouwen Een voorziening in een specifiek op gehandicapten of ouderen gericht gebouw is algemeen gebruikelijk indien: Op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat het een sociale huurwoning is, die bestemd is voor een specifieke groep bewoners én: deze woning onmiskenbaar niet voldoet aan de vereisten voor een dergelijke woning: Op grond van wettelijke voorschriften; Algemeen aanvaardbare regels, óf: Contractuele bepalingen. Dit geldt ook voor gebouwen die niet specifiek bestemd zijn voor een bepaalde groep bewoners, maar die in de praktijk wel grotendeels door ouderen of gehandicapten worden bewoond. 4.2Renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd Ingeval van renovatie of aanpassing van een woning aan de eisen van de tijd, zal beoordeeld moeten worden of dit voor de persoon van de aanvrager als algemeen gebruikelijk kan worden beoordeeld. 4.3Achterstallig onderhoud Er hoeft geen woonvoorziening te worden verstrekt, indien de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van het feit dat de woning niet voldoet aan de op dat gebied geldende wettelijke voorschriften. 4.4Niveau sociale woningbouw Indien er maatwerkvoorzieningen worden getroffen wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. 4.5Meerkosten bij nieuwbouw In geval van nieuwbouw wordt geen woonvoorziening toegekend indien deze zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. Maatwerkvoorzieningen Verhuizen Indien de kosten van de verhuizing niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd, kan het college een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekken aan: Een cliënt Een medebewoner van een cliënt indien de aangepaste woonruimte, nadat bewoning door de gehandicapte beëindigd is, op verzoek van het college vrijkomt voor bewoning van een volgende gehandicapte. Afwijzingsgronden tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten Een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten wordt afgewezen indien: betrokkene voor het eerst verhuist naar een zelfstandige woonruimte; betrokkene verhuist naar een woning die niet geschikt is voor permanente bewoning; betrokkene niet is verhuisd naar de voor hem op dat moment meest beschikbare woning; de verhuizing niet bijdraagt aan het opheffen of verminderen van de beperkingen; betrokkene verhuist naar een WLZ-instelling; betrokkene verhuist vanuit een geschikte woning; de kosten van aanpassen woning lager zijn dan de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; De verhuizing voor cliënt als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. Noodzaak tot verhuizen bij belemmeringen in normaal gebruik van de woning Wanneer er belemmeringen zijn in het normale gebruik van een woning waardoor er een acute noodzaak tot verhuizen bestaat, kan hiervoor een tegemoetkoming in de kosten in de verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt. Indien er een noodzaak tot verhuizen bestaat vanwege een andere reden dan het ondervinden van belemmeringen in het normale gebruik van de woning, kan per situatie beoordeeld worden of er een indicatie bestaat voor een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten. 5.4Primaat van de verhuizing Het college kan een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten toekennen indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. 5.5Kosten woningaanpassingen lager dan € 10.000,- Zijn de kosten van de gevraagde woonvoorzieningen in totaal lager dan € 10.000,-, dan kan het primaat van verhuizen buiten toepassing blijven indien: de aanpassing redelijkerwijs voor de komende jaren een adequate oplossing is niet meer grotere aanpassingen te verwachten zijn voor de komende 5 jaren. Indien de situatie van de cliënt niet voldoet aan deze voorwaarden dan wordt onderzocht of een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekt kan worden. Indien er een urgent probleem in de woonsituatie is ontstaan, wordt onderzocht of er ter overbrugging maatregelen getroffen dienen te worden tot verhuizing geregeld is. Looptijd eigen bijdrage woningaanpassingen Indien de kostprijs van de woningaanpassingen lager is dan € 5000,- wordt over een periode van 5 jaar een eigen bijdrage gevraagd. Indien de kostprijs van de woningaanpassingen hoger is dan € 5.000,- dan wordt over een periode van 10 jaar een eigen bijdrage gevraagd. Kosten woningaanpassingen in een koopwoning hoger dan € 10.000,- Indien de totale kosten van de woningaanpassingen naar verwachting hoger zijn dan € 10.000,-, dan wordt onderzocht of er sprake is van een langdurige problematische woonsituatie, welke gecompenseerd kan worden door een woningaanpassing te verstrekken. Indien het vooruitzicht is dat wonen in de thuissituatie in de komende jaren niet meer mogelijk zal zijn, wordt geen woningaanpassing verstrekt. In aanvulling op lid 2 wordt dan onderzocht of er een indicatie is voor levering en plaatsing van een tijdelijke woon-unit, of voor maatregelen ter overbrugging. 5.7Kosten woningaanpassingen in een huurwoning hoger dan € 10.000,- Indien de totale kosten van de woningaanpassingen naar verwachting hoger zijn dan € 10.000,-, dan geldt het primaat van verhuizen. 5.8Doorwerking van een eerdere verhuizing Wanneer cliënt na verhuizing naar een eerdere niet passende woning opnieuw verhuist, ontstaat een nieuwe situatie die beoordeeld dient te worden. 5.9Beperkingen voorzienbaar bij betrekken woning Een woonvoorziening wordt geweigerd indien ten tijde van het betrekken van de woonruimte door cliënt te voorzien was dat in deze woonruimte beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte worden ondervonden. Bij een verhuizing naar een inadequate woning kan de cliënt wel in aanmerking komen voor een woonvoorziening als er geen adequate woning beschikbaar is. 6.1Trapliften In de Verordening zijn algemene regels opgenomen aangaande de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening, waaronder de traplift. In de beleidsregels volgt een nadere uitwerking van deze regels ten aanzien van trapliften. Een traplift kan worden verstrekt indien dit voor de komende jaren naar verwachting een adequate oplossing is voor het woonprobleem en er geen grote woningaanpassingen meer te verwachten zijn de komende jaren. indien een traplift geen langdurig adequate oplossing is voor het woonprobleem, geldt het primaat van verhuizen. in aanvulling op het eerder vermelde lid, wordt onderzocht of er ter overbrugging naar de verhuizing maatregelen in de woning getroffen dienen te worden tevens wordt dan onderzocht of deze maatregelen in het kader van de Wmo verstrekt dienen te worden. Roerende woonvoorzieningen via de hulpmiddelenleverancier Een roerende woonvoorziening kan via een hulpmiddelenleverancier in natura in bruikleen worden verstrekt indien dit de goedkoopst compenserende oplossing is voor het woonprobleem. Een roerende woonvoorziening kan tevens in de vorm van een pgb worden verstrekt. Voor het bepalen van de kostprijs per periode voor roerende voorzieningen voor wonen wordt de aanschafprijs vermeerderd met de all-in servicekosten en een eventuele verzekering en wordt dit totaalbedrag gedeeld door de periode van de mobiliteitsgarantie (9 jaar). Roerende voorzieningen geldt een mobiliteitsgarantie van 9 jaar. Een eigen bijdrage wordt over 117 perioden gevraagd. Bouwkundige en woontechnische aanpassingen Een bouwkundige of woontechnische aanpassing wordt in de vorm van natura of in de vorm van een pgb verstrekt. 6.3.1Aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten van een wooncomplex Een aanpassing aan een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex kan worden toegekend, indien deze aanpassing voor het complex niet als algemeen gebruikelijk kan worden bezien en het complex niet is aangemerkt als WLZ-verblijf locatie. De aanpassing aan een gemeenschappelijke ruimte kan worden toegekend indien hiermee een woonruimte bereikbaar wordt gemaakt en bestaat uit: het verbreden van een gemeenschappelijke toegangsdeur het aanbrengen van elektrische deuropeners het aanbrengen van een extra trapleuning het aanleggen van een hellingbaan het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders een opstelplaats voor rolstoel of vervoerhulpmiddel Toegankelijkheid en doorgankelijkheid van de woning Er wordt slechts 1 toegang van de woning geschikt gemaakt. 6.3.3Stallingsruimte of berging Indien het noodzakelijk is een stalling aan te passen, kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. 6.3.4Aanpassingen badkamer en toiletruimte Badkamers worden over een periode van 30 jaar afgeschreven. Een tegemoetkoming in de kosten wordt berekend over dat deel van de voorziening dat op moment van vervanging nog niet is afgeschreven. Voor de vervanging van badkamers ouder dan 30 jaar wordt geen voorziening verstrekt. 6.3.5Aanpassing aan de keuken Keukens worden over een periode van 20 jaar afgeschreven. Een tegemoetkoming in de kosten wordt berekend over dat deel van de voorziening dat op moment van vervanging nog niet is afgeschreven. Voor de vervanging van keukens ouder dan 20 jaar wordt geen voorziening verstrekt. 6.4Sanering van vloerbedekking, gordijnen en bankstel i.g.v. CARA Er kan ten gevolge van een calamiteit een tegemoetkoming in de kosten worden verstrekt voor de kosten van vervanging van vloerbedekking, gordijnen en/of een bankstel. geen tegemoetkoming in de kosten van sanering wordt verstrekt, indien cliënt bij aanschaf van de artikelen wist dat hij gevoelig was voor bepaalde stoffen. de sanering niet zal leiden tot een verbetering van de situatie van de cliënt. de sanering gevraagd wordt ten gevolge van een verhuizing. Aanbouw of uitbreiding van woonruimte Bij een aanbouw of uitbreiding van ruimten wordt een maximaal aantal m2 verleend. 6.6Woonwagens Indien cliënt een woonwagen bewoont, kan het college een woonvoorziening verstrekken indien: de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5 jaar is de woonwagen ten tijde van de aanvraag op een standplaats staat als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet en de standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking komt. Zorgunits Een zorgunit kan in bruikleen of in de vorm van een pgb worden verstrekt. Voor het bepalen van de kostprijs van een herplaatsbare losse zorgunit bij een woning wordt 3/25e deel van de waarde van deze voorziening inclusief omzetbelasting (btw) aangehouden, plus de volledige kosten van de plaatsing. De looptijd van de eigen bijdrage van zorgunits bedraagt 10 jaar. 6.8Onderhoud, keuring en reparatie Het college verleent een tegemoetkoming in de kosten voor onderhoud, keuring en reparatie indien: de woonvoorziening in het kader van de Wmo 2015, Wmo, Wvg of Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten is verleend en de cliënt ten tijde van het onderhoud, de keuring of de reparatie de woonruimte als hoofdverblijf heeft of de cliënt zijn hoofdverblijf elders (WLZ of vanwege studie) heeft maar de woning frequent bezoekt en de aanpassingen in het verleden door het college zijn verstrekt. Het bedrag voor onderhoud, keuring en reparatie wordt vastgesteld op het niveau van de door het college geaccepteerde kosten. 6.9Tijdelijke huisvesting, huurderving en het verwijderen van woonvoorzieningen, verkoop aangepaste woning In de Verordening zijn de kaders opgenomen voor de beoordeling van de aanvraag voor: Tijdelijke huisvesting; Huurderving; Het verwijderen van woonvoorzieningen; De verkoop van een aangepaste woning. Hoofdstuk D. Lokaal verplaatsen per vervoermiddel 1 Inleiding Het college moet de cliënt in staat stellen maatschappelijk te participeren. Hieronder wordt verstaan dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Dit noemen we verplaatsingen in het leven van alledag. 1.1Onderzoek naar vervoersbehoefte Om te bepalen of het college moet ondersteunen met een vervoersvoorziening, moet de vervoersbehoefte onderzocht worden. 1.2Aanvaardbare maatschappelijke participatie Het gaat er niet om hoe vaak een cliënt een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen. 1.3Sport en recreatie Vervoer naar sport en recreatie kunnen behoren tot het maatschappelijke leven van een cliënt. Lokaal verplaatsen Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om zich in de directe, eigen woon- en leefomgeving te verplaatsen. Onder de reikwijdte van het begrip "lokaal verplaatsen" wordt een afstand van 15 tot 20 kilometer vanaf de woning verstaan. Een vervoersvoorziening of een combinatie van vervoersvoorzieningen die neerkomt op een aflegbare afstand van ongeveer 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar, acht het college in beginsel toereikend om iemand in staat te stellen sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Indien de cliënt een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan de cliënt om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij een hogere vervoersbehoefte heeft. Het college mag rekening houden met een afwijkende (lagere) vervoersbehoefte dan de vervoersbehoefte die volgens het gemeentelijke beleid in het algemeen aanvaardbaar wordt geacht. Bovenlokaal verplaatsen Het college biedt geen compensatie voor bovenlokaal vervoer. In bepaalde uitzonderingssituaties zoals dreigende vereenzaming, ziekenhuisbezoek bovenlokaal, dagbesteding bovenlokaal kan cliënt gecompenseerd worden voor het bovenlokaal vervoer. Voor bovenlokaal vervoer via eigen auto of derde, bedraagt de tegemoetkoming in de meerkosten € 0,38 per kilometer. De tegemoetkoming in de meerkosten wordt in maandelijkse termijnen en bij vooruitbetaling uitgekeerd. 2 Afwegingskader Om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen zullen eerst alle mogelijke alternatieven beoordeeld worden. Dit betekent dat eerst eigen kracht, voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen beoordeeld worden. Om dit te kunnen beoordelen zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte en de beperkingen van de cliënt uit bestaan. Eigen kracht/mogelijkheden Uitsluitend meerkosten in de kosten van vervoer komen voor compensatie in aanmerking. Gebruik maken van de mogelijkheid zich te laten behandelen is voorliggend op compensatie vanuit de Wmo. Het is mogelijk bij De Zonnebloem een (rolstoel)auto te huren voor incidenteel gebruik. Sociale netwerk/mantelzorgers Indien cliënt een beroep kan en wil doen op zijn sociale netwerk is dit voorliggend op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. 2.3Vrijwilligers Indien cliënt een beroep kan en wil doen op ondersteuning van vrijwilligers is dit voorliggend op het verstrekken van een maatwerkvoorziening. 3 Voorliggende voorzieningen Wanneer een cliënt aanspraak kan maken op een voorziening op grond van een andere wet, hoeft de gemeente geen voorziening te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de betrokkene op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. 3.1Openbaar vervoer Het openbaar vervoer kan als een passende voorliggende voorziening worden gehanteerd, wanneer een cliënt het openbaar vervoer kan bereiken en gebruiken. 3.2Vrij toegankelijk collectief vraagafhankelijk aanvullend OV/PlusOV Het vrij toegankelijk collectief vraagafhankelijk aanvullend OV/ PlusOV kan als voorliggend worden gezien indien de vervoersbehoefte van cliënt minimaal is. 3.3Valys Gebruik van Valys is voorliggend voor vervoer naar bestemmingen verder dan 20-25 kilometer van het woonadres. 3.4OV-begeleiderskaart Het gebruik van een OV-begeleiderskaart kan voorliggend zijn op het inzetten van maatwerk. 3.5Vervoer naar basis en voortgezet (speciaal) onderwijs Voor vervoer naar basis en voortgezet (speciaal) onderwijs kan een beroep gedaan worden op Leerlingenvervoer. Dit is voorliggend op maatwerk vanuit de Wmo. 3.6Vervoer naar beroepsonderwijs Als een cliënt gebruik kan maken van een vervoersvoorziening op grond van de WIA, dan hoeft er geen voorziening op grond van de Wmo te worden verstrekt. 3.7Vervoer naar werk Als een cliënt gebruik kan maken van een vervoersvoorziening op grond van de WIA, dan hoeft er geen voorziening op grond van de Wmo te worden verstrekt. 3.8Vervoer naar dagbehandeling Jeugdwet Voor jeugdigen tot 18 jaar kan voor vervoer naar dagbehandeling een beroep gedaan worden op de Jeugdwet. 3.9Vervoer naar dagbesteding Jeugdwet Voor jeugdigen tot 18 jaar kan voor vervoer naar dagbesteding geïndiceerd vanuit de Jeugdwet een beroep gedaan worden op deze Jeugdwet. 3.10Vervoer vanuit school naar buitenschoolse opvang/dagbehandeling Voor vervoer naar buitenschoolse opvang/ dagbehandeling vanuit school kan een beroep gedaan worden op Leerlingenvervoer of Jeugdwet. Vervoer naar dagbehandeling 18+/volwassenen Thuiswonenden met een Wlz indicatie, kunnen het vervoer naar dagbesteding of dagbehandeling vergoed krijgen vanuit hun zorgprofiel. Thuiswonenden zonder Wlz indicatie die in het kader van dagbehandeling vervoer nodig hebben, kunnen een beroep doen op de Subsidieregeling extramurale behandeling. Vervoer naar een ziekenhuis Indien de cliënt gebruik kan maken van medisch vervoer op grond van de Zvw, dan hoeft er geen voorziening op grond van de Wmo te worden verstrekt voor dit doel. Indien de cliënt geen aanspraak kan maken, dan valt het medisch vervoer onder de compensatieplicht. Maatschappelijke participatie mensen met een Wlz indicatie Het college is (in ieder geval tot 1-1-2019) verantwoordelijk voor het verstrekken van mobiliteitshulpmiddelen aan Wlz-gerechtigden die verblijven in een Wlz-instelling, maar daar geen behandeling afnemen. Een mobiliteitshulpmiddel als een scootmobiel valt onder de Wlz indien de cliënt verblijft in een Wlz-instelling en in deze Wlz-instelling daadwerkelijk behandeling ontvangt. Wel blijft het college voor bewoners van Wlz-instellingen waar behandeling wordt geboden verantwoordelijk voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. Het college is verantwoordelijk voor vervoer voor mensen met een Wlz-indicatie die thuis wonen met een Volledig Pakket Thuis of een Modulair Pakket Thuis. Bijzondere bijstand Indien via bovenwettelijk begunstigend beleid via de Bijzondere Bijstand een vergoeding kan worden verleend, is dit voorliggend op maatwerk vanuit de Wmo. 3.15Algemene voorzieningen Als aan de hand van de inventarisatie van de vervoersbehoefte blijkt dat de vervoersbehoefte minimaal is, en er een groepsvoorziening in de nabije omgeving van de cliënt is, dan wordt gebruik van deze voorziening als voorliggend beschouwd op een individuele maatwerkvoorziening. 4 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Het college hoeft geen maatwerkvoorziening te verstrekken wanneer de voorziening algemeen gebruikelijk is. Vervoerskosten, ook voor de hieronder vermelde algemene voorzieningen, behoren tot de algemene kosten van bestaan en moeten in principe uit het inkomen op bijstandsniveau worden betaald. Een voorziening kan echter nooit zonder meer algemeen gebruikelijk worden genoemd. Er moet steeds beoordeeld worden of de specifieke voorziening ook voor de cliënt in het concrete geval algemeen gebruikelijk is. Behoort de voorziening naar geldende maatschappelijke opvattingen ook tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als belanghebbende? 4.1Algemeen gebruikelijk Wanneer een voorziening voor de aanvrager noodzakelijk is, maar deze zit in de WSNP, dan is voldoende vastgesteld dat de kosten voor de algemeen gebruikelijke voorziening niet bekostigd kunnen worden. Wanneer een voorziening voor de aanvrager noodzakelijk is, maar deze krijgt schuldhulpverlening via de Stadsbank, dan is voldoende vastgesteld dat de kosten voor de algemeen gebruikelijke voorziening niet bekostigd kunnen worden. Via een voorzieningencheck en budgetadvies van sociaal raadslieden kan onderzocht worden of er voldoende draagkracht is om een voorziening aan te schaffen of dat deze voor deze cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden geacht. Hieronder volgt een niet limitatieve lijst van vervoersvoorzieningen die als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt: Fiets Bakfiets met en zonder trapondersteuning Spartamet Fiets met (lage instap
  4. en)trapondersteuning (in de vorm van een hulpmotor) (richtprijs 2017 NIBUD € 1.150,-) voor personen vanaf 16 jaar Stalling (driewiel)fiets Geldt niet voor oplaadpunt Fietszitje voor kind Schootskleed voor scootmobiel Winterbeenbekleding voor scootmobiel Tandem met en zonder trapondersteuning Autoaanpassingen die de fabrikant kan treffen voor levering worden niet vergoed; elektrisch bedienbare ramen; kosten van een APK-keuring; een derde of vijfde deur en warmtewerend glas; cruise control automatische transmissie stuurbekrachtiging elektrische achterruitwisser airco standkachel opklapbare achterbank achterruitverwarming Indien dergelijke aanpassingen nodig zijn bij een aangepaste bruikleenbus/auto, kunnen deze, indien noodzakelijk, worden gecompenseerd. Beschikbaarheid eigen auto Indien de belanghebbende de beschikking heeft over een eigen auto, hoeft deze niet voor het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer of individueel (rolstoel)taxivervoer in aanmerking te worden gebracht. Indien cliënt beschikt over een eigen auto, zijn de kosten voor het gebruik van een eigen auto in beginsel eveneens algemeen gebruikelijk. 5 Maatwerkvoorzieningen Een maatwerkvoorziening kan een voorziening zijn of een aanpassing aan een voorziening. Deze kan verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). De Wmo geeft gemeenten tevens de bevoegdheid om burgers financieel tegemoet te komen als zij als gevolg van een chronische ziekte of een beperking aannemelijke meerkosten moeten maken. Dan kan een tegemoetkoming in de meerkosten worden verstrekt. 5.1Primaat collectief vervoer In de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2019 is opgenomen dat het collectief vervoer via PlusOV voorliggend is op het verstrekken van individuele maatwerk vervoersvoorzieningen. Collectief vraagafhankelijk vervoer via PlusOV Indien gebruik van het openbaar vervoer niet mogelijk is, kan Collectief Vraagafhankelijk Vervoer via PlusOV worden geïndiceerd. Een cliënt moet verplicht onder begeleiding reizen indien de begeleiding van de chauffeur onvoldoende is. De begeleider reist dan kosteloos mee. Wanneer cliënt niet om medische redenen op iedere rit begeleiding nodig heeft, maar wel incidenteel begeleiding nodig is, kan de indicatie sociale begeleiding worden afgegeven. De begeleider reist dan kosteloos mee. Voor kinderen onder de 12 jaar kan een sociale begeleidersindicatie worden afgegeven. De begeleider reist dan kosteloos mee. Op basis van de indicatie rechtstreeks wordt een cliënt rechtstreeks van ophaaladres naar bestemmingsadres gebracht, alvorens eventuele medereizigers worden weggebracht. Op basis van de indicatie kamer tot kamer wordt cliënt opgehaald op de kamer/wooneenheid en begeleidt naar het voertuig, en omgekeerd. Op basis van de indicatie extra beenruimte wordt in het reizen met PlusOV rekening gehouden met de beschikbaarheid van extra beenruimte. Op basis van de indicatie voorin dient cliënt voorin het voertuig vervoerd te worden. Op basis van de indicatie geen taxi/personenauto wordt cliënt uitsluitend vervoerd met een personenbus. Vervoer op vaste route (collectief trajectvervoer) via PlusOV Aan de hand van de vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze ingevuld kan worden met het collectief traject vervoer. 6.1CVV niet mogelijk Als het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer geen oplossing biedt, kan een andere maatwerkvoorziening worden verstrekt. 6.2Individueel taxivervoer Is samen reizen niet mogelijk, dan kan de gemeente indiceren voor individueel taxivervoer. Kilometerbudget ten behoeve van een (rolstoel)taxi Indien collectief vraagafhankelijk vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een taxi-kilometerbudget of rolstoel taxi-kilometerbudget verstrekken indien het vervoer betreft anders dan naar maatwerkvoorziening dagbesteding. Het kilometerbudget als genoemd in het eerste lid van dit artikel is gebaseerd op 1.500 tot maximaal 2.000 taxikilometers per jaar. Voor de gebruikers geldt hiervoor een ritbijdrage per kilometer plus een opstaptarief per rit. Zie hiervoor bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2019 voor de geldende tarieven. De ritbijdrage als bedoeld in het derde lid van dit artikel wordt achteraf en maandelijks via automatische incasso geïnd. Het budget voor samenwonende partners, die een ten dele samenvallende vervoersbehoefte hebben, bestaat uit maximaal anderhalf maal het taxikilometerbudget dat individueel geldt. Het budget wordt door twee gedeeld en individueel toegekend. Vervoer van en naar maatwerk dagbesteding Vervoer van en naar de dagbesteding georganiseerd door een aanbieder wordt ingezet indien dit de goedkoopst compenserende oplossing is. Indien noodzakelijk is dat de aanbieder ook het vervoer van en naar de dagbesteding organiseert, wordt voor het bepalen van de kostprijs verwezen naar de tarieven in bijlage 1 bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2019. Vervoer van en naar dagbesteding algemene voorziening De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het organiseren van het vervoer naar de dagbesteding algemene voorziening. Indien cliënt de kosten van vervoer naar de dagbesteding algemene voorziening niet kan dragen, kan een tegemoetkoming in de kosten worden gegeven. Gebruik van eigen auto of vervoer door derden (voor lokale verplaatsingen) Indien collectief vraagafhankelijk vervoer niet mogelijk is, kan het college een tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto toekennen voor zover deze kosten niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd voor de cliënt. Een tegemoetkoming in de meerkosten als bedoeld in dit artikel bedraagt een bedrag per kilometer. Zie hiervoor bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2019. De tegemoetkoming als genoemd in dit artikel wordt in maandelijkse termijnen en bij vooruitbetaling uitgekeerd. De tegemoetkoming voor samenwonende partners, die een ten dele samenvallende vervoersbehoefte hebben, bestaat uit maximaal anderhalf maal het normbedrag dat individueel geldt. De tegemoetkoming als genoemd in het vorige lid van dit artikel wordt door twee gedeeld en maandelijks individueel uitgekeerd. Afkoop collectief vraagafhankelijk vervoer voor autoaanpassing Indien het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) wel mogelijk is, maar cliënt gebruik wenst te maken van een eigen aan te passen auto, kan een tegemoetkoming in de kosten van het aanpassen van de auto worden verstrekt indien deze aanpassing noodzakelijk is. Deze tegemoetkoming in de kosten bedraagt een maximum bedrag voor de duur van 7 jaar. Zie bijlage 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning. De cliënt mag dan gedurende de periode waarover het CVV is afgekocht, geen gebruik maken van het CVV tegen gereduceerd Wmo-tarief. De cliënt dient de autoaanpassing zelf te verzekeren. Voor aanvullende kosten die voortkomen uit de aanschaf van de autoaanpassing kan geen beroep worden gedaan op de Wmo. Auto(aanpassingen) Een (tegemoetkoming in de kosten van een) autoaanpassing kan worden verstrekt indien: Gebruik van openbaar vervoer, Collectief Vraagafhankelijk Vervoer en individueel (rolstoel)taxivervoer niet mogelijk zijn of: Een autoaanpassing de goedkoopst compenserende oplossing is. Aangepast autozitje voor een kind Indien een kind geen plaats kan nemen in een regulier autozitje, kan het noodzakelijk zijn een aangepaste autozitje in bruikleen te verstrekken. Meerkosten aangepaste auto of bus Indien een auto in aangepaste auto noodzakelijk is, worden uitsluitend de meerkosten door het college vergoed. Voor het bepalen van de hoogte van de aanschafprijs van een auto welke algemeen gebruikelijk wordt geacht wordt de aanschafprijs referentieauto uit de normenlijst van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aangehouden. Een meerkostenvergoeding voor een aangepaste auto/bus wordt niet vaker dan eenmaal per 10 jaar verstrekt. Bruikleenauto/bruikleenbus Indien een auto voor cliënt niet algemeen gebruikelijk kan worden geacht maar wel noodzakelijk wordt bevonden door het college, dan kan hij in aanmerking worden gebracht voor een bruikleenauto. 6.12Brommobiel Een brommobiel kan in bruikleen verstrekt worden indien gebruik van openbaar vervoer, Collectief Vraagafhankelijk Vervoer of individueel taxivervoer om medische redenen niet mogelijk is. En er een substantiële vervoersbehoefte is die door de Wmo gecompenseerd dient te worden. 6.13Gesloten buitenwagen Een gesloten buitenwagen kan worden verstrekt indien gebruik van openbaar vervoer, collectief vervoer of individueel taxivervoer om medische redenen niet mogelijk is. En er een substantiële vervoersbehoefte is die door de Wmo gecompenseerd dient te worden. 6.14Europese gehandicaptenparkeerkaart Op grond van Artikel 49 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) kan het college een Europese gehandicaptenparkeerkaart verstrekken. 6.15Gemeentelijke gehandicaptenparkeerkaart Op grond van de “Uitvoeringsvoorschriften gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Apeldoorn” kan het college een gemeentelijke gehandicaptenparkeerkaart verstrekken. 6.16Gehandicaptenparkeerkaart op kenteken Het college kan een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken toekennen indien cliënt voldoet aan de criteria die daarvoor zijn opgenomen In de “Uitvoeringsvoorschriften gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken gemeente Apeldoorn”. Combinatie van maatwerkvoorzieningen voor verplaatsingen korte, middellange en lange afstanden In aanvulling op reizen met (collectieve) taxi of auto kan een andere maatwerkvoorziening worden verstrekt. Met deze maatwerkvoorziening moet dan wel in een ander, substantiële vervoersbehoefte worden voorzien. Het gaat dan om korte afstanden. Een voorziening wordt als additioneel beschouwd wanneer deze geen aanvulling biedt op de reeds in gebruik zijnde mogelijkheden voor verplaatsingen in het leven van alledag. Deze voorzieningen komen niet voor vergoeding in aanmerking. Scootmobiel De cliënt kan voor een scootmobiel in aanmerking worden gebracht indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. Wanneer er een contra-indicatie bestaat voor een voorziening wordt deze niet toegekend. Indien noodzakelijk kan een kinderzitje op een scootmobiel worden verstrekt. Indien de cliënt een zwaardere accu dan een standaard accu wenst, zijn de meerkosten hiervan voor eigen rekening. Indien cliënt een rollator dient mee te nemen op de scootmobiel, kan een rollatorrek toegekend worden indien dit een passende oplossing biedt. Een schootskleed komt niet voor compensatie in aanmerking. Winterbeenbekleding komt niet voor compensatie in aanmerking. Fietsen in speciale uitvoeringen De cliënt kan voor een driewielfiets in aanmerking worden gebracht indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. De cliënt kan voor een Balance fiets van Van Raam in aanmerking worden gebracht indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. De cliënt kan voor zijwielen in aanmerking worden gebracht indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. De cliënt kan voor overige aanpassingen aan een fiets in aanmerking komen indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. Indien een tandem/duofiets voor de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt, kan deze worden toegekend indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. De cliënt kan voor een rolstoelfiets of rolstoelplateau-fiets in aanmerking komen indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. De cliënt kan voor een handbike in aanmerking worden gebracht indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. Fietskar en bakfiets Indien een fietskar of bakfiets voor de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt, kan deze worden toegekend indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. 6.21Rolstoelscooters Een rolstoelscooter kan worden toegekend indien dit de goedkoopst compenserende voorziening is. 6.22Haalbaarheidstoets, instructie en gewenningslessen Standaard wordt door de leverancier een haalbaarheidstoets, instructie en gewenningsles gegeven. Stalling van hulpmiddelen Hulpmiddelen voor vervoer dienen gestald te worden in een daarvoor geschikte, overdekte, geventileerde en indien noodzakelijk van elektrische aansluiting voorziene ruimte. Zo is het hulpmiddel beschermd tegen diefstal, vernieling en weersinvloeden. Indien adequate stallingsruimte ontbreekt en niet te realiseren is, kan geen voorziening worden verstrekt. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor een adequate stalling voor fiets of driewielfiets. Indien het noodzakelijk is een stalling aan te passen, kan hiervoor een voorziening in natura dan wel een pgb worden verstrekt. Indien noodzakelijk kan het college huurkosten of plaatsingskosten van een stallingsruimte vergoeden. Indien een hulpmiddel niet in de gemeenschappelijke ruimte kan worden gestald, dan wordt samen met cliënt en verhuurder naar een andere mogelijkheid gezocht. Onderhoud en reparatie vervoersvoorzieningen Het college kan een vergoeding voor onderhoud en reparatie verstrekken. Hoofdstuk E. Verplaatsen in en om de woning 1 Inleiding Wanneer iemand beperkt is in de mobiliteit kunnen voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning gebruikt worden. Richtlijn is dat de cliënt in staat gesteld moet worden om zich binnenshuis en buitenshuis in een straal van 100 meter om de woning zelfstandig moet kunnen voortbewegen. Niet uitsluitend voor verplaatsingen in en om de woning kan compensatie worden aangeboden. Ook wanneer iemand zich dagelijks over langere afstanden moet verplaatsen en hiertoe niet in staat is, kan een voorziening noodzakelijk zijn. Wanneer iemand niet in staat is al dan niet met andere hulpmiddelen een afstand van zo’n 1.000 meter binnen een half uur af te kunnen leggen. Ter compensatie van de beperkingen kan gedacht worden aan rolstoelen voor dagelijks zittend verplaatsen, zowel door lichaamskracht als elektrisch voort te bewegen. Ook een buggy voor kinderen valt hieronder. 2 Afwegingskader Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om cliënten die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel of vergelijkbare voorziening. Om voor een individuele voorziening in aanmerking te komen, zal het college eerst nagaan of in het gesprek mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. 3 Voorliggende voorzieningen Voor loophulpmiddelen is een voorliggende regeling via de zorgverzekeraar. Rolstoelen voor incidenteel gebruik zijn niet bedoeld voor dagelijks zittend verplaatsen. Deze voorzieningen vallen daarom onder mogelijkheden anderen te ontmoeten en sociale verbanden aan te gaan. Voorzieningen voor het verplaatsen in en om de woning worden verstrekt aan cliënten met een zelfstandige woonruimte. Tevens worden voorzieningen verstrekt aan bewoners van instellingen – met uitzondering van verpleeghuizen-, tenzij het onomstotelijk vaststaat dat de Wet langdurige zorg (Wlz) hier zorgplichtig is. 4 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Vervolgens zal het college beoordelen of er andere eigen mogelijkheden zijn die benut kunnen worden. Cliënten wordt gevraagd of zij de voorziening uit eigen middelen willen bekostigen. 5 Maatwerkvoorzieningen Programma van eisen Als er noodzaak bestaat voor een maatwerkvoorziening voor dagelijks gebruik, dan zal door het college een programma van eisen worden opgesteld. Het college kan hiervoor een ergonomisch of medisch advies inwinnen bij een daartoe gecontracteerde adviesinstantie. Mantelzorg Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel te duwen, er duwondersteuning op de rolstoel verschaft kan worden. In eerste instantie is echter de zelfredzaamheid van de cliënt het uitgangspunt. Pas wanneer deze ondersteuning nodig heeft van een mantelzorger worden de (on)mogelijkheden van de vaste mantelzorger onderzocht. Hoofdstuk F. Rolstoel & sportvoorziening 1 Inleiding Het is belangrijk voor mensen om de mogelijkheid te hebben om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te kunnen gaan, dat wil zeggen lokaal en in het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (zie hiervoor). Een vervoermiddel is veelal nodig om andere locaties waar activiteiten plaatsvinden te bereiken. Hierna worden uitgewerkt: de rolstoel voor incidenteel gebruik en de sportrolstoel. 2 Afwegingskader Het college beoordeelt altijd eerst of, algemeen gebruikelijke, voorliggende en andere gemakkelijk zelf te realiseren voorzieningen mogelijk zijn. Wanneer het in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen, hoeft het college niet te compenseren. De capaciteit van de cliënt om zelf in oplossingen te voorzien wordt dan ook besproken tijdens het gesprek. 3 Voorliggende voorzieningen Wanneer iemand aangeeft bereid te zijn zelf maatregelen te treffen dan wel een voorziening aan te schaffen, dan zal hier tijdens het gesprek op doorgesproken worden. De consulent kan de cliënt dan nog bijstaan door informatie en advies te geven. Een rolstoel die slechts incidenteel wordt gebruikt, kan geleend worden via de Zorgverzekeringswet-uitleen. Hier kunnen voorzieningen kosteloos 26 weken geleend worden, en daarna gehuurd worden tegen betaling. Daarnaast streeft het college er naar uitleenpools op te zetten voor rolstoelen voor incidenteel gebruik. 4 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Indien de cliënt niet in staat of niet bereid is zelf een oplossing te vinden voor zijn probleem, dan beoordeelt het college of er algemene voorzieningen beschikbaar zijn, waarmee de cliënt geholpen kan zijn. Als het gaat om een vervoerprobleem zal het college eerste beoordelen of dit via het lokaal verplaatsen per vervoermiddel opgelost kan worden. Het college streeft ernaar zoveel mogelijk algemene voorzieningen op te zetten. Indien in de nabijheid van de cliënt nog geen algemene voorziening beschikbaar is, wordt onderzocht of deze gecreëerd kan worden. Indien het opzetten van een algemene voorziening binnen redelijke termijn gerealiseerd kan worden, en deze voorziening is passend voor de cliënt, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. 5 Maatwerkvoorzieningen Gebruik van een voorziening via de uitleen of via een pool kan als voorliggend worden beschouwd op een maatwerkvoorziening. Vooral op locaties waar zich veel personen bevinden die af en toe gebruik kunnen maken van een rolstoel, zoals in een woonzorgcentrum, wordt het opzetten van een pool wenselijk geacht. Rolstoel voor incidenteel gebruik Indien een cliënt voor incidenteel gebruik een voorziening nodig om medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan, wordt onderzocht in hoeverre deze gebruik kan maken van voorziening via de uitleen of een pool. Sportvoorziening Een financiële tegemoetkoming voor de aanschaf van een sportvoorziening kan worden toegekend indien de cliënt een sport op recreatief niveau zelfstandig wenst te beoefenen, en dit om medische redenen niet zonder sportvoorziening kan doen. Het college biedt cliënten die rolstoel gebonden zijn de mogelijkheid een sport te beoefenen. Er wordt uitsluitend een financiële tegemoetkoming verstrekt in de aanschaf en instandhoudingkosten van sportvoorzieningen. Hoofdstuk G. Participatie De ontwikkeling van cliënten brengen we in beeld met de participatieladder. De participatieladder kent zes treden van geïsoleerd (trede 1) tot en met betaald werk (trede 6). In dit hoofdstuk behandelen we ondersteuning gericht op ontmoeten (trede 2), ondersteuning gericht op een ‘bijdrage leveren’ (trede 3) en ‘onbetaald werk’ (trede 4) verrichten. We stimuleren cliënten zo mogelijk om stappen te zetten op de participatieladder (naar trede 3, 4 en 5 ‘betaald werk met ondersteuning’). In dit hoofdstuk behandelen we eerst ontmoeten (trede 2 van de participatieladder). Daarna gaan we dieper in op Werkt Mee-producten (naar of op trede 3 en 4, en naar trede 5 van de participatieladder). Werkt Mee-producten zetten we in voor cliënten van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Lucrato richt zich op cliënten die binnen 1 jaar zicht hebben op betaald werk. 1 Participatieladder trede 2 ontmoeten 1.1 Inleiding Binnen de gemeente Apeldoorn zijn er vele activiteiten en locaties gericht op dat mensen elkaar kunnen ontmoeten. Voor mensen die daarbij ondersteuning nodig hebben zijn activiteiten zowel vormgegeven binnen de algemene voorzieningen als binnen maatwerkvoorzieningen (ook wel recreatieve dagbesteding genoemd). 1.2 Algemene voorzieningen ontmoeten, dagbesteding en ondersteuning Onder ontmoeten binnen de algemene voorzieningen verstaan we de activiteiten die de Basisontmoetingsplekken bieden voor zowel volwassenen als de jeugd. Ook inwonersondersteuners en vrijwilligers dragen er aan bij dat cliënten kunnen participeren. Op een Basisontmoetingsplek onderscheiden we de volgende activiteiten: Ontmoetingsactiviteiten Collectieve ondersteuning Recreatieve dagbesteding Sociaal juridisch spreekuur Jeugd- en jongerenwerk locatiegebonden. Binnen het Jeugd- en jongerenwerk onderscheiden we twee soorten: Organiseren van ontmoetingsactiviteiten Collectieve ondersteuning Dit aanbod is te vinden op www.ontmoetelkaarinapeldoorn.nl Binnen de algemene voorzieningen Inwonersondersteuning onderscheiden we de volgende onderdelen: Informatie en advies Onafhankelijke cliëntondersteuning Individuele ondersteuning Collectieve inwonersondersteuning Waakvlamcontact Leefbaarheid en samenredzaamheid 1.3 Maatwerkvoorzieningen begeleiding groep De maatwerkvoorzieningen begeleiding groep richt zich op de doelgroepen met een intensievere ondersteuningsvraag zoals cliënten met ernstige dementie, ernstige verslaving, zware verstandelijke beperking, ernstige NAH en/of een intensieve lichamelijke ondersteuningsvraag. De ernst van de ondersteuningsvraag ligt bij deze doelgroepen veelal dicht tegen de Wlz of behandeling. Cliëntprofiel Begeleiding groep basis: De cliënt vraagt ondersteuning bij het vasthouden of vergroten van de regie. De problematiek beperkt zich tot één of enkele leefgebieden uit de meest actuele versie van de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM). De cliënt vraagt ondersteuning bij het vasthouden of vergroten van de regie. De problematiek beperkt zich tot één of enkele. Cliëntprofiel Begeleiding groep complex: De cliënt ervaart regieverlies (weet niet meer wat te doen, overzicht kwijt, kan problematiek niet meer voldoende managen). Er is sprake van complexe problematiek op vier of meer leefgebieden bij de cliënt uit de meest actuele versie van de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM). Cliënt begeleiding groep duurzaam intensief: Cliënt heeft meerdere beperkingen aangaande de zelfredzaamheid. De cliënt kan slechts met veel moeite op een aantal leefgebieden met enige mate zelfstandig functioneren mits daar begeleiding bij geboden wordt. Op enkele leefgebieden kan cliënt niet zelfstandig functioneren en er is continu begeleiding nodig. Er is ondersteuning nodig bij het verkrijgen en vasthouden van een dag- en/of weekstructuur. Het is nodig dat de cliënt actief en herhaaldelijk gestimuleerd wordt tot het deelnemen aan activiteiten en het aangaan van sociale contacten met anderen. De cliënt heeft behoefte aan inzicht in zijn beperkingen en ondersteuning bij het verbeteren van het psychisch welbevinden. Er is sprake van regieverlies. Er is sprake van (ernstige) gedragsproblematiek die van invloed is op het functioneren in een groep. 2. Participatieladder naar trede 3, op trede 3 of 4 en naar trede 5 2.1 Inleiding Werkt Mee heeft als doel het ondersteunen van cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, die behoren tot de leeftijdscategorie van 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd, die actief een bijdrage willen leveren aan de samenleving, die willen werken en hierbij ondersteuning nodig hebben. Voor deze cliënten wordt passend werk georganiseerd, zo lokaal en regulier mogelijk en gericht op ontwikkeling. Door deze cliënten zoveel mogelijk in reguliere vormen van werk met ondersteuning te laten participeren wordt een bijdrage geleverd aan een inclusieve samenleving. Er wordt zoveel mogelijk ingezet op ontwikkeling en op doorstroom naar een volgende stap op de participatieladder. De Werkt Mee-werkplekken bestaan uit het aanbieden van passende werkzaamheden inclusief de bijbehorende begeleiding, waardoor cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een bijdrage kunnen leveren aan de maatschappij. Het gaat om werkplekken op trede 3 (bijdrage leveren) en trede 4 (onbetaald werk) van de participatieladder. Wanneer de cliënt zich kan ontwikkelen naar een volgende trede op de participatieladder 1 De participatieladder is een hulpmiddel om de mate van participatie in de samenleving van een cliënt en daarmee de afstand tot de arbeidsmarkt vast te stellen. omvat ‘Werkt Mee’ ook de begeleiding van het traject dat de cliënt hiervoor moet doorlopen. De mate van begeleiding is afhankelijk van de vraag van de cliënt. De positie van de cliënt op de participatieladder hangt hierme

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.