verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2002De raad der gemeente Tiel; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van Tiel; gelet op artikel 225 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen de: Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2002 Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: parkeren het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; houder degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (Stb. 1994, 475) aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven; parkeerapparatuur parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, en hetgeen naar maatschappelijk opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan. Artikel2Belastbaar feit Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven: een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze; een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Artikel3Belastingplicht 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd. 2.Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aan gemerkt: degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen; zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat
- indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;
- indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 3.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. 4.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt gegeven van degene die de vergunning heeft aangevraagd. Artikel4Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. Artikel5Ontstaan van de belastingschuld 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. 2.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. Artikel6Wijze van heffing en termijn van betaling 1.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren; op een met één of meerdere slagbomen ingericht parkeerterrein dient de belasting bij afloop van het parkeren te worden betaald. 2.De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend. 3.Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. Artikel7Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. Artikel8Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling 1.Tot zekerheid van de betaling van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het voertuig ook een wielklem worden aangebracht, waardoor wordt verhinderd dat het voertuig wordt weggereden. 2.Het college van burgemeester en wethouders wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast. 3.Indien na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het voertuig naar een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld. Artikel9Kosten 1.De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 47,--. 2.De kosten van het aanbrengen en van het verwijderen van de wielklem bedragen € 40,
- 3.De kosten voor de overbrenging en bewaring bedragen € 136,
- 4.Het bedrag van de ingevolge het tweede en derde lid in rekening te brengen kosten wordt bij beschikking vastgesteld. Artikel10Kwijtschelding Bij de invordering van deze belasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel11Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de parkeerbelasting. Artikel12Inwerkingtreding en citeertitel 1.De “Verordening Parkeerbelastingen 1999”, vastgesteld d.d. 18 augustus 1999 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3.De datum van ingang van de heffing is 1 januari
- 4.Deze verordening kan worden aangehaald als verordening “Parkeerbelastingen 2002".um van ingang van de heffing is 1 januari
- Aldus besloten in de openbare vergadering van 19 december 2001 de secretaris, de voorzitter Bijlage1 Tarieventabel 2008 behorende bij de Verordening Parkeerbelastingen
- Het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedraagt: in het gebied bij parkeerapparatuur geschikt voor een parkeer tijd van bedrag in EURO per tijds- eenheid Hoogeinde 30 minuten 0,10 6 minuten gasthuisstraat voor huisnrs. 92/94 30 minuten 0,10 6 minuten gasthuisstraat (overige) 45 minuten 0,10 6 minuten Achterweg-Zuid 45 minuten 0,10 6 minuten Damstraat 45 minuten 0,10 6 minuten Oliemolenwal 45 minuten 0,10 6 minuten Vleesstraat 45 minuten 0,10 6 minuten Achterweg-Noord 60 minuten 0,10 10 minuten (vakken 1 t/m 15) 60 minuten 0,10 10 minuten Ambtmanstraat 60 minuten 0,10 10 minuten Kleibergstraat 60 minuten 0,10 10 minuten Molenstraatje 60 minuten 0,10 10 minuten Westluidensestraat 60 minuten 0,10 10 minuten 1e bleekveldstraat voor huisnrs. 4 t/m 12 60 minuten 0,10 12 minuten Kalverbos 90 minuten 0,10 12 minuten St. Walburg 90 minuten 0,10 12 minuten Varkensmarkt 90 minuten 0,10 12 minuten Zoutkeetstraat 90 minuten 0,10 12 minuten minuten 1e Bleekveldstraat onbeperkt 0,10 10 minuten Koninginnestraat Oude Haven Plein Veemarkt onbeperkt onbeperkt onbeperkt onbeperkt 0,10 0,10 0,10 0,10 10 10 10 10 minuten minuten minuten minuten 2 Het tarief voor het verlenen van een parkeervergunning, als bedoeld in artikel 2, onderdeel b van de verordening Parkeerbelastingen bedraagt per jaar: voor minimaal 24 uur per dag 45,38 voor minimaal 13 uur per dag 181,51 voor minimaal 13 uur en maximaal 17 uur per dag, het tarief vermeld onder 2.2, vermeerderd met € 4,54 per uur vanaf 13 uur. Behoort bij raadsbesluit van 7 november 2007 tot vaststelling van de "Verordening parkeerbelastingen 2002". Tiel, 7 november 2007 De griffier,