Verordening rioolrechten Bleiswijk 2008De raad van de gemeente lansingerland;gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2007;gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a van de GemeentewetBesluit vast te stellen de:Verordening op de heffing en de invordering van rioolrechten 2008 voor de kern cq. voormalige gemeente Bleiswijk Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt:a. onder gemeentelijke riolering mede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater begrepen;b. onder afvalwater verstaan water en stoffen die worden afgevoerd via de gemeentelijke riolering;c. onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak. Artikel2Belastbaar feit en belastingplicht 1Onder de naam "rioolrechten" worden geheven:een recht van degene die bij het begin van het belasting jaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een eigendom dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering; 2met betrekking tot het recht als bedoeld in het eerste lid wordt, ingeval het eigendom een roerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie vermeld staat, tenzij blijkt, dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel3Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de rechten geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten als een geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt. Artikel4Maatstaf van heffing 1De maatstaf van heffing van het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is de waarde in het economisch verkeer van het op de riolering aangesloten eigendom; 2Onder de waarde in het economisch verkeer wordt verstaan de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het in artikel 6 bedoelde kalenderjaar valt; 3Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, eerste en derde lid, 19, eerste lid, onderdelen b en c, 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel5Belastingtarieven Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, bedraagt per eigendom met een waarde in het economisch verkeer van:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.