De raad van de gemeente Middelharnis; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 juni 2008; gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht; b e s l u i t: vast te stellen de Verordening peuterspeelzaalwerk Middelharnis 2008 Hoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Omschrijving van gehanteerde begrippen Deze verordening verstaat onder:a. Algemene subsidieverordening: de meest recente Algemene subsidieverordening vande gemeente Middelharnis;b. beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomenin de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt over voordeze werkzaamheden passende beroepskwalificaties;c. begeleider: een hulpouder die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleidingvan kinderen bij een peuterspeelzaal;d. houder: een organisatie of instelling die een peuterspeelzaal exploiteert;e. kindplaats: een rekeneenheid die overeenkomt met een peuterbezoek aan de peuterspeelzaalvan minimaal vijf uur, verdeeld over twee dagdelen per week, gedurendemaximaal veertig weken per jaar;f. peuterspeelzaal: een kindercentrum ten behoeve van een speelgroep van kinderenvanaf twee jaar en zes maanden tot de leeftijd dat zij naar de basisschool kunnen gaan,met een maximale verblijfsduur van drie uren per dag;g. peuterlokaal: een lokaal voor de opvang van kinderen in een peuterspeelzaal;h. peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen vanaf twee jaar enzes maanden gedurende minimaal twee dagdelen per week van maximaal drie uur metals doel de ontwikkeling van deze kinderen te stimuleren; het minimum van twee dagdelenper week geldt tevens als maximum voor de subsidiëring;i. Register kinderopvang en peuterspeelzalen: een overzicht van goedgekeurde kinderopvanginstellingenen peuterspeelzalen;j. toezichthouder: een door de gemeente aangewezen persoon die belast is met het uitvoerenvan de kwaliteitscontrole bij de peuterspeelzalen. Hoofdstuk2EXPLOITATIE VAN EEN PEUTERSPEELZAAL Artikel2Melden van voornemen tot exploitatie 1Een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie of instelling die binnen de gemeenteeen peuterspeelzaal wil gaan exploiteren doet uiterlijk drie maanden voor de ingangsdatumvan de beoogde exploitatie melding aan het college. 2De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaargesteld formulier. 3Bij de melding overlegt de rechtspersoon die wil overgaan tot exploitatie van een peuterspeelzaal:- een gewaarmerkt exemplaar van de oprichtingsakte van de rechtspersoon waarin destatuten zijn opgenomen;- een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel;- een reglement betreffende oudercommissies;- verdere gegevens die het college nodig acht voor het correct uitvoeren van deze verordening. Artikel3Opnemen van nieuwe peuterspeelzalen in het Register 1Het college houdt een Register bij van gemelde peuterspeelzalen. 2In dit Register worden na een melding de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2,lid 3, zijn of worden verstrekt. 3Een houder van een peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 1 verstrekt desgevraagd aanhet college alle gegevens die nodig zijn voor het Register. 4De toezichthouder als bedoeld in artikel 6 van deze verordening onderzoekt voordat hetcollege overgaat tot de in het vorige lid bedoelde opneming binnen acht weken of de exploitatieplaatsvindt in overeenstemming met de in deze verordening gestelde eisen. 5Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal in hetRegister of het doorvoeren van wijzigingen heeft plaatsgevonden. Artikel4Opnemen van bestaande peuterspeelzalen in het Register 1Het college neemt in het Register de peuterspeelzalen op die op het tijdstip van het inwerking treden van deze verordening actief zijn. 2Peuterspeelzalen als bedoeld in het vorige lid verstrekken op verzoek van het college allegegevens die nodig zijn voor opname in het Register. Artikel5Exploitatieverbod Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen of te houden als uit het onderzoekvan de toezichthouder als bedoeld in artikel 7, lid 1, van deze verordening blijkt dat nietaan de eisen uit deze verordening wordt voldaan. Artikel6Gemeentelijk toezicht en aanwijzing van toezichthouder Met het toezicht op de kwaliteit van de peuterspeelzalen op basis van deze verordening is deinspecteur van de GGD Zuid-Hollandse Eilanden belast. Het college wijst hiervoor een ofmeerdere toezichthouders aan. Artikel7Onderzoek door toezichthouder 1De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2 binnen acht wekenof de voorgenomen exploitatie plaatsvindt in overeenstemming met de in deze verordeninggestelde eisen. 2Onverminderd het bepaalde in het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of deexploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de in deze verordeninggestelde eisen. 3De toezichthouder onderzoekt na een klacht als bedoeld in artikel 22, binnen acht wekenof de exploitatie plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening. 4Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder incidenteelonderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de voorschriften in artikel17 van deze verordening. Artikel8Inspectierapport 1De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoekbij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport dat gericht is aan het college. 2Als de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordeningniet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 3Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van hetontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthoudervermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. 4De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschriftdaarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijkeplaats. 5De toezichthouder maakt het definitieve inspectierapport uiterlijk vier weken na de vaststellingdaarvan openbaar. Artikel9Aanwijzing en bevel 1Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven naar aanleiding van het inspectierapport. 2In de aanwijzing geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de voorschriftenniet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmeete nemen maatregelen. 3Als de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een peuterspeelzaalzodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden,kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. 4Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen. Hoofdstuk3SUBSIDIERING EN VOORWAARDEN Artikel10Het aanvragen van een subsidie Het college kan ten behoeve van aanvragen in het kader van dit hoofdstuk formulieren vaststellen. Artikel11Voor subsidie in aanmerking komende kosten 1Het college legt in een Beleidsregel vast welke kosten in aanmerking kunnen komen voorsubsidie. 2De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerkhij kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden onderscheiden:- ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’;- ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’;- ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’. 3Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de peuterspeelzaal minimaal ambitieniveau1 te realiseren. Artikel12Verdeling van de bevoegdheden 1De raad stelt jaarlijks bij het vaststellen van de begroting het plafond vast voor het verlenenvan subsidies ten behoeve van het peuterspeelzaalwerk. 2Het college is door de raad belast met het uitvoeren van deze verordening. 3Het college kan nadere beleidsregels peuterspeelzaalwerk opstellen. Artikel13Het afwijzen van een subsidieaanvraag 1Een subsidieaanvraag wordt door het college afgewezen als de aangevraagde voorzieninggeen voorziening is in de zin van artikel 1 of anderszins niet wordt voldaan aan deeisen uit deze verordening. 2Een subsidieaanvraag wordt door het college afgewezen als naar het oordeel van hetcollege het inrichten of uitbreiden van een bestaande of nieuwe voorziening strijdig is metde uitgangspunten van het gemeentelijk accommodatiebeleid. Hoofdstuk4EISEN MET BETREKKING TOT KWALITEIT, HYGIENE EN Artikel14Eisen ten aanzien van de oppervlakte speelruimte 1Voor ieder kind is minimaal 3 m² bruto oppervlakte binnen(speel)ruimte beschikbaar. 2Voor ieder kind is minimaal 4 m² bruto oppervlakte buiten(speel)ruimte beschikbaar. Artikel15Eisen ten aanzien van de groepen en groepsgrootte In een groep zijn ten hoogste vijftien kinderen gelijktijdig aanwezig, met dien verstande datde reguliere groepsgrootte maximaal veertien kinderen bedraagt en er één plaats wordt gereserveerdvoor spoedplaatsing. Artikel16Eisen ten aanzien van het aantal beroepskrachten en begeleidsters per In elke groep zijn tenminste een beroepskracht en een begeleider aanwezig. Artikel17Eisen ten aanzien van hygiëne en veiligheid 1De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving,in een risico-inventarisatie gezondheid en veiligheid schriftelijk vast welke risico’sde opvang van kinderen met zich meebrengt en maakt hier beleid op. 2Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien van hygiëne en veiligheid. Artikel18Toepassing Arbo-normen De houder draagt zorg voor de correcte naleving van wetgeving op het gebied van arbeidsomstandighedenzoals vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 of zoveel als laatstelijkgewijzigd. Hoofdstuk5OVERIGE EISEN Artikel19Overeenkomst tussen houder en ouder 1Opvang in een peuterspeelzaal vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomsttussen de houder en een ouder. 2De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan het aangaanvan de in het vorige lid bedoelde overeenkomst in ieder geval over:- de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden;- het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 11, lid 2 en het op basis hiervan beschrevenpedagogisch beleid;- het te voeren beleid, inzake kwaliteit en hygiëne en veiligheid;- de oudercommissie;- de klachtenregeling;- de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij depeuterspeelzaal;- de aard van het in te zetten observatie-instrument en de rapportage over de observatie. Artikel20Acceptatieplicht 1Een houder van een peuterspeelzaal heeft een acceptatieplicht van peuters. 2Alleen op grond van afspraken tussen de gemeente en de peuterspeelzalen over despreiding van leerlingen met specifieke onderwijsvragen of -achterstanden kan hiervangemotiveerd worden afgeweken. Artikel21Verklaring omtrent gedrag 1Beroepskrachten met een arbeidsovereenkomst, welke afgesloten is na inwerking tredingvan de verordening en werkzaam zijn voor een peuterspeelzaal zijn in het bezit van eenverklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens. 2Deze verklaring wordt aan de houder overgelegd voordat een persoon de werkzaamhedenaanvangt. 3De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden. 4Als de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langervoldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangtde houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die nietouder is dan twee maanden. 5De betreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellentermijn. Artikel22Klachtenregeling De houder draagt via een externe klachtenregeling – die voldoet aan de Wet klachtenrechtcliënten zorgsector - zorg voor een correcte afhandeling van klachten van ouders. Hoofdstuk6OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel23Strafbepaling Overtreding van artikel 2, lid 1, en de artikelen in hoofdstuk 4 van deze verordening wordtgestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel24Hardheidsclausule Het college kan de bepalingen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvanafwijken, voorzover toepassing gelet op het belang waarvoor deze regeling tot stand isgebracht leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel25Bekendmaking 1De subsidieplafonds worden bekendgemaakt voor het begin van het tijdvak waarvoor zezijn vastgesteld. 2Het Register wordt geplaatst op de website van de gemeente. 3De namen van de toezichthouders worden gepubliceerd op de website van de gemeente. 4Toezichthouder en gemeente plaatsen het inspectierapport op hun websites. Artikel26Rechtmatigheidtoetsing Voor wat betreft deze verordening worden de voor de minimale rechtmatigheidvereisten relevantebepalingen weergegeven in het als bijlage 1 opgenomen overzicht dat als zodaniggeacht wordt deel uit te maken van dit besluit. Artikel27Toepassing van de Algemene subsidieverordening Op deze verordening is van toepassing de Algemene subsidieverordening gemeente Middelharnis. Artikel28Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2008, behoudens de artikelen 17, lid 1 (het aspectrisico-inventarisatie gezondheid en veiligheid) en 19, lid 2 (het pedagogisch beleid). Dezeartikelen treden in werking op 1 juli 2009. Artikel29Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening peuterspeelzaalwerk Middelharnis2008. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raadvan de gemeente Middelharnis op 3 juli 2008. De griffier, De voorzitter, P.W. Berrevoets-Ringelberg. G. de Vries-Hommes.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.