Verordening betreffende de volgorde van afvloeiing van het onderwijzend personeel van de openbare scholen voor basisonderwijs De raad van de gemeente Ridderkerk; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 januari 1999, nummer 136; gelet op de bepalingen van de Wet op het primair onderwijs; b e s l u i t: I.vast te stellen de navolgende Verordening betreffende de volgorde van afvloeiing van het onderwijzend personeel van de openbare scholen voor basisonderwijs Artikel 1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: school : een school voor basisonderwijs; belanghebbende : het lid van het onderwijzend personeel, aangesteld bij het openbaar basisonderwijs van de gemeente Ridderkerk; diensttijd : de totale diensttijd doorgebracht: aan een school of inrichting waarop de Kleuteronderwijswet of de Lageronderwijswet 1920 van toepassing was, de Wet op het basisonderwijs of de lnterimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs van toepassing is c.q. de onderwijsvormen die in de plaats daarvan zijn of worden ingesteld, met dien verstande dat de tijd voor januari 1956 doorgebracht aan een school voor kleuteronderwijs meetelt indien daaruit inkomsten werden genoten; aan een school of inrichting als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs danwel de Overgangswet voortgezet onderwijs - waaronder begrepen vormingsinstituten - en in de wetten die geacht kunnen worden aan de Wet op het voortgezet onderwijs te zijn voorafgegaan; aan een school of inrichting als bedoeld in de Experimentenwet Onderwijs; aan een instituut voor vormingswerk voor jonge volwassenen, dat gesubsidieerd wordt volgens de "Rijksregeling subsidiëring vormingswerk leerplichtvrije jeugd 1964" (Stb. 1964, 239); aan een Nederlandse instelling voor wetenschappelijk onderwijs, de Politie Academie, de Rijksluchtvaartschool, alsmede het militair wetenschappelijk onderwijs aan het Koninklijk Instituut van de Marine, de Koninklijke Militaire Academie, de Koninklijke Militaire school en de Hogere Krijgsschool, indien de personeelskosten van die instelling voor tenminste 51 % door de overheid worden vergoed ingevolge enige wettelijke bepaling, alsmede de voormalige Mijnscholen in Limburg voorzover het rechtstreeks door de overheid beheerde mijnen betreft; aan een Nederlandse school, cursus, opleiding of andere instelling voor bijzonder onderwijs als bedoeld in artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs, die van overheidswege is aangewezen als bevoegd om aan de leerlingen op grond van met gunstig gevolg afgelegde examens dezelfde diploma's uit te reiken als die welke uitgereikt worden door overeenkomstige uit enig openbare kas bekostigde instelling, dan wel; aan centra voor vakopleiding aan volwassenen en jong-volwassenen; aan gestichten, bedoeld in de Beginselenwet Gevangeniswezen en in Rijksinrichtingen als bedoeld in de Beginselenwet voor de kinderbescherming; aan hier te lande gevestigde instellingen die opleiden of opleidden voor enig geestelijk ambt; aan door de Nederlandse overheid gesubsidieerde muziekscholen; bij een orgaan als bedoeld in de Wet op het leerlingwezen (Stb. 1966, 215); bij een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel B3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, waarvan de aanwijzing als zodanig op voordracht van de minister van Onderwijs en Wetenschappen is geschied, danwel de bekostiging geheel of gedeeltelijk door het Rijk plaatsvindt, waarbij mede in aanmerking komt de tijd doorgebracht in een betrekking aan bovenbedoelde instelling die voorafgaat aan de aanwijzing als bedoeld in artikel B3 van de Algemene burgerlijke pensioenwet; aan door het Rijk en/of de gemeenten bekostigde Schoolbegeleidingsdiensten; bij het door het Rijk bekostigde Nederlandse scholen in het buitenland en bij door het Rijk erkende scholen in de huidige en voormalige overzeese gebiedsdelen; 10 a. aan een instelling voor MO-opleidingen in de zin van de wet op de MOopleidingen; 10 b. aan een instelling waarop de Wet op het hoger beroepsonderwijs van toepassing is; 10 c. bij een instelling als bedoeld in de Rijksregeling Basiseducatie; 10 d. bij een instelling als bedoeld in de Wet op de onderwijsverzorging; alsmede de tijd gedurende welke de belanghebbende als dienstplichtige in Nederlandse militaire dienst was, dan wel de deze vervangende dienst bedoeld in de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst; de belanghebbende in het genot is geweest van een ontslaguitkering vanwege het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, het ministerie van Landbouw en Visserij of, voor wat betreft de vakonderwijzer, vanwege de gemeente: vaste aanstelling : aanstelling voor onbepaalde tijd; tijdelijke aanstelling : aanstelling voor bepaalde tijd; afvloeiing : tussentijds ontslag uit een tijdelijk dienstverband dan wel ontslag uit een vast dienstverband van belanghebbende op grond van opheffing van de school of van een betrekking aan de school of wegens zodanige veranderingen in de inrichting van het onderwijs, dat de werkzaamheden van een of meer belanghebbenden overbodig worden. Artikel 2 Afvloeiingsvolgorde
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.