← Nederland

Erfgoedverordening Venlo 2010 (Venlo)

Erfgoedverordening Venlo 2010Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: monument een zaak die van algemeen belang is wegens haar schoonheid, betekenis voor de wetenschap, archeologische, bouwhistorische, natuurhistorische, historisch landschappelijke of cultuurhistorische waarde. een terrein of gebied dat van algemeen belang is wegens één of meerdere daar aanwezige zaken als bedoeld onder

  1. beschermd (rijks)monument beschermd monument als bedoeld in artikel 1 onder d van de Monumentenwet 1988, met uitzondering van een beschermd archeologisch monument als bedoeld in artikel 1 onder c van die wet en als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; (rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1,onder g, van de Monumentenwet 1988 en als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; gemeentelijk monument onroerend monument, als bedoeld in het eerste lid onder a1, dat overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 5 van deze verordening als zodanig is aangewezen en als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; gemeentelijk stads- en dorpsgezicht monument als bedoeld in het eerste lid onder a2, waarbij sprake is van een groep van zaken en/of terreinen die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke en/of structurele samenhang, dan wel wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en dat overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van deze verordening als zodanig is aangewezen en als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; kaart met stads- en dorpsgezichten kaart, die onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke erfgoedlijst, waarop de overeenkomstig deze verordening aangewezen stads- en dorpsgezichten zijn aangegeven; gemeentelijk groen- en landschapsmonument monument als bedoeld in het eerste lid onder a, dat overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 7 van deze verordening als zodanig is aangewezen en als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; kaart met groen- en landschapsmonumenten kaart, die onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke erfgoedlijst, waarop de overeenkomstig deze verordening aangewezen groen- en landschapsmonumenten zijn aangegeven die meerdere kadastrale percelen of grotere gebieden omvatten; gemeentelijke archeologische verwachtingszone terrein dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is aangewezen vanwege zijn betekenis voor de gemeentelijke archeologische monumentenzorg en geregistreerd is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. gemeentelijke archeologische beleidskaart kaart, die onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke erfgoedlijst, waarop de overeenkomstig deze verordening aangewezen gemeentelijke archeologische verwachtingszones en archeologische monumenten en vindplaatsen zijn aangegeven. gemeentelijk archeologisch monument monument als bedoeld eerste lid onder a2, waarbij sprake is van een groep van zaken en/of terreinen die van algemeen belang zijn wegens haar archeologische, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en dat overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 9 van deze verordening als zodanig is aangewezen en als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; gemeentelijke erfgoedlijst de lijst waarop de overeenkomstig deze verordening als: gemeentelijk monument, gemeentelijk stads- of dorpgezicht, gemeentelijk groen- en landschapsmonument, gemeentelijk archeologisch verwachtingszone gemeentelijk archeologisch monument aangewezen zaken, terreinen en gebieden zijn geregistreerd; kerkelijk monument onroerend monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente, parochie of een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst; Commissie Ruimtelijke Kwaliteit de door de gemeenteraad ingestelde commissie, als bedoeld in artikel 15 eerste lid van de Monumentenwet 1988, met als taak om het college te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, over deze verordening en over het erfgoedbeleid in het algemeen. onderzoek cultuurhistorische rapportage als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Mor en een onafhankelijk en deskundig onderzoek naar: de architectonische, bouwhistorische, interieurhistorische, kleurhistorische, tuinhistorische, wetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarde van een (rijks)beschermd monument of een gemeentelijk monument; of de esthetische kwaliteiten, de ruimtelijk (bouw)historische en kleurhistorische kenmerken alsmede de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van een gemeentelijk stads- of dorpgezicht; of de esthetische kwaliteiten, de tuinhistorische, natuurhistorische of landschappelijke waarden alsmede de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van een gemeentelijk groen- en landschapsmonument, en/of; cultureel erfgoed wat door vorige generaties is gebouwd of gemaakt, thans nog bestaat en tegenwoordig monumentale of cultuurhistorische waarde heeft. bevoegd gezag bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. vergunning een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bor Besluit omgevingsrecht van 25 maart 2010, houdende regels ter uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Mor Ministeriële regeling omgevingsrecht; Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 maart 2010, houdende nadere regels ter uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van het Besluit omgevingsrecht. de minister de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. het college het college van burgemeester en wethouders. inventariserend veldonderzoek (IVO) vorm van onderzoek waarbij extra informatie wordt verworven om het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologische bureauonderzoek is gebaseerd aan te vullen en te toetsen door middel van waarnemingen in het veld. opgraving het vlakdekkend onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als doel de gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Opgravingen worden verricht door een partij, die beschikt over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). archeologische begeleiding vorm van onderzoek waarbij de uitvoering van niet-archeologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid. Het proces kan 3 doelen dienen: Om bij afwezigheid van adequaat vooronderzoek door fysieke belemmeringen alsnog een vorm van inventariserend veldonderzoek te kunnen verrichten (conform IVO-proefsleuven); Om eventueel aanwezige archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven); Om bij (beperkte) ingrepen in gewaardeerde terreinen aanwezige archeologische informatie te behouden (conform opgraven). bodemarchief alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen. vergunninghoudende partij een dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Plan van Aanpak een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. Programma van Eisen het Programma van Eisen (PvE) is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg. archeologische vindplaats gebied of terrein dat zich bevindt op de archeologische beleidskaart met de aanduiding archeologische vindplaats, waar op basis van een archeologische vondstmelding of opgraving de aanwezigheid van belangrijke archeologische vondsten en/of sporen zijn aangetoond. Aanvragen, besluiten en andere bestuursrechtelijk gehanteerde termen en begrippen in deze verordening zijn bedoeld in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt, binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan, rekening gehouden met de bestaande en mogelijke toekomstige gebruiksfuncties van monumenten, gebieden of terreinen. Voor zover wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding zijn, wordt met betrekking tot een kerkelijk monument geen beslissing genomen dan in overleg met de eigenaar. Artikel 1.3 De schriftelijke aanvraag Een schriftelijke aanvraag als bedoeld in artikel 4.
  2. van het Bor voor een vergunning op grond van deze verordening en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in 4-voud ingediend. Hoofdstuk 2 Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Artikel 2.1 Afbakening Bij het uitbrengen van haar adviezen in het kader van deze verordening laat de commissie zich uitsluitend leiden door overwegingen van geschiedkundig, architectonisch, cultuur- of sociaalhistorische alsmede wetenschappelijk belang. Artikel 2.2 De taken van de commissie De commissie heeft in het kader van deze verordening tot taak het college of de gemeenteraad te adviseren inzake: het aanwijzen van beschermde (rijks)monumenten, (rijks)beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke monumenten, gemeentelijke stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke groen- en landschapmonumenten, archeologische verwachtingszones en gemeentelijke archeologische monumenten; de aanvragen om het wijzigen van een beschermd (rijks)monument, (rijks) beschermde stads- en dorpsgezicht, gemeentelijke monument, gemeentelijke stads- en dorpsgezicht, gemeentelijke groen- en landschapmonument of gemeentelijk archeologisch monument. de aanvragen om vergunning voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in een archeologische verwachtingszone of vindplaats; de technische aspecten met betrekking tot de restauratie van een beschermd monument; de ontwikkeling van ruimtelijke plannen bestemmingsplannen en/of andere planologische voornemens in relatie tot het cultureel erfgoed; het gemeentelijk monumentenbeleid in algemene zin. Artikel 2.3 De samenstelling, benoeming, ontslag en werkwijze van de commissie De samenstelling benoeming, ontslag en werkwijze van de commissie dient plaats te vinden overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 9 van de Bouwverordening en het Reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dat als bijlage 9 bij de Bouwverordening is vastgesteld. Hoofdstuk 3 Beschermde (rijks)monumenten Artikel 3.1 De aanvraag voor vergunning van een beschermd (rijks)monument De aanvraag om vergunning voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd (rijks)monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid sub f van de Wabo dient vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in hoofdstuk 5 van de Mor. Het college kunnen richtlijnen of beleidsregels vaststellen waarin is aangegeven bij welke van de bovengenoemde ingrepen welk soort onderzoek nodig is. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het bevoegd gezag de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen. De termijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid bedraagt, 4 weken. Indien door de samenloop met andere nog aan te vullen gegevens meer tijd nodig is, kan het bevoegd gezag voor het aanvullen van de gegevens een andere redelijke termijn bepalen en doet hiervan mededeling aan de aanvrager. Indien de gevraagde aanvullende gegevens als bedoeld in het derde lid niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Artikel 3.2 Advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit inzake een vergunning voor een beschermd (rijks)monument Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit reeds eerder positief heeft geadviseerd inzake de aanvraag om vergunning en het ingediende plan in overeenstemming is met het eerdere advies. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht geen overwegende bezwaren tegen de wijziging te hebben en positief te hebben geadviseerd. Artikel 3.3 Advies Minister (RCE) en Gedeputeerde Staten inzake een vergunning voor een beschermd (rijks)monument In bij ministeriële regeling bepaalde gevallen legt het bevoegd gezag een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.1 voor advies voor aan de minister. De gevallen, bedoeld in de eerste volzin, kunnen onder meer betreffen het afbreken van een beschermd monument, het reconstrueren van een beschermd monument en het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument. In deze gevallen zendt het bevoegd gezag een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) voor advies. Indien de aanvraag een beschermd monument betreft dat buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom ligt, zendt het bevoegd gezag een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan Gedeputeerde Staten voor advies. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, adviseert de minister schriftelijk over de aanvraag binnen twee maanden na de datum van verzending van het afschrift. In de gevallen, bedoeld in het derde lid, adviseert Gedeputeerde Staten schriftelijk over de aanvraag binnen twee maanden na de datum van verzending van het afschrift. Bij overschrijding van de in het vierde of vijfde lid genoemde termijn wordt de Minister of Gedeputeerde Staten geacht geen overwegende bezwaren te hebben en positief te hebben geadviseerd. Hoofdstuk 4 (Rijks)beschermde stads- en dorpsgezichten Artikel 4.1 De aanvraag voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van bouwwerken of het uitvoeren van werkzaamheden in een (rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan is bepaald De aanvraag om vergunning voor het slopen van een bouwwerk in een (rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.1 lid 1sub h van de Wabo dient vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in artikel 6.2 van de Mor. Om aannemelijk te maken dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd is het noodzakelijk dat gelijktijdig met de aanvraag als bedoeld in het eerste lid tevens een vergunning wordt gevraagd tot het oprichten van een nieuw bouwwerk op de plaats van het te slopen bouwwerk, tenzij het naar oordeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vanwege historisch-ruimtelijke overwegingen niet noodzakelijk is om op de plaats van het te slopen bouwwerk een nieuw bouwwerk op te richten. Indien het af te breken bouwwerk naar oordeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit cultuur- of bouwhistorische waarden bevat, kan het college een onderzoek (sloopdocumentatie) van de aanvrager verlangen waarin het te slopen object is gedocumenteerd. De diepgang van dit onderzoek is afhankelijk van de aanwezige cultuurhistorische waarden. De aanvraag om vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden in een (rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.
  3. eerste lid sub b van de Wabo, in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan is bepaald, dient - voor zover de aanvraag betrekking heeft op bouwen - vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in hoofdstuk 2 van de Mor. De aanvraag om vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden in een (rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.
  4. eerste lid sub b van de Wabo, in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan is bepaald, dient, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van een werkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden zijnde, vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven artikel 3.1, 7.5 en/of artikel 7.6 van de Mor. Voor de aanvraag om vergunning voor het uitvoeren van specifieke (bouw)werkzaamheden in een gemeentelijke stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.
  5. eerste lid sub b van de Wabo, in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan, waarvan de in te dienen gegevens en bescheiden niet in de Mor zijn vermeld, geeft het college aan welke specifieke gegevens en bescheiden moeten worden ingediend. Indien ten gevolge van de aanvraag als bedoeld in het vierde t/m het zesde lid cultuurhistorische waarden in het geding zijn, kan het bevoegd gezag een onderzoek van de aanvrager verlangen. De diepgang van dit onderzoek is afhankelijk van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het college kan richtlijnen of beleidsregels vaststellen waarin is aangegeven bij welke van de in het zevende lid bedoelde ingrepen welk soort onderzoek nodig is. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het bevoegd gezag de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen. De termijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in lid 9, bedraagt 4 weken. Indien door de samenloop met andere nog aan te vullen gegevens meer tijd nodig is, kan het bevoegd gezag voor het aanvullen van de gegevens een andere redelijke termijn bepalen en doet hiervan mededeling aan de aanvrager. Indien de gevraagde aanvullende gegevens als bedoeld in lid 9, niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Artikel 4.2 Voorbereiding en de beslissing voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van bouwwerken of het uitvoeren van werkzaamheden in een (rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan is bepaald op de aanvraag Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit reeds eerder positief heeft geadviseerd inzake het geheel of gedeeltelijk afbreken van het object en de ingediende aanvraag in overeenstemming is met het eerdere advies. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht geen overwegende bezwaren tegen de wijziging te hebben en positief te hebben geadviseerd. De vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 4.1 eerste lid van deze verordening kan worden geweigerd indien: blijkt dat geen vergunning kan worden verleend voor het in de plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk. niet in voldoende mate is zekerheid bestaat dat het bouwwerk waarvoor in de plaats van het te slopen bouwwerk vergunning is verleend binnen afzienbare tijd, ook daadwerk zal worden gerealiseerd. Het bevoegd gezag kan aan de vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 4.1 eerste lid van deze verordening voorwaarden verbinden die voorkomen dat het beschermde gezicht over een langere periode wordt verstoord door sloopwerkzaamheden in relatie tot stagnatie van de bouwwerkzaamheden voor vervangende bouwwerk. De vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 4.1 vierde t/m zesde lid van deze verordening kan slechts worden verleend indien het belang van het cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning van de aanvraag als bedoeld artikel 4.1 vierde t/m zesde lid voorschriften verbinden in het belang van het cultureel erfgoed. Hoofdstuk 5 Gemeentelijke monumenten Paragraaf 1 Aanwijzing van gemeentelijke monumenten Artikel 5.1 De aanwijzing tot gemeentelijk monumentHet college kan een zaak of terrein aanwijzen tot beschermd gemeentelijk monument. Voordat het college tot aanwijzing overgaat, vraagt het advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een object tot beschermd gemeentelijk monument bepalen dat onderzoek wordt verricht. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet
  6. Artikel 5.2 Termijnen advies en aanwijzingsbesluitOp de aanwijzingsprocedure en het aanwijzingsbesluit is de voorbereidingsprocedure als omschreven in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert binnen 4 weken na de datum van ontvangst van het verzoek van het college. Het college stelt op basis van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een ontwerp besluit op. Het college legt het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende 6 weken op het stadskantoor voor een ieder ter inzage. Het college doet op de gebruikelijke wijze kennisgeving van de terinzagelegging via de plaatselijke media en vermeldt daarbij de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen een termijn als bedoeld in het vierde lid zienswijzen naar voren te brengen bij het college. Het ontwerpbesluit wordt voorafgaande aan de terinzagelegging toegezonden aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de in de kadastrale legger ingeschreven hypothecaire schuldeisers en vermeldt daarbij de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen een termijn als bedoeld in het vierde lid zienswijzen naar voren te brengen bij het college. Indien geen zienswijzen zijn ingediend beslist het college binnen 4 weken na afloop van de terinzagelegging omtrent de aanwijzing. Indien zienswijzen zijn ingediend kan het college de in het zevende lid genoemde termijn met ten hoogste 13 weken verlengen, mits degenen die zienswijzen hebben ingediend daarvan binnen de in het zevende lid genoemde termijn in kennis zijn gesteld. Het college Burgemeester neemt uiterlijk zes maanden na het opstarten van de formele aanwijsprocedure een beslissing over de aanwijzing. Artikel 5.3 VoorbeschermingMet ingang van de datum waarop publicatie als bedoeld in artikel 5.2 vijfde lid van het voornemen tot aanwijzing heeft plaatsgevonden en/of de mededeling, als bedoeld in artikel 5.2 zesde lid aan belanghebbenden is toegezonden tot dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 10.1 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het gemeentelijk monument niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 5.4 tot en met 5.6 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 2 Vergunningen tot wijziging of afbraak van een gemeentelijk monument Artikel 5.4 VerbodsbepalingHet is verboden om een beschermd gemeentelijk monument: te bekladden, te beschadigen of te vernielen te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het verboden om zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo of in strijd met de bij deze vergunning gestelde voorschriften: een beschermd gemeentelijk monument af te breken of te verplaatsen; een beschermd gemeentelijk monument in enig opzicht te wijzigen; Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop ondergeschikte werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Artikel 5.5 De aanvraagDe aanvraag om vergunning voor het afbreken, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 5.4 van deze verordening en artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo dient vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in hoofdstuk 5 van De Mor. Het college kunnen richtlijnen of beleidsregels vaststellen waarin is aangegeven bij welke van de bovengenoemde ingrepen welk soort onderzoek nodig is. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het bevoegd gezag de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen. De termijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid bedraagt 4 weken. Indien door de samenloop met andere nog aan te vullen gegevens meer tijd nodig is, kan het bevoegd gezag voor het aanvullen van de gegevens een andere redelijke termijn bepalen en doet hiervan mededeling aan de aanvrager. Indien de gevraagde aanvullende gegevens als bedoeld in lid 3, niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Artikel 5.6 Voorbereiding en de beslissing op de aanvraagHet bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen 4 weken na verzending van het afschrift. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit reeds eerder positief heeft geadviseerd inzake de aanvraag om het wijzigen van het beschermd monument en het ingediende plan in overeenstemming is met het eerdere advies. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht geen overwegende bezwaren tegen de wijziging te hebben en positief te hebben geadviseerd. De vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 5.5 van deze verordening kan slechts worden verleend indien het belang van het cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 5.5 van deze verordening voorschriften verbinden in het belang van het cultureel erfgoed. Hoofdstuk 6 Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Paragraaf 1 Aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel 6.1 De aanwijzing tot gemeentelijk stads- en dorpsgezichtHet college kan een gebied aanwijzen tot beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht. Voordat het college tot aanwijzing overgaat, vraagt het advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht bepalen dat een onderzoek wordt verricht. De aanwijzing kan geen gebied betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet
  7. Artikel 6.2 Termijnen advies en aanwijzingsbesluitOp de aanwijzingsprocedure en het aanwijzingsbesluit is de voorbereidingsprocedure als omschreven in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert binnen 4 weken na de datum van ontvangst van het verzoek van het college. Het college stelt op basis van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een ontwerp besluit op. Het college legt het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende 6 weken op het stadskantoor voor een ieder ter inzage. Het college doet op de gebruikelijke wijze kennisgeving van de terinzagelegging via de plaatselijke media en vermeldt daarbij de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen een termijn als bedoeld in het vierde lid zienswijzen naar voren te brengen bij het college. Indien geen zienswijzen zijn ingediend beslist het college binnen 4 weken na afloop van de terinzagelegging omtrent de aanwijzing. Indien zienswijzen zijn ingediend kan het college de in het zesde lid genoemde termijn met ten hoogste 13 weken verlengen, mits degenen die zienswijzen hebben ingediend daarvan binnen de in het zesde lid genoemde termijn in kennis zijn gesteld. Het college Burgemeester neemt uiterlijk zes maanden na het opstarten van de formele aanwijsprocedure een beslissing over de aanwijzing. Artikel 6.3 Voorbescherming1 Met ingang van de datum waarop publicatie als bedoeld in artikel 6.2 vijfde lid van het voornemen tot aanwijzing heeft plaatsgevonden, tot dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 10.1 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het gemeentelijk stads- en dorpsgezicht niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 6.4 tot en met 6.6 van overeenkomstige toepassing. Artikel 6.3a Vaststellen bestemmingsplanDe gemeenteraad stelt ter verdere bescherming van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In dit bestemmingsplan wordt ter verwezenlijking van de bescherming een aanlegvergunningenstelsel of een ander instrument opgenomen, dat actieve bescherming van het aangewezen gemeentelijk stads- en dorpsgezicht waarborgt. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht wordt door het college, gehoord de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, bepaald in hoeverre het vigerende bestemmingsplan kan worden aangemerkt als beschermend plan in de zin van lid
  8. Paragraaf 2 Vergunningen tot wijziging van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht Artikel 6.4 VerbodsbepalingHet is verboden om een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht te verstoren, te beschadigen, te vernielen of te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Het is verboden om zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b en/of c van de Wabo, of in strijd met de bij deze vergunning gestelde voorschriften bouwwerken in of onderdelen van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht af te breken of te verplaatsen. Voor zover door de gemeenteraad geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 6.3a is vastgesteld, is het verboden om zonder of in afwijking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht: in enig opzicht te wijzigen; Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het derde lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop ondergeschikte werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Artikel 6.5 De aanvraag voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van bouwwerken in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht of het wijzigen van een gemeentelijk stads- en dorpsgezichtDe aanvraag om vergunning voor het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 6.4 tweede lid van deze verordening en artikel 2.2 eerste lid sub b en/of c van de Wabo dient vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in artikel 6.2 van de Mor. Om aannemelijk te maken dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd is het noodzakelijk dat gelijktijdig met de aanvraag als bedoeld in het eerste lid tevens een vergunning wordt gevraagd tot het oprichten van een nieuw bouwwerk op de plaats van het te slopen bouwwerk, tenzij het naar oordeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vanwege historisch-ruimtelijke overwegingen niet noodzakelijk is om op de plaats van het te slopen bouwwerk een nieuw bouwwerk op te richten. Indien het af te breken bouwwerk naar oordeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit cultuur- of bouwhistorische waarden bevat, kan college van burgemeester en wethouders een onderzoek (sloopdocumentatie) van de aanvrager verlangen waarin het te slopen object is gedocumenteerd. De diepgang van dit onderzoek is afhankelijk van de aanwezige cultuurhistorische waarden. De aanvraag om vergunning voor het wijzigen van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 6.4 derde lid van deze verordening en artikel 2.
  9. eerste lid sub b van de Wabo, en het uitvoeren van werkzaamheden in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.
  10. eerste lid sub b van de Wabo, in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 6.3a van deze verordening is bepaald, dient, voor zover de aanvraag betrekking heeft op bouwen, vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in hoofdstuk 2 van de Mor. De aanvraag om vergunning voor het wijzigen van een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 6.4 derde lid van deze verordening en artikel 2.
  11. eerste lid sub b van de Wabo en het uitvoeren van werkzaamheden in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.
  12. eerste lid sub b van de Wabo, in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 6.3a van deze verordening is bepaald, dient, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het uitvoeren van een werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde, vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven artikel 3.1,.7.5 en/of artikel 7.6 van de Mor. Voor de aanvraag om vergunning voor het uitvoeren van specifieke (bouw)werkzaamheden in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 2.
  13. eerste lid sub b van de Wabo, in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 6.3a van deze verordening is bepaald, waarvan de in te dienen gegevens en bescheiden niet in de Mor zijn vermeld, geeft het college aan welke specifieke gegevens en bescheiden moeten worden ingediend. Indien ten gevolge van de aanvraag als bedoeld in het vierde t/m zesde lid cultuurhistorische waarden in het geding zijn, kan het bevoegd gezag een onderzoek van de aanvrager verlangen. De diepgang van dit onderzoek is afhankelijk van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het college kunnen richtlijnen of beleidsregels vaststellen waarin is aangegeven bij welke van de in het zevende lid bedoelde ingrepen welk soort onderzoek nodig is. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het bevoegd gezag de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen. De termijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in lid 1, bedraagt 4 weken. Indien door de samenloop met andere nog aan te vullen gegevens meer tijd nodig is, kan het bevoegd gezag voor het aanvullen van de gegevens een andere redelijke termijn bepalen en doet hiervan mededeling aan de aanvrager. Indien de gevraagde aanvullende gegevens als bedoeld in lid 9, niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Artikel 6.6 Voorbereiding en beslissing op de aanvraag voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van bouwwerken in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht of het wijzigen van een gemeentelijk stads- en dorpsgezichtHet bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen 4 weken na verzending van het afschrift. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit reeds eerder positief heeft geadviseerd inzake het geheel of gedeeltelijk afbreken van het object en de ingediende aanvraag in overeenstemming is met het eerdere advies. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht geen overwegende bezwaren tegen de wijziging te hebben en positief te hebben geadviseerd. De vergunning voor de aanvraag voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van bouwwerken in een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht kan worden geweigerd indien: blijkt dat geen vergunning kan worden verleend voor het in de plaats van het te slopen bouwwerk op te richten bouwwerk. niet in voldoende mate is zekerheid bestaat dat het bouwwerk waarvoor in de plaats van het te slopen bouwwerk vergunning is verleend binnen afzienbare tijd, ook daadwerk zal worden gerealiseerd. De vergunning voor de aanvraag als bedoeld in artikel 6.5 vierde t/m zesde lid kan slechts worden verleend indien het belang van het cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning als bedoeld in artikel 6.5 vierde t/m zesde lid voorschriften verbinden in het belang van het cultureel erfgoed. Hoofdstuk 7 Gemeentelijke groen- en landschapsmonumenten Paragraaf 1 Aanwijzing van gemeentelijke groen- en landschapsmonumenten Artikel 7.1 De aanwijzing tot gemeentelijk groen- en landschapsmonumentHet college kan een groen- of landschapselement aanwijzen tot beschermd gemeentelijk groen- en landschapsmonument Voordat het college tot aanwijzing overgaat, vraagt het advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het college kan ten behoeve de aanwijzing van een beschermd gemeentelijk groen- en landschapsmonument bepalen dat een onderzoek wordt verricht. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van de Monumentenwet
  14. Artikel 7.2 Termijnen advies en aanwijzingsbesluitOp de aanwijzingsprocedure en het aanwijzingsbesluit is de voorbereidingsprocedure als omschreven in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert binnen 4 weken na de datum van ontvangst van het verzoek van het college. Het college stelt op basis van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een ontwerp besluit op. Het college legt het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende 6 weken op het stadskantoor voor een ieder ter inzage. Het college doet op de gebruikelijke wijze kennisgeving van de terinzagelegging via de plaatselijke media en vermeldt daarbij de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen een termijn als bedoeld in het vierde lid zienswijzen naar voren te brengen bij het college. Indien het ontwerpbesluit betrekking heeft op een beperkt aantal objecten en percelen, wordt het ontwerp besluit voorafgaande aan de terinzagelegging toegezonden aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers. Indien geen zienswijzen zijn ingediend beslist het college binnen 4 weken na afloop van de terinzagelegging omtrent de aanwijzing. Indien zienswijzen zijn ingediend kan het college de in het zevende lid genoemde termijn met ten hoogste 13 weken verlengen, mits degenen die zienswijzen hebben ingediend daarvan binnen de in het zevende lid genoemde termijn in kennis zijn gesteld. Het college Burgemeester neemt uiterlijk zes maanden na het opstarten van de formele aanwijsprocedure een beslissing over de aanwijzing. Artikel 7.3 VoorbeschermingMet ingang van de datum waarop publicatie als bedoeld in artikel 7.2 vijfde lid van het voornemen tot aanwijzing heeft plaatsgevonden en/of de mededeling, als bedoeld in artikel 7.2 zesde lid aan belanghebbenden is toegezonden tot dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 10.1 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het groen- of landschapselement niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 7.4 tot en met 7.6 van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.3a Vaststellen bestemmingsplanDe gemeenteraad stelt ter verdere bescherming van gemeentelijke groen- en landschapsmonumenten een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet op de ruimtelijke ordening. In dit bestemmingsplan wordt ter verwezenlijking van de bescherming een aanlegvergunningenstelsel of een ander instrument opgenomen, dat actieve bescherming van het aangewezen gemeentelijke groen- en landschapsmonument waarborgt. Bij het besluit tot aanwijzing van gemeentelijke groen- en landschapsmonumenten wordt door het college, gehoord de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, bepaald in hoeverre het ter plekke vigerende bestemmingsplan kan worden aangemerkt als beschermend plan in de zin van lid
  15. Paragraaf 2 Vergunningen tot wijziging van een gemeentelijk groen- en landschapsmonument Artikel 7.4 VerbodsbepalingHet is verboden om een gemeentelijk groen- en landschapsmonument: te verstoren, te beschadigen of te vernielen; te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Voor zover door de gemeenteraad geen beschermend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7.3a is vastgesteld, is het verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo: een beschermd gemeentelijk groenmonument te kappen, te verplaatsen, te snoeien of in enig opzicht te wijzigen op een dusdanige wijze, dat het mogelijk wordt ontsierd of in gevaar gebracht; een beschermd gemeentelijk landschapsmonument in enig opzicht te wijzigen of grondwerkzaamheden te verrichten die het monument kunnen ontsieren of in gevaar kunnen brengen. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop ondergeschikte werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Artikel 7.5 De aanvraag voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een gemeentelijk groen- en landschapsmonumentDe aanvraag om vergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een gemeentelijk groenmonument als bedoeld in artikel 7.4 tweede lid van deze verordening en artikel 2.
  16. eerste lid sub b van de Wabo en het uitvoeren van werkzaamheden aan een gemeentelijk groenmonument als bedoeld in artikel 2.
  17. eerste lid sub b van de Wabo, in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan is bepaald, dient, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het kappen, verplaatsen, snoeien of in enig opzicht te wijzigen op een dusdanige wijze, dat het mogelijk wordt ontsierd of in gevaar gebracht, vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven artikel 7.5 van de Mor. De aanvraag om vergunning voor Het uitvoeren van werkzaamheden aan een gemeentelijk landschapsmonument als bedoeld in artikel 7.4 tweede lid van deze verordening en artikel 2.
  18. eerste lid sub b van de Wabo en het uitvoeren van werkzaamheden aan een gemeentelijk landschapsmonument als bedoeld in artikel 2.
  19. eerste lid sub b van de Wabo, in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan is bepaald, dient, voor zover de aanvraag betrekking heeft op aanlegactiviteiten en/of grondwerkzaamheden, vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven artikel 3.1 en 5.5 van de Mor. Voor de aanvraag om vergunning voor het uitvoeren van specifieke werkzaamheden aan een gemeentelijk groen of landschapsmonument als bedoeld in artikel 2.
  20. eerste lid sub b van de Wabo, waarvan de in te dienen gegevens en bescheiden niet in de Mor zijn vermeld, geeft het college aan welke specifieke gegevens en bescheiden moeten worden ingediend. Indien ten gevolge van de aanvraag als bedoeld in het eerste t/m het derde lid cultuurhistorische waarden in het geding zijn, kan het bevoegd gezag een onderzoek van de aanvrager verlangen. De diepgang van dit onderzoek is afhankelijk van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het college kunnen richtlijnen of beleidsregels vaststellen waarin is aangegeven bij welke van de in het vierde lid bedoelde ingrepen welk soort onderzoek nodig is. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het bevoegd gezag de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen. De termijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in lid 1, bedraagt 4 weken. Indien door de samenloop met andere nog aan te vullen gegevens meer tijd nodig is, kan het bevoegd gezag voor het aanvullen van de gegevens een andere redelijke termijn bepalen en doet hiervan mededeling aan de aanvrager. Indien de gevraagde aanvullende gegevens als bedoeld in lid 6, niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Artikel 7.6 Voorbereiding en de beslissing op de aanvraagHet bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen 4 weken na verzending van het afschrift. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit reeds eerder positief heeft geadviseerd inzake het geheel of gedeeltelijk afbreken van het object en de ingediende aanvraag in overeenstemming is met het eerdere advies. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht geen overwegende bezwaren tegen de wijziging te hebben en positief te hebben geadviseerd. De vergunning voor de aanvraag als bedoeld in artikel 7.5 eerste t/m derde lid kan slechts worden verleend indien het belang van het cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning als bedoeld in artikel 7.5 eerste t/m derde lid voorschriften verbinden in het belang van het cultureel erfgoed. Hoofdstuk 8 Gemeentelijke archeologische verwachtingszones Paragraaf 1 Aanwijzing en wijziging van gemeentelijke archeologische verwachtingszones Artikel 8.1 De aanwijzing en wijziging van een gemeentelijke archeologische verwachtingszoneHet college kan een terrein of gebied aanwijzen tot archeologische verwachtingszone. Het college kan de bestaande verwachting van een archeologische verwachtingszone wijzigen indien daar aanleiding toe is. Het college kan voorafgaand aan de aanwijzing of wijziging advies vragen aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 8.2 Termijnen advies en aanwijzingsbesluitOp de aanwijzingsprocedure en het aanwijzingsbesluit is de voorbereidingsprocedure als omschreven in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert binnen 4 weken na de datum van ontvangst van een verzoek van het college. Het college stelt, indien van toepassing op basis van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, een ontwerp besluit op. Het college legt het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende 6 weken op het stadskantoor voor een ieder ter inzage. Het college doet op de gebruikelijke wijze kennisgeving van de terinzagelegging via de plaatselijke media en vermeldt daarbij de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen een termijn als bedoeld in het vierde lid zienswijzen naar voren te brengen bij het college. Indien geen zienswijzen zijn ingediend beslist het college binnen 4 weken na afloop van de terinzagelegging omtrent de aanwijzing. Indien zienswijzen zijn ingediend kan het college de in het zesde lid genoemde termijn met ten hoogste 13 weken verlengen, mits degenen die zienswijzen hebben ingediend daarvan binnen de in het zesde lid genoemde termijn in kennis zijn gesteld. Het college neemt uiterlijk zes maanden na het opstarten van de formele aanwijsprocedure een beslissing over de aanwijzing. Artikel 8.3 VoorbeschermingMet ingang van de datum waarop publicatie als bedoeld in artikel 8.2 vijfde lid van het voornemen tot aanwijzing heeft plaatsgevonden, tot dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 10.1 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat een archeologische verwachtingszone niet wordt ingeschreven in het register, zijn de artikelen 8.4 tot en met 8.7 van overeenkomstige toepassing. Artikel 8.3a Vaststellen bestemmingsplanDe gemeenteraad stelt ter verdere bescherming van een archeologische verwachtingszone een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In dit bestemmingsplan wordt ter verwezenlijking van de bescherming een aanlegvergunningenstelsel, dan wel een ander instrument dat actieve bescherming van de aangewezen archeologische verwachtingszone waarborgt, opgenomen. Bij het besluit tot aanwijzing van een archeologische verwachtingszone wordt door het college, gehoord de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, bepaald in hoeverre het vigerende bestemmingsplan kan worden aangemerkt als beschermend plan in de zin van lid
  21. Paragraaf 2 Verbodsbepalingen en vergunning tot het verrichten van bodemverstorende activiteiten binnen een archeologische verwachtingszone. Artikel 8.4 VerbodsbepalingHet is verboden om in een gemeentelijke archeologische verwachtingszone zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college de volgende werkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden zijnde, uit te voeren: de werkzaamheden betreffen grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; de werkzaamheden betreffen het verlagen of verhogen van het waterpeil; de werkzaamheden betreffen het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; de werkzaamheden betreffen het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Voor zover door de gemeenteraad geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 8.3a is vastgesteld, is het verboden om zonder of in afwijking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo: in een op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangegeven verwachtingszone met zeer hoge verwachting over een oppervlakte groter dan 100 m2 grondwerk te verrichten op een grotere diepte dan 40 centimeter onder het maaiveld; in een op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangegeven verwachtingszone met hoge en middelhoge verwachting over een oppervlakte groter dan 500 m2 grondwerk te verrichten op een grotere diepte dan 40 centimeter onder het maaiveld; in een op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangegeven verwachtingszone met zeer lage verwachting over een oppervlakte groter dan 5000 m2 grondwerk te verrichten op een grotere diepte dan 40 centimeter onder het maaiveld; in een straal van 50 meter rondom de op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangegeven archeologische vindplaatsen grondwerk te verrichten waardoor het bodemarchief wordt veranderd, verstoord, beschadigd of vernield. Het verbod, als bedoeld in lid 1 van dit artikel, is niet van toepassing als één van de volgende gevallen zich voordoet: de werkzaamheden veroorzaken dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld geen verstoring; de werkzaamheden betreffen vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; de werkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van deze verordening worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende bouwvergunning; de werkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van deze verordening; de werkzaamheden behoren tot het normale gebruik, onderhoud en beheer van de gronden; de werkzaamheden worden verricht zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden; de werkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek. de werkzaamheden dieper dan 40cm onder het oorspronkelijk maaiveld bedragen niet meer dan 5% van het te bebouwen areaal, en raken geen archeologische onroerende monumenten in situ. Als één van de gevallen genoemd in lid 32 zich voordoet zien burgemeester en wethouders af van nader onderzoek Als bedoeld in artikel 38 lid 1 sub b van de Monumentenwet
  22. Artikel 8.5 De aanvraag om vergunning voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in een archeologische verwachtingszoneDe aanvraag om vergunning, voor het verrichten van grondwerkzaamheden in een archeologisch verwachtingszone of andere activiteiten die het (archeologische) bodemarchief in enig opzicht zouden kunnen wijzigen of verstoren, als bedoeld in artikel 8.4 van deze verordening en artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo dient vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in artikel 5.2 en 5.5 van de Mor. Ten behoeve van de gemotiveerde opgave of de verstoring is afgestemd op de kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften, zoals bedoeld in artikel 5.2 van de Mor, waaraan ten behoeve van de vergunningaanvraag moet worden voldaan, kan het bevoegd gezag een onderzoek van de aanvrager verlangen waaruit naar het oordeel van het college blijkt dat in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen: de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. De diepgang van dit onderzoek is afhankelijk van de aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Het college kan aan de verlening van de vergunning de volgen de voorschriften verbinden: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden, de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek of een opgraving, De verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg (archeologische begeleiding). Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het bevoegd gezag de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen. De termijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid bedraagt, 4 weken. Indien door de samenloop met andere nog aan te vullen gegevens meer tijd nodig is, kan het bevoegd gezag voor het aanvullen van de gegevens een andere redelijke termijn bepalen en doet hiervan mededeling aan de aanvrager. Indien de gevraagde aanvullende gegevens als bedoeld in lid 4, niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen te blijven. Indien binnen het grondgebied van de gemeente onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h van de Monumentenwet 1988, dienen onverminderd de overige bepalingen van deze wet: het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1, waarbij nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoel in artikel 1 van deze verordening ter goedkeuring aan het college te overleggen. In de nadere eisen kan het college bepalingen opnemen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere eisen voldoet, kan het college advies vragen aan een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. Artikel 8.6 Voorbereiding en de beslissing op de aanvraag om vergunningHet bevoegd gezag kan een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning sturen aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert in dat geval schriftelijk over de aanvraag binnen 4 weken na verzending van het afschrift. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit reeds eerder positief heeft geadviseerd en het ingediende plan in overeenstemming is met het eerdere advies. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht geen overwegende bezwaren tegen de wijziging te hebben en positief te hebben geadviseerd. De vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 8.5 van deze verordening kan slechts worden verleend indien het belang van het cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 8.5 van deze verordening voorschriften verbinden in het belang van het cultureel erfgoed. Artikel 8.7 Stillegging van de ingevolge de vergunning gebezigde grondwerkzaamheden in een archeologische verwachtingszoneIndien tijdens de grondwerkzaamheden vondsten zijn of worden aangetroffen waarvan vaststaat of redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat archeologische waarden in het geding zijn, treed artikel 53 van de Monumentenwet 1988 inwerking. Ingevolge artikel 53 lid a van de Monumentenwet 1988 geeft het bevoegd gezag of de door het college aangewezen persoon onverwijld kennis van de vondst aan onze Minster. Het bevoegd gezag of de door het college aangewezen personen kunnen de grondwerkzaamheden maximaal 2 dagen stilleggen indien tijdens de werkzaamheden vondsten zijn of worden aangetroffen, waarvan vaststaat of redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat archeologische waarden in het geding zijn. De gerechtigde tot een roerend monument als bedoeld in het eerste lid, is gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Hoofdstuk 9 Gemeentelijke archeologische monumenten Paragraaf 1 Aanwijzing van gemeentelijke archeologische monumenten Artikel 9.1 De aanwijzing tot gemeentelijk archeologisch monumentHet college kan een terrein aanwijzen tot gemeentelijk archeologisch monument. Voordat het college tot aanwijzing overgaat, vraagt het advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een object tot beschermd gemeentelijk archeologisch monument bepalen dat onderzoek wordt verricht. De aanwijzing kan geen archeologisch monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet
  23. Artikel 9.2 Termijnen advies en aanwijzingsbesluitOp de aanwijzingsprocedure en het aanwijzingsbesluit is de voorbereidingsprocedure als omschreven in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert binnen 4 weken na de datum van ontvangst van het verzoek van het college. Het college stelt op basis van het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een ontwerpbesluit op. Het college legt het ontwerpbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken gedurende 6 weken op het stadskantoor voor een ieder ter inzage. Het college doet op de gebruikelijke wijze kennisgeving van de terinzagelegging via de plaatselijke media en vermeldt daarbij de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen een termijn als bedoeld in het vierde lid zienswijzen naar voren te brengen bij het college. Het ontwerpbesluit wordt voorafgaande aan de terinzagelegging toegezonden aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de in de kadastrale legger ingeschreven hypothecaire schuldeisers en vermeldt daarbij de mogelijkheid voor belanghebbenden om binnen een termijn als bedoeld in het vierde lid zienswijzen naar voren te brengen bij het college. Indien geen zienswijzen zijn ingediend beslist het college binnen 4 weken na afloop van de terinzagelegging omtrent de aanwijzing. Indien zienswijzen zijn ingediend kan het college de in het zevende lid genoemde termijn met ten hoogste 13 weken verlengen, mits de degenen die zienswijzen hebben ingediend daarvan binnen de in het zevende lid genoemde termijn in kennis zijn gesteld Het college Burgemeester neemt uiterlijk zes maanden na het opstarten van de formele aanwijsprocedure een beslissing over de aanwijzing. Artikel 9.3 VoorbeschermingMet ingang van de datum waarop publicatie als bedoeld in artikel 9.2 vijfde lid van het voornemen tot aanwijzing heeft plaatsgevonden en/of de mededeling, als bedoeld in artikel 9.2 zesde lid aan belanghebbenden is toegezonden tot dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 10.1 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het archeologische monument niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 9.4 tot en met 9.6 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 2 Vergunningen tot wijziging van gemeentelijke archeologische monumenten Artikel 9.4 VerbodsbepalingHet is verboden om een gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen of te vernielen. Het is verboden om zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo, of in strijd met de bij deze vergunning gestelde voorschriften: een gemeentelijk archeologisch monument in enig opzicht te wijzigen of grondwerkzaamheden te verrichten die het archeologische monument in gevaar kunnen brengen. andere activiteiten uit te voeren die het (archeologische) bodemarchief kunnen verstoren of in enig opzicht kunnen wijzigen. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop ondergeschikte werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. Artikel 9.5 De aanvraag om vergunning voor het wijzigen van een archeologisch monumentDe aanvraag om vergunning, voor het wijzigen van een gemeentelijk archeologisch monument, het verrichten van grondwerkzaamheden bij of aan een gemeentelijk archeologisch monument of andere activiteiten die het (archeologische) bodemarchief in enig opzicht zouden kunnen wijzigen of verstoren, als bedoeld in artikel 9.4 van deze verordening en artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo dient vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in artikel 5.2 en 5.5 van De Mor. Indien ten gevolge van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid cultuurhistorische waarden in het geding zijn, kan het bevoegd gezag een onderzoek van de aanvrager verlangen. De diepgang van dit onderzoek is afhankelijk van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Het college kunnen richtlijnen of beleidsregels vaststellen waarin is aangegeven bij welke van de in het tweede lid bedoelde ingrepen welk soort onderzoek nodig is. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het bevoegd gezag de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen. De termijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid bedraagt, 4 weken. Indien door de samenloop met andere nog aan te vullen gegevens meer tijd nodig is, kan het bevoegd gezag voor het aanvullen van de gegevens een andere redelijke termijn bepalen en doet hiervan mededeling aan de aanvrager. Indien de gevraagde aanvullende gegevens als bedoeld in lid 4, niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Artikel 9.6 Voorbereiding en de beslissing op de aanvraag om vergunningHet bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen 4 weken na verzending van het afschrift. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit reeds eerder positief heeft geadviseerd inzake de aanvraag om het wijzigen van het beschermd monument en het ingediende plan in overeenstemming is met het eerdere advies. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht geen overwegende bezwaren tegen de wijziging te hebben en positief te hebben geadviseerd. De vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 9.5 van deze verordening kan slechts worden verleend indien het belang van het cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. Het bevoegd gezag kan aan een vergunning van de aanvraag als bedoeld in artikel 9.5 van deze verordening voorschriften verbinden in het belang van het cultureel erfgoed. Artikel 9.7 Stillegging van de ingevolge de vergunning gebezigde grondwerkzaamheden bij een archeologisch monumentIndien tijdens de grondwerkzaamheden vondsten zijn of worden aangetroffen waarvan vaststaat of redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat archeologische waarden in het geding zijn, treed artikel 53 van de Monumentenwet 1988 inwerking. Ingevolge artikel 53 lid a van de Monumentenwet 1988 geeft het bevoegd gezag of de door het college aangewezen persoon onverwijld kennis van de vondst aan de Minster. Het bevoegd gezag of de door het college aangewezen personen kunnen de grondwerkzaamheden maximaal 2 dagen stilleggen indien tijdens de werkzaamheden vondsten zijn of worden aangetroffen, waarvan vaststaat of redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat archeologische waarden in het geding zijn. De gerechtigde tot een roerend monument als bedoeld in het eerste lid, is gehouden het monument gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Eventuele kosten voor stillegging zijn voor rekening van de vergunningaanvrager. Hoofdstuk 10 Registratie, wijziging en intrekking Paragraaf 1 Registratie, wijzing en intrekking van de aanwijzing Artikel 10.1 Registratie op de gemeentelijke erfgoedlijstHet college registreert het gemeentelijk monument, het gemeentelijk stads- en dorpsgezicht het gemeentelijk groen- en landschapsmonument de archeologische verwachtingszone en archeologische vindplaatsen, en het gemeentelijk archeologische monument op de gemeentelijke erfgoedlijst. De gemeentelijke erfgoedlijst bevat de datum van de aanwijzing en een beschrijving van: de architectonische, bouwhistorische, wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van het beschermde gemeentelijk monument, de esthetische kwaliteiten, ruimtelijke (bouw)historische kenmerken alsmede de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van het beeldbepalende pand of het stads- en dorpsgezicht, de esthetische kwaliteiten, de natuurhistorische of landschappelijke waarden alsmede de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van het beschermde groen- en landschapsmonument, of een indicatie van de te verwachten archeologische waarde van het archeologisch verwachtingsgebied of de archeologische vindplaats, of de archeologische en wetenschappelijke waarde van het beschermde gemeentelijk archeologisch monument De gemeentelijke erfgoedlijst bevat tevens: de plaatselijke aanduiding, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling of, indien het een groter gebied betreft dat meerdere kadastrale percelen omvat, de gebiedsaanduiding, die op één kaart of meerdere kaarten, die deel uitmaken van het gemeentelijke erfgoedregister, is aangegeven. Artikel 10.2 Wijzigen van de aanwijzingHet college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende wijzigen. Op de wijzing van de aanwijzing is de aanwijsprocedure als bedoeld in artikel 5.1, 6.1, 7.1, 8.1 of 9.1 alsmede artikel 5.2, 6.2, 7.2, 8.2 of 9.2 van overeenkomstige toepassing. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft de overeenkomstige toepassing van tweede lid van dit artikel achterwege, en beslist het college binnen een termijn van 6 weken na ontvangst van de aanvraag. De inhoud en datum van de wijziging worden op de gemeentelijke erfgoedlijst aangetekend. Artikel 10.3 Intrekken van de aanwijzingHet college kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende, de aanwijzing intrekken. Op de intrekking van de aanwijzing is de aanwijsprocedure als bedoeld in artikel 5.1, 6.1, 7.1, 8.1 of 9.1 alsmede artikel 5.2, 6.2, 7.2, 8.2 of 9.2 van overeenkomstige toepassing. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 of artikel 35 van de Monumentenwet
  24. Het college kan bepalen dat het gemeentelijk monument het gemeentelijk stads- en dorpsgezicht het gemeentelijk groen of landschapsmonument het gemeentelijk archeologisch verwachtingsgebied of vindplaats het gemeentelijk archeologisch monument moet worden gedocumenteerd aan de hand van foto’s, tekeningen en beschrijvingen alvorens de aanwijzing wordt ingetrokken. De intrekking wordt op de gemeentelijke erfgoedlijst en/of de archeologische beleidskaart aangetekend. Paragraaf 2 De registratie en intrekking van de vergunning Artikel 10.4 Registratie van vergunningen en wijzigingen op de gemeentelijke erfgoedlijstHet college registreert de vergunning tot het wijzigen van een gemeentelijke monument, een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht, een groen- en landschapsmonument of een gemeentelijk archeologisch monument op de gemeentelijke erfgoedlijst. Na wijziging van een gemeentelijke monument, een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht, een groen- en landschapsmonument of een gemeentelijk archeologisch monument kan de redengevende omschrijving dienovereenkomstig worden aangepast. Het college registreert de vergunningen voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in een archeologische verwachtingszone, alsmede de resultaten van het onderzoeken en/of archeologische begeleiding. Artikel 10.5 Intrekken van de vergunningDe vergunning kan door het bevoegde gezag worden ingetrokken indien blijkt dat: de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 5.4, 6.4 7.4, 8.4 of 9.4 niet naleeft; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd dat het belang van het cultureel erfgoed zwaarder dient te wegen; niet binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning, van de vergunning gebruik wordt gemaakt; De beschikking tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Hoofdstuk 11 Schadevergoeding Artikel 11.1 Schadevergoeding Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Het betreft schade ten gevolge van: de weigering van het bevoegd gezag om een vergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering van een gemeentelijk monument een gemeentelijk stads- en dorpsgezicht een gemeentelijk groen of landschapsmonument een gemeentelijk archeologisch monument te verlenen als bedoeld in artikel 5.4, 6.4 7.4, of 9.4 van deze verordening; de weigering van het college van een vergunning voor het plegen van graafwerkzaamheden binnen een archeologisch verwachtingsgebied als bedoeld in artikel 8.4 tweede lid van deze verordening; de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in 5.4, 6.4, 7.4, 8.4 of 9.4 van deze verordening. Voor de behandeling van de aanvragen om schadevergoeding geldt dezelfde procedure als voor planschade op basis van artikel 6.
  25. t/m 6.7 van de Wet op de ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 12 Slot- en Overgangsbepalingen Artikel 12.1 Strafbepaling Hij die handelt in strijd met 5.4, 6.4, 7.4, 8.4 of 9.4 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie. Artikel 12.2 Opsporingsbevoegdheid De opsporing van de in artikel 5.4, 6.4, 7.4, 8.4 of 9.4 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het bevoegd gezag met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld. Artikel 12.3 Binnentreden Zo dikwijls de zorg voor de naleving van deze verordening dit vereist, wordt hierbij de machtiging verstrekt al dan niet besloten ruimten en plaatsen, met uitzondering van woningen (desnoods tegen de wil van de rechthebbende of gebruiker) te betreden, aan hen die en voor zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met het toezicht op de naleving van deze verordening. Artikel 12.4 Inwerkingtreding De verordening treedt in werking op de datum en het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. Op dat tijdstip wordt de ‘Monumentenverordening Venlo 2010’, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 4 januari 2010, ingetrokken. De gemeentelijke monumenten, gemeentelijke stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke groen- en landschapsmonumenten, gemeentelijke archeologische verwachtingszones of gemeentelijke archeologische monumenten, die zijn geregistreerd op grond van de in het tweede lid vervallen verordening, worden geacht te zijn aangewezen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. De aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van de in het tweede lid genoemde vervallen verordening. Artikel 12.5 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Erfgoedverordening Venlo 2010’. Algemene toelichting Aanleiding Op 1 oktober 2010 treedt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Uitvoeringswet Wabo) in werking. De inwerkingtreding van de Wabo maakt herziening van de bestaande Monumentenverordening Venlo 2010 noodzakelijk, omdat anders de juridische basis voor de bescherming van het gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed vervalt. Daarnaast is er landelijk sprake van een aantal ontwikkelingen die herbezinning van het monumentenbeleid noodzakelijk maken. Minister Plasterk heeft onder de naam “Modernisering Monumentenzorg” (MoMo) een koerswijziging van de Monumentenzorg aangekondigd. De modernisering van de monumentenzorg omvat twee hoofdlijnen: ‘van objectgericht naar omgevingsgericht’ (meer samenhang tussen monumentenzorg en ruimtelijke ordening) en van ‘conserverend naar ontwikkelend’ (behoud door ontwikkeling). De monumentenzorg maakt een verbreding van haar werkterrein door. De zorg voor op zichzelf staande bouwwerken is verschoven naar de zorg voor de historisch gegroeide omgeving en als zodanig voor het cultuurhistorisch erfgoed als geheel. Deze verbreding heeft niet alleen gevolgen voor de monumentenzorg maar ook voor de ruimtelijke planvorming. Het cultuurhistorisch erfgoed (archeologie, gebouwde monumenten, historische bebouwingstructuren en cultuurlandschap) gaat steeds meer integraal onderdeel uitmaken van de ruimtelijke ordening en bouwprocessen. De benutting van bestaande cultuurhistorische waarden in ruimtelijke processen kan in belangrijke mate bijdragen aan het behoud en de versterking van de identiteit van de gemeente. Deze verordening voorziet in deze nieuwe ontwikkelingen. De verordening geeft de mogelijkheid om naast gemeentelijke monumenten ook stads- en dorpsgezichten, groen- en landschapsmonumenten, archeologische verwachtingszones en archeologische monumenten aan te wijzen. Deze verordening draagt derhalve ook niet meer de naam monumentenverordening, maar erfgoedverordening. In de verordening is, mede in het kader van de deregulering, waar mogelijk een koppeling gelegd tussen de verordening en bescherming van cultuurhistorisch erfgoed in bestemmingsplannen. De verordening voorziet in een voorbescherming, die door het bestemmingsplan wordt overgenomen zodra een beschermend bestemmingsplan is vastgesteld. Systematiek verordening Bij het opstellen van deze verordening in het kader van de inwerkingtreding van de Wabo zijn de “Aanwijzingen voor de regelgeving” van het Ministerie van Justitie en de VNG-publicatie “Gemeente en regelgeving” gebruikt. De basis voor deze verordening vormt de modelverordening van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), die op een aantal punten is aangepast. In de thans voorliggende nieuwe verordening is de rechtszekerheid van de aanvrager beter gewaarborgd, doordat de te volgen procedures, termijnen en in te dienen bescheiden duidelijk in de verordening zijn beschreven. Daarnaast zijn in de modelverordening van de VNG nogal wat verwijzingen aanwezig. Om de verordening voor de burger toegankelijker en leesbaarder te maken zijn de verwijzingen zoveel mogelijk uit de verordening gehaald. In de nieuwe verordening worden de verschillende onderwerpen per hoofdstuk behandeld. Hierdoor hoeft de lezer niet meer door de verordening te bladeren. Eveneens is aandacht besteed aan deregulering. Er is gekozen om de bescherming van cultuurhistorisch erfgoed waar mogelijk af te stemmen op bestaande instrumenten zoals het bestemmingsplan. Zodra een beschermend bestemmingsplan en/of beschermende welstandscriteria zijn vastgesteld kan worden volstaan met een aanvraag om bouwvergunning en behoeft geen afzonderlijke monumentenvergunning meer te worden aangevraagd. Met de inwerkingtreding van de Wabo is de reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek project bijeengebracht in de Wabo. Vanuit de administratieve lastenverlichting voor de burger is het vanuit de gemeente niet meer noodzakelijk om dergelijke bepalingen in de verordening op te nemen. Het is echter belangrijk om erfgoed beleid en ruimtelijk beleid zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en erfgoed in het ruimtelijke beleid te integreren. Vandaar dat in de verordening een koppeling tussen het erfgoed en ruimtelijke planvorming is gelegd, zodat het noodzakelijk is om bij het opstellen van bestemmingsplannen en welstandcriteria hiermee rekening te houden. Inhoud verordening Bij het opstellen van deze verordening zijn de hoofdstukken 1, 3 en 5 alsmede 10 t/m 12 grotendeels ontleend aan de VNG-verordening. Het betreft de onderdelen: begripsbepalingen en algemene regels de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde rijksmonumenten De aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten De bepalingen omtrent registratie, wijzing en intrekking De schadevergoedingsregeling De straf- en overgangsbepalingen Deze hoofdstukken zijn plaatselijk aangepast aan recente ontwikkelingen en regelgeving (zoals o.a. de Gemeentewet, Algemene wet bestuursrecht. Wabo en jurisprudentie). De afwijkingen ten opzichte van de VNG-verordening zijn in deze algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting van de verordening aangegeven en gemotiveerd. Daarnaast is de VNG-verordening aangevuld met een aantal onderwerpen. Het betreft: De procedure voor het afbreken van bouwwerken binnen een rijksbeschermd gezicht en het wijzigen van het rijksbeschermde gezicht De aanwijzing en bescherming van gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten De aanwijzing en bescherming van gemeentelijk beschermde groen- en landschapsmonumenten. De aanwijzing van gemeentelijke archeologische verwachtingszones De aanwijzing van gemeentelijke archeologische monumenten. Gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten Tot voor enkele jaren geleden beperkte de gemeentelijke monumentzorg zich tot bescherming van individuele objecten. Monumenten kunnen echter niet los worden gezien van hun omgeving. Het gemeentelijke monument is vaak ingebed in een historische context die als geheel waarde bezit. Het vorenstaande heeft ertoe geleid dat in toenemende mate aandacht wordt besteed aan de omgeving van het monument en de gebiedsgerichte monumentenzorg. Indien de cultuurhistorische waarde haar grond vindt in het totaal van een gebied en veel minder in het individuele monument of complex en het gebied met name een lokale betekenis heeft, kan de gemeente overgaan tot het aanwijzen van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten. De aanwijzing is een instrument om de algehele cultuurhistorische waarde van een gebied te beschermen. Voor wat betreft de procedure is aansluiting gezocht bij de aanwijzing en registratie van individueel beschermde monumenten. De (uiteindelijke) bescherming van stads- en dorpsgezichten vindt plaats op basis van het bestemmingsplan. Zolang voor het aangewezen stads- en dorpsgezicht geen bestemmingsplan is vastgesteld, geldt op grond van de monumentenverordening een vergunningstelsel voor wijzigingen in het beschermde gezicht. Het bestemmingsplan moet de basis bieden voor het beschermen van de structuurbepalende delen van het betreffende gebied door middel van een aanlegvergunningstelsel. Deze structuurbepalende delen worden benoemd in de beschrijving van het beschermd stads- en dorpsgezicht. De aanwijzing tot beschermd gezicht brengt ook een belangrijk psychologische effect met zich mee; hierdoor ontstaat zowel bij de burger als de ambtelijke organisatie het bewustzijn dat behoedzaam met het gebied moet worden omgegaan. Gemeentelijk beschermde groen- en landschapsmonumenten De bescherming van groen- en landschapelementen is een betrekkelijk nieuw fenomeen. Er is echter ook landelijk steeds meer aandacht voor het cultuurlandschap en cultuurhistorisch waardevolle groenelementen. Historisch waardevolle bomen en groenelementen zijn belangrijk voor de belevingswaarde en identiteit van de omgeving. De bescherming van historisch waardevolle bomen is geregeld in de specifieke bepalingen (kapverordening) van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De gemeentelijke kapverordening biedt echter geen bescherming aan andere natuurhistorisch en cultuurhistorisch waardevolle groenelementen, zoals hoogstamboomgaarden, houtwallen, haagbeplanting, historische terrein- en erfafscheidingen, historische erfbeplantingen en tuin- of landschapsparken. Om ook dit cultuurhistorische erfgoed voor het nageslacht te behouden voorziet deze verordening in de mogelijkheid tot het aanwijzen van groenelementen. De bescherming van landschapselementen is een nieuw onderdeel van de gemeentelijke monumentenzorg. Dit komt voort uit het feit dat ook landelijk steeds meer aandacht is ontstaan voor het behoud van het cultuurlandschap. Vanwege de aandacht voor het cultuurlandschap zijn veel gemeenten overgegaan tot het ontwikkelen van landschapsbeleidsplannen. In een landschapsbeleidsplan kunnen echter alleen doelstellingen worden geformuleerd met betrekking tot de instandhouding van deze waardevolle landschapselementen. Een landschapsbeleidsplan biedt echter geen juridische bescherming voor de instandhouding van deze waardevolle elementen. Deze bescherming zal uiteindelijk plaatsvinden in het bestemmingsplan. Door groen- en landschapsmonumenten op te nemen in deze verordening bestaat echter de mogelijkheid om vooruitlopende op de herziening van het bestemmingsplan een voorbescherming te realiseren voor de meest waardevolle landschapselementen. Zodra het bestemmingplan onherroepelijk is, wordt de bescherming overgenomen door het bestemmingsplan en verliest het juridische instrumentarium in de monumentenverordening zijn werking. Evenals bij stads- en dorpsgezichten brengt de aanwijzing van groen- en landschapsmonumenten ook een belangrijk psychologische effect met zich mee; hierdoor ontstaat zowel bij de burger als de ambtelijk organisatie het bewustzijn dat behoedzaam met het gebied moet worden omgegaan. Gemeentelijke archeologische monumenten en archeologische verwachtingszones In 1992 is in Valletta het Verdrag van Valletta ('Malta') ondertekend. In dit verdrag zijn op Europees niveau afspraken over archeologie gemaakt. Met het verdrag van Valletta wordt beoogd om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in de bodem (in situ) te bewaren. Archeologische resten blijven namelijk het beste bewaard in hun oorspronkelijke context. Bovendien wordt ervan uitgegaan dat ons nageslacht met toekomstig nieuwe technieken bij opgravingen meer informatie over ons verleden kan achterhalen. De afspraken van het Verdrag van Valletta zijn gecodificeerd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (WamZ) In deze wet is bepaald dat gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen en bestemmingsplannen de archeologische waarden zullen moeten meewegen in de integrale belangenafweging. De gemeente zal bij het opstellen van een bestemmingsplan nog meer rekening moeten houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische relicten. De gemeente heeft hiertoe archeologiebeleid ontwikkeld. Er heeft een inventariserend onderzoek plaatsgevonden naar het archeologische bodemarchief. Deze gegevens zijn verwerkt op een archeologische basiskaart. De inventarisatie is verder uitgewerkt in een archeologische advieskaart en een beleidskaart. Hierin is uiteindelijk vastgelegd hoe de gemeente met het bodemarchief omgaat. Het is immers niet de intentie van de gemeente om alles op te graven: archeologiebeleid houdt in dat er keuzes gemaakt worden. Voor wat betreft het archeologisch bodemarchief is onderscheid gemaakt tussen bekende waardevolle archeologische relicten en de archeologische verwachting van gebieden. Ter bescherming van het archeologische bodemarchief wordt in deze verordening de mogelijkheid geboden om gemeentelijke archeologische monumenten en archeologische verwachtingszones aan te wijzen. Als gemeentelijk archeologisch monument komen bekende archeologische relicten in aanmerking die weliswaar niet van nationaal belang zijn, maar wel een beeld geven van de plaatselijke ontwikkelingen, historie en geschiedenis. De aanwijzing van verwachtingszones vindt plaats op basis van het gemeentelijke archeologische beleid en de archeologische beleidskaart. Deze verwachting is gebaseerd op bekende archeologische informatie en geomorfologische kenmerken (hoogteligging, bodemgesteldheid etc.) van een gebied. Het is de bedoeling dat archeologisch beleid wordt verankerd in de bestemmingsplannen. Om te voorkomen dat het archeologische bodemarchief tussentijds wordt verstoord is er voor gekozen om in deze verordening een juridisch instrument op te nemen dat vooruitlopende op de herziening van het bestemmingsplannen (voor)bescherming geeft aan het archeologische bodemarchief. Om te voorkomen dat belangrijke archeologische informatie ongezien verloren gaat, zal afhankelijk van de impact van de ingreep en archeologische verwachtingen van het gebied al dan niet een vergunning moeten worden aangevraagd voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in archeologische verwachtingszones. Aanwijsbeleid Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van de gemeente. In tegenstelling tot de modelverordening van de VNG, is er voor gekozen om de aanwijzing niet meer te laten plaatsvinden op verzoek van belanghebbenden. Ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) kiest ervoor om de aanwijzing van monumenten niet meer op verzoek van derden maar vooral planmatig, via centraal aangestuurde aanwijzingsprogramma’s te laten plaatsvinden. Ook op gemeentelijk niveau is het wenselijk om door middel van aanwijsprogramma’s te komen tot een evenwichtige erfgoedlijst. De gemeentelijke erfgoedlijst moet een staalkaart vormen van de karakteristieke gegevenheden en ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente Venlo. Bij het formuleren van de aanwijzingsprogramma’s en bij de uitvoering daarvan is het wenselijk om samen te werken met deskundigen, particuliere monumentenorganisaties en historische verenigingen. Met name de bijdrage van het particulier initiatief is van groot belang om de aanwijzingsprogramma’s aan te vullen en te vervolmaken, omdat deze organisaties gezamenlijk over enorme lokale kennis beschikken en omdat zij het maatschappelijk draagvlak voor cultuurhistorisch erfgoed representeren. Daarmee wordt tevens bewerkstelligd dat de selectie en aanwijzing van monumenten niet meer louter een zaak van experts is, maar dat ook de maatschappelijke waardering van burgers en vrijwilligers hierbij een serieuze rol speelt. De gemeente voert de regie in het proces van de totstandkoming en uitvoering van aanwijzingsprogramma’s: onderzoek, inventarisatie, preselectie, selectie, vaststelling van de definitieve selectie, starten van de aanwijzingsprocedures en registratie in een gemeentelijke erfgoedlijst. De vaststelling van de definitieve selectie wordt door de gemeente verzorgd, na advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Op dat moment is er sprake van een aanwijzingsprogramma dat een overzicht bevat met de definitieve selectie van een aantal cultuurhistorisch waardevolle objecten ten aanzien waarvan het voornemen bestaat om die aan te wijzen. Zowel de concept-aanwijzingsprogramma’s als de definitieve, vastgestelde aanwijzingsprogramma’s zijn openbaar. Met het vaststellen van aanwijsprogramma’s wordt voorkomen dat ad hoc moet worden gereageerd en kostbare tijd moet worden geïnvesteerd in individuele aanwijsverzoeken, die niet in alle gevallen ook daadwerkelijk tot een aanwijzing leiden. Dit neemt desondanks niet weg dat de gemeente door derden kan worden geattendeerd op waardevolle objecten waarvoor een acute bedreiging (onder andere sloop) aan de orde is. De gemeente kan op dat moment beslissen of een aanwijsprocedure wordt opgestart waardoor, een voorbescherming voor het object in werking treedt en daarmee de acute bedreiging wordt weggenomen. Aanpassingen verordening aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek project. De meest bekende daarvan zijn: de bouwvergunning; de aanlegvergunning; de sloopvergunning; de monumentenvergunning; de milieuvergunning; de kapvergunning. De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening. Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel. De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de één loket gedachte. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf 1 oktober 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor deze verordening betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden aangevraagd. De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Bevoegd gezag Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor omschreven. Toestemmingsstelsels Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (vergunning en ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die altijd toezien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende toetsingskaders wegen allen even zwaar. Procedure In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de Awb. Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van de onlosmakelijkheid is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten toezien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit die omschreven is in de artikelen 2.1 en 2.
  26. van de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling op te knippen in deelvergunningen. Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een afzonderlijke rechtsbeschermingprocedure open staat. Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fasebeschikking is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige activiteiten (de tweede faseaanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria van de eerste fase. De eerste fasebeschikking kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een aanvraag voor een tweede fasebeschikking is ingediend. Beide beschikkingen treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op grond van de Awb open. De Wabo en de erfgoedverordening De invoering van de Wabo heeft geen consequenties voor de aanwijsprocedure. Dit geldt echter wel voor de vergunningprocedure voor het wijzigen van een gemeentelijk monument. De vergunning voor het wijzigen van een gemeentelijk monument, die voorheen in deze verordening was opgenomen, worden thans onder het regime van de Wabo gebracht. Verder zijn als gevolg van de inwerkingtreding van de Wabo in deze verordening de gronden aangegeven waarop de vergunning kan worden verleend of geweigerd. De monumentenvergunning uit de erfgoedverordening integreert volledig in de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de bouwvergunning of de aanlegvergunning. De erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo ziet toe op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke culturele erfgoed is in de verordening bepaald. Voor het overige is bij het opstellen van deze erfgoedverordening rekening gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in deze aangepaste verordening zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bij de omschrijving van het begrip monument is aansluiting gezocht bij de omschrijving in de Monumentenwet
  27. Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde. Het is niet vereist dat op de onder 2 bedoelde terreinen ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde van een monument te kunnen spreken. Een zaak is immers een veel ruimer begrip. De ouderdomsgrens van 50 jaar die voor rijksmonumenten geldt, is voor de aanwijzing als gemeentelijk monument niet overgenomen. Daardoor biedt de verordening de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn, wel reeds op de gemeentelijke erfgoedlijst te plaatsen. Het is nodig om een begripsomschrijving van een beschermd (rijks)monument in de gemeentelijke verordening op te nemen, omdat ingevolge artikel 15 van de Monumentenwet in de verordening ook de proceduregang van rijksmonumenten is geregeld. Hierbij is de begripsomschrijving van de Wabo overgenomen. Archeologische monumenten vallen niet onder de werking van de Wabo. Om deze reden zijn archeologische (rijks)monumenten uitgesloten in de begripsomschrijving. Ter bescherming van rijksbeschermde gezichten moet de gemeente op grond van artikel 36 van de Monumentenwet een beschermend bestemmingsplan vaststellen. Voor bouwactiviteiten binnen het beschermde gezicht moet een Omgevingsvergunning worden ingediend die door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt getoetst aan het beschermde bestemmingsplan. Hiervoor zijn geen afzonderlijke bepalingen opgenomen in deze verordening. Dit is wel het geval voor het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken binnen het rijksbeschermde gezicht. Voor deze sloopwerkzaamheden moet op grond van artikel 2.
  28. van de Wabo een vergunning worden gevraagd. In artikel 3.3 en 3.4 van deze verordening zijn regels opgenomen over de in te dienen bescheiden en de procedure die deze aanvraag doorloopt. Om deze reden is de het begrip (rijks) beschermd stads- en dorpsgezicht ook opgenomen in de begripsbepalingen van deze verordening. In de begripsbepaling is sprake van een onroerend monument. Op basis van deze begripsbepaling worden roerende monumenten derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten ( zoals schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen) kunnen meestal eenvoudig worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend zijn (zoals een kerkorgel), kunnen wel de beschermde status krijgen. Bij de definitie van het begrip stads- en dorpsgezicht is aansluiting gezocht bij de omschrijving in de Monumentenwet
  29. Volgens de Memorie van Toelichting bestaat het aanwijzingscriterium voor een beschermd stads- en dorpsgezicht niet alleen uit een visueel schoonheidsaspect, maar ook uit andere factoren die het karakter van een gebied bepalen, zoals het historisch gegroeide stedenbouwkundig patroon, gevormd door de nederzettingsstructuur, de verhouding tussen de bebouwde en onbebouwde ruimten, de bouwvormen en de samenhang in het gebruik van grond en opstallen. Omdat een stads- en dorpsgezicht betrekking kan hebben op een groot aantal kadastrale percelen, is het niet mogelijk om elk perceel afzonderlijk in het erfgoedregister op te nemen. Om deze reden zijn de stads- en dorpsgezichten aangegeven op een kaart die onderdeel uitmaakt van het erfgoedregister. De term gemeentelijk groen- en landschapsmonument wordt apart gedefinieerd omdat deze categorie cultuurhistorisch erfgoed om een specifieke bescherming vraagt. Omdat een groen- en landschapsmonument betrekking kan hebben op een groot aantal kadastrale percelen, is het niet mogelijk om elk perceel afzonderlijk in het erfgoedregister op te nemen. Om deze reden zijn de groen- en landschapsmonumenten aangegeven op een kaart die onderdeel uitmaakt van het erfgoedregister. De verordening geeft de mogelijkheid om archeologische verwachtingszones aan te wijzen. In 2007 is de Wet archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. De wet draagt gemeenten op om beleid te ontwikkelen hoe moet worden omgegaan met het archeologische erfgoed. Ook de gemeente Venlo heeft hiertoe beleid ontwikkeld dat is vastgelegd in een gemeentelijke archeologische beleidskaart. Zoals in de Wmaz bepaald moet het gemeentelijke archeologiebeleid in bestemmingsplannen worden verankerd. Omdat met de herziening van alle bestemmingsplannen enige tijd is gemoeid is het wenselijk om via deze verordening een soort van voorbescherming te regelen. Om deze reden in is deze verordening het begrip “gemeentelijke archeologische verwachtingszone” geïntroduceerd. Dit zijn gebieden waarin op grond van landschappelijke gegevenheden, historische gegevens, vondsten of onderzoek het vermoeden bestaat dat hier archeologische relicten aanwezig zijn. Deze gebieden zijn vastgelegd op de archeologische beleidskaart. De regels en voorwaarden die op grond van deze verordening binnen een gemeentelijke archeologische verwachtingszone worden gesteld komen overeen met de regels en voorwaarden die ook op basis van het bestemmingsplan worden gesteld. Omdat een archeologisch verwachtingsgebied betrekking kan hebben op een groot aantal kadastrale percelen, is het niet mogelijk om elk perceel afzonderlijk in het erfgoedregister op te nemen. Om deze reden zijn de archeologische verwachtingszones aangegeven op een kaart die onderdeel uitmaakt van het erfgoedregister. Met de aanwijzing van gemeentelijke archeologische monumenten wordt beoogd om aanwezige archeologische relicten te beschermen die weliswaar niet van nationaal belang zijn (en derhalve niet worden aangewezen tot rijksbeschermd archeologisch monument) maar wel van belang zijn voor de geschiedenis van de gemeente. Deze begripsbepaling behoeft geen nadere toelichting. De bescherming van een monument door plaatsing op de erfgoedlijst betreft, tenzij in het aanwijzingsbesluit anders is aangegeven, zowel het in- als uitwendige van het monument. De bescherming betreft, indien de beschrijving daartoe aanleiding geeft, mede het in de beschrijving opgenomen bijbehorende terrein met de zich daarop bevindende opstallen en begroeiing. Het begrip kerkelijk monument is afzonderlijk in de verordening opgenomen omdat voor de aanwijzing van een kerkelijk bouwwerk als beschermd gemeentelijk monument overleg met de eigenaar nodig is. Ook in de vergunningsprocedure voor het wijzigen van een beschermd kerkelijk monument moet, voor zover de wijzigingen betrekking hebben op onderdelen die verband houden met de eredienst, overleg worden gepleegd met de eigenaar. De commissie wordt bevoegd verklaard om op verzoek of uit eigen beweging het college te adviseren inzake de toepassing van de Monumentenwet 1988, deze verordening en het gemeentelijk monumentenbeleid in het algemeen. De taken van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in het kort beschreven in hoofdstuk 2 van deze verordening. De samenstelling, benoeming, ontslag en werkwijze van de commissie een verdere geregeld in hoofdstuk 9 van de Bouwverordening en het Reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dat als bijlage 9 bij de Bouwverordening is vastgesteld. In dit lid zijn verschillende soorten onderzoek voor de verschillende, op grond van deze verordening beschermde monumenten en beschermde gebieden gedefinieerd. Alhoewel het onderzoek zich concentreert op cultuurhistorische waarden is, afhankelijk van de monumentsoort, sprake van differentiatie en onderzoeksaccenten. De waardestelling in het onderzoeksrapport kan worden benut als motivatie voor de aanwijzing en als instrument bij vergunningverlening. Uit het onderzoek moet blijken welke specifieke waarden aanwezig zijn. Omdat het onderzoek het toetsingskader voor de vergunningaanvraag vormt, is het noodzakelijk dat het onderzoek een onafhankelijk en deskundig karakter heeft. Daarnaast kan het onderzoek fungeren als inspiratiekader voor de plannenmaker. Tot voor kort waren de gegevens en bescheiden, die bij een vergunning aanvraag voor het wijzigen van een monument geregeld in deze verordening. Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn de indieningsvereisten grotendeels opgenomen in de Regeling Omgevingsrecht. In onderdeel 1 wordt de link gelegd naar de begripsomschrijving van de Regeling Omgevingsrecht. Ook is de definitie van het begrip onderzoek aangevuld met de bepalingen uit de Wabo. Er zullen door het college nog richtlijnen worden geformuleerd waarin is aangegeven bij welk soort ingreep onderzoek noodzakelijk is. Met het begrip cultureel erfgoed dat in deze verordening is gehanteerd, wordt aansluiting gezocht bij de landelijk trend, waarbij een verbreding plaatsvindt van een objectgerichte monumentenzorg naar een brede zorg voor het cultureel erfgoed. Het woord “tegenwoordig” in de begripsomschrijving moet ruim worden geïnterpreteerd. Hiermee is niet alleen het moment van vaststelling van de verordening bedoeld, maar de gehele tijdsspanne dat de verordening werkzaam is. Tot voor kort lag beslissing op aanvragen voor cultureel erfgoed bij het college. In het kader van de Wabo, is dit niet altijd het geval, vandaar dat in de verordening het begrip “bevoegd gezag” is geïntroduceerd. t/m u. De regelgeving rond het aanvragen en de beslissing van vergunning is zijn samengevoegd en vastgelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De gemeentelijke verordeningen zijn ondergeschikt aan de formele wetgeving moeten derhalve in overeenstemming met de Wabo worden gebracht. De uitvoeringsregels van de Wabo zijn vastgelegd in het Bor. In de Mor zijn de bepalingen rond de indieningvereisten aangegeven. Teneinde de rechtszekerheid van alle belanghebbenden en overige betrokkenen te waarborgen, wordt de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard op deze verordening. De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht zijn in deze verordening op onderdelen verder uitgewerkt en gespecificeerd. Artikel 1.2 Het gebruik van het monument Het betreft hier de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker toekent aan het pand. Het gebruik van het monument betreft niet zozeer de planologische bestemming van het monument, als wel de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar daaraan toekent. Bij aanwijzing van een kerkelijk object als beschermd gemeentelijk monument is overleg nodig met de eigenaar. Ook bij de vergunningsprocedure voor het wijzigen van een beschermd kerkelijk monument moet, voor zover de wijzigingen betrekking hebben op onderdelen die verband houden met de eredienst, overleg worden gepleegd met de eigenaar. De noodzaak van overleg betreft de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie of een catechisatieruimte geldt deze verbijzondering niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de overige monumenten gelden. Artikel 1.3 De schriftelijke aanvraag De aanvraag in het kader van de Wabo kan zowel elektronisch als schriftelijk worden ingediend. Indien door de aanvrager wordt gekozen om de aanvraag schriftelijk in te dienen, staat in dit artikel het veelvoud waarin de gegevens en bescheiden moeten worden ingediend. Algemeen: In 2009 is de Monumentenwet aangepast waarbij het verplichte advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) voor het merendeel is komen te vervallen. Hiervoor in de plaats dient de deskundige inbreng op een andere wijze te worden zeker gesteld. Daarom is in het wetsvoorstel opgenomen dat de bij verordening in te stellen (monumenten)commissie zowel onafhankelijk als deskundig op het gebied van monumentenzorg moet zijn. Hierbij valt te denken aan een commissie die niet door bestuurlijke belangen wordt geleid en tenminste beschikt over de deskundigheid op het gebied van archeologie, cultuurhistorie, bouw/architectuurhistorie, restauratie en landschap/stedenbouw. Naast monumentenzorg zullen ook de disciplines (historische) stedenbouw en landschap in de commissie vertegenwoordigd moeten zijn. Artikel 2.1 Afbakening De advisering van de commissie blijft beperkt tot overwegingen van geschiedkundig, architectonisch, cultuur- of sociaalhistorisch belang. De financieel-economische en planologische aspecten worden betrokken bij de overwegingen van de gemeenteraad of het college. Artikel 2.2 De taken van de commissie Algemeen: In dit artikel zijn de taken van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit nader gespecificeerd. Door de taken van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op deze wijze aan te geven is het voor een ieder duidelijk op welke momenten de commissie adviseert. Bij een restauratie kan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit om advies worden gevraagd ten aanzien van complexe technische aspecten. Bij specialistische onderdelen kan echter ook gebruik worden gemaakt van de kennis en expertise van ter zake kundige adviesbureaus en/of de Rijksdienst voor archeologie, cultuurlandschap en monumenten. Met cultuurhistorie als vertrekpunt voor ruimtelijke planvorming wordt per definitie voeding gegeven aan het behoud van de identiteit van stad, dorp en landschap. De Beleidsnota over Modernisering van de Monumentenzorg gaat nadrukkelijk uit van het verankeren van cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan. Dit is de reden om ook ten aanzien van ruimtelijke plannen en planologische voornemens eveneens advies in te winnen bij de commissie. Tot slot kan de commissie worden verzocht om advies uit te brengen inzake het monumentenbeleid in algemene zin, bijvoorbeeld ten behoeve van de ontwikkeling van een Beleidsnota Cultuurhistorie, deze verordening, et cetera. Artikel 2.3 De samenstelling, benoeming, ontslag en werkwijze van de commissie De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft behoudens de monumententaken die zijn genoemd in artikel 2.
  30. tevens wettelijke adviestaken in het kader van de Woningwet. Om deze reden is ervoor gekozen om de samenstelling benoeming, ontslag en werkwijze van de commissie te regelen in hoofdstuk 9 van de Bouwverordening en het Reglement van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dat als bijlage 9 bij de Bouwverordening is vastgesteld. Artikel 3.1 De aanvraag voor vergunning van een beschermd (rijks)monument In de Mor is bepaald welke bescheiden bij de aanvraag moeten worden ingediend. In dit artikel is aangegeven waar deze gegevens in de Mor staan vermeld. In de Mor staat aangegeven dat bij de in te dienen gegevens tevens een cultuurhistorische rapportage moet worden overgelegd. De diepgang of omvang van deze rapportage is echter sterk afhankelijk van de wijziging of ingreep die aan het beschermde monument wordt verricht. Om deze reden is het wenselijk dat burgemeester en wethouders richtlijnen formuleren waarin is aangegeven bij welke ingreep welk onderzoek moet worden overgelegd. t/m
  31. De termijnen in het derde t/m het zesde lid komen voort uit de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast is het wenselijk dat de gemeente in een termijnennotitie de wettelijke en interne termijn op elkaar afstemt en bij samenloop van verschillende toestemmingen de interne termijnen vastlegt. In het derde t/m het zesde lid zijn de (maximale) termijnen voor het aanvullen van de aanvraag nader uitgewerkt en zijn de in de Algemene wet bestuursrecht genoemde maximale termijnen nader gespecificeerd. Overigens wordt, ingevolge artikel 4:15 van de Awb de termijn voor het geven van de beschikking opgeschort met ingang van de dag waarop de aanvrager is verzocht om de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de termijn voor het aanvullen van de aanvraag is vestreken zonder dat de benodigde gegevens zijn ingediend. Artikel 3.2 Advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit inzake een vergunning voor een beschermd (rijks)monument en
  32. Dit artikel vloeit voort uit artikel 15 van de Monumentenwet
  33. De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bij de aanvragen om vergunning voor beschermde rijksmonumenten om advies wordt gevraagd. Vaste jurisprudentie leert dat er altijd een advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moet zijn. De vergunning kan dus niet worden afgegeven zonder dit advies. De procedure voor de afgifte van vergunning voor het wijzigen van beschermde (rijks)monumenten was voorheen in de Monumentenwet geregeld, maar is thans opgenomen in de artikel 2.1 van de Wabo. In tweede lid is de termijn uit artikel 3:6 van de Awb, waarbinnen de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moet adviseren, nader gespecificeerd. In verband met de termijnen in de Wabo is deze termijn van 6 naar 4 weken teruggebracht. In derde lid wordt de vergunningprocedure die de aanvraag in de praktijk doorloopt geformaliseerd. Indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voorafgaande aan de formele aanvraag ex artikel 2.1 van de Wabo, reeds een positief preadvies heeft uitgebracht en de aanvraag in overeenstemming is met het positieve preadvies van de commissie, behoeft de commissie tijdens de formele vergunningprocedure niet opnieuw een advies uit te brengen. Artikel 3.3 Advies Minster (RCE) en Gedeputeerde Staten inzake een vergunning voor een beschermd (rijks)monument t/m
  34. Alhoewel de bepalingen in artikel 3.
  35. van deze verordening ook zijn opgenomen in de Monumentenwet, is voor de duidelijkheid voor aanvragers ervoor gekozen om de bepalingen nog eens in deze verordening te vermelden. Mocht er door tussentijdse wijziging van de Monumentenwet een strijdigheid met de verordening ontstaan, dan prevaleert hetgeen op dat moment in de Monumentenwet is opgenomen. Per 1 januari 2009 is de Monumentenwet 1988 gewijzigd onder meer op het punt van de beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen voor een monumentenvergunning. De Rijksdienst adviseert op grond van de wetswijziging nog maar in een beperkt aantal gevallen. Gemeenten zijn verplicht de Rijksdienst om advies te vragen wanneer de monumentale waarden van een beschermd monument in het geding zijn. Op het moment van vaststelling van deze verordening gaat om (gedeeltelijke) afbraak, ingrijpende wijzigingen vergelijkbaar met gedeeltelijke afbraak, reconstructie en herbestemming: het wijzigen van de functie. De criteria zijn vastgelegd in de Regeling ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning (Staatscourant 2008, nr 2667). Omdat deze criteria bij ministeriële regeling kunnen worden aangepast wordt in de verordening hierna verwezen. De adviesplicht van de provincie is per 1 januari 2009 vervangen door een adviesmogelijkheid. Het is aan de provincie om te bepalen hoe zij met deze adviesmogelijkheid om willen gaan. De Provincie Limburg heeft vooralsnog besloten om voor alle rijksmonumenten in het buitengebied de adviesplicht te handhaven. Indien de Rijksdienst of Gedeputeerde Staten niet tijdig adviseren, is het mede uit oogpunt van het halen van de termijnen noodzakelijk om aan te nemen dat zij geen overwegende bezwaren hebben en positief adviseren. Algemeen: Tot voor kort was in dit hoofdstuk van deze verordening enkel bepalingen opgenomen voor het slopen van bouwwerken binnen een beschermd gezicht. Na de aanwijzing van een rijksbeschermd gezicht dient echter ook een beschermend bestemmingsplan te worden opgesteld. Meestal wordt de bescherming in een dergelijk bestemmingsplan geregeld door in het bestemmingsplan een (aanleg)vergunningstelsel op te nemen. Hierdoor is voor het wijzigen van het beschermde gezicht naast de traditionele bouwvergunning ook een aanlegvergunning op basis van het bestemmingsplan nodig. Betreffende toestemmingen zijn thans alle onder het regime van de Wabo gebracht. In dit hoofdstuk is geregeld dat ook deze aanvragen voor advies worden voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Ook zijn de gronden waarop de aanlegvergunning in het beschermde bestemmingsplan kan worden verleend of geweigerd in dit hoofdstuk aangegeven. Artikel 4.1 De aanvraag voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van bouwwerken of het uitvoeren van werkzaamheden in een (rijks)beschermd stads- en dorpsgezicht in gevallen dat in een beschermend bestemmingsplan is bepaald In de Mor is bepaald welke bescheiden bij de aanvraag moeten worden ingediend. In dit artikel is aangegeven waar deze gegevens in de Mor staan vermeld. Om te voorkomen dat een beschermd gezicht langere tijd verstoord wordt is het noodzakelijk dat spoedig na afbraak van een beschermd gezicht nieuwbouw wordt gepleegd. Om dit aannemelijk te maken en te bewerkstellingen dient gelijktijdig met de aanvraag voor het slopen voor een bouwwerk in een beschermd gezicht, tevens ook een bouwvergunning te worden aangevraagd voor het nieuw op te richten bouwwerk. Het vorenstaande is echter niet nodig indien op

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.