← Nederland

Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen (Zaanstad)

Obsah (8)Artikel 2Artikel 7Artikel 8Artikel 9Artikel 11Artikel 12Artikel 13Artikel 14

wet bestuursrecht; b. de Wbb: de Wet bodembescherming; c. de Subsidie: de subsidie op grond van deze verordening; d. het Convenant: het op 11 juni 2001 in werking getreden Convenant Bodemsanering in g

Als gevolg van de ondertekening door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de Minister van Economische zaken, en vertegenwoordigers van de Colleges van Gedeputeerde Staten van de Provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Vereniging VNO-NCW en de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland is op 11 juni 2001 het Convenant Bodemsanering in gebruik zijnde en blijvende Bedrijfsterreinen (hierna te noemen: het Convenant) in werking getreden. Ingevolge het Convenant verplicht het bedrijfsleven zich tot de sanering van verontreinigde Bedrijfsterreinen, waar tegenover staat dat een overheidssubsidie kan worden verkregen ten behoeve van de sanering van Bedrijfsterreinen waarvan de verontreiniging in belangrijke mate voor 1 januari 1975 is veroorzaakt. De totstandkoming van het Convenant vormt een uitwerking van de Beleidsvernieuwing Bodemsanering (hierna te noemen: BEVER) die is vastgelegd in het Eindrapport BEVER van 21 September 2000. Het op dit Eindrapport gebaseerde Kabinetsstandpunt Beleidsvernieuwing Bodemsanering is door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij brief van 16 januari 2002 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer gezonden (Tweede Kamer, Vergaderjaar 2001-2002, nr. 28 199, nr. 1). De (verdere) implementatie van BEVER zal onder meer plaats vinden door middel van de aanpassing van de wet- en regelgeving, in het bijzonder in het kader van de Wet bodembescherming. In de brieven die de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Directeur-generaal Milieubeheer van zijn ministerie op respectievelijk 30 juli 2001 (met kenmerk LMV/2001065757) en 5 februari 2002 (met kenmerk LMV 2001137247) aan de bevoegde gezag in de zin van de Wet bodembescherming zonden, gaven zij aan dat de mogelijkheid dient te bestaan om reeds nu, voorafgaand aan de vastlegging in wet- en/of regelgeving, door middel van Interim-beleid uitwerking te geven aan hetgeen in het kader van het Convenant is afgesproken. Deze Subsidieverordening bedoelt aan dat interim-beleid nader vorm te geven. De kernelementen van deze Subsidieverordening zijn, zoals in de algemene opmerking aangegeven, naar het oordeel van het ministerie te vinden in artikel 1, onder g., h., i., j., k., I. en m., artikel 6, onder d., e., f., g., h., i., en j., de artikelen 8 en 9, alsmede de artikelen 11 lid 2 en 12, met uitzondering van de daarin genoemde termijnen. Zoals bekend, stelt de Algemene wet bestuursrecht de nodige eisen aan (de procedure omtrent) het verlenen van een overheidsbijdrage in de vorm van een subsidie. Met die eisen is bij het concipiëren van deze verordening rekening gehouden. De overige bepalingen in deze Subsidieverordening moeten dan ook worden geplaatst tegen de achtergrond van hetgeen volgt uit titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Zoals uit de navolgende bepalingen van de Subsidieverordening blijkt, kan het Interim-beleid op dit moment nog geen uitwerking geven aan alle elementen van de, zogenoemde, Bedrijvenregeling die in de als Bijlage 1 aan het Convenant gehechte Notitie Bodemsanering Bedrijfsterreinen (hierna te noemen: de Notitie) zijn neergelegd. Het Interim-beleid vindt in het bijzonder een begrenzing in het feit dat haar tijdelijk karakter noodzakelijkerwijs met zich brengt dat een aantal vereisten om in aanmerking te komen voor een overheidsbijdrage ten behoeve van de sanering van een Bedrijfsterrein, anders dan in de Notitie vermeld, gedurende de looptijd van het Interim-beleid niet relevant is dan wel niet wordt gesteld (waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan de plicht tot aanmelding voor 31 december 2005), en de hoogte van de te verkrijgen overheidsbijdrage wordt bepaald aan de hand van de in de Notitie voor de periode tot 1 januari 2011 genoemde percentages. Bij aanvang van de sanering vanaf 1 januari 2011 zullen lagere percentages gaan gelden. Artikelsgewijze

Toelichting Artikel 1 In deze bepaling wordt een aantal begrippen dat in de navolgende bepalingen van de Subsidieverordening wordt gebruikt, van een omschrijving voorzien. Een aantal van de omschrijvingen wijkt af van de omschrijving die wordt gebruikt in de Notitie. Dat is het gevolg van het feit dat voortschrijdend inzicht tot de conclusie heeft geleid dat de nu opgenomen omschrijving beter voldoet aan de bedoelingen die bij het formuleren van hetgeen in de Notitie is te lezen hebben bestaan, waarmee de nu opgenomen omschrijving bijdraagt aan de helderheid waaraan een Subsidieverordening, gelet op haar praktische bruikbaarheid, dient te voldoen. Voor wat betreft de omschrijving onder g. van het begrip Onderneming kan nog worden opgemerkt dat deze, zoals ook volgt uit de brieven van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juli 2001 en de Directeur-generaal Milieubeheer van zijn ministerie van 5 februari 2002, mede aansluit bij de omschrijving van dit begrip zoals die in de jurisprudentie in kader van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 en artikel 2 lid 1 onder d. van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 wordt gehanteerd. De omschrijving van het Schriftelijk verslag van de uitvoering van de sanering is opgenomen aangezien de vigerende Wet bodembescherming geen omschrijving van dit verslag (in het algemeen ook wel aangeduid als: evaluatierapport) kent, terwijl dit verslag, zoals uit de navolgende bepalingen blijkt, in deze Subsidieverordening een belangrijke plaats inneemt.

Artikel 2

Uiteraard blijkt het doel van deze Subsidieverordening ook reeds uit hetgeen in de considerans is genoteerd. Het lijkt echter voor alle duidelijkheid, en ter vermijding van ieder misverstand, juist ook in deze bepaling (kort en krachtig) aan te geven welk doel door middel van de Subsidieverordening wordt gediend.

Artikel 7

De formulering van deze bepaling is gebaseerd op artikel 3:17 lid 2 Awb, waarin is te lezen dat het bestuursorgaan de aanvrager 'onverwijld' een bewijs van ontvangst van de aanvraag dient te zenden.

Artikel 8

In artikel 8 lid 1 zijn de voorwaarden opgenomen waaraan (in ieder geval) dient te worden voldaan, wil de subsidie kunnen worden toegewezen. Opmerking verdient het feit dat deze voorwaarden niet op alle punten overeenstemmen met de voorwaarden die in de Notitie zijn opgenomen. Zie daarover de Algemene

. In de aanhef van lid 1 wordt er voor alle volledigheid op gewezen dat mede het bepaalde in de artikelen 11 lid 2, 3 en 4 in acht dient te worden genomen. Artikel 2 vormt een nadere uitwerking van hetgeen in de Notitie, blz. 7, onder

  1. Overdraagbaarheid van de aanspraak op medefinanciering, is te lezen, en heeft tot doel de aanspraak op medefinanciering onder een aantal nader omschreven voorwaarden ook in de interim-periode overdraagbaar te maken, in die zin dat degene die het bedrijfsterrein heeft verworven op een tijdstip nadat deze Subsidieverordening in werking is getreden aanspraak kan maken op een Subsidie van dezelfde omvang als waarop zijn voorganger recht had kunnen doen gelden. Lid 3 is een uitwerking en verduidelijking van hetgeen in de Notitie, blz. 3, onder 5 over de reikwijdte van de regeling, is te lezen. Overeenkomstig het bepaalde in de Wet bodembescherming is als voorwaarde voor de subsidieverlening gesteld dat een saneringsplan -en daarmee een sanering- het gehele geval van ernstige verontreiniging in de zin van artikel 1 Wbb betreft, ook wanneer dat Bedrijfsterrein deel uitmaakt van een groter verontreinigd geval van verontreiniging in de zin van artikel 1 Wbb. Wanneer een gezamenlijk aanpak van de verschillende percelen waarop het geval van verontreiniging is gelegen niet mogelijk is, de bron van de verontreiniging niet op het Bedrijfsterrein is gelegen en ook geen milieuhygiënische bezwaren tegen een deelsanering bestaan, kan echter worden gekozen voor een deelsanering die zich beperkt tot de perceelgrenzen van het Bedrijfsterrein. Die weg staat echter in beginsel niet open, zo blijkt uit de tweede volzin van de hier besproken bepaling, wanneer zich de situatie van artikel lid 1 onder f., tweede D, voordoet (niet-milieuhygiënisch) urgente gevallen, waarvan de sanering verplicht is op grond van bijvoorbeeld bouwactiviteiten). In dat geval zal de sanering van het gehele geval van ernstige verontreiniging ter hand moeten worden genomen, tenzij het een dermate omvangrijk geval van diffuse verontreiniging betreft dat het vereiste van sanering van het gehele geval kennelijk onredelijk zou uitpakken. Deze laatste uitzondering ziet op de situatie dat gesaneerd wordt als gevolg van bouwactiviteiten in een binnenstad waar ter plaatse van een groot aaneengesloten gebied een diffuse verontreiniging aanwezig is die als een geval van ernstige verontreiniging dient te worden beschouwd. In een dergelijke situatie kan van de bouwende ondernemer in redelijkheid niet worden gevergd (nagenoeg) de gehele binnenstad te saneren. Uiteraard staat ook bij deze deelsanering voorop dat de sanering niet slechts mag bestaan uit het herschikken van de grond op het Bedrijfsterrein. Met een dergelijke herschikking zal immers geen wezenlijke verbetering van de bodemkwaliteit worden bereikt. De situatie kan zich voordoen dat reeds voor of na de inwerkingtreding van de Subsidieverordening een instemmende beschikking op een deelsanering is verkregen en deze deelsanering ook al is aangevangen of uitgevoerd. In dat geval kan voor het restant van het geval een apart saneringsplan worden ingediend waarop volgens de Wbb uitgaande van het (resterende) geval zal moeten worden beschikt. Een aanvraag tot subsidieverlening voor de uitvoering van dat nieuwe saneringsplan voor het restant van het geval zal worden beoordeeld op grond van de voorwaarden van de Subsidieverordening. Van bovenvermelde situatie dient te worden onderscheiden de situatie dat op grond van artikel 38 lid 4 Wbb door het bevoegd gezag is ingestemd met een saneringsplan ten aanzien van een gefaseerde sanering ingevolge artikel 38 lid 4 Wbb en al een of meer fasen van deze sanering is (zijn) uitgevoerd voordat de subsidieaanvraag is ingediend. In dat geval zal geen subsidie meer voor de resterende fasen van de sanering kunnen worden aangevraagd omdat niet is voldaan aan het in artikel
  2. lid 1 sub h. genoemde vereiste dat de subsidieaanvraag moet zijn ingediend voordat met de te subsidiëren activiteit (het saneren) is begonnen. Voor alle duidelijkheid dient er nog op te worden gewezen, dat, zoals eveneens op de zojuist bedoelde plaats in de Notitie is te lezen, steeds voor de gevallen van ernstige verontreiniging waarvan de sanering niet-urgent is, de doelstelling heeft te gelden volgens welke in het jaar 2023 sprake moet zijn van een beheerste situatie. In dit geval geldt in beginsel dat geen aanspraak kan worden gemaakt op de Subsidie, maar dat is anders in het geval de voorkeur wordt gegeven aan het treffen van saneringsmaatregelen.

Artikel 9

Aangezien de Notitie een ruimere periode op het oog heeft waarin de subsidieregeling van kracht dient te zijn, kunnen de in de Notitie opgenomen percentages in deze als interim-beleid bedoelde Subsidieverordening niet steeds onverkort in de artikel 9 lid 1, 2, 3 en 4 worden overgenomen. Zie daarover ook de Algemene

. Bij de bepaling van de beslistermijn dient in ogenschouw te worden genomen dat ingevolge artikel 4:13 lid 1 Awb een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn. Die termijn is in lid 1 gesteld op dertien weken. Uit de formulering van lid 3 blijkt dat artikel 4:15 Awb onverkort van toepassing is.

Artikel 11

Met het oog op artikel 4:31 lid 1 Awb dient overeenkomstig het bepaalde in artikel lid 1 in de beschikking tot verlening van de Subsidie zowel aan te worden gegeven op welke wijze de hoogte van de Subsidie wordt bepaald, alsook het bedrag waarop de Subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld. Het opslagpercentage van 15% zoals vermeld in artikel 10 lid 1, onder b., is opgenomen ter voorkoming van excessieve (meer)kosten.

Artikel 12

De in artikel 11 lid 1 genoemde termijn is in overeenstemming met hetgeen wordt bepaald in artikel 4:44 Awb.

Artikel 13

Zie de

op de ontvangstbevestiging van de aanvraag bij artikel 6.

Artikel 14

Zie de

bij artikel 10, in verband met het bepaalde in artikel 4:13 Awb.

artikel 16 Artikel 4:52 lid 2 Awb. bepaalt dat het subsidiebedrag binnen vier weken na de subsidievaststelling wordt betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat laatste is in artikel 16 lid 1 het geval. Gelet op de financieringssystematiek in de relatie tussen het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de subsidieverlenende instantie is gekozen voor een termijn van acht weken. Mede gelet op deze financieringsstructuur, en de mogelijkheid ook te opteren voor de vaststelling en betaling van een Subsidie nadat een of meet fasen in de uitvoering van de sanering van een Bedrijfsterrein is voltooid, is, in overeenstemming met artikel 4:54 Awb uitdrukkelijk bepaald dat geen voorschot op de Subsidie wordt verleend.

artikel 20 Een verordening moet worden aangemerkt als een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften. De bekendmaking van besluiten inhoudende algemeen verbindende voorschriften is geregeld in artikel 139 Gemeentewet. Artikel 139 lid 1 Gemeentewet bepaalt dat besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet verbinden dan wanneer zij bekend zijn gemaakt. Ingevolge het bepaalde in artikel 139 lid 2 Gemeentewet dient de vaststelling van de verordening bekend te worden gemaakt door middel van plaatsing in het gemeenteblad. Aldus besloten in de openbare vergadering van 21 november 2002, voorzitter, secretaris,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.