← Nederland

Verordening op de heffing en invordering van een baatbelasting wegens aanleg van riolering in de Rijksweg te Malden (Heumen)

Verordening op de heffing en invordering van een baatbelasting wegens aanleg van riolering in de Rijksweg te MaldenDe raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 27 april 1993; gelet op artikel 272, onderdeel b en 273a van de Gemeentewet; b e s l u i t: vast te stellen de navolgende “Verordening op de heffing en invordering van een baatbelasting wegens aanleg van riolering in de Rijksweg te Malden. Artikel1Aard en voorwerp van de belasting Onder de naam van baatbelasting wordt ter verkrijging van een billijke bijdrage in de ten laste van de gemeente komende kosten van aanleg van riolering in de Rijksweg te Malden een directe belasting geheven van de onroerende zaken, die op de bij deze verordening behorende tekening in rood zijn aangeduid en die als zodanig gebaat zijn. Artikel2Belastingsplicht 1.De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig bij het kadaster bekend staat, tenzij blijkt dat op dat tijdstip een ander genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht was. Artikel3Grondslag De belasting als bedoeld in artikel 1 wordt geheven per onroerende zaak. Artikel4Begripsomschrijving Deze verordening verstaat onder een onroerende zaak dan wel de onroerende zaak een gebouwd eigendom met zijn gebouwde aanhorigheden, daaronder begrepen de ondergrond van dat eigendom en van die aanhorigheden, en met zijn ongebouwde aanhorigheden. Artikel5Tarief De belasting bedraagt per onroerende zaak € 163,36 per jaar. Artikel6Wijze van heffing De belasting wordt geheven bij weg van aanslag. Artikel7Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel8Heffingduur De belasting wordt, behoudens ingeval van heffing ineens als bedoeld in artikel 9, geheven over een termijn van 25 jaren. Artikel9Heffing ineens 1.op een bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar in te dienen schriftelijk verzoek van de belastingplichtige wordt de belasting met betrekking tot nog niet aangevangen belastingjaren ineens geheven naar een bedrag, dat gelijk is aan de contante waarde van de belastingbedragen, welke geheven zouden zijn – beoordeeld naar de omstandigheden bij het begin van het belastingjaar waarin het verzoek wordt gedaan – voor elk van de nog niet aangevangen belastingjaren. 2.De contante waarde, bedoeld in het vorige lid, wordt berekend naar een rentevoet van 7,5% per jaar. Artikel10Termijnen van betaling 1.De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. 2.In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 3.000,- en de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat: aanslagen, waarvan de dagtekening ligt tussen 1 januari en 1 oktober van het belasting jaar waarop ze betrekking hebben, moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar overblijven met een maximum van acht termijnen. aanslagen, waarvan de dagtekning ligt na 30 september van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, moeten worden betaald in drie gelijke termijnen. Bij het van toepassing zijn van het vorenstaande vervalt de eerste incassotermijn een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel11Machtiging tot overdracht van bevoegdheden 1.Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het verlenen van schriftelijke toestemming met betrekking tot het verdagen van de uitspraak op het bezwaarschrift voor ten hoogste een jaar. 2.Het college van burgemeester en wethouders kan een of meer gemeenteambtenaren aanwijzen die in zijn plaats treden met betrekking tot de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing en de invordering van de baatbelasting. Artikel12Verzending van aanslagen Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen dat voor de toezending of uitreiking van aanslagbiljetten ingevolgde artikel 8, eerste lid, van de invorderingswet 1990 (Stb. 221) voor de betrokken in artikel 212, tweede lid, van de Gemeentewet (Stb.1994, 762) bedoelde gemeenteambtenaar een andere gemeenteambtenaar in de plaats treedt. Artikel13Nakoming van verplichtingen De verplichtingen bedoeld in de artikelen 47, 49 en 50 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) en in de artikelen 58 en 60 van de invorderingswet 1990, dan wel bedoeld of van toepassing verklaard in de algemene matregel van bestuur krachtens artikel 246a van de Gemeentewet, gelden mede jegens de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren van de gemeentelijke belastingen. Artikel14Rente 1.het bepaalde in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990 inzake invorderingsrente vindt toepassing op de invordering van de baatbelasting. 2.De ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de invorderingswet 1990 vindt daarbij overeenkomstige toepassing. Artikel15Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking. 2.De datum van ingang van de heffing is 1 januari 1997. vE/DZ Malden, 19 december 1993DE RAAD VOORNOEMD;De secretaris, De voorzitter,W.E. Keurntjes F.C.W. Grienberger

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.