Waterverordening provincie Noord-HollandProvinciale staten van Noord-Holland; gelezen de voordracht van gedeputeerde staten van Noord-Holland; gelet op de Waterwet en artikel 145 van de Provinciewet; Overwegende dat het in verband met de inwerkingtreding van de Waterwet noodzakelijk is de provinciale waterregelgeving algeheel te herzien; besluiten: De Waterverordening provincie Noord-Holland vast te stellen. Hoofdstuk1Begripsbepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: de minister: de minster van Verkeer en Waterstaat; gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Noord-Holland; pompcapaciteit: het maximum wateropbrengend vermogen van een inrichting in kubieke meters per uur; projectplan: plan als bedoeld in artikel 5.4 van de wet; regionaal waterplan: plan als bedoeld in artikel 4.4 van de wet; wet: de Waterwet. Hoofdstuk2Beheer Titel 2.1 Provinciaal overlegorgaan voor de kust Artikel2.1Provinciaal overlegorgaan voor de kust 1.Gedeputeerde staten kunnen een overlegorgaan instellen dat haar adviseert over de veiligheid van de kust en het waterbeheer in het kustfundament. Deze adviezen kunnen onder meer zien op voorstellen van Rijkswege als bedoeld in artikel 2.7 van de wet om landwaartse kustverplaatsing te voorkomen of tegen te gaan. 2.Het overlegorgaan kan worden samengesteld uit vertegenwoordigers van provincie, beheerders van regionale watersystemen, Rijk, kustgemeenten en relevante terreinbeheerders en belangenorganisaties. 3.Het overlegorgaan kan een eigen reglement opstellen waarin zij haar werkwijze nader regelt. Titel 2.2 Toedeling vaarwegbeheer (gereserveerd) Titel 2.3 Gebruik en instandhouding vaarwegen (geserveerd) Hoofdstuk3Regionaal waterplan Artikel3.1Inhoud 1.Het regionale waterplan bevat, naast het bepaalde in artikel 4.4 van de wet, één of meer kaarten met bijbehorende verklaring waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid in beeld zijn gebracht. 2.De ruimtelijke aspecten bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de wet worden in het regionaal waterplan aangeduid. Artikel3.2Voorbereiding 1.Gedeputeerde staten voeren, ter voorbereiding van het regionaal waterplan, ten minste overleg met de dagelijkse besturen van de beheerders van de regionale watersystemen in de provincie, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten. 2.Gedeputeerde staten raadplegen ter voorbereiding van het regionaal waterplan de minister en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies. 3.Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. 4.Iedere belanghebbende en ingezetene heeft de gelegenheid zijn zienswijze over het regionaal waterplan naar voren te brengen. Artikel3.3Uitwerking 1.In het regionale waterplan kan worden bepaald dat gedeputeerde staten het regionale waterplan of onderdelen daarvan moeten of kunnen uitwerken volgens de in het regionale waterplan gegeven regels. 2.Het besluit van gedeputeerde staten tot uitwerking van het regionale waterplan maakt deel uit van het regionale waterplan. 3.Artikel 3.2 is van overeenkomstige toepassing op het in het tweede lid genoemde besluit. 4.Binnen vier weken na vaststelling van het besluit tot uitwerking informeren gedeputeerde staten de in artikel 3.2 genoemde bestuursorganen. Hoofdstuk4Handelingen in watersystemen Titel 4.1 Grondwater Artikel4.1Grondwaterregister Gedeputeerde staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen dan wel aan de dagelijkse besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt. Artikel4.2Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister 1.Gedeputeerde staten kunnen een inrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve in het register, bedoeld in artikel 4.1, inschrijven. 2.Indien de ambtshalve inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt in de loop van een kalenderjaar, wordt als datum van de inschrijving aangehouden de datum waarop de onttrekking is aangevangen. Artikel4.3Uitzondering vergunningplicht Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de wet is niet vereist ten aanzien van inrichtingen met een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan tien kubieke meters per uur. Titel 4.2 Vaarwegen (gereserveerd) Hoofdstuk5Commissie van deskundigen Artikel5.1Instelling commissie Gedeputeerde staten stellen een commissie van deskundigen in die is belast met het adviseren inzake verzoeken als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet. Artikel5.2Procedure advies 1.Gedeputeerde staten kunnen een verzoek als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet in handen van de commissie van deskundigen stellen. Indien zij de commissie een verzoek voorleggen, zenden zij daarvan een afschrift aan de vergunninghouder of vergunninghouders die zij daarbij betrokken achten. Zij doen daarvan mededeling aan de verzoeker en, in geval het verzoek verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur. 2.De commissie van deskundigen brengt zo spoedig mogelijk advies uit over de ondervanging of vergoeding van schade dan wel over de overneming van de onroerende zaak. 3.De commissie van deskundigen zendt het ontwerp van haar advies toe aan degene op wiens verzoek zij een onderzoek heeft ingesteld en aan de betrokken vergunninghouder of vergunninghouders. Artikel5.3Indienen zienswijzen 1.Gedurende zes weken na de verzending van het ontwerpadvies kunnen de betrokkenen, bedoeld in artikel 5.2, derde lid, schriftelijk hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen bij de commissie van deskundigen. De commissie stelt degenen die een zienswijze hebben ingediend in de gelegenheid hun zienswijze in persoon of bij gemachtigde op een daartoe door haar te beleggen zitting voor één of meer van haar leden mondeling toe te lichten, daarbij desgewenst bijgestaan door deskundigen. 2.Van hetgeen op de zitting, bedoeld in het eerste lid, naar voren wordt gebracht wordt een verslag gemaakt. 3.Indien zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies al dan niet gewijzigd vast en zendt dat gelijktijdig met het verslag van de hoorzitting en haar beschouwingen omtrent de zienswijzen toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 5.2, derde lid. 4.Indien geen zienswijzen naar voren zijn gebracht stelt de commissie haar advies binnen vier weken nadat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen is verstreken, vast en zendt dat toe aan de betrokkenen, bedoeld in artikel 5.2, derde lid. 5.De in het derde en vierde lid genoemde stukken worden tevens toegezonden aan gedeputeerde staten en, in geval het verzoek, bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de wet, verband houdt met een door het bestuur van een waterschap verleende vergunning, aan het desbetreffende bestuur. Hoofdstuk6Handhaving Artikel6.1Handhaving Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de ambtenaren belast, aangewezen door gedeputeerde staten. Hoofdstuk7Overgangs- en slotbepalingen Artikel7.1Intrekking regelingen De Verordening op de waterhuishouding en waterkeringen Noord-Holland, de Verordening waterkering West Nederland, de Grondwaterverordening Noord-Holland 1999 en de Verordening waterkwaliteitsbeheer Noord-Holland 1993 worden ingetrokken. Artikel7.2Evaluatie Gedeputeerde staten zenden binnen drie jaar na het in werking treden van deze verordening, de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, de Waterverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Waterverordening Rijnland aan provinciale staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordeningen. Artikel7.3Overgangsrecht besluiten 1.De op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze verordening geldende besluiten die op grond van de Verordening op de waterhuishouding en waterkeringen Noord-Holland, Verordening waterkering West-Nederland of de Grondwaterverordening Noord-Holland 1999 zijn genomen blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders heeft beslist. 2.Op procedures op grond van de verordeningen als bedoeld in het eerste lid die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van deze verordening blijft het op dat moment geldende recht van toepassing. Artikel7.4Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet), in werking treedt. Artikel7.5Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Waterverordening provincie Noord-Holland. Haarlem, 9 november 2009 Provinciale Staten van Noord-Holland, H.C.J.L. Borghouts, voorzitter I.J.M. Speekenbrink, griffier ToelichtingWaterverordening provincie Noord-Holland Algemeen Naar verwachting zal eind 2009 de nieuwe Waterwet in werking treden. Deze Waterwet vervangt veel bestaande wetten op het gebied van het watersysteembeheer. Modernisering, stroomlijning en vermindering van regels en administratieve lasten zijn leidraad geweest bij de totstandkoming van deze wet. Teneinde het watersysteembeheer slagvaardig te maken voorziet de Waterwet in een modern juridisch instrumentarium. Eén van de gevolgen van de invoering van de Waterwet is dat de provinciale regelgeving op het terrein van het watersysteembeheer ingrijpend moet worden herzien. Daarbij is ervoor gekozen om nieuwe waterverordeningen vast te stellen. Een uitgangspunt daarbij is dat waterschappen in de nieuwe situatie voor wat hun watersysteembeheer betreft nog maar te maken hebben met één (interprovinciaal vastgestelde) waterverordening. Dat betekent dat er per waterschap een nieuwe waterverordening wordt vastgesteld, te weten de Waterverordening Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, Waterverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Waterverordening Rijnland. Daarnaast komt er een nieuwe waterverordening voor de provincie Noord-Holland zelf. In de Waterverordening provincie Noord-Holland worden de provincie-eigen onderwerpen voor de provincie Noord-Holland geregeld. Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen In hoofdstuk 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen. De begripsbepalingen die in de Waterwet en het Waterbesluit zijn opgenomen (zoals bijvoorbeeld oppervlaktewaterlichaam en bergingsgebied) zijn niet in deze verordening herhaald. Gemakshalve wordt voor de uitleg van die begripsbepalingen verwezen naar de Waterwet en het Waterbesluit. Voor wat betreft de definitie van pompcapaciteit is aangesloten bij de definitie uit de Wet belastingen op milieugrondslag. Hoofdstuk 2 Beheer Titel 2.1 Provinciaal overlegorgaan voor de kust Artikelsgewijs Artikel 2.1 Provinciaal overlegorgaan voor de kust In artikel 10 van de Wet op de waterkering (Wwk) is aangegeven dat door en op kosten van het Rijk de werken worden uitgevoerd tot het voorkomen of tegengaan van een landwaartse verplaatsing van de kustlijn, die naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat noodzakelijk zijn vanwege de ingevolge deze wet te handhaven veiligheidsnorm of door het algemeen belang wordt gevorderd. Daarbij wordt de noodzaak, de plaats en het doel van de werken, alsmede de termijn van uitvoering vastgesteld. De kustlijn wordt aangegeven op een door de Minister kosteloos verkrijgbaar gestelde kaart, die telkens na vijf jaren wordt herzien. De hier bedoelde werken betreffen kustsuppleties met zand op het strand en/of in de vooroever onder water. De gegevens van de kustlijnkaarten vormen de basis voor het (ontwerp)besluit tot de handhaving van de basiskustlijn (BKL). In het vierde lid van artikel 10 Wwk is bepaald dat het desbetreffend voornemen is behandeld in een overlegorgaan, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de provincie, de beheerders en het Rijk en dat in ieder der provincies Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland door gedeputeerde staten wordt ingesteld. In Noord-Holland functioneert reeds enkele jaren het bestuurlijk Provinciaal Overlegorgaan voor de Kust (POK) onder voorzitterschap van de watergedeputeerde. Naast de wettelijke advisering over de kustlijnkaarten, de BKL en de kustsuppleties aan de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat wordt door dit POK ook regelmatig over relevante beleidsontwikkelingen betreffende de kust geadviseerd, zoals zwakke schakels, kustfundament, kustzonering, strandpaviljoens, bouwbeleid kust, Kustnota, Beleidslijn Kust, risicobeheersing badplaatsen e.d. Tevens vindt afstemming plaats met de verschillende deelnemers aan het POK (waterschappen, kustgemeenten, Rijkswaterstaat, Stichting Duinbehoud en terreinbeheerders kust waaronder drinkwaterleidingbedrijven). De agenda van dit bestuurlijke POK wordt voorbereid door een ambtelijke werkgroep. In het kader van de deregulering is in de Waterwet de wettelijke verplichting tot het instellen van een provinciaal POK vervallen. Met artikel 2.2 wordt de instelling, samenstelling en rol van het Provinciaal Overlegorgaan voor de Kust hiermee bij provinciale verordening geregeld. Gedeputeerde staten kunnen dit overlegorgaan instellen; het is geen verplichting. Titel 2.2 Toedeling vaarwegbeheer (gereserveerd) De Waterwet beoogt te bewerkstelligen dat landsdekkend is bepaald wie belast zijn met het beheer van watersystemen. Hiertoe is in artikel 3.1 van de Waterwet bepaald dat alle watersystemen of onderdelen daarvan die bij het Rijk in beheer zijn, worden aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. In artikel 2.2, tweede lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de zorg voor het regionale watersysteem bij reglement aan waterschappen wordt opgedragen, tenzij dat niet verenigbaar is met een goede organisatie van de waterstaatkundige verzorging. De reglementaire taakopdracht is gebiedsgericht. Dat betekent dat alle regionale watersystemen of onderdelen daarvan bij een waterschap in beheer zijn, tenzij er sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Waterschapswet. Op grond van artikel 3.2 Waterwet moeten voor de niet bij het Rijk in beheer zijnde watersystemen of onderdelen daarvan bij provinciale verordening beheerders worden aangewezen. Hierbij dient artikel 2, tweede lid, van de Waterschapswet in acht te worden genomen. Dit betekent gelet op het gestelde in de alinea hiervoor dat de aanwijzing in deze verordening beperkt kan blijven tot de daar bedoelde uitzonderingssituaties. In de praktijk zijn dat de situaties dat het vaarwegbeheer als onderdeel van het watersysteembeheer bij een gemeente of provincie berust. Artikel 3.1 van deze verordening voorziet erin dat op een lijst en een daarbij behorende kaart is aangegeven welk bestuursorgaan van een gemeente of provincie is belast met het vaarwegbeheer van regionale wateren. Door middel van deze lijst wordt de bestaande beheersituatie vastgelegd. Daarmee is deze lijst voor de bestuurspraktijk bepalend voor de vraag welk bestuursorgaan aangaande het vaarwegbeheer van bedoelde wateren een zorgplicht heeft dan wel bevoegdheden heeft. In de Invoeringswet bij de Waterwet zal worden opgenomen dat de aanwijzingen van beheerders op grond van artikel 3.2 van de Waterwet, voor zover die betrekking hebben op de vaarweg- of havenfunctie en daarbij andere overheidslichamen dan waterschappen worden aangewezen, er een overgangstermijn komt van drie jaar na inwerkingtreding van de waterwet. Dat betekent dat de aanwijzing van de provincie of gemeenten, of eventueel andere beheerders, als vaarweg- of havenbeheerders uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding van de Waterwet vastgelegd moet zijn. Hiertoe is titel 2.2 alvast gereserveerd. Titel 2.3 Gebruik en instandhouding vaarwegen (gereserveerd) Het is de bedoeling dat de Scheepvaartwegenverordening Noord-Holland 1995 op termijn wordt geïntegreerd in de Waterverordening provincie Noord-Holland. Er wordt daarom alvast een titel gereserveerd in dit hoofdstuk over het gebruik en de instandhouding van vaarwegen. Het is de bedoeling de Scheepvaartwegenverordening te integreren in de Waterverordening gelijktijdig met de aanwijzing van vaarwegbeheerders op grond van titel 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.