Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand BOLDe raad der gemeente L a n d g r a a f ; gelezen het van het College van Burgemeester en Wethouders d.d. 7 november 2006; gelezen het van de commissie Burgers/Middelen d.d. 28 november 2006; gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8 en 10 tweede lid van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, gelet op de EG-verordening Werkgelegenheidssteun (nr. 2204/2002, Pb EG 2002, L 337/3) en de EG-verordening de minimissteun (nr. 69/2001, Pb EG 2001, L 10/30), alsmede de Beleidsaanbeveling van belang voor het opstellen van de gemeentelijke reïntegratieverordeningen in het kader van de Wet werk en bijstand (Verzamelcirculaire SZW, april 2004), b e s l u i t : vast te stellen de hierna volgende Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand BOL Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: de Wet: de Wet werk en bijstand; Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; Ioaz: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 Wsw: Wet sociale werkvoorziening; Anw: Algemene nabestaandenwet; bijstandsgerechtigde: de persoon die op grond van de Wet bijstand ontvangt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan; uitkeringsgerechtigde: de persoon die een uitkering ontvangt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, op grond van de Ioaw, Ioaz, Bbz of Anw; niet-uitkeringsgerechtigde; de persoon zoals bedoeld in artikel 6, onder a, van de Wet; jongere: de bijstandsgerechtigde, uitkeringsgerechtigde, dan wel niet-uitkerings-gerechtigde, tot 23 jaar; belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; indien het een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk van de echtgenoten verstaan; arbeidsplicht: de plicht van belanghebbenden van 18 tot 65 jaar om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden; reïntegratieplicht: zolang betaalde arbeid nog niet aan de orde is, de plicht van belanghebbenden van 18 tot 65 jaar gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, alsmede de plicht om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; voorziening gericht op arbeidsinschakeling: activiteiten die het College uitvoert of doet uitvoeren om de belanghebbende uiteindelijk aan ongesubsidieerde arbeid te helpen. Hiervan uitgesloten zijn onderzoeken en besluiten inzake de aard, hoogte en duur van de uitkering, besluiten tot het niet inzetten van een voorziening alsmede de basisdienstverlening van het Centrum voor Werk en Inkomen. Indien naar het oordeel van het College belanghebbende in staat is om op eigen kracht arbeid te vinden, is er geen sprake van een voorziening; reïntegratietraject: het geheel van samenhangende gelijktijdige of opeenvolgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling die ingezet worden na meldingsdatum bij het Centrum voor Werk en Inkomen tot en met het moment dat het College besloten heeft de inzet van alle voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling volledig te beëindigen. Voor een belanghebbende kan slechts één reïntegratietraject gelijktijdig uitgevoerd worden; klantprofiel: omschrijving van de eigenschappen en kenmerken van een belanghebbende of groep belanghebbenden. De omschrijving bevat kenmerken die bepalend geacht worden voor de reïntegratiemogelijkheden en arbeidsmarktkansen van een belanghebbende; reïntegratiebedrijf: een conform de Europese aan- en uitbestedingsregels ingeleende instelling die in opdracht van het College een of meerdere delen van een reïntegratietraject uitvoert en begeleidt; sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige participatie; algemeen geaccepteerde arbeid: elke vorm van al dan niet gesubsidieerde maatschappelijk aanvaarde arbeid, behoudens werkzaamheden ingevolge de Wsw en werkzaamheden die ingaan tegen de integriteit van de persoon. Er kunnen door belanghebbende geen nadere eisen worden gesteld aan regulier werk ten aanzien van de aard, de omvang en de beloning; arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet; het College: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landgraaf; werkgever: een natuurlijke of rechtspersoon die met een werknemer een dienstbetrekking sluit; dienstbetrekking: een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht dan wel een publiekrechtelijke aanstelling. De begripsbepalingen van de Wet zijn op deze verordening van toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken. Hoofdstuk 2 Algemene Bepalingen Inzake De Gemeentelijke Reïntegratieplicht Artikel 2 Gemeentelijke reïntegratieplicht 1.Het College ondersteunt personen, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet, personen met een uitkering ingevolge de Ioaw, Ioaz of Anw alsmede personen als bedoeld in art. 6, onder a, van de Wet, bij de arbeidsinschakeling, indien naar het oordeel van het College een aanbod van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling voor deze personen noodzakelijk is. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing. 2.Uitgesloten van deze voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling zijn: jongeren tot 23 jaar met een Wsw-indicatie; personen met een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, tenzij het College en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen bij overeenkomst bepalen dat de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling wel van toepassing zijn; personen die aanspraak kunnen maken op een voorliggende reïntegratievoorziening; personen met een gezinsinkomen hoger dan 150 procent van het wettelijk minimum loon; personen wier voor werkzaamheden beschikbare tijd voor tenminste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, tenzij het betreft een scholing of opleiding die door het College in het kader van een reïntegratietraject als noodzakelijk wordt aangemerkt. 3.Indien het College het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, biedt het College die voorziening aan. 4.Het College gaat uit van een sluitende aanpak, waarmee bedoeld wordt dat iedere bijstandsgerechtigde binnen twaalf maanden na de datum van inschrijving bij het Centrum van Werk en Inkomen een passende voorziening krijgt aangeboden. Artikel 3 Indeling van klanten 1.Bijstandsgerechtigden worden ingedeeld naar klantprofiel, met daarbij behorende aard van voorzieningen en einddoel. 2.Het College stelt nadere regels over de inhoud van de klantprofielen en de bijbehorende soorten van aan te bieden voorzieningen. Artikel 4 Voorzieningen 1.Onder de voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze verordening worden verstaan de voorzieningen zoals omschreven in de artikelen 5 tot en met 13 van deze verordening. 2.De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 13 worden aangeboden in het kader van een reïntegratietraject. 3.Het College kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit wetgeving, aan de toekenning van een voorziening nadere verplichtingen verbinden. 4.Het College kan een voorziening beëindigen, indien: de persoon die aan de voorziening deelneemt de wettelijke verplichtingen en de aan de in het eerste lid bedoelde voorzieningen verbonden verplichtingen niet nakomt; de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van deze verordening; de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening; naar het oordeel van het College de voorziening onvoldoende bijdraagt aan snelle of effectieve arbeidsinschakeling. 5.Het College kan nadere regels stellen met betrekking tot de beoordeling, toekenning, beëindiging, weigering, voorwaarden, betaling en financiering van voorzieningen en flankerende voorzieningen op grond van deze verordening, met inachtneming van hetgeen in de Wet, de Ioaw, en de Ioaz en in deze verordening is bepaald. 6.Een voorziening wordt in elk geval geweigerd door het College in de situatie dat een persoon met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet of een niet-uitkeringsgerechtigde een recent reïntegratietraject verwijtbaar heeft onderbroken. 7.Het College kan buiten de in de artikelen 5 tot en met 13 bedoelde voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling nog andere voorzieningen aanbieden. Hoofdstuk 3 Specifieke Voorzieningen Artikel 5 Voorzieningen uitgevoerd door Reïntegratiebedrijven 1.Voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden in opdracht van het College uitgevoerd door de reïntegratiebedrijven of instellingen die naar aard en strekking als reïntegratiebedrijf aangemerkt kunnen worden. 2.Voor zover de Wet, de Ioaw of de Ioaz daartoe de mogelijkheid bieden, kunnen de voorzieningen op een andere wijze dan in het eerste lid aangegeven worden uitgevoerd. Hieronder wordt ook verstaan de uitvoering van reïntegratieactiviteiten door de gemeente zelf. 3.Cliënten hebben de mogelijkheid om gebruik te maken van individuele reïntegratieovereenkomsten, voor zover het College hiertoe nadere regels gesteld heeft. Artikel 6 Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit In-en Doorstroombanen 1.Gesubsidieerde arbeid als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit In- en Doorstroombanen wordt niet als voorziening aangeboden. 2.In afwijking van het eerste lid blijven werknemers die op 1 januari 2004 als deelnemer gebruik maakten van de in het eerste lid bedoelde regelingen geplaatst op die vorm van gesubsidieerde arbeid, voor zolang het College dit noodzakelijk acht. 3.Het tweede lid laat onverlet dat het College blijft bevorderen uitstroom uit die vorm van gesubsidieerde arbeid te realiseren, waarbij de Wiw-deelnemer verplicht is andere arbeid of een ander voorziening te aanvaarden. Artikel 7 Werken met subsidies 1.Door of namens het College kan ten behoeve van de arbeidsinschakeling van een bijstandsgerechtigde aan een werkgever een subsidie worden verstrekt. 2.De subsidie wordt door of namens het College verleend indien: het College van oordeel is dat de bijstandsgerechtigde zonder subsidie geen dienstbetrekking wordt aangeboden; tussen de werkgever en de bijstandsgerechtigde een schriftelijke dienstbetrekking wordt aangegaan voor onbepaalde duur dan wel voor een ononderbroken duur van tenminste 3 maanden, met een arbeidsduur van tenminste 10 uur per week; de werkgever voorafgaand aan de ingangsdatum van de dienstbetrekking, een kopie hiervan bij het College indient, tenzij de dienstbetrekking tot stand is gekomen door tussenkomst van het College dan wel in opdracht van het College, door tussenkomst van een reïntegratiebureau; de werkgever voor de loonkosten van de werknemer geen andere subsidie of tegemoetkoming ontvangt; de werkgever, op verzoek van Burgemeester en Wethouders, schriftelijk verklaart dat gedurende 6 maanden voorafgaand aan de indienstneming van de bijstandsgerechtigde, geen werknemers op grond van bedrijfseconomische redenen zijn ontslagen; 3.De subsidie wordt geweigerd voor zover: de dienstbetrekking door toedoen van de werkgever feitelijk korter duurt dan de overeengekomen periode waarover subsidie wordt verleend, tenzij dit wordt veroorzaakt door een gewettigd ontslag; door het aangaan van de dienstbetrekking verdringing van bestaande werkgelegenheid plaatsvindt. 4.Het College bepaalt de hoogte en de duur van de subsidie, waarbij het College rekening kan houden met de afstand tot de arbeidsmarkt van de uitkeringsgerechtigde waarvoor de subsidie wordt verstrekt. Het College stelt hiertoe nadere regels. 5.Het College is bevoegd na het verstrijken van de eerste maand van de dienstbetrekking, elke maand een voorschot te verstrekken. 6.Indien de dienstbetrekking eerder eindigt dan de periode waarover subsidie verleend is wordt de subsidie naar evenredigheid verminderd voor elke volle maand dat de dienstbetrekking feitelijk korter heeft geduurd. 7.a. Door of namens het College kan aan een werkgever een opleidingssubsidie worden verstrekt voor de in verband met de dienstbetrekking van de werknemer door werkgever betaalde opleidingskosten. Het College bepaald de maximale hoogte van de opleidingssubsidie. de opleidingssubsidie wordt met inachtneming van het door het College bepaalde maximum verstrekt in de vorm van een vast bedrag, waarbij wordt uitgegaan van de werkelijk te maken dan wel gemaakte kosten. 8.Binnen een maand na het einde van de dienstbetrekking dan wel binnen een maand na het verstrijken van de overeengekomen periode, dient de werkgever overeenkomstig een door het College vast te stellen model, een einddeclaratie bij het College in. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. 9.De definitieve vaststelling van de subsidie als bedoeld in het eerste lid vindt door of namens het College plaats binnen 6 maanden na indiening van de deugdelijk bevonden einddeclaratie. 10.Het College kan nadere regels stellen voor een goede uitvoering van dit artikel. Artikel 8 Werken met behoud van uitkering 1.Het College kan aan een persoon werken met behoud van uitkering aanbieden onder volledig behoud van de bijstandsuitkering. 2.Het College stelt nadere regels inzake werken met behoud van uitkering. Artikel 9 Werkstage 1.Het College kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling laten volgen onder volledig behoud van de bijstandsuitkering. 2.Het College stelt nadere regels inzake het volgen van een werkstage. Artikel 10 Scholing en opleiding 1.Het College kan als voorziening voor de arbeidsinschakeling noodzakelijke geachte scholing en training aanbieden. 2.Het College kan nadere regels inzake scholing en opleiding stellen. Artikel 11 Persoonsgebonden budget 1.Het College kan een subsidie verstrekken in de vorm van een op arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden reïntegratiebudget. 2.Onder een persoonsgebonden reïntegratiebudget wordt verstaan een individuele subsidie ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden en activiteiten die zijn gericht op arbeidsinschakeling. 3.Het College stelt nadere regels inzake het verstrekken van een persoonsgebonden budget. Hoofdstuk 4 Flankerende Voorzieningen Artikel 12 Kinderopvang 1.Indien de vergoedingen op basis van de Wet kinderopvang ontoereikend zijn om de noodzakelijke opvang te bekostigen, kan het College vanuit het werkdeel Wwb een aanvullende tegemoetkoming verstrekken. 2.De tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, kan alleen worden verstrekt aan een alleenstaande ouder, voor kinderen tot twaalf jaar. Artikel 13 Premies en vrijlating 1.Het College kan de volgende premies verstrekken aan personen met een uitkering ingevolge de Wet, Ioaw of Ioaz. Een premie voor het succesvol afsluiten van een samenhangend trajectonderdeel, niet leidend tot werkaanvaarding. Een premie voor het succesvol afsluiten van een reïntegratietraject, leidend tot werkaanvaarding waarmee zelfstandig en duurzaam (minimaal 6 maanden) in de noodzakelijk kosten van bestaan voorzien wordt. Een premie voor het verrichten van vrijwilligerswerk als bedoeld in art. 31 lid 2, onderdeel j, van de wet en als bedoeld bij of krachtens de Ioaw of Ioaz. Een premie voor deeltijdse arbeid verricht door alleenstaande ouders met de zorg voor kinderen tot twaalf jaar. 2.De in het eerste lid bedoelde premies worden eenmalig per kalenderjaar verstrekt. 3.Een vrijlating van inkomsten kan bij of krachtens de wet, de Ioaw en de Ioaz worden toegepast indien de werkzaamheden waarvoor die inkomsten worden verkregen worden verricht in het kader van een reïntegratietraject. 4.Het College stelt nadere regels over de premies en vrijlating van inkomsten Artikel 14 Specifieke kostenvergoeding Het College kan nadere regels stellen inzake de vergoeding van bijzondere kosten die gemaakt worden in het kader van de arbeidsinschakeling en die buiten het bereik van de voorzieningen en flankerende voorzieningen als bedoeld in deze verordening vallen. Hoofdstuk 5 Rechten En Plichten Voor De Klant Artikel 15 Aanspraak op reïntegratie 1.De personen bedoeld in artikel 2, eerste lid, hebben aanspraak op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het College noodzakelijk geachte voorzieningen en flankerende voorzieningen als genoemd in deze verordening. 2.Op aanvragen voor een voorziening beslist het College binnen dertien weken. 3.Het College kan de termijn bedoeld in het tweede lid verlengen met ten hoogste dertien weken. Van de verlenging doet het College mededeling aan de aanvrager. Artikel 16 Verplichtingen voor de klant 1.Een persoon die door het College een voorziening, zoals bedoeld in de artikelen 5 tot en met 11 van deze verordening, wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken. 2.De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet Structuur uitvoering werk en inkomen, alsmede aan de verplichtingen die het College aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 3.Onverminderd andere verplichtingen, voortvloeiend uit wet- en regelgeving, gelden voor een uitkeringsgerechtigde zoals bedoeld in artikel 1 sub h, van deze verordening, de volgende verplichtingen: het zich als werkzoekende doen inschrijven bij het Centrum voor Werk en Inkomen, dan wel de inschrijving tijdig doen verlengen. Deze verplichting geldt ook voor personen zoals bedoeld in artikel 1 sub i van deze verordening; het naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijdstip te verschijnen; het in voldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; alles na te laten hetgeen inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid belemmert; het in voldoende mate meewerken aan een reïntegratietraject en / of aangeboden voorziening waaronder begrepen sociale activering; algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4.Het College stemt de verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en beperkingen van de belanghebbende. 5.Indien een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet, die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het College de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. 6.Indien een persoon met een uitkering in gevolge de Ioaw of Ioaz niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan een maatregel worden opgelegd, met inachtneming van de artikelen 20 tot en met 20f van de Ioaw en de artikelen 20 tot en met 20f Ioaz. 7.Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een persoon met een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het College de kosten van de voorziening of specifieke kostenvergoeding geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Artikel 17 Opleggen reïntegratieverplichting Het College legt in beginsel aan alle personen jonger dan 65 jaar, met een uitkering ingevolge de Wet, de Ioaw of Ioaz, ten behoeve van de arbeidsinschakeling de reïntegratieverplichting op. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan het College afzien van het opleggen van de reÏntegratieverplichting. De situaties waarin BO afzien van het opleggen van de verplichting zijn hier weggelaten, aangezien in de beleidsvergelijking geconcludeerd is dat we uitgaan van maatwerk Hoofdstuk 6 Financieel Beheer Artikel 18 Budgetplafond 1.Het College stelt jaarlijks een budgetplafond vast voor de financiering van de in deze verordening geregelde voorzieningen en flankerende voorzieningen. 2.Een verzoek voor of handhaving van een concrete voorziening of flankerende voorziening kan niet enkel worden afgewezen op het bereiken van het budgetplafond. 3.Het College kan nadere regels stellen over de hoogte en de verdeling van de beschikbare middelen. Hoofdstuk7Regelingen in verband met de wijzigingen in de Wet werk en bijstand (WWB)en intrekking van de Wet investeren in jongeren (WIJ) per 1 januari 2012 Artikel19Wijziging betekenis begrippen Waar in deze verordening wordt gesproken van 'gehuwde(n)' of 'gehuwdennorm' hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als 'gezin', bedoeld in artikel 4, respectievelijk 'gezinsnorm', bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet. Artikel20Afwijkende bepalingen voor jongeren In afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, kunnen de volgende voorzieningen bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de wet niet worden ingezet voor de arbeidsinschakelijk van belanghebbenden jonger dan 27 jaar: onbeloonde additionele arbeid als bedoeld in artikel 10a van de wet; de vergoedingen en verstrekkingen, kostenvergoedingen, vrijlatingen en premies, bedoeld in artikel 31, vijfde lid van de wet. Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 21 Hardheidsclausule Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van een persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze bepalingen tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 22 Restbepaling In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het College. Artikel 23 Overgangsbepaling Het College neemt in het kader van het overgangsrecht de bepalingen van de Invoeringswet Wet werk en bijstand in acht. Artikel 24 Inwerkingtreding 1.De verordening “Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2005”, zoals vastgesteld bij besluit van 15 september 2005, laatstelijk gewijzigd op 22 februari 2006, wordt ingetrokken; 2.Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007 Artikel 25 Citeerartikel 1.Deze verordening kan worden aangehaald als “ Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand BOL”. 2.Deze regeling wordt algemeen bekend gemaakt in Landgraaf Koerier. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 14 december 2006.De griffier, De voorzitter,Nota-toelichting Inleiding De Wwb stelt de eigen verantwoordelijkheid van de burger centraal om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan door middel van arbeid. Pas als mensen niet in staat blijken te zijn in het eigen bestaan te voorzien hebben zij aanspraak op ondersteuning door de gemeente. De gemeente heeft daartoe de volledige verantwoordelijkheid, de middelen en ruimte voor het voeren van een actief reïntegratiebeleid. Artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand (Wwb) eist dat de regels met betrekking tot reïntegratie worden neergelegd in een verordening die de raad vaststelt. Deze opdracht wordt ingevuld met deze verordening, die op 14 december 2006 door de gemeenteraad van Landgraaf is vastgesteld. Ioaw en Ioaz De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers IOAW), en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), worden niet ingetrokken. De artikelen uit de Wwb die zien op reïntegratie zijn geïntegreerd in deze wetten, door wijziging via de Invoeringswet Wet werk en bijstand. Op grond van de artikel 35 Ioaw en artikel 35 Ioaz dient in het kader van deze wetten een reïntegratieverordening te worden opgesteld. Gemeentelijke verantwoordelijkheid. De gemeente draagt een algemene zorg voor de reïntegratie van Wwb-ers, Nug-ers, Anw-ers en mensen die gebruik maken van een voorziening, maar die niet behoren tot een van de vorengenoemde doelgroepen. De gemeente dient, mede met behulp van het reïntegratieadvies van het CWI, te beoordelen of belanghebbende op eigen kracht in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of daarbij ondersteuning nodig heeft. Wanneer belanghebbende ondersteuning nodig heeft dan is de gemeente verantwoordelijk voor het leveren daarvan. Voorzieningen die de gemeente in deze kan aanbieden zijn scholing, activering, loonkostensubsidies, stages, premies, kinderopvang, sociale activering en gesubsidieerde arbeid. Aan de vormgeving en de mate waarin deze voorzieningen worden ingezet stelt de wet geen eisen. Hierdoor kan de gemeente de ondersteuning optimaal afstemmen op andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals zorg en onderwijs, en op de lokale arbeidsmarkt. Ook krijgt de gemeente ruimere mogelijkheden om personen met medische belemmeringen en/of meervoudige problemen een passend aanbod te doen, zo nodig in samenwerking met zorg- en welzijnsinstellingen. Op grond van artikel 8 Wwb dient de gemeente het reïntegratiebeleid in een verordening te concretiseren en hierbij een evenwichtige aanpak in doelgroepen te laten zien. Dit betreft dan zowel een evenwichtige aanpak van de doelgroepen die in de wet worden genoemd als categorieën daarbinnen, zoals ouderen, jongeren, vrouwen, allochtonen etc. Gemeenten in Parkstad voeren geen specifiek doelgroepenbeleid. Dat is ook niet nodig omdat, uitgaande van een sluitende aanpak voor iedere klant, voor iedere klant een traject wordt gemaakt richting arbeidsmarkt. Algemeen geaccepteerde arbeid. Centraal in de Wwb staat het uitgangspunt van werk boven inkomen. De introductie van het begrip algemeen geaccepteerde arbeid in plaats van passende arbeid beoogt dit uitgangspunt sterker te benadrukken. Alle inspanningen van belanghebbende en de gemeente dienen te zijn gericht op arbeidsinschakeling. Hieronder wordt verstaan het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a Wwb. Gesubsidieerde arbeid is, als voorziening in het kader van de wet, in deze opvatting weliswaar algemeen geaccepteerde arbeid, maar kan geen einddoel zijn en valt derhalve niet onder het begrip arbeidsinschakeling. Gesubsidieerde arbeid wordt dus beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid; dit geldt niet voor de Wsw-dienstbetrekking. Hierbij dient aangetekend te worden, dat daarbij recht moet worden gedaan aan het vrijwillig karakter van de Wsw. Dit houdt in dat een indicatiestelling wel verplicht kan worden gesteld, maar dat de klant niet verplicht kan worden om het indicatieadvies te volgen. Reïntegratie is het geheel van activiteiten dat leidt tot arbeidsinschakeling. De Wwb stelt het College van Burgemeester en Wethouders daarvoor mede verantwoordelijk door de opdracht de klant bij zijn arbeidsinschakeling te ondersteunen. Daarbij wordt een voorziening aangeboden indien dit naar het oordeel van het College noodzakelijk is. Het primaat van arbeidsinschakeling laat onverlet dat de gemeente de mogelijkheid heeft een voorziening aan te bieden in plaats van arbeid wanneer daarmee voor belanghebbende de kans op duurzame arbeidsinschakeling wordt vergroot. Onder duurzaamheid wordt hierbij verstaan ten minste een half jaar een reguliere baan vervullen en geen uitkering meer ontvangen. De Wwb legt aan iedereen de verplichting op om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Er wordt geen beperkende voorwaarde meer opgelegd aan aard en omvang van het werk en aan de aansluiting op opleiding en ervaring Ontheffingen. Voor personen tussen 18 en 65 jaar, wordt het niet wenselijk geacht om groepen uit te sluiten van reïntegratie; iedereen heeft immers mogelijkheden en talenten. Categoriale ontheffingen zijn dan ook niet meer toegestaan. Wel kan het College van Burgemeester en Wethouders in individuele gevallen om dringende redenen afzien van het opleggen van reïntegratieverplichtingen, voor zover en voor zolang reïntegratie in redelijkheid niet mogelijk is. Zorgtaken kunnen hierbij als dringende reden worden aangemerkt voor zover met deze taken geen rekening kan worden gehouden in het kader van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb. De gemeente houdt hierbij rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie arbeid en zorg en dient ook voorzieningen ter beschikking te stellen die deze combinatie mogelijk maken. Voor personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kan sociale activering een eerste stap zijn. Deelname aan deze activiteiten is derhalve geen grond om tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen. Anderzijds geldt echter ook, dat de verplichtingen afgestemd moeten worden op de mogelijkheden om eventueel pas op termijn uit te stromen naar regulier werk. Eventuele belemmeringen om deelname aan arbeid te realiseren, kunnen worden weggenomen door het aanbieden van voorzieningen. Bij uitzondering kunnen zich tijdelijk echter situaties voordoen waarbij ook dit niet mogelijk is. Het College van Burgemeester en Wethouders dient dan de op te leggen verplichtingen aan te passen aan de mogelijkheden die de betrokkene wel nog heeft. Medische belemmeringen zijn als zodanig geen aanleiding voor een ontheffing. Om een juiste, individuele beoordeling te garanderen dient het College gebruik te maken van adviezen van extern deskundigen, zoals het CWI, gespecialiseerde reïntegratiebedrijven, bedrijven die deskundig zijn in het beoordelen van medische belemmeringen en belastbaarheid, Wsw-indicatiecommissie et cetera. Aanspraak van belanghebbende. Naast de verantwoordelijkheid van de gemeente om voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan te bieden, heeft de belanghebbende een aanspraak op ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie. Het gaat daarbij niet om een recht op een specifieke voorziening, maar om het recht om door de gemeente geholpen te worden bij de reïntegratie. Zo´n aanspraak stimuleert de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende voor zijn reïntegratie en kan ertoe bijdragen dat gemeenten dat niet ten onrechte negeren of over het hoofd zien bij het aanbieden van voorzieningen. Het is aan de gemeente om te beoordelen op welke wijze het verzoek van de belanghebbende wordt gehonoreerd. De gemeente bepaalt op de eerste plaats of ondersteuning richting arbeidsinschakeling noodzakelijk is. Zij doet dit mede op basis van het reïntegratieadvies van het CWI. Vervolgens moet de gemeente bepalen uit welke elementen deze ondersteuning bestaat. Het uiteindelijke aanbod zal moeten passen binnen wat de gemeente, mede gelet op de beschikbare financiële kaders, in een verordening heeft opgenomen over haar reïntegratiebeleid. Van belang bij de uiteindelijke keuze voor een traject is een actieve opstelling van de belanghebbende in de contacten met de klantmanager en met het reïntegratiebedrijf. Belanghebbenden die hun eigen traject mee kunnen samenstellen zijn meestal gemotiveerd. Inspelen op persoonlijke voorkeur en persoonlijke aandacht zijn belangrijke succesfactoren voor een geslaagde reïntegratie. De ideeën en voorstellen van de belanghebbende worden hierbij beoordeeld op hun bijdrage aan het vergroten van het arbeidsperspectief en aan het realiseren van de doelstelling van een (op termijn) duurzame plaatsing in een reguliere baan. De aanspraak op ondersteuning door de gemeente bij reïntegratie geldt ook voor personen aan wie de gemeente tijdelijk een ontheffing heeft verleend. Het kan immers voorkomen dat de belanghebbende van mening is dat de situatie is veranderd en dat toeleiding naar de arbeidsmarkt weer aan de orde is. Wanneer bijstand aan gehuwden wordt verleend geldt de aanspraak op een voorziening voor beide partners. Ook geldt de aanspraak voor personen die op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb werkzaam zijn in gesubsidieerde arbeid. Wanneer het College van Burgemeester en Wethouders een aanspraak op ondersteuning afwijst, zal dit met redenen omkleed moeten gebeuren. Tegen deze beslissing staat bezwaar en beroep open. Het College van Burgemeester en Wethouders moet bij het besluit op deze aanvraag maatwerk leveren. Dat geldt voor alle doelgroepen en categorieën die de gemeente op een evenwichtige wijze moet bedienen. Diverse aspecten maken deel uit van die individuele afweging zoals de individuele capaciteiten, mogelijkheden en omstandigheden, de noodzaak van een traject, het reïntegratieadvies van het CWI, de beoordeling van het reïntegratieadvies, de aanwezigheid van de benodigde voorzieningen of alternatieven daarvoor, de beschikbaarheid van zorg- en hulpverlening en de financiële middelen die beschikbaar zijn gesteld door de gemeenteraad op basis van de gemeentelijke verordening. De gemeente moet dus naar aanleiding van een aanspraak altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil of kan honoreren. Het ontbreken van financiële middelen alleen is onvoldoende als afwijzingsgrond. Een alternatief aanbod zou immers mogelijk kunnen zijn. Aan de andere kant is het uitdrukkelijk aan de gemeente om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn. Niet-uitkeringsgerechtigden (Nug-ers) en Anw-gerechtigden. Gemeenten hebben sinds 1 januari 2002 de taak om ook niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), indien nodig een traject aan te bieden. Deze taak vloeit voort uit het algemeen belang om te komen tot verhoging van de arbeidsparticipatie als voorwaarde voor een economisch gunstige ontwikkeling. In de Wwb is derhalve uitdrukkelijk de taak voor de gemeente opgenomen om ook te voorzien in voorzieningen voor deze beide doelgroepen. Van de andere kant hebben deze doelgroepen eveneens een aanspraak op reïntegratie. Ook hierbij geldt dat het gaat om een voorziening die via de kortste weg leidt naar duurzame arbeidsparticipatie. Sluitende aanpak Ter voorkoming van langdurige werkloosheid zijn binnen de EU richtsnoeren opgesteld. Het betreft de afspraak om te realiseren dat alle nieuwe werklozen binnen één jaar (jongeren binnen zes maanden) een traject wordt aangeboden (richtsnoer 1). De sluitende aanpak wordt niet dwingend voorgeschreven in de Wwb; doordat de wet condities en mogelijkheden creëert voor gemeenten meent het Kabinet dat het niet nodig is een sluitende aanpak wettelijk vast te leggen. De gemeente heeft door haar financiële verantwoordelijkheid, in met name het Inkomensdeel, al het belang om iedereen een aanbod te doen. De schadelast van het jarenlang in de uitkering laten zitten van cliënten kan aanzienlijk oplopen. Daarbij heeft de gemeente door de verruimde beleidsvrijheid en het vrije reïntegratiebudget de mogelijkheid iedere klant een traject op maat aan te bieden. Voor jongeren geldt het nog sterker dat het voor de gemeente loont om op korte termijn een aanbod te doen. Jongeren zonder werkervaring zijn een gevoelige groep die in een vroeg stadium een aanbod moeten krijgen. Hiermee wordt voorkomen dat zij langdurig in een uitkeringssituatie terechtkomen en hieraan wennen. Hierbij kan gekozen worden voor duale trajecten om werken te combineren met het behalen van een startkwalificatie. De gemeente handhaaft dus de sluitende aanpak van het bestand van werkloos werkzoekende uitkeringsgerechtigden. Dit betekent dat iedere uitkeringsgerechtigde die nieuw instroomt als werkloos werkzoekende binnen één jaar een aanbod in het kader van de inschakeling in de arbeid krijgt. Ook voor het zittende bestand geldt dat deze personen allen een aanbod richting werk krijgen. Ten aanzien van jongeren is een uitzondering gemaakt voor wat betreft de verplichting die in de Wiw gold, dat zij uiterlijk na een jaar een Wiw-dienstbetrekking aangeboden moesten krijgen. Deze verplichting geldt niet meer. Dit laat echter onverlet dat ook voor de jongeren de sluitende aanpak zoals voren omschreven geldt. Wanneer blijkt dat gesubsidieerde arbeid nodig is kan deze worden aangeboden. Daarin verschilt de aanpak niet van de oude systematiek, het is echter geen verplichting meer om die dienstbetrekking aan te bieden. Ook voor ouderen geldt nog steeds dat gesubsidieerde arbeid indien nodig en mogelijk kan worden aangeboden. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Het begrippenkader in het kader van deze verordening zoekt aansluiting bij de toepasselijke wet- en regelgeving inclusief de Wwb statistiekregelingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.