Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2010De raad van de gemeente Doetinchem; gezien het voorstel van het college van 10 november 2010; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; besluit vast te stellen de volgende Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2010 Hoofdstuk1.Algemeen Artikel1.Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: gemeentelijk monument een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: onroerende zaak, die van algemeen belang is wegens zijn beeldbepalende kwaliteiten, cultuurhistorische waarde of betekenis voor de wetenschap. Dit kan een gebouw zijn, maar ook een solitaire boom, een grafsteen, herdenkingssteen o.i.d.; terrein dat van algemeen belang is wegens zijn beeldbepalende kwaliteiten, cultuurhistorische waarde of betekenis voor de wetenschap. Dit kan een locatie zijn met archeologische waarden in de bodem, maar bijvoorbeeld ook een erf, park, tuin, laan, watergang o.i.d.; gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen onroerende zaken of terreinen zijn geregistreerd als bedoeld in onderdeel a; rijksmonument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, niet zijnde een gemeentelijk of provinciaal monument; cultuurhistorische waarde: de, aan een onroerende zaak of terrein toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van die onroerende zaak of dat terrein; beeldbepalende kwaliteiten: kwaliteiten van een onroerende zaak of terrein die van betekenis zijn voor de directe omgeving van betreffende onroerende zaak of terrein; beeldbepalend pand: een pand binnen de gemeente Doetinchem met beeldbepalende kwaliteiten of overige cultuurhistorische waarden, niet zijnde een boerderij en overeenkomstig deze verordening als zodanig aangewezen door het college; karakteristieke boerderij: een boerderij binnen of buiten de bebouwde kom van Doetinchem, Gaanderen of Wehl met beeldbepalende kwaliteiten en/of overige cultuurhistorische waarden, zijnde een boerderij, niet noodzakelijk in functie als zodanig en overeenkomstig deze verordening als zodanig aangewezen door het college; terrein met cultuurhistorische waarden: een op de kaart weergegeven afgebakend gebied met in de context van de gemeente Doetinchem meer dan gemiddelde cultuurhistorische waarden en overeenkomstig deze verordening als zodanig aangewezen door het college; commissie cultuurhistorie: de op basis van artikel 15 van de Monumentenwet 1988 ingestelde commissie die als taak heeft het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verordeningen over cultuurhistorie en monumenten, monumentensubsidies en laagrentende leningen en het monumentenbeleid; gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven; gemeentelijke archeologische beleidskaart: topografische kaart van het gemeentelijk grondgebied waarop aangegeven welke uitgangspunten gelden voor het archeologiebeleid en wat dit betekent voor de onderzoeksverplichting. Deze kaart dient vertaald te worden naar het bestemmingsplan. archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn; Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG): gebieden als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart waarvoor uitgangspunten van het archeologiebeleid zijn geformuleerd; Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden (AWV): gebieden als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart waarvoor uitgangspunten van het archeologiebeleid zijn geformuleerd; Programma van Eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het Programma van Eisen denkt te gaan beantwoorden. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem; vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; redengevende beschrijving: door een architectuurhistoricus of bouwhistoricus opgestelde tekst aan de hand van de selectiecriteria als opgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed waarin wordt aangegeven waarom een onroerende zaak of terrein de status van gemeentelijk monument verdient of is te kwalificeren als karakteristieke boerderij of beeldbepalend pand en die van kracht wordt na toetsing door de commissie cultuurhistorie en goedkeuring door de beleids-adviseur cultuurhistorie en monumenten; quickscan: door een architectuurhistoricus of bouwhistoricus opgestelde tekst aan de hand van de selectiecriteria als opgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed waarin wordt aangegeven waarom een onroerende zaak of terrein een potentieel monument is en op basis daarvan nader onderzocht moet worden en/of waarom een onroerende zaak of terrein bepaalde cultuurhistorische waarden bezit, al dan niet voorzien van status. selectiecriteria: toetsinstrument als opgesteld door Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en gebruikelijk te hanteren bij het onderzoek naar de cultuurhistorische waarde van een onroerende zaak of terrein. Hoofdstuk2Aanwijzing gemeentelijke monumenten en overige onroerende zaken en terreinen met beeldbepalende kwaliteiten of cultuurhistorische waarden Artikel2De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein als bedoeld in 1a., sub 1 en sub 2 geheel of gedeeltelijk aanwijzen als gemeentelijk monument. Het besluit van het college moet vergezeld gaan van een plattegrond en waar nodig aanvullende tekeningen waaruit blijkt of het gaat om volledige of gedeeltelijke bescherming van betreffende onroerende zaak of terrein. 2.Het verdient de voorkeur om voorafgaand aan de aanwijzing de rechthebbende mondeling in te lichten over de ophanden zijnde aanwijzing en de consequenties, al dan niet tijdens een groepsbijeenkomst. 3.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de commissie cultuurhistorie die op basis van een redengevende beschrijving of quickscan haar advies geeft. 4.Voordat het college een onroerende zaak of terrein met een religieuze bestemming als gemeentelijk monument aanwijst, dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, voert hij overleg met de eigenaar. 5.De aanwijzing kan geen onroerende zaak of terrein betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de Monumentenverordening van de provincie Gelderland. Artikel3De aanwijzing tot beeldbepalend pand, karakteristieke boerderij of terrein met cultuurhistorische waarden 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak of terrein aanwijzen als beeldbepalend pand, karakteristieke boerderij of terrein met cultuurhistorische waarden. Het besluit van het college moet vergezeld gaan van een plattegrond en waar nodig aanvullende tekeningen waaruit blijkt of het gaat om volledige of gedeeltelijke bescherming van betreffende onroerende zaak of terrein. 2.De aanwijzing gebeurt op basis van door de commissie cultuurhistorie goedgekeurde onderzoeken naar beeldbepalende kwaliteiten en cultuurhistorische waarden. 3.Het verdient de voorkeur om voorafgaand aan de aanwijzing de rechthebbende mondeling in te lichten over de ophanden zijnde aanwijzing en de consequenties, al dan niet tijdens een groepsbijeenkomst. Artikel4Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een potentieel gemeentelijk monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt, tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat de onroerende zaak of het terrein niet als gemeentelijk monument wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing. Er kan door het college worden overgegaan tot voorbescherming als er bijvoorbeeld dreiging is van sloop of als er destructieve werkzaamheden of wijzigingen plaatsvinden of dreigen te gaan plaatsvinden. Een gemeente moet gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de voorbescherming en deze in haar besluit kenbaar maken. Artikel5Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1.De commissie cultuurhistorie adviseert schriftelijk binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2.Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de commissie cultuurhistorie, maar in ieder geval binnen veertien weken na de adviesaanvraag. Artikel6Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 2, eerste lid en artikel 3, eerste lid, wordt meegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan. Artikel7.Registratie onroerende zaken en terreinen met status 1.Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de beschrijving van het gemeentelijke monument en het advies van de commissie cultuurhistorie. 3.Het college registreert de onroerende zaken en terreinen met door het college vastgestelde beeldbepalende kwaliteiten en cultuurhistorische waarden en maakt het registratiedocument inzichtelijk voor de burger. Artikel8Wijzigen van de aanwijzing 1.Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen. 2.Artikel 2, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3.Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4.De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst en/of registratiedocument voor onroerende zaken en terreinen met beeldbepalende kwaliteiten en cultuurhistorische waarden aangetekend. Artikel9Intrekken van de aanwijzing 1.Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2, derde lid, en artikel 3, tweede lid en artikel 5 van overeenkomstige toepassing. 2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.