Beleidsregels voor de toepassing van planologische gebruiksactiviteiten op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Gemeenteblad van Almelo Geldende tekst regelingnummer: 2390 NR. 30 Collegebesluit van 19 oktober 2010, houdende vaststelling van de . Beleidsregels voor de toepassing van planologische gebruiksactiviteiten op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Beleidsregels voor de toepassing van planologische gebruiksactiviteiten op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Begripsbepalingen: Artikel 1 Bij toepassing van deze beleidsregel worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd: Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit Een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. Achtertuingebied Erf aan de achterkant, op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. Antenne-installatie Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. Bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd, of ander bouwwerk, met een dak. Bouwlaag Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder. Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Erf Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voorzover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. Hoofdgebouw Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Kinderopvang het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint. Voortuingebied Erf dat geen onderdeel is van het achtertuingebied. Woning Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten; Voor de begripsbepalingen die niet in deze beleidsregels zijn voorzien, gelden de bepalingen van het van toepassing zijnde bestemmingsplan. Voor zover mede het bestemmingsplan hier niet in voorziet zijn de voorschriften van de Bouwverordening van toepassing. Wijze van meten: Artikel 2 Bruto-vloeroppervlakte De totale vloeroppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, zowel op de begane grond als op de verdieping. Goothoogte Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Inhoud Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Lengte, breedte en diepte Tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van scheidsmuren). (Bouw)hoogte/ nokhoogte Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. De afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens Vanaf de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelgrens. Peil a.Voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg; b.Voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw. Voor een ‘wijze van meten’ die niet in deze beleidsregels is opgenomen, gelden de bepalingen van het van toepassing zijnde bestemmingsplan. Voor zover mede het bestemmingsplan hier niet in voorziet zijn de voorschriften van de Bouwverordening van toepassing. Beleidsregels: Artikel 3 Toepassingskader Burgemeester en wethouders verlenen in principe medewerking aan een verzoek om het verlenen van ontheffing als een plan voldoet aan de onder artikel 4 tot en met 15 gestelde regels mits: het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast; de stedenbouwkundige/ruimtelijke structuur/samenhang van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast, waarbij onder andere nadrukkelijk rekening wordt gehouden met beschermde stadsgezichten en/of (nabijgelegen) mogelijk anderszins waardevolle panden. Artikel 4 Bijbehorend bouwwerk bij een woning binnen de bebouwde kom Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn de volgende beleidsregels vastgesteld: Een bijbehorend bouwwerk dient gericht te zijn op een vergroting van het woongenot; Een uitbreiding in het voortuingebied van een woning, mits: de diepte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ten hoogste 1,50 meter bedraagt; er door de realisatie van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk een voorerf resteert met een minimale diepte vóór het aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 3,50 meter; de breedte ten hoogste tweederde van de oorspronkelijke breedte van de desbetreffende gevel van de woning bedraagt; de goot- en/of nokhoogte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de aangrenzende bouwlaag, met dien verstande dat de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,30 meter. In het achtertuingebied mag een bijbehorend bouwwerk worden opgericht, mits: de goot- en/of bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ten hoogste 3.30 meter bedraagt, waarbij de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de goothoogte van het hoofdgebouw; de nokhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten hoogste 5 meter bedraagt, waarbij de goothoogte maximaal 3.30 meter mag bedragen; een kap op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk, mits het aangebouwde bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijft aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat: de nokhoogte ten hoogste 6.60 meter bedraagt waarbij de nok van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk minimaal 2 meter onder de nok van het hoofdgebouw blijft; de goothoogte van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk ten hoogste 3.30 meter bedraagt, waarbij deze goothoogte niet meer bedraagt dan de goothoogte van het hoofdgebouw; bij vrijstaande woningen aan één zijde van de woning een strook van minimaal 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens vrij blijft van vergunningplichtige bouwwerken, indien bij bestaande vrijstaande woningen al binnen deze 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens vergunningplichtige gebouwen zijn gebouwd, mag een bijbehorend bouwwerk in diezelfde lijn achter deze gebouwen worden gebouwd; de gezamenlijke oppervlakte van alle bijbehorende bouwwerken, voor zover ze zijn gelegen in het achtertuingebied buiten de bebouwingsgrens en/of het bebouwingsvlak (zoals in het bestemmingsplan is aangegeven), bedraagt ten hoogste: 75 m²; 100 m² voor percelen groter dan 500 m²; 125 m² voor percelen groter dan 1000 m²; er van het achtertuingebied, dat is gelegen buiten de bebouwingsgrens en/of het bebouwingsvlak (zoals in het bestemmingsplan aangegeven), minimaal 50% onbebouwd en onoverdekt dient te blijven. Artikel 5 Bijbehorend bouwwerk bij een woning buiten de bebouwde kom Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn de volgende beleidsregels vastgesteld: Een bijbehorend bouwwerk dient gericht te zijn op een vergroting van het woongenot; Een uitbreiding in het voortuingebied van een woning, mits van een woning, mits: de diepte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ten hoogste 1,50 meter bedraagt; er door de realisatie van het aangebouwde bijbehorend bouwwerk een voorerf resteert met een minimale diepte vóór het aangebouwd bijbehorend bouwwerk van 3,50 meter; de breedte ten hoogste tweederde van de oorspronkelijke breedte van de desbetreffende gevel van de woning bedraagt; de goot- en/of nokhoogte van het aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de aangrenzende bouwlaag, met dien verstande dat de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,30 meter. In het achtertuingebied mag een bijbehorend bouwwerk worden opgericht, mits: de goothoogte ten hoogste 3.30 meter bedraagt, waarbij de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de goothoogte van het hoofdgebouw; de nokhoogte ten hoogste 6,60 meter bedraagt, waarbij de nok van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk minimaal 2 meter onder de nok van het hoofdgebouw blijft; de gezamenlijke oppervlakte aan alle bijbehorende bouwwerken ten hoogste 100 m² bedraagt; er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen en gebruikers van omliggende gronden mag de gezamenlijke oppervlakte aan alle bijbehorende bouwwerken ten hoogste 150 m² bedragen; de afstand van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot het hoofdgebouw ten hoogste 25 meter bedraagt. Artikel 6 Bijbehorend bouwwerk bij niet-woningen binnen en buiten de bebouwde kom Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn GÉÉN beleidsregels vastgesteld. Per verzoek zal een afweging worden gemaakt. Artikel 7 Een gebouw ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water-, of luchtverkeer Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn de volgende beleidsregels vastgesteld: 1.Voor gebouwen ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water-, of luchtverkeer, mits: de hoogte ten hoogste 3,5 meter bedraagt, en; de inhoud maximaal 60 m³ bedraagt. Artikel 8 Bouwwerk, geen gebouw zijnde Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn de volgende beleidsregels vastgesteld: Erf- en terreinafscheidingen, mits: deze vóór de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd de hoogte ten hoogste 1 meter bedraagt; in overige gevallen de hoogte ten hoogste 2 meter bedraagt; Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bij een woning in het achtertuingebied bedraagt de hoogte ten hoogste 3 meter; Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor wat betreft straatmeubilair, zoals lichtmasten en verkeerslichtinstallaties e.d. bedraagt de hoogte ten hoogste 10 meter. Artikel 9 Een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn GÉÉN beleidsregels vastgesteld. Per verzoek zal een afweging worden gemaakt. Artikel 10 Antenne-installatie Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn de volgende beleidsregels vastgesteld: de hoogte niet meer bedraagt dan maximaal 15 meter voor antennes voor privégebruik, en; de hoogte niet meer bedraagt dan maximaal 40 meter voor antennes voor gemeenschappelijk gebruik; bij de planologische gebruiksactiviteit kunnen voorschriften worden verbonden met betrekking tot de situering en maatvoering ten einde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing van antennes ten opzichte van de omgeving te waarborgen. Artikel 11 Installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn GÉÉN beleidsregels vastgesteld. Per verzoek zal een afweging worden gemaakt. Artikel 12 Installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn de volgende beleidsregels vastgesteld: de installatie dient landschappelijk te worden ingepast; gebouwen ten behoeve van de installatie dienen binnen het bouwvlak (zoals in het bestemmingsplan is aangegeven) te worden gebouwd; ter voorkoming van een onevenredige verkeersaantrekkende werking worden bij de planologische gebruiksactiviteit voorschriften verbonden waarin is opgenomen in welke mate biomassa van derden mag worden verwerkt en in welke mate het digestaat mag worden geleverd aan derden; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden. Artikel 13 Het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn GÉÉN beleidsregels vastgesteld. Voor “vaste” evenementen is ontheffing op grond van artikel 3.23 Wet ruimtelijke ordening verleend. Voor nieuwe aanvragen zal per verzoek een afweging worden gemaakt. Artikel 14 Een wijziging in het gebruik van bouwwerken in de bebouwde kom Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn de volgende beleidsregels vastgesteld: 1.voor een wijziging in het gebruik van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken ten behoeve van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, mits: het ondergeschikte medegebruik van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken beperkt blijft tot een ruimte (of ruimten) met een maximum totale bruto-vloeroppervlakte van 25% van de bruto-vloeroppervlakte van de woning en de bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m²; het ondergeschikte medegebruik van de woning en/of de bijbehorende bouwwerken niet bestaan uit detailhandel (met uitzondering van kapsalons) en/of horeca en/of kinderopvang en/of prostitutie; er een directe relatie bestaat tussen het aan huis verbonden (en uit te oefenen) beroeps- of bedrijfsactiviteit en de (hoofd)bewoner(s) van de woning; de uitoefening van het aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit (naar verwachting) geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert of afbreuk doet aan de beleving van de woonomgeving; de uitoefening van het aan huis verbonden beroep er niet toe leidt dat er (naar verwachting) een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte ontstaat. Artikel 15 Het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning Voor de planologische gebruiksactiviteit ten behoeve van zijn GÉÉN beleidsregels vastgesteld. Per verzoek zal een afweging worden gemaakt. Artikel 16 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders blijven bevoegd om af te wijken van de regeling wanneer deze voor een of meer belanghebbenden gevolgen hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Artikel 17 Inwerkingtreding De beleidsregels treden in werking acht dagen nadat zij bekend gemaakt zijn. Artikel 18 Titel Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregels gemeente Almelo voor de toepassing van planologische gebruiksactiviteiten op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º Wet algemene bepalingen omgevingsrecht”. Bijlage Wettekst artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking; c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan; d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, kan de vergunning, voor zover zij betrekking heeft op een activiteit voor een bepaalde termijn, worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°. Wettekst artikel 2.7 Besluit omgevingsrecht (Planologische gebruiksactiviteiten) Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II. Wettekst artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht ·Hoofdstuk IV. Categorieën gevallen waarin voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet kan worden verleend Artikel 4 Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.