Keur waterschap Regge en Dinkel 2009 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze Keur en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: a. bergingsgebied: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter verruiming van de bergingscapaciteit van een of meer watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen; b. beschermingszone: aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig in de legger is opgenomen, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze Keur van toepassing zijn; c. bestuur: het dagelijks bestuur van waterschap Regge en Dinkel; d. buitenbeschermingszone: buiten de beschermingszones gelegen gronden aan weerszijden van de beschermingszones, die als zodanig in de legger zijn aangegeven, waarin ter bescherming van dat waterstaatswerk voorschriften krachtens deze Keur van toepassing zijn; e. coupure: een doorsnijding van een waterkering, die bij hoog water afgedicht kan worden; f. grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt met de daarin aanwezige stoffen, voor zover het waterschap door of krachtens de Wet met het beheer over dat grondwater is belast; g. grondsanering: activiteit van het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreinigingen en direct gevolgen daarvan, of van dreigende verontreiniging van de grond; h. grondwatersanering: activiteit voor het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreinigingen en directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreinigingen van het grondwater; i. infiltreren van water: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater; j. kernzone: de centrale gedeelten van de waterstaatswerken, die als zodanig in de legger zijn aangegeven; k. legger: als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet of in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet; l. meanderzone: aan een waterstaatswerk grenzende zone, die als zodanig op de legger is opgenomen, waarbinnen oppervlaktewaterlichamen, die op de legger staan, door natuurlijke verplaatsing en/of beekherstel hun bedding kunnen verleggen; m. noodvoorziening; al dan niet reeds bestaande inrichting die onverwijld moet worden ingezet ter bestrijding van calamiteiten; n. onttrekken: onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of van grondwater door middel van een ontrekkingsinrichting; o. oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens de Wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna; p. pompcapaciteit: het door de fabrikant opgegeven maximum wateropbrengend vermogen van de pomp in m3 per uur; q. profiel van vrije ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een primaire of regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen aan de waterkering; r. waterkering: kunstmatige hoogte, (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben; s. watersysteem: samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken; t. waterstaatswerk: oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven, tenzij dat werk is vrijgesteld van de opneming in de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet, dan wel dat als zodanig op de in artikel 5.2 bedoelde kaart is aangegeven; u. watervergunning: vergunning als bedoeld in de Wet; v. werken: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren; w. Wet: Waterwet. 1[Toelichting: In deze Keur is er voor gekozen in de lijst met begripsomschrijvingen de meest essentiële begrippen voor de regionale waterbeheerder en voor de in het beheergebied gevestigde burgers en bedrijven een plaats te geven. Daarmee wordt beoogd van de Keur een zelfstandig leesbaar document te maken, zij het dat de lijst niet uitputtend is. Voor het in alle opzichten goed kunnen doorzien wat de nieuwe waterbeheerwetgeving voor alle partijen betekent, ontkomt men er niet helemaal aan ook de Waterwet zelf en haar Memorie van Toelichting (MvT), de Invoeringswet Waterwet en haar MvT, het Waterbesluit en de provinciale Waterverordening en aanpalende wet- en regelgeving er op na te slaan.De volgende begrippen zijn opgenomen: a. Bergingsgebied: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet, waarbij de relatie met de Wet ruimtelijke ordening is gelegd. b. Beschermingszone: dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet, met de toevoeging dat die zone in de legger is vermeld en dat het betreffende waterstaatswerk wordt beschermd door voorschriften krachtens deze Keur. In deze omschrijving wordt de relatie gelegd tussen de legger met de ligging, vorm, afmetingen en constructie van dat waterstaatswerk en de Keur met haar instrumentarium om die waterstaatswerken daadwerkelijk te beschermen tegen ingrepen van derden. c. Bestuur: het bevoegde bestuursorgaan voor het nemen van besluiten krachtens deze Keur is het Dagelijks Bestuur van het waterschap. d. Buitenbeschermingszone: dit begrip werd ook gebruikt in de Keur waterschap Regge en Dinkel 1997. het betreft een zone langs een waterstaatswerk waar minder beperkingen gelden dan in een beschermingszone. e. Coupure: doorsnijding van een waterkering. f. Grondwater:de omschrijving van dit begrip is uit de Waterwet overgenomen, met de toevoeging dat het in deze Keur om een onderdeel van het grondwater gaat. Het gaat om dat grondwater voor zover het waterschap door of krachtens de Waterwet belast is met het beheer van dat onderdeel van het grondwater. De Waterwet gaat uit van het toekennen aan waterschappen van het passieve, kwantitatieve beheer van grondwater, voor zover het betreft de regulering van het onttrekken van water aan grondwater voor industriële toepassingen met een hoeveelheid van niet meer dan 150.000 m3 per jaar, dan wel voor zover het niet gaat om onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening of voor bodemenergiesystemen. g. Grondsanering: de omschrijving van dit begrip is uit de Verordening voor de Fysieke leefomgeving Overijssel overgenomen. h. Grondwatersanering: de omschrijving van dit begrip is uit de Waterwet overgenomen, met de toevoeging dat het in deze Keur om een onderdeel van het grondwater gaat. Het gaat om dat grondwater voor zover het waterschap door of krachtens de Waterwet belast is met het beheer van dat onderdeel van het grondwater. De Waterwet gaat uit van het toekennen aan waterschappen van het passieve, kwantitatieve beheer van het grondwater, voor zover het betreft de regulering van het onttrekken van water aan grondwater voor industriële toepassingen met een hoeveelheid van niet meer dan 150.000 m3. i. Infiltreren: deze definitie is overgenomen uit artikel 6.1 van de Wet. j. Kernzone: dit begrip werd ook gebruikt in de Keur waterschap Regge en Dinkel 1997. Het is een aanduiding voor waterlichaam en waterkering, zoals die voorkomen in een waterstaatswerk, waar het waterdoel de hoofdfunctie vormt van het landgebruik. De kernzone wordt als zodanig op de legger vermeld, hierop zijn voorschriften uit deze Keur van toepassing. k. Legger: dit begrip is voor de waterbeheerder van groot belang. In het algemene deel wordt nader ingegaan op de Keur en de leggerplicht. l. Meanderzone: dit begrip is nieuw in deze Keur en komt voort uit de Kaderrichtlijn Water. Hiermee worden de zones aangegeven waar ruimte is voor natuurlijke processen van het oppervlaktewaterlichaam. m. Noodvoorziening: de definitie maakt duidelijk dat een noodvoorziening niet altijd een provisorische voorziening, uit nood geboren, behoeft te zijn. Een bestaande onttrekkingsinrichting die in geval van een calamiteit wordt ingezet is eveneens te kwalificeren als een noodvoorziening. n. Onttrekken: dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet en gaat in op zowel het onttrekken van grondwater als ook op het onttrekken van water aan het oppervlaktewaterlichaam. In artikel 1, derde lid van de Grondwaterwet is/was opgenomen dat ontwaterings- en afwateringsactiviteiten zijn uitgezonderd van het onttrekkingsbegrip. Dat geldt ook voor het hier opgenomen begrip ‘onttrekken van grondwater’. In hoofdstuk 3 van deze Keur is een uitgekristalliseerd instrumentarium opgenomen voor de regulering van het onttrekken van grondwater en onttrekkingen aan oppervlaktewaterlichamen. o. Oppervlaktewaterlichaam: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet. Het betreft oppervlaktewater met de daarin aanwezige stoffen, de waterbodem de oevers en flora en fauna. Het gaat verder dan de op grond van de Kaderrichtlijn Water door de waterbeheerders als oppervlaktewaterlichamen bestempelde wateren. Deze ruime omschrijving gaat ook verder dan de omschrijving van het begrip ‘oppervlaktewater’, zoals dat door de jurisprudentie in de jaren ’80 en ’90 is gevormd. Het gaat hierbij om oppervlaktewater, zoals de sloot, de wetering, de beek, de rivier, het meer; kortom het gaat om de bak waarin het water zit. Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ komt in de plaats van de in het verleden veel gehanteerde begrippen ‘watergangen of waterlopen’. Het begrip is opgenomen omdat de regionale waterbeheerder zijn beheertaken uitvoert in en om oppervlaktewater. Het begrip oppervlaktewaterlichaam is onderdeel van het meer omvattende begrip waterstaatswerk, welk begrip op zijn beurt weer deel uitmaakt van het brede begrip watersysteem. Watersysteem is het meest omvattende van alle in de Waterwet en hier gebruikte begrippen. Het is hét object van beheer in de Waterwet. Voor de waterbeheerder en voor derden is het essentieel dat een ieder weet waarover het gaat en vooral wat de reikwijdte is van gebods en verbodsbepalingen in relatie tot bepaalde beheerobjecten. De begrippen moeten onderscheiden worden, omdat het beheer gericht kan zijn op onderdelen van het watersysteem. Scheiden is niet mogelijk, want we voeren het waterbeheer integraal uit. Uitoefening van de beheertaak waterkeringen mag in principe niet ten koste gaan van bijvoorbeeld het aquatische ecosysteem van oppervlaktewateren in de nabijheid. Op zijn minst zal de beheerder dan moeten proberen achteruitgang te compenseren. Het gaat immers om het behalen van de doelstellingen, zoals die in Hoofdstuk 2, paragraaf 1, van de Waterwet in algemene termen zijn omschreven. Paragraaf 2 en 3 van dat hoofdstuk leggen normen voor de onderscheiden beheerobjecten vast om daarmee die doelstellingen nader te concretiseren. p. Pompcapaciteit: de omschrijving van dit begrip is uit de Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel overgenomen. q. Profiel van vrije ruimte: dit begrip is gevormd door jurisprudentie en opgenomen in de provinciale Waterverordening. Het profiel is noodzakelijk om in de toekomst nodige gronden te vrijwaren van onomkeerbare ingrepen. r. Waterkering: deze begripsomschrijving komt in de Waterwet niet voor. De omschrijving is nodig om aan te geven wanneer het waterschap een object als waterkering aanduidt. Hij beheert niet alleen de primaire, maar ook de regionale en overige waterkeringen. Het begrip dekt alle hiervoor genoemde soorten keringen. s. Watersysteem: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet. t. Waterstaatswerk: overgenomen uit de Waterwet, met toegevoegd dat het werk als zodanig in de legger is aangegeven, tenzij dat van de leggerplicht is vrijgesteld of op een keurkaart als bedoeld in artikel 5.2 staat aangegeven. u. Watervergunning: het gaat om de vergunning die de Waterwet introduceert voor bepaalde handelingen in het watersysteem en die de Keur voor het beheergebied van het waterschap concretiseert. We spreken dus niet langer van een keurontheffing of -vergunning, maar van een watervergunning. v. Werken: dit begrip komt niet voor in de Waterwet. Het is nodig om te definiëren, omdat het realiseren van dergelijke werken in watersystemen afbreuk kan doen aan de functies die aan die watersystemen, of onderdelen daarvan, zijn toegekend. De regionale waterbeheerder kan daartoe zijn Keurinstrumentarium inzetten om dergelijke ingrepen van derden te voorkómen door de handeling te erbieden, dan wel de realisatie van voorschriften te voorzien via een watervergunning. w. Wet: dit is de Waterwet, waarop het keurinstrumentarium inhoudelijk is gestoeld, naast de provinciale Waterverordening.] Artikel 1.2 Hoofdelijke aansprakelijkheid 1. De verplichtingen ingevolge deze Keur rusten op de eigenaar van gronden. 2. Wanneer die gronden met een beperkt recht zijn bezwaard, dan wel krachtens persoonlijk recht in gebruik zijn gegeven, berusten de verplichtingen ingevolge deze Keur ook op de beperkt gerechtigden en in geval er sprake is van een persoonlijk gebruiksrecht op de gebruikers. 3. Voor de nakoming van de in deze Keur aan de eigenaar opgelegde verplichtingen is ieder van de in het tweede lid genoemde gerechtigden alsmede de eigenaar hoofdelijk aansprakelijk. 2[Toelichting: Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dit artikel zijn de gebruikers verplicht de ingevolge de Keur op de eigenaar rustende verplichtingen na te komen ingeval er sprake is van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht.Ingevolge het bepaalde in het derde lid zijn de eigenaren, overige zakelijk gerechtigden tot, en gebruikers van de grond hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen, die ingevolge de Keur op de eigenaar van de grond rusten. Veelal is immers niet de eigenaar maar de feitelijke gebruiker van de grond degene die bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die bij de voldoening aan die verplichtingen is gebaat.] Hoofdstuk 2. Beheer van Waterstaatswerken Gebodsbepalingen Artikel 2.1 Afrasteringen 1. De eigenaren van gronden, die gebruikt worden voor het houden van dieren, welke gronden zijn gelegen aan waterstaatswerken, moeten langs hun gronden een voldoende kerende afrastering aanbrengen. 2. Het bestuur kan algemene regels stellen omtrent afrastering en wijze van plaatsing. 3[Toelichting: Deze bepaling verplicht de eigenaren van gronden de waterstaatswerken te beschermen tegen aftrap door dieren. De bepaling geeft het bestuursorgaan tevens de mogelijkheid algemene regels te stellen omtrent afrastering en wijzen van plaatsing.] Artikel 2.2 Coupures De eigenaren van in waterkeringen voorkomende coupures kunnen door het bestuur verplicht worden deze terstond te sluiten. 4[Toelichting: De eigenaren van coupures, sluizen, uitwateringen en andere doorgangen in waterkeringen, zijn verplicht deze op eerste aanzegging door of namens het bestuursorgaan te sluiten met het oog op het voorkomen van overstroming van achter de waterkering gelegen gronden. ] Onderhoud aan waterstaatswerken Artikel 2.3 Onderhoudsplicht Onderhoudsplichtig zijn diegenen, die in de legger tot het verrichten van gewoon en of buitengewoon onderhoud aan waterstaatswerken zijn aangewezen. 5[Toelichting: Onderhoudsplichtigen worden ingevolge artikel 78, tweede lid, Waterschapswet aangewezen in de legger. De Keur sluit hierop aan door als onderhoudsplichtigen aan te wijzen degenen die in de legger tot het plegen van gewoon of buitengewoon onderhoud zijn vermeld. In het algemeen zal die aanwijzing niet naar individu geschieden, maar een categorie personen betreffen, bijvoorbeeld de aangrenzende grondgebruikers of -eigenaren.Voor onderhoudsactiviteiten ten behoeve van de waterstaatszorg is een Gedragscode Flora- en Faunawet voor de waterschappen opgesteld. De Gedragscode stelt de waterschappen in staat gebruik te maken van de mogelijkheden die het Vrijstellingsbesluit biedt. Van het Vrijstellingsbesluit kan ook gebruik worden gemaakt door particulieren die onderhoudsplichtig zijn, als zij aantoonbaar in overeenstemming met de bestaande Gedragscode handelen en dit passend is binnen de eigen werkprocessen.] Onderhoud aan waterkeringen Artikel 2.4 Gewoon onderhoud De onderhoudsplichtigen van waterkeringen dragen zorg voor een goede toestand van de waterkeringen door het bestrijden van schadelijk wild, het herstellen van geringe beschadigingen en het in stand houden van begroeiingen en materialen, dienstig aan de waterkering. 6[Toelichting: In deze bepaling wordt omschreven waartoe onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud aan waterkeringen gehouden zijn. De bestrijding van muskusratten op waterkeringen gebeurt, met uitsluiting van derden, door het waterschap.] Artikel 2.5 Buitengewoon onderhoud De onderhoudsplichtigen van waterkeringen zijn verplicht tot instandhouding daarvan, overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie. 7[Toelichting: Toelichting In deze bepaling wordt omschreven waartoe onderhoudsplichtigen gehouden zijn bij de uitvoering van het buitengewoon onderhoud aan waterkeringen. Als buitengewoon onderhoud wordt in de Keur aangemerkt het in stand houden van de waterkering overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie.In de situatie dat geen legger aanwezig is en op de kaart geen ligging, vorm, afmetingen of constructie zijn aangegeven, voorziet het overgangsrecht van deze Keur.] Artikel 2.6 Ondersteunende kunstwerken en werken De onderhoudsplichtigen van ondersteunende kunstwerken en/of werken die in, op, aan of boven waterkeringen of de beschermingszone zijn aangebracht en (mede) een waterkerende functie hebben, zijn verplicht deze waterkerend te houden. 8[Toelichting: Het bepaalde in dit artikel richt zich in principe tot onderhoudsplichtigen van in, op, aan of over waterkeringen of beschermingszones van waterkeringen gelegen werken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben, en die anders dan met vergunning zijn aangebracht.] Onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen Artikel 2.7 Gewoon onderhoud De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot: a. het in stand houden van die oppervlaktewaterlichamen; b. het onderhouden van begroeiingen, dienstig aan de waterhuishoudkundige functies die aan die oppervlaktewaterlichamen zijn toegekend; en c. het daaruit verwijderen van begroeiingen en afval. 9[Toelichting: In deze bepaling wordt omschreven waartoe onderhoudsplichtigen bij de uitvoering van het gewone onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen gehouden zijn. De onderhoudsplichtigen zijn te allen tijde gehouden voorwerpen, materialen en stoffen uit oppervlaktewaterlichamen te verwijderen die af- en/of aanvoer, dan wel de berging van water hinderen. Het gaat dan om die oppervlaktewaterlichamen waartoe zij onderhoudsplichtig zijn. Daarnaast schonen onderhoudsplichtigen de oppervlaktewaterlichamen. Dat gebeurt een aantal malen per jaar (meestal in het voor- en najaar), vóór de vooraf aan te kondigden schouw. Daarbij gaat het er om de maatgevende af- en/of aanvoer van water veilig te stellen.De oevers en taluds alsmede de daartoe behorende oeverbeschermingswerken dienen behoorlijk in stand te worden gehouden, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de af- en/of aanvoer van water wordt gehinderd dan wel aangelegde onderhoudsstroken en/of afrasteringen door inzakking worden bedreigd. Waar de feitelijke afmetingen van het profiel de voor de af- en/of aanvoer van water noodzakelijke profielafmetingen overtreffen, kan de onderhoudsplichtige niet worden verplicht deze zogenaamde overprofilering in stand te houden als niet tevens ook de instandhouding van een onderhoudsstrook en/of afrastering in het geding is.] Artikel 2.8 Buitengewoon onderhoud De onderhoudsplichtigen van oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht tot instandhouding daarvan overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent ligging, vorm, afmeting en constructie. 10[Toelichting: In deze bepaling wordt omschreven waartoe onderhoudsplichtigen, die tot de uitvoering van het buitengewoon onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht, gehouden zijn. Als buitengewoon onderhoud wordt in de Keur aangemerkt het in stand houden van de oppervlaktewaterlichamen overeenkomstig het in de legger bepaalde omtrent richting, vorm afmeting en constructie.Het buitengewoon onderhoud wordt, waar het betreft oppervlaktewaterlichamen van overwegend belang, voor de af- en/of aanvoer van water voor een groter gebied veelal uitgevoerd door het waterschap. De situatie waarin derden-onderhoudsplichtigen tot instandhouding van oppervlaktewaterlichamen verplicht zijn, doet zich met name voor bij sloten en greppels die uitsluitend de afwatering van een bepaald aantal percelen dienen.In de situatie dat geen legger aanwezig is en op de kaart geen vorm, afmetingen of constructie zijn aangegeven, voorziet het overgangsrecht van deze Keur.] Hoofdstuk 3. Handelingen in het watersysteem Watervergunning en algemene regels Artikel 3.1 Watervergunning kernzone Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, op, boven, over of onder de kernzone: a. werkzaamheden te verrichten; b. werken of beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel aanwezige beplantingen te beschadigen of te verwijderen; c. vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen; d. activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen; e. zich anders dan als rechthebbende te bevinden; f. te bemesten, tenzij anders door het bestuur is bepaald. 11[Toelichting: Het verbod in artikel 3.1, aanhef en onder a, betreft het verrichten van werkzaamheden. Bij het begrip, ‘werkzaamheden' moet een verband gelegd worden met verrichten van handelingen. Onder werkzaamheden vallen onder andere: aanleg-, bagger-, boor-, bouw-, graaf-, demping- herstel-, onderhoud-, plant- reparatie-, revisie-, sloop-, uitbreiding-, verbouw- en herbouwwerkzaamheden. Dit betreffen zowel werkzaamheden die tot doel hebben verandering te brengen in de staat van waterstaatswerken, als werkzaamheden die dat niet tot doel hebben, maar waarvan onbedoeld effect is dat verandering wordt gebracht in de staat van die werken. Onder dit verbod valt bijvoorbeeld het dempen van een sloot. Van het begrip 'werken' is in artikel 1 een definitie gegeven.] Artikel 3.2 Watervergunning beschermingszone Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, op, boven, over of onder de beschermingszone: a. werken of beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel aanwezige beplantingen te beschadigen of te verwijderen; b. vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen; c. zich anders dan als rechthebbende te bevinden; d. buiten openbare wegen met rij- of voertuigen, dan wel met een lastdier te rijden of vee te drijven; e. graafwerkzaamheden te verrichten, anders dan normaal spit- en ploegwerk. 12[Toelichting: Dit artikel betreft een aantal specifieke verboden handelingen in de beschermingszone. ] Artikel 3.3 Watervergunning buitenbeschermingszone Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, op, boven, over of onder de buitenbeschermingszone: a. afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten; b. werken met een overdruk van 10 bar te plaatsen en te hebben; c. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben. 13[Toelichting: Deze zone wordt op de legger aangegeven om met name waterkeringen te beschermen. De verboden die in de buitenbeschermingszone gelden zijn minder zwaar dan die voor de kern- en beschermingszone.] Artikel 3.4 Watervergunning meanderzone Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, op, boven, over of onder de meanderzone: a. werken te plaatsen of te wijzigen; b. graafwerkzaamheden te verrichten, anders dan normaal spit- en ploegwerk; 14[Toelichting: De verbodsbepalingen zijn opgenomen om de doelen te kunnen bereiken die opgenomen zijn in het waterbeheerplan in het kader van de Kaderrichtlijn Watermaatregelen.] Artikel 3.5 Watervergunning profiel van vrije ruimte Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, op, boven, over of onder het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen of te behouden. 15[Toelichting: Dit artikel verbiedt het plaatsen van werken in het profiel van vrije ruimte. Dit is belangrijk om in de toekomst met name de wateropgaven omtrent dijkverbeteringen te kunnen realiseren.] Artikel 3.6 Watervergunning bergingsgebieden Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, op, boven, over of onder bergingsgebieden: a. gronden op te hogen; b. werken of objecten aan te brengen of werkzaamheden uit te voeren die tot doel of als uitwerking hebben deze bergingsgebieden geheel of gedeeltelijk van de overstroming te vrijwaren, dan wel het bergend vermogen te doen afnemen, met uitzondering van die gedeelten die in het bestemmingsplan zijn aangeduid als bebouwingsvlak. 16[Toelichting: Het waterschap heeft voor het waterbeheer als doel dat een duurzaam en veerkrachtig watersysteem wordt gerealiseerd. Hiervoor is ruimte voor water nodig: om water te bergen in extreem natte, maar ook voor extreem droge situaties. Een bergingsgebied is bedoeld om ruimte te creëren voor water. In de keur is daarom een verbodsbepaling opgenomen voor bergingsgebieden, zodat een bergingsgebied beschermd wordt voor ongewenste ontwikkelingen die de ruimte voor water verminderen.] Artikel 3.7 Algeheel verbod bij calamiteiten 1. In geval van grote schaarste of overvloed aan water, aanmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheid dreigt te ontstaan, kan het bestuur zonodig in afwijking van verleende vergunningen, verbieden: a. water te lozen op en/of te ontrekken aan oppervlaktewaterlichamen; b. grondwater te onttrekken of water te infiltreren. 2. Zodra het bestuur handhaving van het verbod krachtens het eerste lid niet langer noodzakelijk acht, maakt het onverwijld de intrekking van het verbod bekend. 17[Toelichting: In artikel 3.7 worden regels gesteld in geval zich calamiteiten of gevaren voordoen in de zin van artikel 5.28 van de Waterwet. In de Waterwet wordt onder gevaar verstaan: omstandigheden waardoor de goede staat van een of meer waterstaatswerken onmiddellijk en ernstig in het ongerede is of dreigt te geraken.Het bestuur kan bijvoorbeeld verbieden water te onttrekken. Er wordt dan afgeweken van de normaal geldende regels, welke afwijking tijdelijk is en waarvoor geen vergunning nodig is en ook geen algemene regels gelden. De Waterwet (artikelen 5.28 tot en met 5.31) stelt regels omtrent het gevaar voor waterstaatswerken. Deze artikelen geven het waterschap ruime bevoegdheden.] Artikel 3.8 Algeheel onttrekkingsverbod Het is verboden, ook ondanks verleende vergunningen, water te ontrekken aan oppervlaktewaterlichamen, indien de eerste benedenstrooms gelegen stuw of onderleider niet meer overstort, tenzij het betreft het onttrekken van water, uitsluitend bestemd voor het drenken van huisdieren door middel van een weidepomp. 18[Toelichting: Dit algehele onttrekkingsverbod heeft betrekking op de bescherming van het oppervlaktewaterlichaam. Specifiek: Ter bescherming van het betreffende pand van het oppervlaktewaterlichaam waaruit onttrokken wordt. Met een pand wordt bedoeld het stuk oppervlaktewaterlichaam tussen 2 opeenvolgende stuwen, waarbij een vistrap ook als stuw wordt beschouwd. Wanneer de eerst benedenstrooms gelegen stuw of onderleider niet meer overstort, ontstaat het risico dat het betreffende pand droog komt te staan door de onttrekking uit het oppervlaktewaterlichaam. Dit is niet wenselijk voor het watersysteem en niet voor de ecologische toestand van het systeem. Van dit verbod wordt veedrenking middels een weidepomp uitgezonderd. ] Artikel 3.9 Watervergunning lozen en onttrekken Het is verboden zonder vergunning van het bestuur water te lozen in dan wel te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam, indien de hoeveelheid te lozen dan wel te onttrekken water meer kan bedragen dan 60 m³ per uur. 19[Toelichting: Onder het begrip lozen wordt het volgende verstaan: het door middel van een werk brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam, zonder dat het water daarbij uit een ander oppervlaktewaterlichaam wordt gehaald.Onder het begrip onttrekken wordt het volgende verstaan: het door middel van een werk halen van water uit een oppervlaktewaterlichaam, zonder dat het water daarbij in een ander oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht. ] Artikel 3.10 Watervergunning onttrekken van grondwater en infiltreren in de bodem 1. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur: a. grondwater te onttrekken; b. water in de bodem te infiltreren. 2. Geen vergunning krachtens het eerste lid, onderdeel a is vereist: a. onttrekkingen uitsluitend voor het droog houden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken en inrichtingen die bij wijze van proef of ten behoeve van een grondsanering, waarbij: - de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50.000 m3 per aaneengesloten periode van 30 dagen met een maximum van 200.000 m3 per aaneengesloten periode van zes maanden en - de onttrekking niet langer duurt dan een aaneengesloten periode van zes maanden; b. onttrekkingen uitsluitend voor grondwatersanering, waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 50.000 m3 per aaneengesloten periode van 30 dagen met een maximum van 200.000 m3 per aaneengesloten periode van 12 maanden; c. onttrekkingen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend voor beregenings- of bevloeiingsdoeleinden, waarbij de te onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer bedraagt dan 60 m3 per uur met een maximum van 25.000 m3 per aaneengesloten periode van 3 maanden; d. onttrekkingen ten behoeve van noodvoorzieningen; e. onttrekkingen voor overige doeleinden, indien de bruto pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m3 per uur. 20[Toelichting: Eerste lid: Onder het begrip onttrekken wordt het volgende verstaan: het door middel van een werk halen van water uit grondwater of uit een oppervlaktewaterlichaam, zonder dat het water daarbij in een ander oppervlaktewaterlichaam wordt gebracht.Tweede lid: Op grond van de Waterwet is een vergunning van gedeputeerde staten vereist voor het onttrekken aan of infiltreren in een grondwaterlichaam: a. ten behoeve van industriële toepassingen indien de onttrokken hoeveelheid water meer dan 150.00 m? per jaar bedraagt; en b. ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening of koude- en warmteopslag (ook wel “bodemenergiesystemen” genoemd). Het waterschapsbestuur is bevoegd om voor alle overige grondwateronttrekkingen en infiltraties een vergunningplicht op te leggen. Tegen deze achtergrond moeten de verboden en vrijstellingen van artikel 3.10 worden gelezen.Inhoudelijk betekent artikel 3.10 een voortzetting van de situatie van voor de Waterwet, zoals destijds vastgelegd in de Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Overijssel. In het tweede lid is in enkele gevallen de “te onttrekken hoeveelheid grondwater” bepalend voor de vraag of een onttrekking vrijgesteld is van de vergunningplicht, en in andere gevallen is de “bruto pompcapaciteit” hiervoor bepalend.De hoofdregel is dat voor grondwateronttrekkingen en infiltraties een watervergunning vereist is. Van enkele specifieke soorten grondwateronttrekkingen is in het tweede lid van artikel 3.10 een vrijstelling verleend van deze algemene vergunningplicht. Voor deze met name genoemde onttrekkingen geldt dus alleen een meldplicht en in sommige gevallen ook een meet- en registratieplicht. De vrijgestelde grondwateronttrekkingen zijn alle veel voorkomende, tijdelijke onttrekkingen, van redelijk beperkte omvang. Het is maatschappelijk niet wenselijk (regeldruk) en vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet noodzakelijk dat hiervoor telkenmale toestemming aan het waterschap wordt gevraagd. Dit geldt evenzeer voor de zeer geringe onttrekkingen, voor welk doel ook. met een pompcapaciteit van minder dan 10 m3 per uur. Deze restcategorie is benoemd in onderdeel e.In het tweede lid is in enkele gevallen de “te onttrekken hoeveelheid grondwater” bepalend voor de vraag of een onttrekking vrijgesteld is van de vergunningplicht, en in andere gevallen is de “pompcapaciteit” hiervoor bepalend.Onttrekkingen voor bronneringen, voor een proef en voor grondsanering (onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.