Procedureverordening tegemoetkoming in planschade, gemeente Heumen 2008 Procedureverordening tegemoetkoming in planschade, gemeente Heumen 2008 De raad van de gemeente Heumen, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 juni 2008, Gelet op hoofdstuk 6, afdeling 6.1 „Tegemoetkoming in schade‟, Wet ruimtelijke ordening (Wro); Gelet op hoofdstuk 6, afdeling 6.1 `Tegemoetkoming in schade´ van het Besluit van 21 april 2008 tot uitvoering van de Wet ruimtelijke ordening (Besluit ruimtelijke ordening), zoals gepubliceerd in het Staatsblad 2008, nr. 145; BESLUIT: vast te stellen de hierna volgende “Procedureverordening tegemoetkoming in planschade, gemeente Heumen 2008”. Artikel 1: begripsbepalingen Voor toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: Hoofdstuk 6, afdeling 6.1: de artikelen 6.1 tot en met 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); Planschade: schade als bedoeld in afdeling 6.1 Wro; Planologische maatregel: de bepalingen van een bestemmingsplan, dan wel een besluit om ontheffing of een projectbesluit, of een van de andere schadeoorzaken zoals genoemd in artikel 6.1 Wro; Aanvraag: aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1; Aanvrager: degene die een gemotiveerde en volledig ingevulde aanvraag om tegemoetkoming van planschade indient; Bestuursorgaan: burgemeester en wethouders, of, indien toepassing is gegeven aan artikel 6.6 lid 1, Gedeputeerde Staten, of, indien toepassing is gegeven aan artikel 6.6 lid 2, Onze Minister dan wel Onze aangewezen Minister; Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen; Derde-belanghebbende: degene als bedoeld in afdeling 6.1, die verzocht heeft om ten behoeve van de verwezenlijking van een project een bestemmingsplan te herzien of te wijzigen dan wel om een ontheffing te verlenen, en die met de gemeente een overeenkomst heeft gesloten welke inhoudt dat geheel of gedeeltelijk die schade voor zijn rekening komt, die haar grondslag rechtstreeks vindt in het besluit op dit verzoek en waarvan aanvrager tegemoetkoming vraagt; Adviseur: een persoon, instantie of commissie belast met het adviseren over de door het college te nemen beschikking op een aanvraag om tegemoetkoming in planschade. Deze adviseur is aangewezen door het college, en dient als zodanig als onafhankelijk, erkend deskundige aangewezen te kunnen worden; Drempelbedrag: het recht als bedoeld in het derde lid van artikel 6.4 Wro. Artikel 2: de aanvraag Het college tekent de datum van ontvangst van de aanvraag onverwijld aan op de aanvraag of het gemeentelijke aanvraagformulier. De ontvangst van de aanvraag wordt door het college zo spoedig mogelijk schriftelijk meegedeeld aan de aanvrager. Van de aanvraag wordt een afschrift aan de derde- belanghebbende gezonden. In voorkomende gevallen zendt het college de betrokken andere bestuursorganen onverwijld een exemplaar van de aanvraag en van de daarbij gevoegde stukken, onder vermelding van de datum van ontvangst. Het college deelt de aanvrager zo spoedig mogelijk mee door welk bestuursorgaan op de aanvraag zal worden beslist. In de mededeling van ontvangst wijst het college de aanvrager er op dat voor het behandelen van de aanvraag een drempelbedrag van €300,- verschuldigd is. Het college deelt de aanvrager mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente gestort moet zijn. Artikel 3: de eisen omtrent de aanvraag 1.Onverminderd artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6.1 van de wet bevat de aanvraag: een aanduiding van de oorzaak, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de wet, ter zake waarvan een tegemoetkoming in de schade wordt gevraagd; een aanduiding van de aard van de schade; een omschrijving van de wijze waarop aan de schade naar het oordeel van de aanvrager tegemoet dient te worden gekomen indien hij geen vergoeding in geld wenst. Daartoe wordt het formulier ´Aanvraag tegemoetkoming planschade´ gebruikt. Artikel 4: besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvrager Indien het drempelbedrag niet binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling van ontvangst is bijgeschreven of gestort, verklaart het bestuursorgaan de aanvraag niet-ontvankelijk, tenzij geoordeeld wordt dat de aanvrager niet in verzuim is geweest. Artikel 5: besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid Het bestuursorgaan is bevoegd de aanvraag binnen vier weken na ontvangst, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn verstreken is gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen, af te wijzen, indien de aanvraag kennelijk ongegrond is. Een besluit om een onvolledige aanvraag niet, onderscheidenlijk niet verder in behandeling te nemen, wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen. Het bestuursorgaan kan de laatste in het tweede lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen. Artikel 6: besluit tot opdrachtverstrekking Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 4 of 5 van deze procedureregeling of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht, wijst het bestuursorgaan uiterlijk binnen 12 weken na het verstrijken van de termijnen als genoemd in artikel 5 lid een adviseur aan. Het college verstrekt opdracht om ter zake van de aanvraag een advies uit te brengen ten aanzien van de te nemen beslissing. Voordat het college de opdracht tot advisering verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid Wro, schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van de adviseur. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid Wro, kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in artikel 6.2 van deze verordening, schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van de adviseur(s) bij het college indienen. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het derde lid bedoeld termijn over een ingediend verzoek tot wraking van de adviseur(s). Artikel 7: werkwijze van de adviseur Het college stelt aan de adviseur alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur noodzakelijke bescheiden ter beschikking. Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meerdere personen aan die de adviseur bij de uitvoering van de adviesopdracht bijstaat. De adviseur stelt de aanvrager, eventuele derde-belanghebbenden en het college in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling (via een hoorzitting) toelichting te geven, informatie te verschaffen danwel hun visie te geven over de aanvraag om tegemoetkoming van planschade. Hiervan wordt een verslag gemaakt dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. Artikel 8: de advisering De adviseur brengt schriftelijk een concept- advies uit aan het college. Dit geschiedt binnen 16 weken na verzending van de opdracht als bedoeld in artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.