Toeslagenverordening WWB gemeente Enkhuizen 2004 RAADSBESLUIT De raad van de gemeente Enkhuizen; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 maart 2004, nummer: 9; overwegende, dat moet worden vastgesteld voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald; gelet op de artikelen 147 en 192 van de Gemeentewet en artikelen 8 en 30 Wet werk en bijstand ; b e s l u i t : vast te stellen de Toeslagenverordening WWB gemeente Enkhuizen
(2004). Dit betekent dat als een kind inkomsten verwerft boven dit bedrag er van uit mag worden gegaan dat hij of zij de kosten met zijn of haar ouder(s) kan delen. Bepaald is daarom dat van kostendeling geen sprake is indien een niet ten laste komend kind tot 21 jaar een lager inkomen heeft dan de bijstandsnorm voor een thuiswonende alleenstaande van 21 jaar. Uit de WWB vloeit, a contrario, voort dat een niet ten laste komend kind een kind is waarvoor geen aanspraak bestaat op kinderbijslag. Door de kinderbijslag als criterium te gebruiken wordt niet naar leeftijd gekeken. Een 17 jarig kind met inkomsten boven de norm van een 21 jarige thuiswonende alleenstaande norm kan hierdoor worden aangemerkt als een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Sub b en c Aan thuiswonende studenten wordt in de WSF 2000 en Wtos een lager bedrag voor levensonderhoud verstrekt, het verschil is € 170,- per maand. Niet alleen wordt ervan uitgegaan dat deze kosten lager zijn doordat ze kunnen worden gedeeld maar ook dat de ouders bijdragen in de kosten van levensonderhoud. Wel kunnen studenten binnen de WSF 2000 en Wtos bijverdienen zonder dat dit invloed heeft op de hoogte van de studiefinanciering. Uit praktische overwegingen wordt ervoor gekozen niet iedere maand te berekenen of de inkomsten van het kind boven of onder de norm van een 21 jarige thuiswonende alleenstaande ligt. In alle gevallen wordt een toeslag van 20% verstrekt in plaats van 10%. Personen jonger dan 21 jaar Eventuele toeslagen in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud aan personen jonger dan 21 jaar vinden plaats op grond van het beleid in het kader van de bijzondere bijstand. Artikel 4 Eerste lid In dit artikel is bepaald dat indien een echtpaar kosten kan delen er op de bijstandsuitkering van dit echtpaar een verlaging wordt toegepast van 10% van het wettelijk minimumloon. In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Zijn er twee of meer inwoners, niet zijnde de kinderen, dan wordt onderzocht of hier sprake is van bedrijfsmatige inkomsten, bijvoorbeeld uit het houden van een pension of kamerverhuur. Tweede lid Bepaald is dat indien één of beide partners jonger zijn dan 21 jaar er geen korting wegens kostendeling kan worden toegepast. Hiervoor zijn in de WWB reeds lagere jongerennormen vastgesteld (artikel 20 WWB). Voorkomen wordt dat door cumulatie een te lage norm wordt vastgesteld. Derde lid In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben. Verwezen wordt naar de toelichting op het vijfde lid van artikel
- Artikel 5 Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1 Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de toelichting op 27 WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen toepassen. In dit artikel is onder lid 1 een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers. Hiervan is echter ook sprake ingeval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor de bijstandsgerechtigde geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand. Het wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de verordening wordt overigens niet het begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar 'huur of hypotheeklasten'. Het gaat hier niet om inwoning van kinderen bij hun ouders. Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.) In het tweede lid is bepaald dat indien de belanghebbende geen huur of hypotheek lasten dient te voldoen, op de bijstandsuitkering een verlaging wordt toegepast gelijk aan de normhuur conform de huursubsidiewet in mindering gebracht op de uitkering. Deze normhuur is gelijk aan het bedrag waaronder geen recht op huursubsidie bestaat en bedraagt thans (2003/2004): * voor personen tot 66 jaar € 176,43; * voor een éénpersoonshuishouden van 66 jaar en ouder € 174,61; * voor een meerpersoons-huishouden van 66 jaar en ouder € 172,
- Artikel 6 Bepaald is dat gedurende het eerste half jaar dat een schoolverlater een beroep doet op een bijstandsuitkering recht bestaat op de helft van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm. De bijstandsuitkering ligt veelal aanmerkelijk hoger dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden. Waar de belanghebbende tijdens de studie periode de besteding heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering, nemen zijn noodzakelijke kosten niet onmiddellijk toe als hij zijn studie beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. De verlaging van de bijstandsuitkering kan slechts plaatsvinden in de periode van een half jaar na de beëindiging van de scholing of de beroepsopleiding. Dit betekent dat als betrokkene twee maanden na het beëindigen van de scholing of de beroepsopleiding een beroep doet op bijstand nog 4 maanden resteert waarover de schoolverlatersnorm wordt verstrekt. Is er sprake van een 21 of 22 jarige schoolverlater dan is artikel 3 lid 2 en 3 niet van toepassing. Artikel 7 t/m 10 In deze artikelen worden de uitvoering, de naam van de verordening en de inwerkingtreding geregeld. Daarnaast is bepaald dat waar middels de verordening niets is geregeld, burgemeester en wethouders beslissen. Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet WWB. De Toeslagenverordening is op grond van artikel 8 Tijdelijke referendumwet referendabel. De datum van de inwerkingtreding van de verordening moet daarom, met in acht name van artikel 22 Tijdelijke referendumwet, op tenminste 6 weken na datum publicatie gesteld worden. Er is geen reden een spoedprocedure conform artikel 25 van deze wet te volgen. De verordening is inhoudelijk grotendeels gelijk aan de vorige.