Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente AlmeloBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Almelo Inleiding Op 1 januari 2015 treden de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet in werking. Eind oktober 2014 is de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Almelo 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. In de verordening is, geheel in lijn met het uitgangspunt dat de gemeenteraad de kaders stelt, bepaald dat het college nadere regels ten aanzien van een aantal onderwerpen vaststelt. In deze beleidsregels worden deze nadere regels uitgewerkt. In de beleidsregels is dezelfde structuur voor wat betreft de artikelnummering gehanteerd als in de verordening. De artikelen uit de verordening worden eerst toegelicht en vervolgens nader uitgewerkt. Bij het opstellen van de verordening is de ruimte voor de professional als één van de uitgangspunten genomen. Deze beleidsregels borduren daar op voort. Dit betekent dat niet is gekozen voor het tot in de detail uitschrijven van mogelijk te verstrekken voorzieningen en criteria om voor deze voorzieningen in aanmerking te komen. Als tegenwicht, tegen te veel vrijheid van handelen van de professional, is het proces van toeleiding en toegang (zie hoofdstuk 1) en de kwaliteit van de ondersteuning (hoofdstuk 7) uitgebreid beschreven. In plaats van het opstellen van een financieel besluit is gekozen voor het opnemen van de tarieven van de verschillende voorzieningen en andere voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 relevante bedragen in de bijlagen. Daarnaast zijn in de bijlagen het beleidskader beschermd wonen, de voor de uitvoering meest relevante wetsartikelen en de begripsbepalingen opgenomen. De beleidsregels inclusief de bijlagen vormen daarmee tevens een leidraad of handboek voor de uitvoering. Hoofdstuk1Algemene bepalingen 1.1 Begripsbepalingen De begripsbepalingen uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet en de Verordening zijn opgenomen in bijlage 4 bij deze beleidsregels. Om de leesbaarheid van de beleidsregels te vergroten is gekozen voor een volledig overzicht van de begrippen in een bijlage en de begrippen hier niet verder toe te lichten. 1.2 Toeleiding en toegang tot voorzieningen 1.2.1Toegang voorzieningen Artikel1.2 Toegangvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1Het college regelt in de beleidsregels op welke wijze in samenspraak met de ondersteuningsvrager, eventueel na vragen van advies aan een door het college aangewezen adviesinstantie, wordt vastgesteld of deze voor een op het individu toegesneden voorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, of jeugdhulp in aanmerking komt. In de procedure voor toegang en toeleiding zijn de uitgangspunten van het beleidsplan ‘Samen mee(
(2015)van € 40,01 per uur (€ 160,04 per 4 weken ofwel € 173,38 per maand). Wordt de ondersteuning geleverd door een andere professionele aanbieder (die niet voldoet aan de criteria) dan wordt het tarief vastgesteld op 85% van de hiervoor genoemde bedragen, namelijk € 136,03 per 4 weken ofwel € 147,37 per maand. Als de ondersteuning wordt geleverd door iemand een niet professional uit het sociale netwerk dan wordt voor de berekening uitgegaan van de lichtste vorm van ondersteuning (uurtarief 2015 € 36,34). Het bedrag van het persoonsgebonden budget wordt dan € 36,34 x 85% x 50% = € 15,44 per uur (komt overeen met een bedrag van 61,76 per 4 weken ofwel 66,91 per maand). In tegenstelling tot enkele andere wettelijke regelingen, is voor de verstrekking van een op het individu toegesneden voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget geen verantwoordingsvrije bedrag van toepassing. De besteding van het gehele budget moet op verzoek direct verantwoord kunnen worden. Tarieven persoonsgebonden budget Beleidsregel 3.2-1 De hoogte van het persoonsgebonden budget ten opzichte van het zorg in natura tariefis vastgesteld op: 100% als de ondersteuning wordt geleverd door een aanbieder die voldoet aan alle criteria om voor een contract met de gemeente in aanmerking te komen om zorg in natura te mogen leveren; 85% als de ondersteuning wordt geleverd door andere professionele aanbieders dan onder 1 vermeld en waarbij geen sprake is van een persoon uit het sociale netwerk; 50% van de onder 2 vermelde tarief als de voorziening wordt geleverd door een niet-professionele aanbieder of iemand uit het sociale netwerk, waarbij het tarief is gebaseerd op de lichtste vorm van ondersteuning. Besteding persoonsgebonden budget Beleidsregel 3.2-2 Het persoonsgebonden budget moet worden besteed aan een op het individu toegesneden voorziening waarmee het resultaat kan worden bereikt zoals vermeld in het ondersteuningsplan. Uit het budget mogen de volgende kosten worden voldaan: ·salaris en werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoeding, zoals reiskostenvergoeding woon-werkverkeer, verlofregelingen, pensioenvoorziening en spaarloon; Niet uit het persoonsgebonden budget mag worden betaald: kosten voor bemiddeling; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij aanvragen en beheren van het persoonsgebonden budget; contributie voor lidmaatschap belangenorganisaties, kosten voor volgen van cursussen en informatiemateriaal; de eigen bijdrage. 3.3 Aanvullende criteria 3.3.1Voorziening is al aangeschaft Artikel3.3Aanvullende criteria 1Het college verstrekt geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de ondersteuningsvrager voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. Een voorziening die reeds is gerealiseerd of aangeschaft door de ondersteuningsvrager komt in het algemeen niet voor verstrekking in aanmerking. Het college wordt dan de mogelijkheid ontnomen te zoeken naar de goedkoopst adequate oplossing. Alleen als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening nog kan worden vastgesteld, kan de voorziening verstrekt worden. 3.3.2 Instandhoudingskosten Artikel3.3Aanvullende criteria 2 Het persoonsgebonden budget wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering van de voorziening. Voor de kosten van instandhouding van een op het individu toegesneden voorziening kan een persoonsgebonden budget worden verstrekt. Met instandhoudingskosten worden de volgende kosten bedoeld: onderhoud- en reparatiekosten (voor zo ver niet vallend onder de garantie); kosten van een verplichte WA-verzekering (voor vervoermiddelen met een motor en elektrische rolstoel). Voor andere verzekeringen (met name tegen brand en diefstal) wordt geen persoonsgebonden budget toegekend. Immers ook een cliënt die een voorziening in natura verstrekt krijgt, moet deze kosten zelf betalen. Voor de hoogte van het bedrag van de instandhoudingskosten wordt aangesloten bij het bedrag dat de gemeente jaarlijks betaalt voor het onderhoud en reparatie, en in voorkomende gevallen de WA-verzekering, van voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt. Hoofdstuk4Eigen bijdrage en ouderbijdrage In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten en beleidsregels met betrekking tot de eigen bijdrage, bijdrage in de kosten van een algemene voorziening en de ouderbijdrage behandeld. De eigen bijdrage en de ouderbijdrage worden geïnd door het CAK (met uitzondering van de voorziening opvang. 4.1 Eigen bijdrage 4.1.1 Maximale bijdrage genoemd in Besluit maatschappelijke ondersteuning Artikel4.1Bijdrage in de kosten Voor een op het individu toegesneden voorziening is de maximale bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het Besluit maatschappelijke ondersteuning, verschuldigd. De bijdrage in de kosten is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de ondersteuningsvrager en zijn partner of echtgenoot. Een bijdrage in de kosten van een op het individu toegesneden voorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt. Als de bijdrage ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige. Uitgangspunt voor het opleggen van een eigen bijdrage is de maximale bijdrage zoals bepaald in het door het rijk vastgestelde Besluit maatschappelijke ondersteuning. Daarin is bepaald dat de eigen bijdrage gebaseerd is op het inkomen en vermogen van de ondersteuningsvrager en zijn partner of echtgenoot. De eigen bijdrage is verschuldigd zolang van een voorziening gebruik wordt gemaakt, maar deze mag niet meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening (zie volgende paragraaf). Ook als een woningaanpassing wordt gerealiseerd voor een minderjarige is een eigen bijdrage verschuldigd. In dat geval wordt gekeken naar het inkomen en vermogen van de ouders of degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige. 4.1.2 Kostprijs voorziening 5Het college regelt in de beleidsregels op welke wijze de kostprijs van een op het individu toegesneden voorziening wordt bepaald en voor welke voorzieningen geen eigen bijdrage is verschuldigd. 4.1.2.1 Bepalen van de kostprijs De kostprijs van een op het individu toegesneden voorziening die in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, is gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget. De kostprijs van een voorziening die in natura wordt verstrekt is gelijk aan het bedrag dat de gemeente betaalt voor deze voorziening aan de aanbieder die door de gemeente gecontracteerd is. Voor hulpmiddelen (ondersteuning zelfstandig wonen en ondersteuning mobiliteit) wordt uitgegaan van de kostenopgave van de door de gemeente gecontracteerde leverancier. De kostprijs zal vervolgens moeten worden berekend naar een periode van vier weken (in aansluiting op de eigen bijdrage periode die door het CAK wordt gehanteerd). De wijze waarop de toerekening naar een periode van vier weken plaatsvindt, is afhankelijk van de verstrekte voorziening. Er zijn vier situaties mogelijk: voor de voorziening is een uur- of dagdeeltarief van toepassing; de voorziening wordt ineens betaald (ondersteuning mobiliteit of ondersteuning zelfstandig wonen); er is sprake van resultaatfinanciering (huishoudelijke ondersteuning); werkelijke kosten van de voorziening. Uur- en dagdeeltarief Indien een voorziening wordt toegekend in uren of dagdelen per week wordt de kostprijs als volgt berekend: uurtarief (of dagdeeltarief)x aantal uren (dagdelen) per week ondersteuning x 4 Voor de van toepassing zijnde uurtarieven voor de verschillende voorzieningen wordt verwezen naar de bijlage. Hulpmiddelen (ondersteuning zelfstandig leven en ondersteuning mobiliteit) Indien een hulpmiddel wordt toegekend waarvoor een bedrag ineens moet worden betaald (hetzij door de gemeente als de voorziening in natura wordt verstrekt hetzij door de ondersteuningsvrager als de voorziening wordt verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget, wordt de kostprijs als volgt berekend: aankoopbedrag voorziening / afschrijvingstermijn De afschrijvingstermijn in jaren is geregeld in beleidsregel 2.2-
- De afschrijvingstermijn in jaren wordt vermenigvuldigd met dertien (per jaar zijn er namelijk dertien perioden van vier weken): dit is het aantal perioden waarover het aankoopbedrag wordt afgeschreven (dit is economische levensduur). Het berekende bedrag is het maximale bedrag van de eigen bijdrage per periode. Indien op basis van het inkomen en vermogen een lagere eigen bijdrage wordt vastgesteld dan het berekende maximale bedrag per periode van vier weken, wordt de eigen bijdrage voortgezet totdat het aankoopbedrag is bereikt of geen gebruik meer wordt gemaakt van de voorziening. Resultaatfinanciering (huishoudelijke ondersteuning) De kostprijs is gelijk aan het bedrag dat de aanbieder per periode van vier weken voor een ondersteuningsvrager ontvangt voor het leveren van de voorziening. Gedurende het overgangsjaar 2015 wordt maximaal een eigen bijdrage van € 86 per periode van 4 weken opgelegd om te wennen aan het systeem van resultaatfinanciering. Voor financiële tegemoetkomingen geldt dezelfde berekeningsmethode voor het bepalen van de kostprijs. Werkelijke kosten Indien de werkelijke kosten van een voorziening bekend zijn en de kosten niet goed toegedeeld kunnen worden naar een uur- of dagdeeltarief, wordt uitgegaan van de werkelijke kosten per periode van 4 weken om te bepalen hoe hoog de eigen bijdrage maximaal mag zijn. 4.1.2.2 Geen eigen bijdrage Het uitgangspunt is dat voor alle op het individu gerichte voorzieningen een eigen bijdrage wordt geheven. Een uitzondering hierop is dat bij het verstrekken van rolstoelen geen eigen bijdrage is verschuldigd. Het heffen van een eigen bijdrage is ook op grond van het landelijk geldende Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 niet mogelijk. Een andere uitzondering betreft de verstrekking van een vervoerspas (een individuele vervoersvoorziening). Met een vervoerspas kunnen cliënten tegen een gereduceerd tarief gebruik maken van de regiotaxi (collectief vervoer). Cliënten betalen al voor deze voorziening door middel van het gereduceerde tarief. 4.1.3 Eigen bijdrage opvang 6Het college regelt in de beleidsregels door welke andere instantie dan het CAK de bijdragen voor opvang worden vastgesteld en geïnd. Ten aanzien van de voorziening opvang is gekozen voor voortzetting van de werkwijze waarbij de eigen bijdrage door de instelling zelf wordt vastgesteld en geïnd, voor zo ver de gemeente niet zelf de bijdrage vaststelt en int (bij ondersteuningsvragers met een uitkering op grond van de Participatiewet). Overigens moet door de gemeente aan het CAK wel worden medegedeeld dat er een eigen bijdrage is opgelegd. Zo kan het CAK er voor zorgen dat er geen cumulatie optreedt van bijdragen die in het kader van de Wmo 2015 en Wet langdurige zorg (Wlz) kunnen worden opgelegd. Hoogte eigen bijdrage opvang De hoogte van de eigen bijdrage is zodanig dat de ondersteuningsvrager na afdracht van de bijdrage, van zijn bijdrageplichtige inkomen omgerekend een bedrag overhoudt dat overeenkomt met de zak- en kleedgeldnorm (zoals omschreven in artikel 23 lid 1 Participatiewet) vermeerderd met de standaardpremie voor zorg (artikel 1 lid 1 sub g Wet op de zorgtoeslag) gecorrigeerd met de zorgtoeslag (de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1 Wet op de zorgtoeslag). In bijlage 2 is een overzicht van de bedragen opgenomen. 4.2Bijdrage kosten algemene voorzieningen Artikel4.2Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen 1 Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor cliëntondersteuning. 2 Het college regelt in de beleidsregels voor welke andere algemene voorzieningen een ondersteuningsvrager een bijdrage is verschuldigd en per algemene voorziening wat de hoogte van deze bijdrage is. In het algemeen wordt er geen eigen bijdrage opgelegd voor algemene voorzieningen. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat het gebruik van algemene voorzieningen zoveel mogelijk wordt gestimuleerd. De door de gemeente gesubsidieerde algemene voorzieningen kennen dan ook geen bijdrage anders dan een vergoeding van de kosten voor materialen die worden gebruikt voor activiteiten. Ook de kosten van versnaperingen komen voor rekening van de deelnemer tenzij door de instelling anders is bepaald. 4.3 Ouderbijdrage voorzieningen Jeugdwet Artikel4.3Ouderbijdrage voorzieningen Jeugdwet Een ouderbijdrage is verschuldigd in de kosten van de aan een jeugdige geboden jeugdhulp in de gevallen zoals in de Jeugdwet bepaald. Een ouderbijdrage is verschuldigd als de jeugdige buiten het gezin hulp ontvangt. De gemeente wijst de ouderbijdrageplichtige ouder aan en laat weten dat deze een ouderbijdrage verschuldigd is. Als dit het geval is, moet een beschikking worden afgegeven. De ouderbijdrage is geregeld in artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.7 Jeugdwet. Hoofdstuk5Beschikking In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de beschikking behandeld. Daarnaast wordt aangegeven in welke situaties geen beschikking hoeft te worden afgegeven. 5.1Vastleggen in beschikking 5.1.1 Geen beschikking Artikel5.1Inhoud beschikking Een beschikking voor een op het individu toegesneden voorziening in het kader van de Jeugdwet wordt afgegeven, als: de ondersteuningsvrager hierom vraagt; de ondersteuningsvrager het niet eens is met het aanbod; er specifieke rechten en plichten worden verbonden aan de verstrekking van een voorziening. Het artikel spreekt voor zich: alleen daar waar een beschikking vereist is, wordt een beschikking afgegeven. Een beschikking is op grond van de Jeugdwet niet vereist als er sprake is van het toekennen van een op het individu toegesneden voorziening waaraan verder geen specifieke rechten of plichten zijn verbonden. Voor de op het individu toegesneden voorzieningen op grond van de Wmo 2015 geldt dit niet: in de Wmo 2015 is bepaald dat dan altijd een beschikking moet worden afgegeven. 5.1.2 Inhoud: vorm van verstrekking en bezwaarmogelijkheid Artikel5.1Inhoud beschikking 2 In de beschikking tot verstrekking van een op het individu toegesneden voorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. In de beschikking moet in ieder geval worden aangegeven in welke vorm de voorziening verstrekt wordt: zorg in natura of persoonsgebonden budget (in voorkomende gevallen een financiële tegemoetkoming). Daarnaast dient altijd de mogelijkheid om bezwaar te kunnen indien tegen het besluit te worden opgenomen in de beschikking. 5.1.3Inhoud: eigen bijdrage of ouderbijdrage Artikel5.1Inhoud beschikking 3 Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage of ouderbijdrage wordt de ondersteuningsvrager daarover in de beschikking geïnformeerd. Als er sprake is van een te betalen bijdrage (dit kan zijn een eigen bijdrage op grond van de Wmo 2015 of een ouderbijdrage op grond van de Jeugdwet) moet dit worden opgenomen in de beschikking. Het niet opnemen van deze verplichting, betekent dat het CAK de bijdrage niet kan innen. 5.1.4 Inhoud: voorziening in natura Artikel5.1Inhoud beschikking 4 Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. Het vierde lid geeft aan wat er moet worden vastgelegd als de voorziening in natura wordt verstrekt. In de beschikking wordt de te verstrekken voorziening en het beoogde resultaat vastgelegd. Voor het beoogde resultaat kan worden aangesloten bij de omschrijvingen van de beoogde resultaten in paragraaf 2.
- Van belang kan nog zijn in de beschikking te vermelden of een voorziening (met name als het gaat om vervoermiddelen of hulpmiddelen) in bruikleen of in eigendom wordt verstrekt. Omdat uit wordt gegaan van integrale dienstverlening moet, indien van toepassing, ook in de beschikking worden aangegeven of en welke andere voorzieningen relevant (kunnen) zijn. 5.1.5 Inhoud: persoonsgebonden budget Artikel5.1Inhoud beschikking 5Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat deze moet worden aangewend; de kwaliteitseisen die gelden voor de besteding van het budget; wat de hoogte van het budget is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking; de wijze van verantwoording van de besteding, en indien van toepassing; welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. Zie hiervoor ook paragraaf 5.1.
- Echter bij de verstrekking van een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget moeten ook de kwaliteitseisen worden opgenomen die gelden voor de voorziening die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht en moet worden aangegeven hoe de besteding van het persoonsgebonden moet worden verantwoord. In het algemeen zal hierbij worden verwezen naar de rol van de Sociale Verzekeringsbank die tot uitbetaling van het persoonsgebonden budget overgaat na het overleggen van een factuur of declaratie. Naast de hierboven genoemde meer specifieke punten in de beschikking worden de algemene verplichtingen opgenomen zoals het tijdig informeren bij wijzigingen etc. (zie hoofdstuk 6) Hoofdstuk6Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering Het verstrekken van de op het individu toegesneden voorzieningen is gebonden aan voorwaarden. In de beschikking moet duidelijk worden vermeld onder welke voorwaarden een voorziening is toegekend en welke wijzigingen moeten worden doorgegeven. Het verwoorden van de aan de voorziening verbonden verplichtingen is voor de cliënt duidelijker dan een algemene bepaling waarin wordt vermeld dat een wijziging moet worden doorgegeven waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed is op het recht op een voorziening. Mocht er dan sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte of tot een te hoog bedrag toegekende voorziening, dan kan eenvoudiger de voorziening worden beëindigd, ingetrokken en zo nodig worden teruggevorderd. 6.1 Informatieplicht, herziening, intrekking en terugvordering 6.1.1 Informatieplicht Artikel6.1Informatieplicht, herzien, intrekken en terugvorderen 1 De ondersteuningsvrager doet op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een op het individu toegesneden voorziening. In de beschikking worden, naast hetgeen op grond van artikel 5.1 wordt vastgelegd, in ieder geval de volgende feiten en omstandigheden vermeld waarvan de ondersteuningsvrager direct een mededeling moet doen: verhuizing naar een andere gemeente of naar een instelling gericht op het verstrekken van zorg; een vakantie van meer dan 4 weken (behalve als er sprake is van ondersteuning zelfstandig wonen); In bovenstaande situaties wordt de ondersteuningsvrager in ieder geval geacht te weten dat de beslissing tot het verstrekken van een voorziening kan worden heroverwogen. Daarnaast kan in de beschikking, afhankelijk van de op het individu toegesneden voorziening die wordt verstrekt, nog aangegeven worden dat direct moet worden gemeld: ziekte of verslechtering in de gezondheidssituatie waardoor de voorziening langer dan drie maanden niet kan worden gebruikt; verbetering in de gezondheidsituatie waardoor de voorziening niet langer noodzakelijk is; een wijziging in de woonsituatie (inwoning of verhuizing van een persoon); een ontzegging van de rijbevoegdheid indien een vervoermiddel met hulpmotor of elektromotor is toegekend; beëindiging van een verzekering door de verzekeringsmaatschappij als gevolg van het gedrag van de persoon aan wie de voorziening is verstrekt; een zodanige beschadiging van de voorziening dat herstel ervan niet zinvol is. 6.1.2 Herziening of intrekking Artikel6.1Informatieplicht, herzien, intrekken en terugvorderen 2 Het college kan een beslissing aangaande een op het individu toegesneden voorziening herzien dan wel intrekken als is vastgesteld dat: er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de ondersteuningsvrager niet langer op deze voorziening is aangewezen; deze voorziening niet meer toereikend is; er niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden verbonden aan de verstrekking van deze voorziening, of de op het individu toegesneden voorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor het is bestemd. In het tweede lid van artikel 6.1 worden de gronden voor het herzien of het intrekken van de een beslissing tot het verstrekken van een op het individu toegesneden voorziening genoemd. Een beslissing wordt in het algemeen herzien of ingetrokken als de grondslag voor de verstrekking van een voorziening komt te vervallen. Soms is dat omdat de voorziening niet langer noodzakelijk is, vaker zal er sprake zijn van het niet langer kunnen gebruiken van een voorziening. De voorziening is dan niet toereikend meer. Incidenteel komt het voor dat de voorziening niet langer adequaat is, omdat de persoon aan wie de voorziening is toegekend door een rechterlijke uitspraak niet meer mag deelnemen aan het verkeer met een gemotoriseerd vervoermiddel. Het niet langer adequaat zijn van een voorziening kan ook blijken uit het beëindigen van een verzekering door een verzekeringsmaatschappij. Dit is bijvoorbeeld het geval als de persoon aan wie de voorziening is verstrekt in korte tijd een aantal schademeldingen heeft gedaan. Een voorziening wordt ook ingetrokkene als er sprake is van het niet of niet tijdig informeren (er wordt dan niet voldaan aan de voorwaarden verbonden aan de verstrekking) of het geven van een onjuiste voorstelling van zaken. Ook als achteraf blijkt dat voor het doel waarvoor de voorziening is verstrekt, tevens een vergoeding wordt toegekend door bijvoorbeeld een verzekeringsmaatschappij (op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis), wordt de voorziening herzien of ingetrokken. Betrokkene heeft dan zelf kunnen voorzien in de op het individu toegesneden voorziening en is niet langer aangewezen op een op het individu toegesneden voorziening op grond van de Jeugdwet of Wmo
- In het algemeen zal er, als een voorziening wordt ingetrokken of herzien, een vordering ontstaan. De terugvordering bestaat of uit de geldswaarde van de ten onrechte of te veel genoten op het individu toegesneden voorziening of persoonsgebonden budget (zie artikel 6.1 lid 3) of het innemen van de in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening (zie artikel 6.1 lid 4). 6.1.3 Terugvordering geldswaarde ten onrechte genoten voorziening Artikel6.1Informatieplicht, herzien, intrekken en terugvorderen 3 Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de ondersteuningsvrager en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten op het individu toegesneden voorziening of persoonsgebonden budget. Deze bepaling met betrekking tot terugvordering is gebaseerd op artikel 2.4.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning
- Het besluit tot herziening of intrekking en daaraan gekoppelde terugvordering levert een executoriale titel op. Het terug te vorderen bedrag kan dan ook bij dwangbevel worden ingevorderd. Dit geldt niet voor voorzieningen op grond van de Jeugdwet. In de Jeugdwet is geen bepaling met betrekking tot terugvordering opgenomen. Indien er sprake is van terugvordering zal dat gebaseerd moeten zijn op het Burgerlijk Wetboek (onverschuldigde betaling). Voordat tot terugvordering wordt overgegaan, moet duidelijk zijn welk bedrag ten onrechte of teveel is betaald. Bij het vaststellen van de vordering wordt rekening gehouden met de reeds door de cliënt betaalde eigen bijdragen. Als er schade is ontstaan aan een in bruikleen verstrekte voorziening, zullen de kosten van reparatie van de schade worden teruggevorderd. Als de voorziening geheel verloren is gegaan of als reparatie van de schade te veel gaat kosten, wordt het terug te vorderen bedrag vastgesteld zoals bepaald in beleidsregel 2.3-
- Een zelfde benadering geldt ook indien de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is verstrekt en het recht op de voorziening is ingetrokken of beëindigd. Voor het bepalen van het terug te vorderen bedrag, indien er geen sprake is van schade, vindt er een evenredige toerekening naar het aantal jaren dat de voorziening oud is plaats. Als een voorziening geacht wordt in 7 jaar te zijn afgeschreven (zie voor afschrijvingstermijnen beleidsregel 2.2-5, wordt als de voorziening verloren is gegaan tussen het 3de en 4de jaar, 3/7 deel van de aanschafkosten van de voorziening teruggevorderd. Voor het berekenen van het terug te vorderen bedrag wordt uitgegaan van het aantal volle jaren dat de voorziening nog mee had moeten gaan, gedeeld door de afschrijvingstermijn en vermenigvuldigd met het bedrag van de aanschafkosten van de voorziening. 6.1.4 Terugvordering in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening Artikel6.1Informatieplicht, herzien, intrekken en terugvorderen 4 Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte op het individu toegesneden voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Het terugvorderen van een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening bestaat uit het innemen van de voorziening. Bij schade aan de voorziening kan een combinatie van het terugvorderen van de geldswaarde en het innemen van de voorziening aan de orde zijn. 6.1.5 Intrekking persoonsgebonden budget bij niet direct aanwenden Artikel6.1Informatieplicht, herzien, intrekken en terugvorderen 5 Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat deze binnen zes maanden na verstrekking niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Indien blijkt dat een persoonsgebonden budget niet binnen zes maanden is of wordt besteed aan het doel waarvoor deze is toegekend, kan in het algemeen niet meer worden gesproken van een voorziening die noodzakelijk is. Hetzelfde geldt voor een financiële tegemoetkoming (bijvoorbeeld in de verhuiskosten). Mogelijk is er dan op een andere wijze voorzien in de gevraagde ondersteuning. Er zal dan opnieuw naar de situatie moeten worden gekeken. Ten aanzien van de financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten kan nog worden opgemerkt dat verstrekking vrijwel alleen plaatsvindt vanwege een onverwacht optredende noodzaak tot verhuizen. Dit veronderstelt dan ook dat de aanvrager binnen een korte periode na toekenning van de financiële tegemoetkoming daadwerkelijk verhuist. De op het individu toegesneden voorziening is dan niet gebruikt voor het doel waarvoor deze bestemd is. 6.1.6Handhaving, fraudepreventie en toezicht op kwaliteit geleverde zorg Artikel6.1Informatieplicht, herzien, intrekken en terugvorderen 6 Het college onderzoekt mede uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten. De beoordeling van de kwaliteit van de voorzieningen die door gecontracteerde aanbieders worden geleverd (zie volgende hoofdstuk), moet ook de kwaliteit van de geleverde zorg en ondersteuning die wordt ingekocht met een persoonsgebonden budget worden gecontroleerd. Voor de kwaliteit van de geleverde zorg en ondersteuning die met een persoonsgebonden budget worden ingekocht, gelden globaal dezelfde eisen als voor zorg of ondersteuning in natura. Hierbij dient overigens wel rekening te worden gehouden met het feit dat het persoonsgebonden budget is afgestemd op de zorg of ondersteuning die door een aanbieder geleverd kan worden. Voor een aanbieder die het 100% tarief ontvangt gelden alle kwaliteitseisen zoals beschreven in hoofdstuk
- Voor aanbieders die het 85% tarief ontvangen of personen uit het sociale netwerk (en niet-professionals) gelden minder zware kwaliteitseisen. Wel moet in alle situaties beoordeeld worden of het tussen de regisseur en de ondersteuningsvrager afgesproken resultaat wel kan worden bereikt. Voor het toezicht op de kwaliteit wordt een toezichthouder door het college aangewezen. Naast het toezicht op de kwaliteit zal toezicht worden gehouden op de besteding van persoonsgebonden budgetten. Het budget moet worden aangewend voor het doel waarvoor deze verstrekt is: met andere woorden de besteding van het budget moet leiden tot het afgesproken resultaat. Indien dat resultaat niet wordt bereikt doordat geen of onvoldoende zorg wordt geboden, kan het persoonsgebonden budget worden teruggevorderd. Zie hiervoor ook 6.1.3 waarbij is bepaald dat terugvordering van het budget in voorkomende gevallen ook kan plaatsvinden bij de aanbieder. In het algemeen zal een onderzoek naar de besteding van het persoonsgebonden budget plaatsvinden naar aanleiding van een of meerdere signalen dat het budget niet goed wordt besteed of naar aanleiding van een melding over (niet) geleverde zorg door een aanbieder. Daarnaast zal steekproefsgewijs (waarbij de omvang van de steekproef kan oplopen tot 100%) een controle plaatsvinden op de besteding van het persoonsgebonden budget. Afhankelijk van de controle door de Sociale Verzekeringsbank op de door de ondersteuningsvrager ingediende declaraties en facturen, kunnen we gebruik gaan maken van verantwoordingsformulieren. Uit de verantwoordingsformulieren dient de besteding van het persoonsgebonden budget duidelijk te worden. Onduidelijkheden kunnen vervolgens leiden tot een nader onderzoek. Hoofdstuk7Kwaliteit en nadere eisen In dit hoofdstuk staat de kwaliteit van de op het individu toegesneden voorziening centraal. De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de voorzieningen en zal bij de inkoop van de op het individu toegesneden voorzieningen eisen met betrekking tot de kwaliteit stellen aan de aanbieders. Hiermee wordt rekening gehouden bij de vaststelling van de tarieven. Tevens is in dit hoofdstuk het klacht- en medezeggenschapsrecht nader geregeld evenals de verplichting van de aanbieders om calamiteiten en geweld te melden. 7.1 Verhouding prijs en kwaliteit Artikel7.1Verhouding prijs en kwaliteit Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven voor diensten en voorzieningen in het kader van de Jeugdwet en Wmo 2015, in ieder geval rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, en; e. de eventuele extra taken die in verband met de verstrekking van een voorziening van de aanbieders worden gevraagd. De diensten en voorzieningen die worden uitgevoerd in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet worden in regionaal verband ingekocht, met uitzondering van de voorzieningen in het kader van ondersteuning zelfstandig wonen en mobiliteit. Deze laatste voorzieningen worden lokaal ingekocht, waarbij uiteraard rekening is gehouden met bovenstaande uitgangspunten. In het regionale strategische inkoopdocument zijn diverse uitgangspunten opgenomen ten aanzien van de prijs-kwaliteitverhouding. De uitgangspunten zijn onder andere: ·De borging van de zorgcontinuïteit in de brede zin, ondersteund door de uitgangspunten van het hanteren van 90% van het prijspeil 2012 voor zorgcontinuïteitscliënten in 2015, het hanteren van NZA-maximumtarieven voor de Jeugd-GGZ als basis voor de tariefstelling en het regelen van overgangsrecht voor verschillende zorgvormen (jeugdzorgcliënten en Wmo cliënten); Borging van de zorgkwaliteit door regionale organisatie van taken met een hoge mate van specialisme; Regionale raamovereenkomsten met aanbieders voor 2015 met gezamenlijke afspraken over voorwaarden, kwaliteitseisen en tarieven bevatten, maar zonder volumeafspraken of budgetgaranties, met uitzondering van de rechtsopvolger van Bureau Jeugdzorg Overijssel waarbij een 80% budgetgarantie geldt; Raamovereenkomsten worden alleen gesloten met aanbieders die voldoen aan de gestelde eisen; De prestaties van aanbieders zijn contractueel afdwingbaar De regionaal georganiseerde inkoop is in overleg met zorgaanbieders tot stand gekomen, waarbij geborgd is dat zij hun diensten kunnen aanbieden binnen de in de verordening gestelde criteria a tot en met e onder artikel 7.
- De aard en omvang van de te verrichten taken zijn vastgelegd in de daarbij vastgestelde inkoopbestekken. Deze wijzigen waar nodig bij het vaststellen van een volgend inkoopbestek. Eventuele extra taken die in verband met de verstrekking van een voorziening van de aanbieder wordt gevraagd, moeten passen binnen de raamovereenkomst die is afgesloten met die aanbieder. Borging van de kwaliteit is tevens verankerd in het gehanteerde regisseursmodel, waarbij de zorgvraagverheldering en de beschikkingsbevoegdheid over op het individu toegesneden voorzieningen is belegd bij respectievelijk de formele cliëntondersteuning en de gemeente. 7.2 Kwaliteitseisen aanbieders Artikel7.2Kwaliteitseisen aanbieders 1 Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van de op het individu toegesneden voorzieningen, verstrekt op grond van de Wmo 2015, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de ondersteuningsvrager; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 2 Het college kan in de beleidsregels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de op het individu toegesneden voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten. 3 Voor aanbieders van voorzieningen in het kader van de Jeugdwet gelden de kwaliteitseisen zoals bepaald in deze wet. In de Jeugdwet zijn bepalingen met betrekking tot de kwaliteitseisen opgenomen in artikelen 4.1.1 tot en met 4.1.
- Met betrekking tot de kwaliteit van de op het individu toegesneden voorzieningen wordt een driedeling gehanteerd en wel: Eisen aan het resultaat van de dienstverlening Eisen aan de organisatie Eisen aan de beroepskracht 7.2.1Eisen aan het resultaat van de ondersteuning Het spreekt voor zich dat de ondersteuning een bijdrage dient te leveren aan het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid of de mogelijkheid om te kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer zoals verwoord in het ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan worden de resultaten geformuleerd die met de ondersteuning zouden moeten worden bereikt. De regisseur monitort of evalueert periodiek of het afgesproken resultaat met de gekozen vorm van ondersteuning wel wordt behaald. 7.2.2Eisen aan de organisatie Naast eisen ten aanzien van het resultaat van de ondersteuning, worden eisen gesteld aan de organisatie. De volgende eisen worden gesteld aan de organisatie: ·Zorgplan, trajectplan of iets soortgelijks per cliënt; De aanbieder stelt per cliënt een plan op. Dit plan sluit aan op ondersteuningsplan en is afgestemd op de persoonlijke situatie (persoon en omgeving) van de cliënt, waarbij aandacht wordt besteed aan de afstemming tussen professionele hulp en informele zorg. ·Samenwerking met andere partijen in de keten; Aanbieders stemmen periodiek af met andere partijen in de keten (partijen die betrokken zijn bij instroom/uitstroom) ter voorkoming van het ontstaan van wachtlijsten en stagnatie in de keten. ·Samenwerking met andere partijen voor integrale hulpverlening; Wanneer sprake is van meerdere hulpverleners spreken partijen af wie het eerste aanspreekpunt is voor specifieke onderdelen. De beloning van (top)functionarissen is maximaal het bedrag genoemd in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) Opstellen/uitvoeren kwaliteitsbeleid; De aanbieder beschikt over kwaliteitsbeleid, waardoor ze zicht heeft op de prestaties en continu werkt aan verbetering ·Opleveren jaardocument en accountantsverklaring; De aanbieder levert de gemeente jaarlijks een jaarverslag en een accountantsverklaring aan ·Meten van effect bij de cliënt; De aanbieder is ervoor verantwoordelijk om inzichtelijk te maken hoe het gesteld is met de zelfredzaamheid en participatie van haar cliënten en hoe die zich door de geboden ondersteuning ontwikkelt. Vervolg eisen aan de organisatie: ·Meten welke bijdrage de dienstverlening levert aan resultaat; De aanbieder is er voor verantwoordelijk om inzichtelijk te maken welke bijdrage de geboden dienstverlening levert aan de zelfredzaamheid en participatie van haar cliënten ·Meten van cliëntervaring; De aanbieder levert de gemeente jaarlijks de resultaten van een cliëntervaringsmeting aan, met daaraan gekoppeld acties die op basis van de ervaringsmeting ingezet worden. ·Aanbieders beschikken over een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in aanraking kunnen komen. 7.2.3Eisen aan de beroepskracht Het resultaat van de ondersteuning is in grote mate afhankelijk van de inzet van diegenen die het werk in de praktijk moeten uitvoeren. Daarom worden de volgende eisen gesteld aan de beroepskrachten die bij de aanbieder in dienst zijn: handelen tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen in overeenstemming met de professionele standaard; zijn adequaat opgeleid; moeten een geldige verklaring omtrent gedrag kunnen overleggen. 7.3Klachten met betrekking tot de voorziening Artikel7.3Klachtregeling Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van ondersteuningsvragers ten aanzien van alle op het individu toegesneden voorzieningen op grond van de Wmo
- Voor aanbieders van voorzieningen in het kader van de Jeugdwet geldt de regeling met betrekking tot het klachtrecht zoals bepaald in deze wet. In de Jeugdwet is de klachtregeling geregeld in artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.
- De eis dat de aanbieder een klachtenregeling moet opstellen, zal worden vastgelegd in de contracten die we met aanbieders aangaan. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en door hieraan aandacht te besteden in het jaarlijks cliënttevredenheidsonderzoek. Indien een cliënt niet tevreden is over de afhandeling van een klacht, kan op grond van de gemeentelijke klachtenregeling, een klacht worden ingediend bij de gemeentelijke klachtenfunctionaris. 7.4Medezeggenschap gebruikers voorzieningen Artikel7.4Medezeggenschap 1Aanbieders van de op het individu toegesneden voorzieningen in het kader van de Wmo 2015 stellen een regeling vast voor de medezeggenschap over voorgenomen besluiten die voor de gebruikers van belang zijn. 1 2 Voor aanbieders van voorzieningen in het kader van de Jeugdwet geldt de regeling met betrekking tot de medezeggenschap zoals bepaald in deze wet. In de Jeugdwet zijn de bepalingen te vinden in artikelen 4.2.4 tot en met 4.2.
- De eis om de medezeggenschap te regelen, zal worden vastgelegd in de contracten die we met aanbieders aangaan. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met aanbieders en door hieraan aandacht te besteden in het jaarlijks cliënttevredenheidsonderzoek. 7.5 Overleg aanbieders en cliëntervaringsonderzoek Artikel7.5Overleg met aanbieders en cliëntervaringsonderzoek 1 Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de kwaliteit en de naleving van de nadere eisen door periodieke overleggen met de aanbieders van op het individu toegesneden voorzieningen en het zo nodig in overleg met de ondersteuningsvrager ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 2 Het college ziet toe op een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek naar de ervaringen met de verstrekking van op het individu toegesneden voorzieningen. In paragraaf 6.1.6 is de toezichthoudende rol met betrekking tot de kwaliteit al beschreven. Naast deze formele toezichthoudende taak wordt periodiek toegezien op de kwaliteit van de geleverde voorzieningen door in de periodieke overleggen met de aanbieders aandacht te besteden aan de hiervoor beschreven kwaliteitseisen. Indien uit het overleg blijkt dat nader onderzoek nodig is, wordt melding gemaakt bij de toezichthouder. Ervaringen van ondersteuningsvragers bieden een goed inzicht in de kwaliteit van de ondersteuning geboden door aanbieders en de kwaliteit van het proces van toeleiding en toegang. Een jaarlijks onderzoek naar deze ervaringen van ondersteuningsvragers (het cliëntervaringsonderzoek) is dan ook wettelijk verplicht gesteld. 7.6Meldingen calamiteiten en geweld Artikel7.6Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1 Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een op het individu toegesneden voorziening op grond van de Wmo 2015 door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2 Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een op het individu toegesneden voorziening op grond van de Wmo 2015 onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3 De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4 Het college kan in de beleidsregels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld. 5 Voor aanbieders van voorzieningen in het kader van de Jeugdwet geldt de regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten zoals bepaald in deze wet. In de Jeugdwet is in artikel 4.1.7 een bepaling opgenomen betreffende het melden van calamiteiten en geweldsincidenten. Het college moet een regeling treffen voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten. Op grond van lid 4 kunnen eisen worden gesteld aan het melden van calamiteiten en geweld. In onderstaande beleidsregels worden de nadere eisen bepaald. Beleidsregel 7.6-1 De melding van een calamiteit of geweld bevat: De naam van de zorgaanbieder en de functie van de melder; De dagtekening van de melding; De vermelding dat de melding betrekking heeft op een calamiteit als bedoeld in de WMO 2015; De naam en de contactgegevens van de betrokken beroepsbeoefenaar; De naam, de contactgegevens en de geboortedatum van de betrokken cliënt; Een feitelijke omschrijving van de calamiteit en de datum waarop deze heeft plaatsgehad; De naam, de contactgegevens en de functie van de personen, anders dan de betrokken cliënt, die bij de calamiteit waren betrokken; Een beknopte omschrijving van de acties die door of namens de aanbieder zijn en zullen worden genomen, en de termijn waarbinnen een en ander zal plaatsvinden; Of de calamiteit in verband met een redelijk vermoeden van het plegen van een strafbaar feit ter kennis is of zal worden gebracht van het openbaar ministerie. Beleidsregel 7.6-2 Nadere bepalingen met betrekking onderzoek en advies toezichthoudend ambtenaar: De aanbieder verstrekt na de melding desgevraagd aan de toezichthoudend ambtenaar alle gegevens die deze nodig heeft voor het onderzoeken van de melding; Na de beëindiging van het onderzoek legt de toezichthoudend ambtenaar de relevante feiten vast in een concept-rapport; Een concept-rapport wordt zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de melder, de aanbieder en natuurlijke personen die gehoord zijn tijdens het onderzoek; Degenen aan wie het concept-rapport ter kennis is gebracht, krijgen de gelegenheid binnen vier weken schriftelijk of elektronisch te reageren op de inhoud hiervan; Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de reacties, doch in ieder geval binnen vier weken va het verstrijken van de in lid 4 genoemde termijn stelt de toezichthoudend ambtenaar een rapport vast omtrent het onderzoek van de melding. Het rapport bevat de relevante feiten, en het advies aan het college; Indien degenen aan wie het conceptrapport ter kennis is gebracht wezenlijk met de toezichthoudend ambtenaar van mening verschillen over de relevante feiten zoals vastgelegd in het concept-rapport, en de toezichthoudend ambtenaar een reactie niet of niet geheel overneemt deelt deze dit schriftelijk of elektronisch gemotiveerd aan de betrokkene mede. Hoofdstuk8Waardering mantelzorgers De inzet van mantelzorgers verdient steun en waardering. Zij maken de participatiesamenleving tot werkelijkheid. Van waardering gaat bovendien een positieve werking uit. Waardering wordt door de meeste mantelzorgers belangrijk gevonden. In Almelo is in artikel 8.1 van de verordening de volgende tekst opgenomen: Artikel8.1Jaarlijkse waardering Het college regelt in de beleidsregels de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van ondersteuningsvragers in de gemeente. Voor de jaarlijks waardering komen mantelzorgers in aanmerking die ingezetenen van de gemeente Almelo verzorgen. De mantelzorger hoeft dan ook geen ingezetene te zijn van Almelo om in aanmerking komen voor de jaarlijkse waardering. Om de waardering voor mantelzorgers tot uitdrukking te brengen, is gekozen voor het organiseren van goede ondersteunende activiteiten. Daarbij valt te denken aan activiteiten gericht op: erkenning/herkenning (organiseren van themabijeenkomsten, alzheimer- en mantelzorgcafés, mantelzorgdiner en de dag van de mantelzorg); preventie van overbelasting (organiseren van gespreksgroepen en cursussen); materiële en immateriële hulp (uitvoeren geluksroute voor mantelzorgers, begeleid vervoer door vrijwilligers, respijtzorg door oppasdienst aan huis, de mogelijkheid bieden van kortdurend verblijf en ondersteuning maatschappelijke deelname). Met deze activiteiten worden mantelzorgers tevens ondersteund bij de uitvoering van de zorgtaken. De activiteiten worden grotendeels uitgevoer