.4Algemene bepaling In de beschikking tot subsidieverlening geven Gedeputeerde Staten aan op welke wijze de verantwoording van de te ontvangen subsidie plaatsvindt en welke voorwaarden en verplichtingen aan de subsidie zijn verbonden. Artikel2.5Beslistermijn boekjaarsubsidie Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag voor een subsidie per boekjaar uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het jaar, waarvoor de aanvraag is ingediend. Gedeputeerde Staten beslissen op aanvragen die na 1 september zijn ingediend, binnen 17 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Artikel2.6Beslistermijn projectsubsidie en incidentele subsidie Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag voor een projectsubsidie of een incidentele subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na de uiterste indieningstermijn. De beslistermijn bedraagt 22 weken indien: Gedeputeerde Staten, alvorens te beslissen, over een aanvraag advies inwinnen bij een met dat doel ingestelde commissie; sprake is van cofinanciering in het kader van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; een nader onderzoek is ingesteld. Indien de subsidie naar het oordeel van Gedeputeerde Staten moet worden aangemeld bij de Europese Commissie, wordt de beslistermijn opgeschort tot het moment dat de Europese Commissie heeft beslist omtrent de goedkeuring. Artikel2.7Algemene weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb wordt een subsidie in ieder geval geweigerd indien: gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde; de activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende mate zijn gericht op de provincie Drenthe, niet ten goede komen aan ingezetenen van de provincie of niet op andere wijze het belang van de provincie dienen; de subsidie, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, een steunmaatregel vormt in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VWEU, die onverenigbaar is met de interne markt; de subsidie door de Europese Commissie is aangemerkt als onverenigbaar met de interne markt; ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat volgend op een eerdere beschikking van de Europese Commissie, waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; de te verstrekken subsidie minder zou bedragen dan € 1.000,--, tenzij Gedeputeerde Staten in nadere regels als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, hiervan afwijken. Een subsidie kan worden geweigerd indien de aanvrager is opgenomen in het Subsidieregister misbruik en oneigenlijk gebruik van de provincie Drenthe. Artikel2.8Weigering van incidentele subsidies In aanvulling op het eerste lid van artikel 2.7 weigeren Gedeputeerde Staten een incidentele subsidie voor zover de aanvraag betrekking heeft op: de reguliere activiteiten van de aanvrager; de instandhoudingskosten van de aanvrager; de inrichtingskosten van de aanvrager; een structurele activiteit, met uitzondering van structurele activiteiten die in een opbouwfase verkeren; een jaarlijks terugkerende activiteit; een activiteit die onvoldoende provinciale prioriteit heeft. Artikel2.9Bevoorschotting Voor subsidies van minder dan € 25.000,-- die direct worden vastgesteld, wordt het gehele subsidiebedrag in een keer uitbetaald. Subsidies van minder dan € 25.000,--, die binnen 13 weken ambtshalve worden vastgesteld, worden 100% bevoorschot. Het voorschot, bedoeld in het tweede lid, wordt in een keer uitbetaald. Voorschotten voor de overige subsidies worden automatisch verstrekt volgens een in nadere regels of verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. Ritme en hoogte van de bevoorschotting kunnen worden aangepast naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 2.13. Paragraaf2.3Voorwaarden en verplichtingen Artikel2.10Algemene verplichtingen De subsidieontvanger verricht de prestatie(
.3Beslistermijn Gedeputeerde Staten stellen binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, berichten Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling. Gedeputeerde Staten kunnen categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, gaan Gedeputeerde Staten 6 weken na een eenmalig rappel over tot ambtshalve vaststelling. Paragraaf3.3Verantwoording van subsidies Artikel3.4Vermelding wijze verantwoording Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven wordt in de beschikking vermeld op welke wijze verantwoording van de subsidie plaatsvindt. Het verstrekken van subsidies tot € 25.000,-- vindt plaats in de vorm van een vast bedrag dat in nadere regels als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag. Het verstrekken van subsidies van € 25.000,-- tot € 125.000,-- vindt plaats in de vorm van een vast bedrag of een vast bedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat in nadere regels als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag. Subsidies vanaf € 125.000,-- worden vastgesteld op basis van de werkelijke uitgaven en inkomsten van de activiteiten waarvoor zij zijn verleend, tenzij in nadere regels als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, of bij de subsidieverleningsbeschikking anders is bepaald. Artikel3.5Verantwoording van subsidies tot € 25.000,-- Subsidies tot € 25.000,-- worden door Gedeputeerde Staten: direct vastgesteld; of ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht. Bij het verstrekken van een subsidie als bedoeld in het eerste lid onder b wordt aan de subsidieontvanger in elk geval de verplichting opgelegd om desgevraagd, op een door Gedeputeerde Staten van tevoren in de beschikking tot subsidieverlening aangegeven wijze, aan te tonen dat de prestatie(
.4Algemene bepaling Het is belangrijk te bepalen welke prestatie(soort) het meest bepalend is voor het realiseren van de gevraagde prestatie. Dit is de producteenheid, waarop later de vaststelling van de subsidie gebaseerd is (hierop wordt 'afgerekend'). Dit moet dan ook uitdrukkelijk in de subsidieverlening worden opgenomen. Het besluit tot verlening van de subsidie moet ook aangeven op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat, voor de subsidieontvanger van meet af aan duidelijk is waaraan hij achteraf moet voldoen. Bij veel, veelal kleinere subsidies zal het stellen van verplichtingen bij de toekenning niet noodzakelijk zijn. In die gevallen kunnen Gedeputeerde Staten daarvan eenvoudig afzien. In gevallen dat redelijkerwijs nadere verplichtingen dienen te worden gesteld, zullen dit veelal op de subsidieontvanger en de door hem te ondernemen activiteiten toegesneden verplichtingen zijn. In artikel 4:37 van de Awb staan de standaardverplichtingen vermeld die bij de beschikking tot subsidieverlening aan de subsidieontvanger kunnen worden opgelegd. Artikel2.5Beslistermijn boekjaarsubsidie Indien de aanvraag een per boekjaar verstrekte subsidie betreft wordt er uiterlijk op 31 december beslist voor de aanvragen die voor 1 september zijn binnengekomen. Voor de aanvragen die later binnenkomen gaat de termijn van 17 weken lopen op de dag nadat de aanvraag is binnengekomen. De in dit artikel genoemde termijnen kunnen op basis van artikel 4:15 van de Awb worden opgeschort met de duur van een eventuele reactietermijn voor de aanvrager voor het aanleveren van door Gedeputeerde Staten gevraagde informatie om de aanvraag te completeren. Artikel2.6Beslistermijn projectsubsidie De hier genoemde beslistermijnen betreffen maximumtermijnen. Uiteraard wordt er gestreefd naar een zo kort mogelijke beslistermijn. Indien een beschikking niet binnen de termijn van 13 weken kan worden gegeven, wordt dit aan de aanvrager medegedeeld en wordt daarbij een zo kort mogelijke termijn genoemd, waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14 van de Awb). De in dit artikel genoemde termijnen kunnen op basis van artikel 4:15 van de Awb worden opgeschort met de duur van een eventuele reactietermijn voor de aanvrager voor het aanleveren van door Gedeputeerde Staten gevraagde informatie om de aanvraag te completeren. Het tweede en derde lid geven aan wanneer de beslistermijn 22 weken bedraagt. Met het inwinnen van advies in het tweede lid wordt bedoeld het inwinnen van extern advies. Nader onderzoek zoals bepaald in het tweede lid onder c , kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderzoek in het kader van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel2.7Algemene weigeringsgronden In welke gevallen een subsidie geweigerd kan worden, wordt in het algemeen bepaald door de concrete subsidieregeling. De weigeringsgronden hangen immers nauw samen met aard en doel van de desbetreffende subsidie. Aan een beperkt aantal weigeringsgronden bestaat echter bij vrijwel iedere subsidie behoefte. Artikel 4:35 Awb voorziet daarin. De in deze bepaling neergelegde weigeringsgronden zijn aanvullend; zij gelden naast de eventueel in de concrete subsidieregeling neergelegde weigeringsgronden. Dit is in de aanhef van zowel het eerste als het tweede lid tot uitdrukking gebracht door de woorden - in ieder geval -. Op grond van artikel 4:35 Awb kan de subsidieverlening in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; c.de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn. De subsidieverlening kan voorts op grond van artikel 4:35 Awb in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag leiden, of failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. Naast de weigeringsgronden die voortvloeien uit de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb kent de ASV ook een aantal aanvullende algemene weigeringsgronden. De weigeringsgronden in het eerste lid hebben een imperatief karakter waardoor bij weigering volstaan kan worden met de verwijzing naar het artikelonderdeel dat van toepassing is. Van de onder a tot en met d genoemde weigeringsgronden kan, gelet op het fundamentele karakter hiervan, niet worden afgeweken. Van de onder e genoemde weigeringsgrond kan slechts worden afgeweken indien dit specifiek in een subsidieregeling is bepaald. Op grond van het tweede lid kan een subsidie worden geweigerd indien de aanvrager is opgenomen in het Subsidieregister misbruik en oneigenlijk gebruik. Een aanvrager kan hierin alleen opgenomen worden indien deze zich bij de verlening van een eerdere subsidie niet heeft gehouden aan opgelegde verplichtingen of dat andere vormen van misbruik of oneigenlijk gebruik zijn geconstateerd. De criteria voor opname in dit register zijn opgenomen in de Provinciale leidraad voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) bij subsidies. Artikel2.8Weigering van incidentele subsidies Incidentele subsidies zijn, ondanks dat deze geen wettelijke grondslag behoeven, opgenomen in de Asv, zodat Gedeputeerde Staten ook deze subsidies kunnen aansluiten bij de systematiek van deze ASV. Kenmerkend voor deze subsidies is dat er geen toetsingskader is; er is geen subsidieregeling waar een beroep op wordt gedaan en provinciaal beleid ontbreekt. Dit artikel geeft enkele weigeringsgronden specifiek voor de incidentele subsidies. De grondslag hiervoor is dat juist deze subsidies geen betrekking hebben op de reguliere activiteiten van de aanvrager, of op instandhoudings- en/of huishoudingskosten van de aanvrager. Het mag het geen structurele activiteit betreffen, behalve wanneer deze in de opbouwfase zit. Ook een jaarlijks terugkerende activiteit komt niet voor subsidie in aanmerking. Artikel2.9Bevoorschotting Subsidies tot € 25.000,-- worden in één keer uit betaald en niet in gedeelten, omdat dit laatste niet past in de systematiek van het USK, waarbij de mate van administratieve lasten en de hoogte van het subsidiebedrag in het kader van proportionaliteit op elkaar zijn afgestemd. Voorschotten voor de overige subsidies worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de subsidieregeling of de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvraag voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven en inkomsten te overleggen. De subsidieontvanger is verplicht te melden indien er omstandigheden zijn die van invloed zijn op de hoogte van het verleende bedrag. De subsidieverstrekker kan vervolgens, indien nodig door een wijziging van de verleningsbeschikking het bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten aanpassen. Na vaststelling van de subsidie wordt het resterende bedrag (het vastgestelde bedrag verminderd met de verleende voorschotten), uitgekeerd aan de subsidieontvanger. Paragraaf2.3Voorwaarden en verplichtingen Artikel2.10Algemene verplichtingen Bij het verlenen van subsidies worden in principe geen wederzijdse verplichtingen in het leven geroepen maar enkel een eenzijdige aanspraak op financiële middelen. De subsidieontvanger is niet verplicht de gesubsidieerde activiteit uit te voeren, in de zin dat het rechtens afdwingbaar is (omdat het geen overeenkomst betreft). Wel verhoudt zich de subsidieverlening rechtstreeks tot de te leveren prestatie(s). Worden de prestaties niet behaald, dan behoudt de provincie zich het recht voor om de subsidie lager of zelfs op nihil vast te stellen. Het derde lid geeft Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om doelgerichte verplichtingen aan de subsidie te stellen. Artikel 4:38 van de Awb stelt allereerst buiten twijfel dat aan de subsidie ook andere dan de in artikel 4:37 van de Awb bedoelde verplichtingen kunnen worden verbonden. In de tweede plaats behelst de bepaling de norm, dat de verplichtingen moeten strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. Alleen die verplichtingen kunnen worden opgelegd, die redelijkerwijs noodzakelijk en geschikt zijn om het met de subsidie nagestreefde doel te verwezenlijken. Naar hun inhoud kunnen de verplichtingen sterk variëren. Zij kunnen rechtstreeks betrekking hebben op de gesubsidieerde activiteiten. Men denke bijvoorbeeld aan de aan een instelling opgelegde verplichting om bepaalde activiteiten ten behoeve van derden (cursussen o.i.d.) uitsluitend te laten verzorgen door personen die aan bepaalde opleidingseisen voldoen. De verplichtingen kunnen ook een meer afgeleid en ondersteunend karakter hebben. Dat is bijvoorbeeld het geval bij verplichtingen met betrekking tot de wijze waarop de subsidieontvanger zijn administratie moet voeren, of de wijze waarop aan de subsidieverlener moet worden gerapporteerd over de verrichte activiteiten. Het vierde lid geeft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om, indien sprake is van vermogensvorming door de subsidieontvanger als gevolg van de verstrekte subsidie, te bepalen dat de subsidieontvanger een vergoeding is verschuldigd, zoals is bedoeld in artikel 4:41 van de Awb. Deze vergoeding is alleen verschuldigd indien zich een geval voordoet als genoemd in het tweede lid van artikel 4:41 van de Awb. In al deze gevallen komt de subsidie niet meer ten goede aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt. De waardering van de onroerende zaak wordt vastgesteld aan de hand van de actuele WOZ-waarde van de onroerende zaak. Artikel2.11Melding Europese Commissie Een meldingsprocedure bij de Europese Commissie kan lang duren. Uit oogpunt van een effectieve subsidieverstrekking is het niet altijd wenselijk om zo lang te wachten met subsidieverstrekking. Met dit artikel wordt het mogelijk gemaakt de subsidie snel te kunnen verstrekken onder de opschortende voorwaarde dat de Commissie de melding goedkeurt. Op basis van staatssteunregels mag de subsidieontvanger niet op eigen risico reeds een aanvang maken met de subsidiabele activiteiten. (zie ook https://www.europadecentraal.nl/praktijkvraag/steunverlening-onder-voorbehoud-van-goedkeuring-europese-commissie/) Artikel2.12Tussentijdse rapportage In het kader van het beperken van de administratieve lasten wordt de mogelijkheid voor Gedeputeerde Staten om een voortgangsverslag te vragen beperkt. Indien met de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten meer dan 12 maanden is gemoeid, mag, anders dan bij subsidies lager dan € 25.000,--, een tussentijds voortgangsverslag worden gevraagd, maar niet vaker dan één keer per periode van 12 maanden. Bij een uitvoeringsduur van subsidiabele activiteiten van bijvoorbeeld 19 maanden mag dan maximaal één maal een voortgangsverslag worden gevraagd (bij voorbeeld over de eerste 12 maanden). Daarnaast is er dan alleen nog ruimte voor de eindverantwoording, inhoudende dat de subsidieontvanger dient aan te tonen dat de activiteiten zijn uitgevoerd. Artikel2.13Meldingsplicht In het eerste lid is voorzien in een meldingsplicht van de subsidieontvanger. Zodra het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteiten niet geheel, niet tijdig of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zullen worden verricht, of dat er sprake is van de in d tot en met f genoemde gevallen, moet de subsidieontvanger dit zo snel mogelijk melden bij Gedeputeerde Staten. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht, kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 van de Awb alsnog de subsidie worden ingetrokken omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Het op nihil stellen van de subsidies en dus terugvordering van het hele subsidiebedrag kan in een dergelijk geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan, door niet te melden, misbruik maakt van het vertrouwen, dat aan de subsidieverlening ten grondslag lag. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht uiteraard niet geldt voor wijzigingen waarmee de subsidieverlener op verzoek van de ontvanger eerder schriftelijk heeft ingestemd. Wanneer er sprake is van aanmerkelijke verschillen als genoemd in b, waarvan mededeling gedaan moet worden, is niet in algemene zin aan te geven. Dit zal in het bijzonder afhankelijk zijn van de hoogte van de subsidie, mede bezien in het licht van de andere inkomsten van de subsidieontvanger. Indien nodig kan het bestuursorgaan op grond van artikel 4:37, eerste lid, onderdeel c, van de Awb over dit onderwerp nadere voorschriften opleggen. Artikel2.14Administratieve verplichtingen Bij subsidie tot € 125.000,-- wordt niet de verplichting opgelegd om een administratie bij te houden van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onderdeel b, van de Awb. Een uitzondering geldt voor gevallen als bedoeld in artikel 3.7. Aan een verklaring inzake de werkelijke kosten zal wel een financiële administratie ten grondslag moeten liggen. Indien de subsidie € 125.000,-- of meer bedraagt voert de subsidieontvanger een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen, alsmede de uitgaven en inkomsten kunnen worden nagegaan. Tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald, bewaart de subsidieontvanger de in het eerste lid genoemde gegevens ten minste 5 jaar na vaststelling van de subsidie. Artikel2.15Medewerking controle Als logische aanvulling op de meldingsplicht bevat dit artikel de verplichting voor de subsidieontvanger om desgevraagd kosteloos medewerking te verlenen aan een door of vanwege Gedeputeerde Staten gevorderde controle van de administratie of een ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang kunnen worden geacht. Deze controle behelst mede de controle die in het kader van een steekproef wordt gehouden. Hoofdstuk3Subsidievaststelling Paragraaf3.1Aanvraag tot subsidievaststelling Artikel3.1Aanvraag tot vaststelling van een boekjaarsubsidie De subsidieontvanger van een boekjaarsubsidie, die een verleningsbeschikking heeft ontvangen, dient vóór 1 mei, of binnen 17 weken na afloop van het boekjaar, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Indien Gedeputeerde Staten hebben bepaald dat de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld hoeft geen aanvraag tot subsidievaststelling ingediend te worden. Artikel3.2Aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie De subsidieontvanger van een projectsubsidie of een incidentele subsidie dient in beginsel zelf de vaststelling bij Gedeputeerde Staten aan te vragen; de termijn is binnen 13 weken na afloop van de activiteiten of na afloop van het tijdvak waarvoor de verlening gold. Paragraaf3.
.3Beslistermijn De termijn waarbinnen Gedeputeerde Staten gehouden zijn te beslissen op een aanvraag voor subsidievaststelling is bepaald op 22 weken. Indien door de subsidieaanvrager niet alle gegevens zijn overgelegd om op de aanvraag te kunnen beslissen, wordt de termijn met toepassing van artikel 4:15 van de Awb opgeschort tot alle noodzakelijke gegevens door de subsidieontvanger zijn overgelegd. Het derde lid ziet op het ambtshalve vaststellen. Daarbij valt te denken aan subsidies van een beperkte omvang of subsidies die aan een vertrouwde ontvanger worden verstrekt, dan wel subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt. Artikel3.4Vermelding wijze verantwoording Als er sprake is van een subsidieverleningsbeschikking, dient achteraf vaststelling van de subsidie plaats te vinden. Dit kan ambtshalve (zonder dat er een aanvraag tot vaststelling hoeft te worden ingediend) of via een verzoek tot vaststelling. Het tweede lid ziet op de wijze van subsidieverstrekking. Subsidies in het laagste arrangement worden verstrekt in de vorm van een vast bedrag voor een activiteit en zijn dus niet meer afhankelijk van een verantwoording. Het derde lid heeft betrekking op subsidies tussen de € 25.000,-- en € 125.000,--. De hoofdregel is dat het subsidiebedrag een vast bedrag is voor een prestatie of prestatie-eenheid. In tegenstelling tot subsidies van minder dan € 25.000,-- wordt hier wel steeds verantwoording afgelegd. Uit het vierde lid blijkt dat subsidies vanaf € 125.000,-- worden vastgesteld op basis van daadwerkelijk gerealiseerde uitgaven en inkomsten. Daarnaast blijven ook de gerealiseerde prestaties van belang. Deze kunnen aanleiding vormen de subsidie toch niet vast te stellen op het maximaal verleende bedrag. Artikel3.5Verantwoording van subsidies tot € 25.000,-- Subsidies onder de € 25.000,-- worden hetzij verleend en daarna ambtshalve (zonder dat daarvoor een aanvraag tot vaststelling hoeft te worden ingediend) vastgesteld, hetzij vastgesteld zonder dat daar een verleningsbeschikking aan voorafgaat. Gedeputeerde Staten moeten dan desgevraagd wel inzicht kunnen krijgen in de activiteiten die zijn verricht. Deze verplichting rust daarom standaard op de subsidieontvanger. Bij toepassing van de mogelijkheid die genoemd is onder lid 1 b, wordt de subsidie verleend met een verleningsbeschikking en wordt er voor 100% voorschot verleend. De subsidie wordt vervolgens na afloop van de activiteit ambtshalve vastgesteld door de provincie. De keuze voor directe of ambtshalve vaststelling hangt af van de aard van de activiteiten en de risico's die hieraan zijn verbonden. De keuze hiervoor kan zowel in een subsidieregeling als in een beschikking worden gemaakt. Het tweede lid ziet er op dat de bewijsstukken die nodig zijn om de prestatie te verantwoorden, in de verleningsbeschikking worden opgenomen. De mogelijkheid bestaat om steekproefsgewijs aanvullende informatie op te vragen of ter plekke te controleren of de prestatie is verricht. Artikel3.6Verantwoording van subsidies van € 25.000,-- tot € 125.000,-- De ontvanger van een beschikking tot subsidieverlening van € 25.000,-- tot € 125.000,-- hoeft, indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3.7, geen financiële verantwoording af te leggen, maar kan volstaan met een activiteitenverslag. Daarnaast kunnen in de beschikking tot subsidieverlening of bij de subsidieregeling nog andere middelen worden aangewezen waarmee kan worden aangetoond dat de activiteiten zijn verricht en dat aan de verplichtingen is voldaan. Indien subsidies vallen onder (rijks)regelingen waarop de SISA-regels van toepassing zijn, houdt dat in dat de noodzakelijke financiële verantwoordingsinformatie moet worden opgenomen in de SISA-bijlage bij de (reguliere) jaarrekening. Binnen de SISA-systematiek wordt de financiële verantwoording beperkt tot enkele gegevens per uitkering, die in een bijlage wordt toegevoegd aan de jaarrekening en door de accountant wordt gecontroleerd. Artikel3.7Verklaring inzake werkelijke kosten Soms blijkt het niet mogelijk om vooraf de uitgaven en de inkomsten van de prestatie realistisch te begroten. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij innovatieve activiteiten, als er nog geen standaard voor de daarmee samenhangende uitgaven en inkomsten voorhanden is, maar ook indien de uitgaven en inkomsten ter zake van de te verrichten activiteiten onvoldoende in te schatten zijn. Daarnaast kan het bij boekjaarsubsidies van minder dan € 125.000,-- wenselijk zijn om zicht te houden op de werkelijke kosten die met een activiteit gemoeid zijn. In dergelijke gevallen is het mogelijk om vast te stellen op basis van een opgave van de totale werkelijke uitgaven en inkomsten. De vaststelling vindt plaats op basis van een verklaring van de subsidieontvanger over de totaal gerealiseerde uitgaven en inkomsten. Bij toepassing van deze variant komt een afzonderlijke prestatieverantwoording te vervallen. Tevens kan een verklaring inzake werkelijke kosten gevraagd worden in het kader van een uit te voeren doelmatigheidscontrole. De opgave van de gerealiseerde uitgaven en inkomsten vormt de grondslag voor de berekening van het subsidiebedrag. Hierdoor worden detaildiscussies over onderliggende financiële posten voorkomen. Indien de subsidiabele kosten, na aftrek van de gerealiseerde opbrengsten (inclusief gerealiseerde bijdragen van derden) en de gerealiseerde eigen bijdrage, lager zijn dan begroot, wordt de subsidie lager vastgesteld, tenzij rekening dient te worden gehouden met een in de van toepassing zijnde regelgeving geboden mogelijkheid tot het vormen van een reserve. Indien de subsidiabele kosten hoger uitvallen dan begroot, wordt ten hoogste het verleende subsidiebedrag uitgekeerd. Steekproefsgewijs kunnen Gedeputeerde Staten de opgegeven totalen controleren. Artikel3.8Verantwoording van subsidie vanaf € 125.000,-- Bij een subsidieverlening vanaf € 125.000,-- wordt bij een verzoek tot vaststelling naast een activiteitenverslag ook een financieel verslag gevraagd. Gedeputeerde Staten hebben wel de mogelijkheid hiervan af te wijken. Dit kan bijvoorbeeld indien op grond van een risicoanalyse de keuze voor een ander, lichter verantwoordingsarrangement kan worden gemaakt. Hoofdstuk4Krediet- en garantiesubsidies Artikel4.1Toepassingsbereik Krediet- en garantiesubsidies vallen ook onder het subsidiebegrip zoals dit is bepaald in artikel 4:21 van de Awb. Om te bepalen of het verstrekken van geld onder dit begrip valt, is het met name van belang of de middelen worden verstrekt om activiteiten van de ontvanger mogelijk te maken. Gelet op het specifieke karakter van krediet- en garantiesubsidies is een aantal voorafgaande bepalingen niet van toepassing op de verlening hiervan. Ook de verleningsarrangementen van het USK zijn niet van toepassing. Er is geen voorschotbetaling in de bij de subsidies gebruikelijke zin, aangezien het in de regel juist de bedoeling zal zijn dat het hele beschikbare bedrag direct door de subsidieontvanger gebruikt kan worden voor het verrichten van de activiteiten. Het is wel denkbaar dat dit totale subsidiebedrag in tranches beschikbaar wordt gesteld. Artikel4.3Kredietsubsidies In het eerste lid worden imperatief de gegevens genoemd die opgenomen moeten worden in de subsidieregeling of de subsidieverleningsbeschikking. Een rentevergoeding kan ook vastgesteld worden op 0%. Overigens dient bij de bepaling van de rentevergoeding rekening te worden gehouden met de geldende staatssteunregels. In het tweede lid worden niet limitatief overige gegevens genoemd die aanvullend kunnen worden opgenomen. Om meer zekerheid te hebben over de terugbetaling van de lening, kan het gewenst zijn dat de subsidieontvanger zekerheid verschaft. Dit kan eventueel door het vestigen van een pand- en/of hypotheekrecht. Ook is het denkbaar dat al bij de verlening duidelijk is dat de lening onder bepaalde omstandigheden niet terugbetaald hoeft te worden. Een uitvoeringsovereenkomst kan van belang zijn om naast de verplichting om de lening terug te betalen ook verplichtingen op te leggen omtrent de daadwerkelijke uitvoering van de activiteiten. Artikel4.4Garantiesubsidies In het eerste lid worden imperatief de gegevens genoemd die opgenomen moeten worden in de subsidieregeling of de subsidieverleningsbeschikking. Een vergoeding kan - naast een beleidsmatige wens - mede van belang zijn om te voorkomen dat er sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Indien de aanvrager (begunstigde van een garantiesubsidie) zijn verplichtingen jegens de kredietgever nakomt en hij de garantie niet hoeft in te roepen, hoeft geen sprake te zijn van een vergoeding en kan de subsidie worden vastgesteld op € 0,--. Hoofdstuk5Overgangs- en slotbepalingen Artikel5.1Afwijkingsbevoegdheid Deze bepaling beschrijft een drietal situaties waarin Gedeputeerde Staten mogen afwijken van de ASV. Het eerste lid betreft de situatie waarin ook andere bestuursorganen subsidie verstrekken. In dat geval kan zich de situatie voordoen dat een subsidieontvanger te maken krijgt met voorwaarden of verplichtingen die strijdig aan elkaar zijn dan wel leiden tot onaanvaardbare administratieve lasten vanwege een stapeling van verplichtingen. Voor dergelijke gevallen kan een afwijkingsbevoegdheid niet worden gemist. Het tweede en derde lid zien op het voorkomen van strijdigheid tussen bepalingen van de ASV en Europese regelgeving, in die gevallen waarin de subsidieverstrekking, vanwege het voorkomen van ongeoorloofde staatssteun, een kennisgeving of een melding aan de Europese Commissie vereist, respectievelijk in het geval van cofinanciering van een Europees programma. Artikel5.2Hardheidsclausule De ASV legt rechten en verplichtingen vast ten behoeve van de subsidieverstrekking. Het geeft daarmee houvast, zowel aan Gedeputeerde Staten als subsidieverlener als aanvragers van subsidie. Het is echter niet doenlijk om alle denkbare omstandigheden die zich gedurende het proces van subsidieverstrekking kunnen openbaren te voorzien. De (rechts)zekerheid die met het codificeren van de subsidiespelregels is beoogd, zou in een voorkomend geval tot onbillijke resultaten kunnen leiden. De hardheidsclausule kan in die gevallen de onbillijkheid matigen of wegnemen. Niet elke onbillijkheid kan met toepassing van de hardheidsclausule worden ondervangen. Er moet sprake zijn van zwaarwegende redenen. Gedeputeerde Staten zullen toepassing van de hardheidsclausule uitdrukkelijk en steeds in voldoende mate voor ieder concreet geval moeten motiveren. Er valt daarom niet in algemene termen aan te geven wanneer er sprake is van zwaarwegende redenen. Artikel5.3Overgangsrecht Aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, worden volgens de Algemene subsidieverordening provincie Drenthe 2012 behandeld. Dit geldt ook voor alle besluiten die samenhangen met dergelijke aanvragen, zoals besluiten omtrent weigering, verlening, wijziging, intrekking, bevoorschotting en vaststelling. Indien tegen deze besluiten bezwaar is gemaakt of (hoger) beroep is ingesteld, geldt ook de Algemene subsidieverordening provincie Drenthe 2012. Toelichting Algemene subsidieverordening provincie Drenthe 2017 Algemeen Subsidie Onder subsidie wordt op grond van artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Voldoende is dat een aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt. Dit is allereerst van belang, omdat bij subsidies het tijdstip waarop de aanspraak op financiële middelen wordt gevestigd, en het tijdstip waarop die middelen daadwerkelijk worden verstrekt, ver uit elkaar kunnen liggen. Het komt met regelmaat voor dat voorafgaand aan een voorgenomen activiteit toegezegde subsidie pas na afloop van die activiteit daadwerkelijk (volledig) worden verstrekt. Het cruciale moment in het proces van subsidiëring is in zo'n geval niet de daadwerkelijke verstrekking, maar de beslissing dat de voorgenomen activiteit gesubsidieerd zal worden indien zij inderdaad plaatsvindt. Met de term aanspraak wordt voorts benadrukt dat de beslissing om subsidie te verstrekken niet vrijblijvend is. Ook de verlening van een subsidie voorafgaand aan de gesubsidieerde activiteit vestigt een rechtens afdwingbare, zij het voorwaardelijke, aanspraak op financiële middelen. De subsidieverlening is voor het bestuursorgaan bindend. Indien de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteiten verricht en zijn overige verplichtingen nakomt, is het bestuursorgaan gehouden tot nakoming van de subsidieverlening, dat wil zeggen tot het overeenkomstig de verlening vaststellen van de subsidie en het uitbetalen van het subsidiebedrag. De clausule 'anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten' houdt commerciële transacties waarbij de overheid partij is buiten het subsidiebegrip. Onder betaling dient te worden verstaan het leveren van een tegenprestatie die is afgestemd op de waarde van de verkregen goederen of diensten in het economisch verkeer. Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat iedere betaling die, gelet op de geldende marktprijs, wellicht aan de hoge kant is, nu ineens als een subsidie moet worden aangemerkt. De waarde in het economisch verkeer is immers lang niet altijd exact vast te stellen, zodat ook de overheid een zekere vrijheid bij het bepalen van de prijs die zij wil betalen niet kan worden ontzegd. Slechts wanneer die prijs onmiskenbaar zozeer boven de marktprijs ligt, dat redelijkerwijs niet meer van betaling kan worden gesproken, is, indien aan de overige elementen van de definitie is voldaan, sprake van een subsidie. Subsidieverlening en betaling voor goederen of diensten kunnen in de praktijk soms dicht tegen elkaar liggen. Wanneer een bestuursorgaan gelden verstrekt ten behoeve van het verrichten van een bepaald onderzoek, zal soms sprake zijn van subsidiëring, soms van een commerciële transactie waarbij de overheid eenvoudig een noodzakelijk geacht onderzoek uitbesteedt. De aard van de rechtsverhouding moet dan aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval worden vastgesteld. De provincie Drenthe kent de volgende vormen van aanspraak op financiële middelen die vallen onder vorengenoemde definitie van subsidie: - projectsubsidies - boekjaarsubsidies - incidentele subsidies - kredietsubsidies - garantiesubsidies De Algemene subsidieverordening De Algemene subsidieverordening (hierna: ASV) is een door Provinciale Staten vastgesteld wettelijk voorschrift dat, in lijn met de kaderstellende rol van Provinciale Staten, beleidsmatige en budgettaire buitengrenzen formuleert met betrekking tot subsidieverstrekking. Daarnaast leggen Provinciale Staten met de vaststelling van de ASV belangrijke procedurele spelregels vast, waar Gedeputeerde Staten bij de subsidieverstrekking aan gebonden zijn. De ASV kan niet los worden gezien van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarin bepalingen over subsidieverstrekking zijn opgenomen. De bepalingen in de ASV kunnen deels als een aanvulling, deels als een uitwerking van deze subsidietitel worden gezien. Uitgangspunt is dat hetgeen reeds in de Awb is geregeld niet ook in de ASV wordt opgenomen. Er is derhalve geen ruimte om een andere lezing te geven aan reeds in de Awb bepaalde artikelen en begrippen. De ASV moet worden onderscheiden van de wettelijke voorschriften waarin meer specifiek de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt staan beschreven. De Awb hanteert als uitgangspunt dat subsidieverlening op een wettelijke grondslag berust. Bij wettelijk voorschrift kan duidelijkheid worden gegeven over rechten en plichten van de subsidieverlener en subsidieontvanger. Dit bevordert niet alleen de rechtszekerheid, maar, mede daardoor, ook de doelmatige afwikkeling van de subsidieverhouding. De noodzaak een wettelijk voorschrift tot stand te brengen dwingt het bestuursorgaan zich terdege af te vragen, welke doeleinden met de subsidieverstrekking worden nagestreefd, en welke voorschriften en bevoegdheden noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken. Het wettelijk voorschrift moet aan een tweetal minimumeisen voldoen om de beoogde doelmatigheid en rechtszekerheid te bereiken. Allereerst wordt een omschrijving verlangd van de activiteiten waarvoor de subsidie kan worden verleend. Dit is essentieel om de reikwijdte van de wettelijke basis voor de subsidiëring te kunnen bepalen. In de tweede plaats moet de wettelijke regeling een grondslag bieden voor de verplichtingen die het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden, voor zover die grondslag niet reeds in de Awb zelf is neergelegd. Op het vereiste van een wettelijke grondslag voor het verstrekken van subsidie bestaat een aantal uitzonderingen: Indien op een nieuw beleidsterrein de behoefte aan subsidieverlening ontstaat, kan niet altijd de totstandkoming van een wettelijk voorschrift worden afgewacht. Artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Awb biedt dan ook de mogelijkheid dat, indien de voorbereiding van een wettelijk voorschrift ter hand is genomen, met de subsidiëring kan worden begonnen, ook al heeft deze nog geen grondslag in een wettelijk voorschrift. Deze mogelijkheid bestaat gedurende ten hoogste een jaar. Een jaar is in het algemeen voldoende om een wettelijk voorschrift tot stand te brengen. Het komt voor, dat op Europees niveau subsidieprogramma's tot stand komen, waarvan de uitvoering aan nationale instanties wordt overgelaten, maar die niet het karakter van een verbindende regeling hebben. Omdat in dergelijke programma's de voorwaarden waaronder de subsidies kunnen worden verstrekt veelal wel zijn uitgewerkt, zou een wettelijke regeling daarvan slechts een doublure kunnen zijn. Daarom is ook voor deze gevallen een uitzondering op het vereiste van een wettelijke grondslag opgenomen (artikel 4:23, derde lid, onderdeel b). De mogelijkheid bestaat dat de ontvanger en het bedrag van een subsidie uitdrukkelijk in de begroting worden genoemd. Dat gebeurt met name bij subsidies die slechts aan een of enkele ontvangers worden verstrekt. Bij een dergelijk gering aantal ontvangers zou het tot stand brengen van een wettelijk voorschrift dat als grondslag voor de subsidie kan dienen een relatief zware last voor de bevoegde wetgever betekenen, terwijl anderzijds de noodzaak daartoe in mindere mate aanwezig is indien de begroting de ontvanger vermeldt. De vermelding in de begroting maakt immers publieke controle op de subsidieverstrekking mogelijk; in de meerderheid van de gevallen waarin de begroting door een vertegenwoordigend orgaan wordt vastgesteld, stelt de vermelding in de begroting dat orgaan in staat zich rechtstreeks uit te spreken over de wenselijkheid en de hoogte van de subsidie, zodat de democratische controle afdoende is gewaarborgd. Om deze reden is voor dergelijke begrotingssubsidies een wettelijk voorschrift niet vereist. Bepaald is, dat geen wettelijke grondslag is vereist indien zowel het maximale bedrag als de ontvanger van de subsidie in de begroting is vermeld. Dit behoeft niet per sé in de begroting zelf te gebeuren. De beoogde kenbaarheid en mogelijkheid tot democratische controle zijn evenzeer verzekerd, indien de vermelding in de toelichting bij de begroting wordt opgenomen, hetgeen praktisch gezien vaak aantrekkelijker is. Bij de provincie Drenthe worden boekjaarsubsidies als begrotingssubsidie verstrekt. Bij incidentele subsidies is het niet altijd reëel een wettelijk voorschrift te eisen, omdat de met de voorbereiding daarvan gemoeide lasten in die gevallen onevenredig hoog kunnen worden in verhouding tot de met strikte handhaving van het vereiste van een wettelijke grondslag gediende belangen. Daarom is in de Awb bepaald dat in incidentele gevallen zonder grondslag in een wettelijk voorschrift subsidie kan worden verleend, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaar wordt verstrekt. Daarmee is tot uitdrukking gebracht, dat deze uitzondering slechts van toepassing is indien de voorgenomen subsidie in twee opzichten van beperkte betekenis is: zowel het aantal ontvangers als het tijdvak waarvoor de subsidie wordt verstrekt dient beperkt te zijn. Een eenmalige startsubsidie voor een subsidieontvanger voor ten hoogste vier jaar kan derhalve zonder grondslag in een wettelijk voorschrift worden verstrekt, tenzij zij deel uitmaakt van een algemener startersbeleid gericht op een in algemene termen omschreven doelgroep. In het laatste geval kan de subsidie immers niet meer incidenteel genoemd worden. De ASV is in beginsel van toepassing op alle hiervoor genoemde subsidieverstrekkingen, dus ook op subsidieverlening die niet een wettelijke grondslag vereist. Dat is tot uitdrukking gebracht in artikel 1.2 van de ASV. Deregulering Administratieve lasten voor burgers, bedrijven en instellingen worden veroorzaakt door informatieverplichtingen die de overheid oplegt. Vermindering van administratieve lasten en vereenvoudiging van regelgeving worden als een voortdurende opgave van het provinciaal bestuur gezien. Met deze ASV vindt dat zijn vertaling in een eenvoudiger bouwwerk van provinciale regelgeving en een reductie van informatieverplichtingen, zowel bij het aanvragen van subsidie als bij het verantwoorden daarvan. Daarvoor is aansluiting gezocht bij de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 15 december 2009, nr. 3086451, houdende vaststelling van Aanwijzingen voor subsidieverstrekking). Dit is een ministeriële regeling die beoogt het verstrekken van subsidies door de rijksoverheid, en met name de verantwoording daarover, te vereenvoudigen. Deze regeling wordt informeel ook wel het uniform of rijksbreed subsidiekader (USK) genoemd. De verantwoordingssystematiek van subsidie is, geheel in lijn met de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, gebaseerd op de uitgangspunten: • proportionaliteit; • sturing op prestaties en hoofdlijnen; • uniformering en vereenvoudiging, en • verantwoord vertrouwen en risicoacceptatie. Deze uitgangspunten zijn uitgewerkt in de volgende met elkaar samenhangende maatregelen: a. drie standaard uitvoerings- en verantwoordingsarrangementen waarvan de toepassing wordt bepaald door de hoogte van het subsidiebedrag; b. uniformering en vereenvoudiging van begrippen en verplichtingen in het subsidieproces en c. beleid om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen waarbij door middel van risicoanalyses toezicht en controle worden gehouden. Proportionaliteit De ASV gaat uit van proportionaliteit tussen het subsidiebedrag en de administratieve lasten. Hoe lager het subsidiebedrag, hoe eenvoudiger de aanvraagprocedure en de verantwoording zijn ingericht. Aan dit proportionaliteitsbeginsel is invulling gegeven door het invoeren van drie standaard uitvoerings- en verantwoordingsarrangementen waarvan de toepassing wordt bepaald door de hoogte van het subsidiebedrag: tot een bedrag € 25.000,-- wordt de subsidie direct of ambtshalve vastgesteld; vanaf € 25.000-- tot € 125.000,-- vindt verantwoording over de prestatie plaats en vanaf € 125.000,-- wordt verantwoording afgelegd over kosten en prestaties. Voor kleine subsidiebedragen wordt uitgegaan van een meer risicogerichte aanpak waarbij wordt uitgegaan van vertrouwen. Dit betekent dat bij kleine subsidies niet standaard om een verantwoording zal worden gevraagd. In plaats daarvan geldt een actieve meldingsplicht voor de ontvanger bij niet nakoming van de verplichtingen of als de gesubsidieerde prestatie niet (geheel) kan worden geleverd. Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle plaatsvinden bij de ontvanger (via steekproeven). Een meer risicogeoriënteerde aanpak betekent ook een zekere risicoacceptatie; belangrijk hierbij is dat incidenten niet gelijk tot een systeemaanpassing zouden moeten leiden. De focus bij kleine subsidies ligt op het leveren van de prestatie in plaats van op de kosten. Hierdoor kan zich de situatie voordoen dat de werkelijke kosten uiteindelijk lager zijn dan het verstrekte subsidiebedrag. Sturing op prestaties en hoofdlijnen Verantwoording van de meeste subsidies was in het verleden vaak gericht op een verantwoording over de kosten. Hierbij werd zekerheid gezocht in complexe administratieve verplichtingen waarmee hoge administratieve en uitvoeringslasten gepaard gingen. Voorbeelden hiervan zijn gedetailleerde kostenverantwoordingen en verplichtingen met betrekking tot het bijhouden van een urenadministratie. Door het afrekenen op basis van prestaties en het vervallen van de gedetailleerde financiële verantwoording bij kleine subsidies worden de administratieve lasten fors verminderd. Bij deze wijze van subsidiëren wordt geaccepteerd dat – zolang de subsidieontvanger de prestatie/activiteit verricht – het subsidiebedrag hoger kan zijn dan de werkelijke kosten. Een dergelijke situatie leidt niet tot terugvordering. De nadruk bij de subsidieverlening komt te liggen op het vooraf vaststellen en definiëren van de prestatie/activiteit waarvoor de subsidie wordt verstrekt tegen een vooraf afgesproken prijs. Zo nodig kan gebruik worden gemaakt van normbedragen. Uniformering en vereenvoudiging In de ASV zijn processtappen, begrippen en verplichtingen die bij iedere subsidie terugkeren vereenvoudigd en geüniformeerd. Het gaat hierbij om gestandaardiseerde termijnen, conform het USK, die betrekking hebben op zowel de subsidieontvanger als de subsidieverstrekker en op het toepassen van uniforme berekeningswijzen van uurtarieven en andere kosten. De informatieverplichtingen voor de subsidieontvangers zijn verminderd. Er wordt geen tussentijdse rapportage gevraagd voor kortlopende subsidies en de procedure voor het ontvangen van een voorschot is eenvoudig gehouden. Verantwoord vertrouwen en risicoacceptatie Het vierde uitgangspunt is het werken vanuit vertrouwen in plaats van wantrouwen. Aan dit vertrouwensprincipe wordt vormgegeven door niet meer alle subsidieontvangers in alle gevallen te belasten met verantwoordingen, rapportages en controles. De aandacht in de uitvoering verschuift naar de risicogebieden en -groepen, en naar de uitzonderingen. Dit betekent ook meer eigen verantwoordelijkheid van de subsidieontvanger. Zo zal de subsidieontvanger direct schriftelijk moeten melden wanneer de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet zullen worden verricht, of dat niet aan subsidieverplichtingen zal worden voldaan. Werken vanuit vertrouwen betekent dat een zeker risico dat de prestatie niet of niet geheel conform de aan de subsidie verbonden verplichtingen wordt uitgevoerd wordt geaccepteerd. Om op verantwoorde wijze een deel van de huidige sturing los te kunnen laten, moet aan randvoorwaarden worden voldaan om misbruik te voorkomen. Deze randvoorwaarden worden verankerd in beleid om misbruik te voorkomen, waar risicomanagement, strikte handhaving en registratie van misbruik deel van uitmaken. Risicomanagement houdt in dat mogelijke risico’s voorafgaand aan de subsidieverlening in beeld worden gebracht, goed worden afgewogen en dat hierop wordt geanticipeerd, met name bij het inrichten van een steekproefsgewijze controle. Bij de risicoanalyse kunnen onder meer de doelgroep van subsidieontvangers, het type regeling en de hoogte van het subsidiebedrag in beschouwing worden genomen. Met de invoering van de vereenvoudigde verantwoordingssystematiek wordt ook beleid geïntroduceerd om misbruik en oneigenlijk gebruik te bestrijden. Doordat meer wordt uitgegaan van vertrouwen is het van belang dat er voldoende checks and balances in het systeem worden ingebouwd om te borgen dat deze aanpak niet leidt tot misbruik en oneigenlijk gebruik. Meer vertrouwen gaat ook hand in hand met een strikte handhaving. Bij constatering van misbruik zal dan ook consequent worden gehandhaafd op basis van de beschikbare sanctiemogelijkheden (o.a. terugvorderen inclusief wettelijke rente). Onderdeel van de aanpak is ook het opzetten van een registratie van misbruik. Deze registratie kan input geven voor de risicoanalyse die ten grondslag ligt aan de totstandkoming van een subsidieregeling, de afweging bij een individuele subsidieverstrekking (of eventuele weigering) en ten behoeve van de inrichting van de steekproefsgewijze verantwoording. Door op deze manier invulling te geven aan het principe vertrouwen worden goedwillende bedrijven, instellingen en burgers minimaal belast. Artikelsgewijs
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.