Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2017De raad van de gemeente Eersel; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 22 november 2016, nr. R 16-58 gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; b e s l u i t : vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2017 Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt: onder gemeentelijke riolering mede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater begrepen; onder afvalwater verstaan, water en stoffen die worden afgevoerd via de gemeentelijke riolering; onder eigendom verstaan een roerende of een onroerende zaak; onder verbruiksperiode verstaan de periode waarop de afrekening van Brabant Water NV voor de levering van water betrekking heeft. Artikel2Belastbaar feit en belastingplicht Onder de naam "rioolheffing" wordt een directe belasting geheven van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Met betrekking tot de belasting als bedoeld in het eerste lid is gebruiker: degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; ingeval een gedeelte van een eigendom - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 3 - ten gebruiker is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. Artikel3Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 2 bedoeld eigendom blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande, dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt. Artikel4Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de aan het belastingtijdvak voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest, kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd. Voor zover de gegevens als bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van het waterverbruik van vergelijkbare huishoudens. Voor agrarische bedrijven geldt dat melkveehouders geacht worden maximaal 1.499 m3 te lozen en overige agrarische bedrijven maximaal 999 m
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.