← Nederland

Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-B

Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant)Provinciale Staten van Noord-Brabant, Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten, d.d. 11 oktober 2016; Gelet op de artikelen 1.3, zevende lid, 2.4, derde lid, 2.9, derde lid, 3.3, tweede lid, 3.8, tweede lid, 3.10, tweede lid, 3.12, negende lid, 3.14, tweede lid, 3.15, derde en vierde lid, 3.16, derde en vierde lid, 3.25, tweede lid, 3.33, tweede lid, 4.2, tweede lid, 4.3, derde lid en 4.5, vierde lid van de Wet natuurbescherming; Gezien het advies van BrabantAdvies d.d. 2 september 2016, over de door Gedeputeerde Staten op 19 juli 2016 vastgestelde uitgangspunten voor het Statenvoorstel Verordening natuurbescherming; Overwegende dat met ingang van 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming in werking treedt en daarmee de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet, de Boswet, alsmede de daarop gebaseerde regels, van rechtswege zijn vervallen; Overwegende dat op grond van de Wet natuurbescherming taken en bevoegdheden gedecentraliseerd worden aan provincies; Overwegende dat Provinciale Staten het wenselijk achten om regels vast te stellen ten aanzien van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bestrijding van schade en overlast veroorzaakt door dieren; Overwegende dat het daarnaast wenselijk is om regels vast te stellen waaraan de faunabeheereenheid, het faunabeheerplan en de wildbeheereenheden dienen te voldoen; Overwegende dat Provinciale Staten het ook wenselijk achten om regels vast te stellen ten aanzien van houtopstanden; Overwegende dat Provinciale Staten daarbij het bestaande natuurbeleid grotendeels wensen voort te zetten; Besluiten vast te stellen de volgende verordening: §1Natura 2000-gebieden Artikel1.1Begripsbepalingen 1.In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bedrijf: inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo, bestemd voor het fokken, mesten en houden van dieren; dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden, inclusief de daaraan gekoppelde mestopslag of mestbewerkingstechnieken waarvoor een Rav-code is opgenomen in de Rav-lijst; diercategorie: categorie van landbouwhuisdieren van dezelfde diersoort die worden gehouden voor dezelfde landbouwdoeleinden; huisvestingssysteem: huisvestingssysteem als bedoeld in artikel 1van het Besluit emissiearme huisvesting; vergunbare aanvraag: een aanvraag om vergunning voor activiteiten, waarvan aannemelijk is dat voldaan wordt aan de relevante milieueisen en die planologisch inpasbaar zijn; meststoffen: dierlijke meststoffen, overige organische meststoffen en kunstmest als bedoeld in artikel 1 van het Besluit gebruik meststoffen; Natura 2000-gebied: Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; N-depositie: neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat, waarbij de belasting op een punt binnen het habitat uitgedrukt wordt in mol, per ha, per jaar en de belasting op het habitat als geheel in mol, per jaar; Rav: Regeling ammoniak en veehouderij; Rav-lijst: lijst van huisvestingssystemen met bijbehorende jaaremissies van ammoniak per diersoort, opgenomen in bijlage 2 behorende bij de Regeling ammoniak en veehouderij; veehouderij: agrarische bedrijfsvoering met als hoofdactiviteit het houden van vee, pluimvee of pelsdieren; Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; wet: Wet natuurbescherming. 2.Waar in deze paragraaf gesproken wordt over een nieuwe stal, wordt daaronder verstaan: een opgericht of gerenoveerd dierenverblijf; waarvoor op of na 25 mei 2010 een omgevingsvergunning onderdeel bouwen vereist is en door de oprichting of renovatie een wijziging plaatsvindt van het huisvestingssysteem uit de dan geldende Rav-lijst; of waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de in de bijlage 1, behorende bij deze verordening, opgenomen systemen voor zover het aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de emissiereductie van stikstof; een nieuw opgericht verplaatsbaar dierenverblijf; een gebouw dat in de beoogde situatie als dierenverblijf wordt ingericht. Artikel1.2Vrijstelling vergunningplicht 1.Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op: het weiden van vee; het op of in de bodem brengen van meststoffen; agrarische beregening uit grondwater. 2.Door Gedeputeerde Staten worden nadere regels vastgesteld voor handelingen bedoeld in het eerste lid, onder c, met betrekking tot het inrichten, in stand houden, veranderen of in bedrijf hebben van inrichtingen voor de onttrekking van grondwater voor de beregening van grasland, akkerbouw, vollegronds tuinbouw en vollegronds boomteelt. 3.Gedeputeerde Staten houden bij het vaststellen van de nadere regels, bedoeld in het tweede lid, rekening met het beleid en de algemeen verbindende voorschriften van de waterbeheerder. 4.De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, worden door Gedeputeerde Staten uitsluitend vastgesteld, indien: op voorhand op basis van objectieve gegevens vaststaat dat er geen significante effecten voor Natura 2000-gebieden optreden; of, een passende beoordeling over het beleid van de waterbeheerder heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de natuurlijke kenmerken van de Natura- 2000-gebieden niet zullen worden aangetast. 5.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt uitsluitend indien voldaan wordt aan de nadere regels, bedoeld in het tweede lid. Artikel1.3Actualiseren lijst met systemen Door Gedeputeerde Staten wordt bijlage 1, behorende bij deze verordening, gewijzigd zodra wijzigingen in de Rav-lijst, de Wabo of het Activiteitenbesluit milieubeheer daartoe aanleiding geven. Artikel1.4Zorgplicht voor de ondernemer Onverminderd artikel 1.11 van de wet, draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de betrokken inrichting, er zorg voor dat bij het realiseren van een of meer nieuwe stallen deze voldoen aan de vereisten opgenomen in bijlage 2, behorende bij deze verordening, zoals deze geldt op het moment dat de daarvoor vereiste: aanvraag om een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de wet is ingediend; melding ingevolge artikel 2.7, eerste lid van de Regeling natuurbescherming is gedaan; aanvraag om een vergunning ingevolge de Wabo of een ingevolge de Wabo vastgestelde algemene maatregel van bestuur is ingediend, waarvoor op grond van artikel 2.27 van de Wabo een verklaring van geen bedenkingen is vereist; of, indien de onderdelen a tot en met c niet van toepassing zijn: een aanvraag om een vergunning ingevolge de Wabo is ingediend; een melding ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan. De initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de inrichting, draagt er zorg voor dat vanaf 1 januari 2020 geen huisvestingssysteem is toegepast: dat is gerealiseerd op basis van een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit, die: voor de hoofdcategorie rundvee uit de Regeling ammoniak en veehouderij: langer dan 20 jaar geleden onherroepelijk is geworden respectievelijk langer dan 20 jaar geleden is ingediend, voor alle andere diercategorieën: langer dan 15 jaar geleden onherroepelijk is geworden, respectievelijk langer dan 15 jaar geleden is ingediend; dat niet voldoet aan de vereisten, opgenomen in bijlage 2, behorende bij deze verordening. In afwijking van het tweede lid, aanhef, geldt als datum 1 januari 2022, indien: het betreft een huisvestingssysteem dat behoort tot een inrichting die in geheel reeds voldoet aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting; voor het nieuw toe te passen huisvestingssysteem uiterlijk op 1 januari 2020 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning, onderdeel milieu, dan wel een melding ingevolge het Activiteitenbesluit is ingediend. In aanvulling op het tweede en derde lid geldt voor inrichtingen die op 6 juli 2017 op bedrijfsniveau gemiddeld voldeden aan de op dat moment geldende eisen in bijlage 2 van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, dat de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de inrichting voldoende mogelijkheden krijgt, zonder dat de bedrijfsvoering van de onderneming in gevaar komt, om te zorgen dat elk toegepast huisvestingssysteem binnen de inrichting op zichzelf kan voldoen aan de vereisten als opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening. Artikel1.5Actualiseren technische staleisen Door Gedeputeerde Staten wordt bijlage 2, behorende bij deze verordening, gewijzigd indien de ontwikkelingen in emissiereducerende technieken of het regionale N-depositieniveau daartoe aanleiding geven. Artikel1.6Commissie van deskundigen Door Gedeputeerde Staten wordt een commissie van onafhankelijke deskundigen ingesteld. De commissie adviseert over: aanpassingen van bijlage 2, behorende bij deze verordening, waarbij zij beoordeelt of deze al dan niet overeenstemmen met de meest actuele versie van de Rav-lijst; situaties, zowel ad hoc als structureel, waarin de Rav-lijst niet voorziet of sprake is van interpretatieverschillen. De commissie kan afhankelijk van het concrete adviesonderwerp een wisselende samenstelling hebben. Door Gedeputeerde Staten worden nadere regels vastgesteld met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de commissie. Artikel1.7Monitoring Gedeputeerde Staten doen jaarlijks verslag van de ontwikkeling van de N-deposities op de Natura 2000-gebieden. Bij de verslaggeving wordt in ieder geval aandacht gegeven aan: de volumeontwikkeling in de veehouderij; de mate van toepassing van emissiearme stalsystemen; de mate waarin de beleidsdoelstelling met betrekking tot de depositieafname bereikt wordt. §2Beschermingsregime soorten Artikel2.1Begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw -waaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen- en elke andere vorm van bodemcultuur; soorten: beschermde en inheemse soorten als bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.5, eerste lid of 3.10, eerste lid, van de wet; wet: Wet natuurbescherming. Artikel2.2Vrijstelling andere soorten In verband met handelingen als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g, van de wet, is het, in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, toegestaan om: de soorten genoemd in bijlage 3, behorende bij deze verordening, te vangen; de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de soorten, bedoeld in het eerste lid, opzettelijk te beschadigen of te vernielen; Door Gedeputeerde Staten kan bijlage 3, behorende bij deze verordening, worden gewijzigd. Artikel2.3Tijdelijke vrijstelling bunzing, hermelijn en wezel 1.In verband met handelingen als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g, van de wet, is het in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, tijdelijk toegestaan om: de soorten bunzing, hermelijn en wezel te vangen; de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de soorten, genoemd onder a, opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

  1. De tijdelijke vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt tot 1 oktober
  2. Artikel2.4Vrijstelling vogels ter bescherming tegen landbouwwerkzaamheden 1.Ter bescherming tegen landbouwwerkzaamheden en vee is het, in afwijking van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.2, zesde lid van de wet, toegestaan handelingen uit te voeren bestemd en geschikt voor: vogels; eieren; niet vliegvlugge jongen. 2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het verbod tot doden, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet. 3.De niet vliegvlugge jongen, bedoeld in het eerste lid, onder c, dienen onmiddellijk na afloop van de landbouwwerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, weer in vrijheid te worden gesteld. Artikel2.5Vrijstelling amfibieën ter veiligstelling tegen het verkeer 1.Ter veiligstelling tegen het verkeer is het, in afwijking van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, 3.6, tweede lid en 3.10 van de wet, toegestaan om: beschermde inheemse kikkers, padden en salamanders te vangen door middel van het plaatsen van schermen en met behulp van emmers; de soorten, genoemd onder a, onder zich te hebben; de soorten, genoemd onder a, te vervoeren. 2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt slechts: voor het vervoeren over een afstand van ten hoogste 50 meter vanaf de vangplaats; voor zover de dieren na het vervoeren onmiddellijk weer in vrijheid worden gesteld. Artikel2.6Vrijstelling amfibieën voor onderzoek en onderwijs Met het oog op het gebruik bij onderzoek en onderwijs is het, in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 3.10 van de wet, toegestaan: eieren van de meerkikker, de middelste groene kikker, de bruine kikker en de gewone pad, te vangen; eieren van de soorten, genoemd onder a, onder zich te hebben; eieren van soorten, genoemd onder a, te vervoeren; de meerkikker, de middelste groene kikker, de bruine kikker en de gewone pad onder zich te hebben, voor zover de metamorfose nog niet is voltooid; de soorten, genoemd onder d, te vervoeren. Artikel2.7Vrijstelling keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot voor onderzoek en onderwijs Met het oog op het gebruik van deze producten voor onderzoek of onderwijs is het, in afwijking van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.2, zesde lid en 3.6, tweede lid, van de wet, toegestaan: keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot onder zich te hebben; de producten, genoemd onder a, te vervoeren. Artikel2.8Vrijstelling uitzetten diersoorten 1.Voor zover, op basis van deze paragraaf, soorten zijn gevangen is het, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, van de wet, toegestaan dieren of eieren van dieren uit te zetten. 2.De uitzetting, bedoeld in het eerste lid, vindt zo spoedig mogelijk plaats op een voor de soort geschikte locatie. §3Schade- en overlastbestrijding Artikel3.1Begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: één-op-één beheermethode: methode waarbij één persoon dieren opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet; faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; staat van instandhouding van een soort: staat van instandhouding van een soort als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; Vogelrichtlijn: Vogelrichtlijn als bedoeld in artikel 1.1,eerste lid, van de wet; wet: Wet natuurbescherming. Artikel3.2Vrijstelling schadeveroorzakende soorten 1.Ter voorkoming van schade is het, in afwijking van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste, tweede en vierde lid, en 3.10, eerste lid, onder a en b, van de wet, toegestaan de daarin genoemde handelingen te verrichten. 2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend: voor de in bijlage 4, behorende bij deze verordening, genoemde: soorten; handelingen; belangen; middelen, installaties en methoden; voor handelingen ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende jaar dreigende schade; voor de grondgebruiker; op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, in of aan door de grondgebruiker gebruikte opstallen, of in het omringend gebied; nadat passende en doeltreffende preventieve maatregelen zijn ingezet overeenkomstig het faunabeheerplan; indien handelingen worden verricht overeenkomstig het faunabeheerplan. 3.Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, zijn voorschriften en beperkingen verbonden als opgenomen in bijlage 4, behorende bij deze verordening. 4.Gedeputeerde Staten kunnen de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, opschorten indien bijzondere weersomstandigheden hiertoe aanleiding geven. 5.Door Gedeputeerde Staten kan bijlage 4, behorende bij deze verordening, worden gewijzigd. Artikel3.3Rust- en foerageergebieden ganzen en smienten 1.Door Gedeputeerde Staten worden rust- en foerageergebieden aangewezen waar, in de periode 1 november tot 1 april, de volgende soorten niet opzettelijk mogen worden verontrust: brandganzen; grauwe ganzen; kolganzen; rotganzen; taigarietganzen; toendrarietganzen; smienten. 2.Het opzettelijk verontrusten, bedoeld in het eerste lid, wordt, gelet op de verplichtingen op grond van de Vogelrichtlijn, geacht van wezenlijke invloed te zijn op de staat van instandhouding van deze soorten. 3.In afwijking van artikel 3.2, eerste en tweede lid, is het de grondgebruiker, in de door Gedeputeerde Staten aangewezen rust- en foerageergebieden, in de periode 1 november tot 1 april, slechts toegestaan van die vrijstelling gebruik te maken voor zover gebruikmaking hiervan niet leidt tot verontrusting van de aldaar aanwezige, in het eerste lid genoemde, soorten. 4.Indien de grondgebruiker de ingevolge de vrijstelling toegestane handelingen door een ander laat uitoefenen, is het derde lid ook van toepassing op die persoon. 5.Het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor de opstallen, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onder d, voor zover het door de grondgebruiker gebruikte opstallen en de daarbij behorende erven betreft. Artikel3.4Vrijstelling overlast veroorzakende soorten 1.Ter bestrijding van overlast binnen de bebouwde kom is het gemeenten, in afwijking van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste tot en met vierde lid, en 3.10, eerste lid, onder a en b van de wet, toegestaan de daarin genoemde handelingen te verrichten. 2.De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend voor de in bijlage 4, behorende bij deze verordening, genoemde: soorten; handelingen; belangen; middelen, installaties en methoden. 3.Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, zijn voorschriften en beperkingen verbonden als opgenomen in bijlage 4, behorende bij deze verordening. 4.Door Gedeputeerde Staten kan bijlage 4, behorende bij deze verordening, worden gewijzigd. Artikel3.5Éen-op-één beheermethode wilde zwijnen Het doden van wilde zwijnen door middel van de één-op-één beheermethode, bedoeld in artikel 3.33, tweede lid, van de wet, is toegestaan indien dit geschiedt conform een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd faunabeheerplan. §4Faunabeheereenheid Artikel4.1Begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: faunabeheereenheid: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; gunstige staat van instandhouding van een soort: gunstige staat van instandhouding van een soort als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; wet: Wet natuurbescherming; wildbeheereenheid: wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet. Artikel4.2Werkgebied faunabeheereenheid 1.Er is één faunabeheereenheid in de provincie; 2.Het werkgebied bevat het volledige grondgebied van de provincie. Artikel4.3Bestuurssamenstelling 1.Het bestuur wordt voorgezeten door een onafhankelijke voorzitter. 2.De voorzitter wordt met instemming van Gedeputeerde Staten door het bestuur benoemd. 3.De maatschappelijke organisaties, bedoeld in artikel 3.12, tweede lid, van de wet, die in het bestuur vertegenwoordigd zijn, behoeven de instemming van Gedeputeerde Staten. 4.Het bestuur stelt een bestuursreglement vast dat ten minste bevat: een beschrijving van de procedure voor benoeming van: de onafhankelijk voorzitter; de bestuursleden. de zittingsperiode van de bestuursleden en de onafhankelijk voorzitter; een beschrijving van de wijze waarop het bestuur haar maatschappelijke verantwoordelijkheid in transparantie vormgeeft. 5.Het bestuursreglement, bedoeld in het vierde lid: behoeft de instemming van Gedeputeerde Staten; dient uiterlijk drie kalendermaanden na vaststelling van deze verordening voor instemming te zijn voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. 6.Gedeputeerde Staten kunnen één adviseur benoemen die de vergaderingen van het bestuur kan bijwonen. 7.Het bestuur stelt een huishoudelijk reglement vast dat is gericht op: de uitvoering van de loketfunctie; de procedure voor machtigingen; monitoring. 8.Door Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels gesteld worden aan: het bestuursreglement; het huishoudelijk reglement. Artikel4.4Taken en verantwoordelijkheden faunabeheereenheid 1.Naast het vaststellen van een faunabeheerplan heeft de faunabeheereenheid tot taak: het coördineren van de uitvoering van het vastgestelde faunabeheerplan of de faunabeheerplannen; het faciliteren van de mogelijkheid om te komen tot het bestrijden en voorkomen van belangrijke schade aan de in de wet genoemde belangen; het organiseren en coördineren van tellingen van de in het wild levende dieren, conform het faunabeheerplan; het bijhouden van een actueel register van wildbeheereenheden als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet, alsmede de begrenzing van de wildbeheereenheden die in het werkgebied van de faunabeheereenheid werkzaam zijn. 2.De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de achterban van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over ten minste: de aan de faunabeheereenheid toekomende taken en bevoegdheden; de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen; de actuele regelgeving op het gebied van faunabeheer. 3.Gedeputeerde Staten kunnen, onverminderd het eerste en tweede lid, ter uitvoering van het provinciale faunabeleid, aan de faunabeheereenheid extra uitvoerende taken toekennen. Artikel4.5Jaarlijks verslag 1.Het verslag, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de wet, bevat in ieder geval: cijfermatige rapportages over de uitvoering van de vrijstellingen, opdrachten, ontheffingen en de uitvoering voor de jacht voor soorten waar het faunabeheerplan betrekking op heeft; een overzicht van populatieontwikkelingen die een risico kunnen vormen voor de belangen, bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, van de wet, of die een risico vormen voor de gunstige staat van instandhouding van een soort; inzicht in de ontwikkeling van schade veroorzaakt door diersoorten beschreven in het faunabeheerplan. 2.Door Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het jaarlijks verslag aan te leveren gegevens of informatie. §5Faunabeheerplan Artikel5.1Begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: faunabeheereenheid: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; gunstige staat van instandhouding: gunstige staat van instandhouding van een soort als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; jachtaktehouder: houder van de jachtakte als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; jachthouder: jachthouder als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; staat van instandhouding van een soort: staat van instandhouding van een soort als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; wet: Wet natuurbescherming; wildbeheereenheid: wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet. Artikel5.2Geldigheidsduur 1.Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 6 jaren. 2.De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. 3.De wijziging, bedoeld in het tweede lid, behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten. 4.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur, genoemd in het eerste lid, met maximaal 24 maanden verlengen. Artikel5.3Reikwijdte 1.Een faunabeheerplan kan mede betrekking hebben op het grondgebied van een andere faunabeheereenheid dan de faunabeheereenheid in de provincie Noord-Brabant, voor zover het de situatie betreft, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, tweede volzin, van de wet. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.12, derde lid, van de wet heeft een faunabeheerplan betrekking op een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5.000 hectare. Artikel5.4Algemene eisen 1.Een faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens: de omvang van het totale werkgebied van de faunabeheereenheid in hectares; een kaart waarop de begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid is aangegeven; een beschrijving van de samenhang tussen populatiebeheer, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht; een beschrijving van de aard en omvang van de handelingen die zijn verricht in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was; een beschrijving van de aard en de omvang van de handelingen die zullen worden verricht gedurende de geldigheidsduur van het faunabeheerplan, onderscheiden per diersoort; een vermelding van de perioden van het jaar waarin de handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft zullen plaatsvinden; een vermelding van de criteria op basis waarvan wildbeheereenheden handelingen waarop een faunabeheerplan betrekking heeft kunnen verrichten; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten, ten aanzien waarvan binnen de provincie een duurzaam beheer of schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, gebaseerd op uitgevoerde (trend)tellingen, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebieden gedurende het jaar; een overzicht van de gedode dieren, onderverdeeld naar diersoort en representatieve gebieden, in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid; voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel f bedoelde handelingen; een omschrijving van de wijze waarop de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft gewaarborgd zal worden, voor zover de maatregelen binnen de competentie van de faunabeheereenheid vallen.
  3. Het bepaalde in het eerste lid, onder d en i, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold.
  4. Door Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot: de in een faunabeheerplan op te nemen gegevens; de wijze waarop het faunabeheerplan tot stand komt. Artikel5.5Aanvullende eisen met betrekking tot de beperking van de omvang van populaties 1.Met betrekking tot soorten waarvoor binnen de provincie duurzaam beheer van de populatie gewenst of noodzakelijk is, waaronder ook wordt verstaan het in omvang beperken van de populatie of populaties, bevat een faunabeheerplan, met inachtneming van de voorwaarden uit de wet en onverminderd artikel 5.4, ten minste de volgende gegevens: een onderbouwing van de noodzaak van populatiebeheer, bestaande uit een onderbouwing van één of meerdere belangen als bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, van de wet die zouden worden geschaad indien niet tot beheer zou worden overgegaan; de huidige stand van de in de aanhef bedoelde diersoorten waarvoor een ontheffing is verleend, in relatie tot de toekomstige en gewenste stand; een beschrijving wanneer sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding, de wijze waarop monitoring plaatsvindt teneinde dat te voorkomen en de te treffen maatregelen als dit zich voordoet; een beschrijving van de mate waarin de onder a bedoelde belangen in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had zijn geschaad, inclusief de getroffen maatregelen en het naar soort onderscheiden, aantal gedode dieren; een omschrijving van de voorgenomen handelingen en de noodzaak van deze handelingen om de gewenste stand te bereiken en ernstige dan wel belangrijke schade te voorkomen; per diersoort een beschrijving van de handelingen die, in de periode waarop het voorgaande faunabeheerplan betrekking had, zijn verricht om het schaden van de onder a genoemde belangen te voorkomen; een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen handelingen en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze handelingen zal worden bepaald; voor zover het plan betrekking heeft op populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen. 2.Het bepaalde in het eerste lid, onder d en f, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold. Artikel5.6Aanvullende eisen met betrekking tot schadebestrijding op basis van vrijstellingen Met betrekking tot soorten die binnen de provincie, voor zover het het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat, schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken en waarvoor op grond van deze verordening vrijstelling is verleend, bevat een faunabeheerplan, met inachtneming van de voorwaarden uit de wet en onverminderd artikel 5.4, ten minste de volgende gegevens: een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van schadebestrijding onder de vrijstelling, bedoeld in de artikelen 3.2 tot en met 3.5, is gewaarborgd; voor zover daarover redelijkerwijs gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de mate waarin de belangen, op grond waarvan de vrijstelling is verleend, in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren, kwantitatieve gegevens over het effect van die handelingen. Artikel5.7Aanvullende eisen met betrekking tot schadebestrijding op basis van een ontheffing 1.Met betrekking tot soorten die binnen de provincie, voor zover het het werkgebied van de faunabeheereenheid omvat, schade veroorzaken of dreigen te veroorzaken en waarvoor ontheffing is vereist, bevat een faunabeheerplan, met inachtneming van de voorwaarden uit de wet en onverminderd artikel 5.4, ten minste de volgende gegevens: een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding, waaronder een onderbouwde verwachting van de mate waarin de belangen, bedoeld in de artikelen 3.3, vierde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4°, 3.8, vijfde lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° en artikel 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, van de wet, zouden worden geschaad indien niet tot schadebestrijding zou worden overgegaan; een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel a bedoelde belangen, in de periode waarin het voorafgaande faunabeheerplan geldig was, zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van het effect van die handelingen; in geval wordt gekozen voor de handeling doden, een beschrijving waarom alternatieve handelingen of handelwijzen niet tot een bevredigend resultaat zullen leiden. 2.Het eerste lid, onder b, geldt niet voor soorten waarvoor in de voorgaande periode geen faunabeheerplan gold. Artikel5.8Eisen met betrekking tot de jacht Inzake de jacht bevat het faunabeheerplan ten minste: de gegevens, genoemd in artikel 5.4, onder a tot en met i; in samenhang met de gegevens, genoemd in artikel 5.4, onder c, een beschrijving van de maatschappelijke belangen die worden gediend met de uitoefening van de jacht; een omschrijving van de ‘redelijke stand van het aanwezige wild’, bedoeld in artikel 3.20, derde lid, van de wet, onderverdeeld naar wildsoort per representatief gebied; een beschrijving van de maatregelen die door jachthouders op het niveau van een wildbeheereenheid of de wildbeheereenheden worden getroffen indien, als gevolg van de in het faunabeheerplan beschreven jacht, de redelijke stand van het aanwezige wild of de aanwezige wildsoorten negatief wordt beïnvloed; een beschrijving van de wijze waarop jachtaktehouders de gegevens, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van de wet, verstrekken aan de faunabeheereenheid; een beschrijving van de ontwikkeling van de populatie op basis van trendgegevens. Artikel5.9Goedkeuring 1.Om voor goedkeuring als bedoeld in artikel 3.12, zevende lid, van de wet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de eisen die voortvloeien uit de wet en het in deze verordening bepaalde. 2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid. §6Wildbeheereenheden Artikel6.1Begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: faunabeheereenheid: faunabeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; faunabeheerplan: faunabeheerplan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; wet: Wet natuurbescherming; wildbeheereenheid: wildbeheereenheid als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet. Artikel6.2Oppervlakte en begrenzing 1.De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5.000 hectare. 2.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde eis, voor de duur van ten hoogste één jaar. 3.Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van wildbeheereenheden die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, de in het tweede lid genoemde termijn verlengen met ten hoogste één jaar. 4.Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot het werkgebied van een andere wildbeheereenheid. 5.Een wildbeheereenheid kan, in overeenstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzingen van haar werkgebied wijzigen. 6.Het werkgebied van een wildbeheereenheid is volledig gelegen binnen het grondgebied van de provincie Noord-Brabant. 7.De wildbeheereenheid draagt er zorg voor dat de juiste begrenzing van het werkgebied wordt gemeld aan de faunabeheereenheid. Artikel6.3Statuten 1.De wildbeheereenheden dragen er zorg voor dat de verenigingsstatuten zodanig zijn geformuleerd dat deze met betrekking tot de doelstellingen overeenkomen met de eisen uit de wet. 2.Indien de doelstellingen, bedoeld in het eerste lid, niet aansluiten bij de eisen uit de wet, dient het bestuur van de wildbeheereenheid er zorg voor te dragen dat deze binnen 6 maanden na vaststelling van deze verordening in de verenigingsstatuten zijn aangepast. Artikel6.4Tellingen en registratie 1.De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied, ter uitvoering van het bepaalde in het faunabeheerplan, de (trend)tellingen van in het wild voorkomende diersoorten. 2.De wildbeheereenheid draagt zorg voor een gecoördineerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van de wet. 3.Het eerste en tweede lid worden uitgevoerd conform het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde faunabeheerplan. Artikel6.5Informatieverstrekking 1.De wildbeheereenheid verstrekt op verzoek van de faunabeheereenheid de nodige informatie aan de faunabeheereenheid over de uitvoering van het faunabeheerplan. 2.De wildbeheereenheid informeert haar leden op adequate wijze over: regelgeving; de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane handelingen; ecologische feiten; ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer. §7Tegemoetkoming faunaschade Artikel7.1Aanvraag 1.Een aanvraag om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming, wordt door de aanvrager ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier of vastgestelde elektronische wijze. 2.De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd. 3.Schade welke niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Artikel7.2Taxatie van de schade 1.De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om een tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten dan nadat de schade namens of in opdracht van Gedeputeerde Staten is getaxeerd. 2.Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen na ontvangst van het formulier aan Gedeputeerde Staten. §8Houtopstanden Artikel8.1Begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: ambitiekaart: kaart als bedoeld in de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016; boskern: aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van tenminste 5 hectare; dunnen: dunnen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; herbeplanten: herbeplanten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; houtopstand: houtopstand als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet; maatregelkaarten: Maatregelkaarten biodiversiteit in 18 leefgebieden; vellen: vellen als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van de wet; wet: Wet natuurbescherming. Artikel8.2Vrijstelling meldings- en herplantplicht 1.Het verbod, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, alsmede de verplichting, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet, zijn niet van toepassing indien sprake is van: houtopstanden op oevers van vennen en poelen over een breedte 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn; houtopstanden in verband met het realiseren van een werk overeenkomstig een onherroepelijk bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan waarvoor reeds een planologische compensatie is vereist; of, een tijdelijke houtopstand. 2.Van een houtopstand als bedoeld in het eerste lid, onder c, is sprake mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: voordat tot aanleg van de houtopstand is overgegaan, is het tijdstip en de plaats van de aanleg middels een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier bij Gedeputeerde Staten gemeld; de houtopstand is niet aangeplant ter voldoening aan een andere verplichting tot herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet en is tevens vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving; de houtopstand is aangeplant voor de productie van hout of biomassa; de houtopstand wordt binnen een periode van 40 jaar geheel geveld, gerekend vanaf het tijdstip van aanleg dat is vermeld op het formulier, bedoeld onder a. Artikel8.3Eisen vellingsmelding Ter voldoening aan de meldingsplicht, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet, stelt de melder in ieder geval de volgende gegevens ter beschikking aan Gedeputeerde Staten: naam-, adres- en woonplaatsgegevens, contactgegevens en, indien van toepassing, bedrijfsgegevens van de melder en eigenaar; de kadastrale gegevens van de locatie van velling; minimaal één topografische kaart op de schaal 1:25.000 of 1:50.000, waarop de locatie van de velling is aangegeven; de oppervlakte van de velling of, in geval van rijbeplanting, het aantal bomen; de boomsoort waarop de velling betrekking heeft; de leeftijd van de houtopstand; de reden van de velling. Artikel8.4Termijnen voor vellingsmelding Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet wordt ten minste vier weken en niet langer dan één jaar voorafgaand aan de velling gedaan. Artikel8.5Wijze van melden en indienen van ontheffingsverzoeken Een melding als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet en een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 4.5, eerste en derde lid van de wet, kan enkel worden ingediend met gebruikmaking van een door Gedeputeerde Staten daartoe vastgesteld formulier of via vastgestelde elektronische wijze. Artikel8.6Eisen herbeplanting Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet voldoet in elk geval aan de volgende eisen: de oppervlakte van de herbeplanting is tenminste even groot als de oppervlakte van de gevelde houtopstand; de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van 5 à 10 jaar een gesloten kronendak vormen; het gebruik van sierheesters, tuinsoorten en soorten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten een gevaar vormen voor de natuurlijke biodiversiteit ter plaatse, is niet toegestaan; herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de wet niet aantasten; de herbeplante houtopstand kan op termijn tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen. Artikel8.7Ontheffingen 1.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 8.4 genoemde termijnen. 2.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de herplantplicht, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet, indien sprake is van: velling van een houtopstand die als gevolg van natuurlijke processen op heideterreinen of zandverstuivingen is ontstaan; velling van een houtopstand in verband met het omvormen naar een ander natuurbeheertype dan bos, op basis van de als onderdeel van het Natuurbeheerplan vastgestelde ambitiekaart of maatregelkaarten; velling van een houtopstand ter bevordering van de cultuurhistorische, aardkundige of archeologische waarden ter plaatse. 3.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot herplant op dezelfde grond, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet mits dit niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden ter plaatse en, onverminderd artikel 8.6, wordt voldaan aan de volgende eisen: de andere grond is gelegen in de provincies Noord-Brabant of Limburg; de andere grond is van gelijkwaardige grondkwaliteit; indien de velling heeft plaatsgevonden op grond die is gelegen in of aan een boskern vindt herplant ook plaats in of aan een boskern; beplanting van de andere grond, gaat niet ten koste van ter plaatse aanwezige beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden; de andere grond is onbeplant en vrij van herplantplicht als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet en tevens vrij van (natuur)compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving. 4.Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de herplanttermijn, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet indien natuurlijke of fysieke omstandigheden het niet mogelijk maken om binnen de termijn van 3 jaar aan de herplantplicht te voldoen. §9Overgangs- en slotbepalingen Artikel9.1Hardheidsclausule Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mits dit geen negatieve invloed heeft op het streven naar de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten of houtopstanden. Artikel9.2Intrekking De Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013, de Verordening vrijstellingen ex artikel 65 Flora- en faunawet 2007 van de provincie Noord-Brabant en de Verordening ophokplicht duiven Noord-Brabant 2005 worden ingetrokken. Artikel9.3Overgangsrecht reeds gerealiseerde nieuwe stallen Voor nieuwe stallen waarvoor op 25 mei 2010 reeds een melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan, een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, de Woningwet, dan wel de Natuurbeschermingswet 1998 in behandeling is genomen, treedt de technische uitvoering volgens die vergunningaanvraag of melding, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in bijlage 2, behorende bij deze verordening. Onverminderd het eerste lid, treedt de technische uitvoering volgens de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in bijlage 2, behorende bij deze verordening. Het eerste lid is niet van toepassing indien: de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, is ingetrokken; de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een algehele weigering inhoudt; of, het bevoegde gezag heeft medegedeeld dat het Besluit landbouw milieubeheer niet op de inrichting van toepassing is. Artikel9.4Overgangsrecht meldingen Op meldingen en salderingsverzoeken die zijn ingediend voor 29 maart 2013, blijft artikel 1, onder i, en bijlage 1, behorende bij de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant, zoals die luidde op het tijdstip van indiening van die melding, zijn gelding behouden. Artikel9.5Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet natuurbescherming in werking treedt. Artikel9.6Citeertitel De verordening wordt aangehaald als: Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. ’s-Hertogenbosch,Provinciale Staten van Noord Brabant,de voorzitter prof. dr. W.B.H.J. van de Donkde griffier wm. mr. K.A.E. ten CateBijlage1behorende bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant Lijst met systemen als bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, onderdeel a, onder 2˚
  5. Luchtwasser
  6. Warmtewisselaar
  7. Warmteheater
  8. Mixluchtventilatie
  9. Biofilter
  10. Putten bij rundvee gekoppeld aan dierplaatsen
  11. Rooster(vloeren) bij rundvee gekoppeld aan dierplaatsen Bijlage2behorende bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant Lijst met technische staleisen als bedoeld in artikel 1.4 Emissiefactoren voor de emissie vanuit het dierenverblijf, inclusief de emissie van de mest die in het dierenverblijf is opgeslagen, die van toepassing zijn op nieuwe of bestaande huisvestingssystemen die op grond van artikel 1.4 aan deze bijlage moeten worden getoetst. De in deze bijlage opgenomen (streef)reducties zijn percentages die gelden ten opzichte van de traditionele emissies, zoals opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij. De bijbehorende emissiefactor is de emissie uitgedrukt in het aantal kilogrammen ammoniak per dierplaats per jaar dat maximaal is toegestaan. Code in RAV-lijst Diercategorie Streefreductie/ emissie in kg NH3/dp/jr traditioneel systeem volgens Rav Eisen t/m 31-12-2019 Eisen in de periode 1-1-2020 t/m 31-12-2023 Eisen in de periode 1-1-2024 t/m 31-12-2027 Eisen vanaf 1-1-2028 Streef­reductie Emissiefactor Streef­reductie Emissiefactor Streef­reductie Emissiefactor Streef­reductie Emissiefactor Runderen A1 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar -beweiden 40-55% 12,3 43% 7,0 43% 7,0 51% 6,0 51% 6,0 -permanent opstallen in open stal 70% 13,0 46% 7,0 54% 6,0 62% 5,0 70% 4,0 -permanent opstallen in mechanisch geventileerde stal 85% 13,0 61% 5,1 61% 5,1 70% 4,0 70% 4,0 A2 zoogkoeien ouder dan 2 jaar - 100 of meer zoogkoeien in ligboxen incl. kalveren 0% 4,1 46% 2,2 54% 1,9 61% 1,6 71% 1,2 - zoogkoeien ouder dan 2 jaar overige huisvesting 0% 4,1 0% 4,1 0% 4,1 0% 4,1 0% 4,1 A31 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar - in ligboxen 40-85% 4,4 43% 2,5 43% 2,5 50% 2,2 50% 2,2 - overige huisvesting 0% 4,4 0% 4,4 0% 4,4 0% 4,4 0% 4,4 1 Biologisch gehouden jongvee valt niet onder deze categorie zodat voor hen geen reductie-eis geldt. Deze bedrijven dienen een bewijs van aanmelding of certificaat van Skal te overhandigen om te kunnen vaststellen dat het gaat om (omschakeling naar) een biologisch veehouderijbedrijf. A42 vleeskalveren tot circa 8 maanden 85% 3,5 50% 1,8 50% 1,8 70% 1,1 85% 0,5 A62 vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden - minder dan 100 dieren A6+A7 0% 5,3 0% 5,3 0% 5,3 0% 5,3 0% 5,3 -100 of meer dieren A6+A7 70% 5,3 46% 2,9 54% 2,4 62% 2,0 70% 1,6 A72 fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar - minder dan 100 dieren A6+A7 0% 6,2 0% 6,2 0% 6,2 0% 6,2 0% 6,2 -100 of meer dieren A6+A7 70% 6,2 46% 3,3 54% 2,9 62% 2,4 70% 1,9 2 Biologisch gehouden vleesrundvee valt niet onder deze categorie zodat voor hen geen reductie-eis geldt. Deze bedrijven dienen een bewijs van aanmelding of certificaat van Skal te overhandigen om te kunnen vaststellen dat het gaat om (omschakeling naar) een biologisch veehouderijbedrijf. Schapen B1 schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg 0% 0,7 0% 0,7 0% 0,7 0% 0,7 0% 0,7 Geiten C13 geiten ouder dan 1 jaar -minder dan 500 dieren C1+C2+C3 0% 1,9 0% 1,9 0% 1,9 0% 1,9 0% 1,9 -500 of meer dieren C1+C2+C3 85% 1,9 70% 0,6 70% 0,6 85% 0,29 85% 0,29 C23 opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar -minder dan 500 dieren C1+C2+C3 0% 0,8 0% 0,8 0% 0.8 0% 0,8 0% 0,8 -500 of meer dieren C1+C2+C3 85% 0,8 70% 0,3 70% 0,3 85% 0,12 85% 0,12 C33 opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen -minder dan 500 dieren C1+C2+C3 0% 0,2 0% 0,2 0% 0,2 0% 0,2 0% 0,2 -500 of meer dieren C1+C2+C3 85% 0,2 70% 0,06 70% 0,06 85% 0,03 85% 0,03 3 Biologische geitenhouderijen vallen niet onder deze categorieën zodat voor hen geen reductie-eis geldt. Gelet op de verplichting dat de dieren altijd naar buiten moeten kunnen en de stallen natuurlijk geventileerd moeten worden is toepassing van luchtwassers niet mogelijk. Deze bedrijven dienen een bewijs van aanmelding of certificaat van Skal te overhandigen om te kunnen vaststellen dat het gaat om (omschakeling naar) een biologisch veehouderijbedrijf. Varkens4 D1.1 biggenopfok (gespeende biggen) 85% 0,69 85% 0,1 85% 0,1 85% 0,1 85% 0,1 D1.2 kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) 85% 8,3 85% 1,3 85% 1,3 85% 1,3 85% 1,3 D1.3 guste en dragende zeugen 85% 4,2 85% 0,63 85% 0,63 85% 0,63 85% 0,63 D2 dekberen, 7 maanden en ouder 85% 5,5 85% 0,83 85% 0,83 85% 0,83 85% 0,83 D3 vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking 85% 3,0 85% 0,45 85% 0,45 85% 0,45 85% 0,45 4 Voor de biologische varkenshouderij (categorie D) geldt een streefreductie van 40%. Gelet op de verplichte uitloop is toepassing van luchtwassers geen optie. Ook zijn er nog geen specifieke huisvestingssystemen beschikbaar. Per geval worden aanvullende emissiereducerende maatregelen gevraagd. Deze bedrijven dienen een bewijs van aanmelding of certificaat van Skal te overhandigen om te kunnen vaststellen dat het gaat om (omschakeling naar) een biologisch veehouderijbedrijf. Kippen K= Kolonie S= Scharrel V= Volière E1 opfokhennen en hanen van legrassen; jonger dan 18 weken - niet-batterijhuisvesting 85% 0,170 K 90% 0,017 90% 0,017 90% 0,017 90% 0,017 S 40% 0,102 60% 0,068 70% 0,051 85% 0,026 V 83% 0,029 85% 0,026 85% 0,026 85% 0,026 - batterijhuisvesting 85% 0,045 87% 0,007 87% 0,007 87% 0,007 87% 0,007 E2 legkippen en (groot-)ouderdieren van legrassen niet-batterijhuisvesting 85% 0,315 K 90% 0,032 90% 0,032 90% 0,032 90% 0,032 S 78% 0,069 85% 0,047 85% 0,047 85% 0,047 V 83% 0,056 85% 0,047 85% 0,047 85% 0,047 - subcategorie leg(groot)ouderdieren 85% 0,315 72% 0,088 78% 0,069 85% 0,047 85% 0,047 E3 (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok; jonger dan 19 weken 85% 0,250 40% 0,150 60% 0,100 85% 0,075 85% 0,038 E4 (groot-)ouderdieren van vleeskuikens 85% 0,58 25% 0,435 40% 0,348 60% 0,232 85% 0,087 E5 Vleeskuikens 85% 0,080 70% 0,024 74% 0,021 85% 0,012 85% 0,012 E6 additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag i.c.m. - opfokleghennen (E1) en vleeskuikens (E5) 85% 0,03 67-70% 0,010- 0,009 85% 0,005 85% 0,005 85% 0,005 - leghennen (E2) en –vleeskuiken(groot)ouderdieren (E3 en E4) 85% 0,05 67-70% 0,017- 0,015 85% 0,008 85% 0,008 85% 0,008 Kalkoe-nen F1 ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; tot 6 weken 85% 0,15 0% 0,15 0% 0,15 0% 0,15 85% 0,02 F2 ouderdieren van vleeskalkoenen in opfok; van 6 tot 30 weken 85% 0,47 0% 0,47 0% 0,47 0% 0,47 85% 0,05 F3 ouderdieren van vleeskalkoenen van 30 weken en ouder 85% 0,59 0% 0,59 0% 0,59 0% 0,59 85% 0,09 F4 vleeskalkoenen 85% 0,68 40% 0,41 60% 0,27 70% 0,20 85% 0,10 Eenden G1 ouderdieren van vleeseenden tot 24 maanden 85% 0,32 0% 0,32 0% 0,32 0% 0,32 85% 0,048 G2 vleeseenden 85% 0,21 0% 0,21 0% 0,21 0% 0,21 85% 0,032 Nertsen H1 nertsen, per fokteef 85% 0,58 57% 0,25 57% 0,25 Verbod Verbod Konijnen I1 voedster inclusief 0,15 ram en bijbehorende jongen tot speenleeftijd 85% 1,2 40% 0,72 50% 0,6 70% 0,36 85% 0,18 I2 vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd 85% 0,2 40% 0,12 50% 0,10 70% 0,06 85% 0,03 Parelhoenders J15 parelhoenders voor de vleesproductie 85% 0,080 70% 0,024 74% 0,021 85% 0,012 85% 0,012 5 Bij deze diercategorie kunnen dezelfde huisvestingssystemen en de bijbehorende emissiefactoren worden toegepast als die welke zijn opgenomen bij de diercategorie vleeskuikens (E5). Paarden K1 volwassen paarden (3 jaar en ouder) 0% 5,0 0% 5,0 0% 5,0 0% 5,0 0% 5,0 K2 paarden in opfok (jonger dan 3 jaar) 0% 2,1 0% 2,1 0% 2,1 0% 2,1 0% 2,1 K3 volwassen pony's (3 jaar en ouder) 0% 3,1 0% 3,1 0% 3,1 0% 3,1 0% 3,1 K4 pony's in opfok (jonger dan 3 jaar) 0% 1,3 0% 1,3 0% 1,3 0% 1,3 0% 1,3 Struisvo­gels L1 struisvogelouderdieren 0% 2,5 0% 2,5 0% 2,5 0% 2,5 0% 2,5 L2 opfokstruisvogels (tot 4 maanden) 0% 0,3 0% 0,3 0% 0,3 0% 0,3 0% 0,3 L3 vleesstruisvogels (4 tot 12 maanden) 0% 1,8 0% 1,8 0% 1,8 0% 1,8 0% 1,8 Toelichting toepassing huisvestingssystemen voor diercategorieën waarin de Regeling ammoniak en veehouderij niet voorziet. A2 Zoogkoeien ouder dan 2 jaar en A3 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Indien zoogkoeien en/of vrouwelijk jongvee gehouden worden in een huisvestingssysteem met ligboxen zoals dat wordt toegepast in de categorie A1 melkveehouderij, wordt voor deze categorieën aangesloten bij de huisvestingssystemen opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij bij de categorie A
  12. Er wordt dan vergelijkbaar reductiepercentage als bij categorie A1 gehanteerd. Een huisvestingsysteem uit de categorie A1 met een emissie van 7,0 kg ammoniak per dierplaats per jaar en een reductie van 46% geeft bij toepassing in de categorieën A2 en A3 een gelijk reductiepercentage ten opzichte van de factor van traditionele huisvesting in de categorieën A2 en A
  13. A6 vleesstieren en overig vleesvee van 8 tot 24 maanden en A7 fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar. Vleesstieren worden tegenwoordig veelal in strostallen gehouden, hebben vaak een open karakter en worden veelal natuurlijk geventileerd en lenen zich daarom minder goed voor luchtwassystemen. De effectiviteit van een luchtwasser zal onder zulke omstandigheden lager zijn en meer in lijn liggen met die van de melkveehouderij. Aan bedrijven met weinig dieren (minder dan 100 dieren als som categorie A6 en A7) wordt daarom vooralsnog geen emissiereductieverplichting opgelegd. Voor de grotere gespecialiseerde bedrijven met meer dan 100 dieren uit de categorieën A6 en A7 wordt aangesloten bij de reductieeisen voor de melkveehouderij. C1 geiten ouder dan 1 jaar, C2 opfokgeiten van 61 dagen t/m 1 jaar en C3 Voor deze categorieën is toepassing van luchtwassers uit de categorie D (varkens) mogelijk. In verband met de bedrijfsvoering wordt rekening gehouden met lekverliezen waardoor 5% van de lucht ongezuiverd naar buiten gaat. Voor toepassing in de geitenhouderij wordt daarom 5% van het verwijderingsrendement dat is toegekend aan het systeem in mindering gebracht. Een luchtwasser met een verwijderingsrendement van 85% voor de varkenshouderij heeft een rendement van 80% bij toepassing in de geitenhouderij. Een luchtwasser met een rendement van 70% voor de varkenshouderij voldoet hiermee niet aan de reductiedoelen voor de geitenhouderij. De verwachting is dat deze systemen in oktober 2017 opgenomen worden in de Regeling ammoniak en veehouderij. Bijlage3behorende bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant Soorten als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Amfibieën Bruine kikker Rana temporaria Gewone pad Bufo bufo Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris (OUDE NAAM: Triturus vulgaris) Meerkikker Rana ridibunda Middelste groene kikker (of bastaardkikker) Rana esculenta Zoogdieren Aardmuis Microtus agrestis Bosmuis Apodemus sylvaticus Dwergmuis Micromys minutus Dwergspitsmuis Sorex minutus Egel Erinaceus europeus Gewone bosspitsmuis Sorex araneus Haas Lepus europeus Huisspitsmuis Crocidura russula Konijn Oryctolagus cuniculus Ondergrondse woelmuis Pitymys subterraneus Ree Capreolus capreolus Rosse woelmuis Clethrionomys glareolus Tweekleurige bosspitsmuis Sorex coronatus Veldmuis Microtus arvalis Vos Vulpes vulpes Wild zwijn Sus scrofa Woelrat Arvicola terrestris Bijlage4behorende bij de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant Soorten Handeling Wettelijk belang Vrijstelling in geval Middelen Woelrat Vangen Doden Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Belangrijke schade of dreigende schade aan teelt van appels en peren Belangrijke schade of dreigende schade aan waterkeringen. rodenator middelen die krachtens de Wet gewas-beschermings-middelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld klemmen vangkooien Veldmuis Vangen Doden Opzettelijk beschadigen en vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten. Belangrijke schade aan gewassen. Rodenator middelen die krachtens de Wet gewas-beschermings-middelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld klemmen Steen-marter Opzettelijk verstoren of vangen Opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings-plaatsen of rustplaatsen ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen Belangrijke schade aan gebouwen of eigendommen gelegen binnen de bebouwde kommen Overlast in geval van vaste voortplantings-plaats of verblijfplaats in woningen, scholen, bedrijfs-gebouwen of sport-accomodaties, gelegen binnen de bebouwde kommen vangkooien Algemene voorschriften Indien de grondgebruiker in overeenstemming met artikel 3.15, zevende lid, van de wet de vrijstelling onder een ander laat uitoefenen, dient die persoon gedurende die uitoefening de door de grondgebruiker afgegeven toestemming bij zich te dragen en op de eerste vordering van een daartoe bevoegd ambtenaar ter inzage te geven. Voorschriften vrijstelling overlast veroorzakende soorten: De vrijstelling voor het opzettelijk verstoren of vangen (al dan niet in combinatie met verplaatsen), vernielen van nesten en rustplaatsen geldt binnen de bebouwde kom alleen op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd soortenbeheerplan. Het verstoren, vangen, opzettelijk vernielen van nesten en rustplaatsen binnen de bebouwde kom mag alleen worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige. Gedeputeerde Staten kunnen eisen stellen aan de kwaliteiten en/of opleiding van deze deskundige alsmede de wijze waarop de handelingen worden uitgevoerd ter beperking van het risico voor het behoud van de vogelstand alsmede de zorg voor dierwelzijn. Voorschriften voor specifieke soorten Voorschriften vrijstelling woelrat Het doden of het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de woelrat is uitsluitend van toepassing met gebruik van de toegestane middelen, op percelen waar teelt van appels en peren plaatsvindt. De vrijstelling voor het vangen of doden van de woelrat, ter voorkoming van ernstige schade aan gewassen als bedoeld in voorgaand voorschrift, geldt enkel op door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of daaropvolgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied. Voorschriften vrijstelling steenmarter De vrijstelling voor het verstoren, opzettelijk vangen en verplaatsen van steenmarters, alsmede het vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soort geldt voor binnen de bebouwde kom en alleen op grond van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd soortbeheerplan. Het opzettelijk vangen en verplaatsen van steenmarters alsmede het vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen daarvan mag alleen worden uitgevoerd door een ecologisch terzake deskundige. Gedeputeerde Staten kunnen eisen stellen aan de kwaliteiten en/of opleiding cq certificering van deze deskundige alsmede de wijze waarop de handelingen worden uitgevoerd ter beperking van het risico voor het behoud van de stand alsmede de zorg voor dierwelzijn.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.