← Nederland

Beleidsregels van het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg houdende regels voor vergunningverlening (Waterschap Limburg)

Beleidsregels van het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg houdende regels voor vergunningverleningBELEIDSREGELS VERGUNNINGVERLENING WATERSCHAP PEEL EN MAASVALLEI Beleidsregel waterkwantiteit Duikers en overkluizingen Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur een waterstaatwerk te gebruiken anders dan in overeenstemming met zijn functie. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van duikers en overkluizingen. Begripsbepaling Het begrip duiker wordt als volgt gedefinieerd: een kokervormige constructie met als doel de wederzijdse verbinding tussen oppervlaktewater te waarborgen met het oog op het realiseren van een toegang tot een perceel of het kruisen van het oppervlaktewaterlichaam met een openbare weg, waarbij in principe de bodem van de waterloop, in tegenstelling tot die van de brug, wordt onderbroken. Een overkluizing is een duiker, met dien verstande dat van een overkluizing sprake is indien deze niet wordt aangelegd met als oogmerk het realiseren van een toegang tot een perceel of het kruisen van een oppervlaktewaterlichaam met een openbare weg. Onder bergingscapaciteit wordt in deze regel verstaan: het aantal kubieke meters dat specifiek beschikbaar is om hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak, al dan niet tijdelijk vast te houden. Onder retentiebekken wordt in deze algemene regel verstaan: een voorziening bedoeld om tijdelijk water te bergen in het oppervlaktewaterstelsel om wateroverlast benedenstrooms te voorkomen. Onder perceel wordt in deze beleidsregel verstaan: een stuk grond dat als zelfstandige eenheid wordt gebruikt. Onder primaire ontsluiting wordt in deze beleidsregel verstaan: een ontsluiting via de openbare weg of via een ander perceel. Onder secundair perceel wordt in deze beleidsregel verstaan: een tweede of volgende ontsluiting via de openbare weg of via een ander perceel. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op de oppervlaktewaterlichamen die op de legger als primair of secundair zijn aangeduid. Doel van het beleid Dit beleid is opgesteld om de negatieve invloed die duikers en overkluizingen kunnen hebben op de functie van het oppervlaktewaterlichaam en op het onderhoud ervan te beperken. Motivering van het beleid De aanwezigheid van een duiker en van een overkluizing kan leiden tot belemmeringen voor de afwatering, het doorvoeren van het water en tot een afname van de bergingscapaciteit. Van groot belang bij het voorkomen van belemmeringen voor de afwatering, is het doorstromingsprofiel van de duiker en van de overkluizing. Het doorstromingsprofiel van een duiker en van een overkluizing dient te zijn afgestemd op het in het oppervlaktewaterlichaam in maatgevende omstandigheden voorkomende debiet. Het aanleggen van een duiker of overkluizing in een hemelwaterbuffer of retentiebekken leidt tot een vermindering van de bergingscapaciteit en daardoor tot een toename van de lozings- doorvoerintensiteit. Het verlies aan bergingscapaciteit, als gevolg van de aanleg van de duiker of overkluizing, dient daarom te worden gecompenseerd. Tevens dient rekening gehouden te worden met de kwantiteitsnormering (gemiddelde overstromingskans per jaar) zoals die voor het betreffende oppervlaktewaterlichaam geldt. Deze kwantiteitsnormering vloeit voort uit artikel 2.8 van de Waterwet en is nader uitgewerkt in de Omgevingsverordening Limburg. Daarnaast is een voldoende groot doorstromingsprofiel van belang met het oog op het tegengaan van verstoppingen van de duiker en overkluizing. Beperkingen ter zake de ontwateringsfunctie van een oppervlaktewaterlichaam doen zich in het algemeen niet voor bij duikers. Bij overkluizingen van langer dan 30 meter kunnen deze beperkingen wel ontstaan. Waar dit aan de orde is, kan via het verbinden van voorschriften aan de vergunning (bijv. het aanbrengen van een molgoot) een voldoende borging van de ontwateringsfunctie en/of bergingscapaciteit gerealiseerd worden. In oppervlaktewaterlichamen met een Specifiek Ecologische Functie zijn overkluizingen ongewenst vanwege de negatieve effecten hiervan voor de vissen. Doordat in overkluizingen hogere stroomsnelheden voorkomen, een minder dikke waterschijf aanwezig is, schuilmogelijkheden afwezig zijn, geen lichtinval is en een onnatuurlijk profiel bestaat, hebben overkluizingen een negatief effect op de vissen. Aangezien in oppervlaktewaterlichamen met een Specifiek Ecologische Functie de ecologische ontwikkeling wordt gestimuleerd en belemmeringen daarin zoveel als mogelijk ongedaan worden gemaakt, is het toelaten van nieuwe belemmeringen ongewenst. Daarnaast vormt de aanwezigheid van een duiker en van een overkluizing een belemmering voor het voeren van onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam. Het gevolg van deze belemmering is met name van financiële aard. Immers, er kan geen ononderbroken “gang” worden gemaakt, wat leidt tot extra tijd die benodigd is voor het onderhouden van een tracé. Toetsing Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Naast de hiervoor genoemde belemmeringen\beperkingen, speelt het belang van de initiatiefnemer bij de duiker\overkluizing een rol in de afweging. Vertrekpunt is dat een duiker\overkluizing per definitie belemmerend is. Het belang van initiatiefnemer kan in bepaalde situaties hoger worden gewaardeerd dan de inbreuk op het belang van het waterschap. Dit leidt er dan toe dat de gevraagde vergunning wordt verleend. De volgende belangen worden onderscheiden: algemeen belang: Een oppervlaktewaterlichaam vormt een verkeersbelemmering indien dit is gelegen in een gepland tracé van een openbare weg, spoorweg of fiets-\voetpad. De belemmering kan worden opgeheven met een duiker\overkluizing. Ook een brug kan een oplossing bieden. In overleg met de wegbeheerder wordt bezien welke oplossing in het concrete geval de voorkeur heeft. Daarbij wordt tevens bezien of een duiker\overkluizing kan worden vermeden, dan wel zo beperkt mogelijk kan worden gehouden wat betreft lengte. weging algemene belangen: Het algemeen verkeersbelang wordt, indien is gebleken dat een alternatieve oplossing niet mogelijk is, geacht zwaarder te wegen dan het belang van het waterschap. Aan de vergunning zullen zodanig voorschriften worden verbonden dat de afwateringsfunctie van het oppervlaktewaterlichaam niet in gevaar komt. Vergunninghouder wordt belast met het onderhoud van de duiker\overkluizing, inclusief de in- en uitstroomvoorzieningen en inspectieputten, zowel wat betreft de constructieve aspecten als wat betreft het schoonhouden van het doorstroomprofiel. particulier en bedrijfsbelang: Een oppervlaktewaterlichaam kan een belemmering vormen voor de toegankelijkheid van percelen. Onderscheid wordt gemaakt tussen een primaire en een secundaire ontsluiting van een perceel. Zonder een primaire ontsluiting, kan het perceel niet worden bereikt vanwege de aanwezigheid van een oppervlaktewaterlichaam. In deze gevallen wordt de aanleg van een duiker toegestaan. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op een secundaire ontsluiting dan is het te bereiken perceel al ontsloten door een primaire ontsluiting. Bij een perceelsbreedte van minder dan 100 meter wordt in het algemeen geen secundaire ontsluiting met een duiker toegestaan. Verzoeken om aanleg van een duiker of overkluizing ten behoeve van uitbreiding van een perceel ten behoeve van bijv. tuin, terras, bedrijfsterrein, etc, worden in het algemeen geweigerd met het oog op de belangen van het waterschap. Voorschriften Aan een te verlenen vergunning worden in elk geval voorschriften gesteld met betrekking tot de lengte, de diameter, de constructie, de compensatie van het verlies van bergingcapaciteit en de wijze van aanleg van een duiker/overkluizing. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Beleidsregel waterkwantiteit Bouwwerken en transportleidingen/kabels binnen het profiel van vrije ruimte van een primair oppervlaktewaterlichaam Kader Op grond van artikel 3.2, tweede lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur verboden binnen het profiel van vrije ruimte van een primair oppervlaktewaterlichaam werken te plaatsen, te wijzigen of behouden. Hieronder valt ook het aanleggen, hebben of wijzigen van een bouwwerk, kabel of leiding. Begripsbepalingen Bouwwerk: het begrip “bouwwerk” wordt gedefinieerd op de wijze zoals dat plaatsvindt in de model Bouwverordening van de VNG en zoals ook in de rechtspraak toegepast. Het begrip is daarin als volgt gedefinieerd: elke constructie van hout, steen of ander materiaal, die op de plaats van bestemming, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Kapitaalsintensieve bouwwerken: De vergunningplicht geldt alleen voor bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning is vereist op basis van het Besluit omgevingsrecht (BOR). Transportleidingen en kabels: hier bedoeld transportleidingen en kabels van grotere omvang. Voorbeelden hiervan zijn transportleidingen van de waterleidingmaatschappijen met een diameter groter dan 300 mm, hoge druk gastransportleidingen alsmede overige leidingen en kabels met een diameter groter dan 250 mm. Indien een mantelbuis wordt gebruikt, is de diameter van de mantelbuis bepalend. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op de oppervlaktewaterlichamen die op de legger als primair zijn aangeduid en geldt in het geval dat het bouwwerk, transportleiding of kabel binnen het profiel van vrije ruimte van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd, voor zover gelegen buiten de kernzone. Raakvlakken met ander beleid Algemene regel obstakels en medegebruik; Algemene regel kabels en leidingen. Doel van het beleid De verbodsbepaling heeft ten doel om de mogelijke negatieve gevolgen door de aanwezigheid van kapitaalsintensieve bouwwerken, transportleidingen en kabels voor mogelijke toekomstige verbeteringen van het primaire oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Motivering van het beleid Mogelijke toekomstige verbeteringen Door veranderen van hydrologische randvoorwaarden en klimatologische wijzigingen kan het nodig zijn dat het watersysteem moet worden aangepast om aan de gestelde doelstellingen te kunnen voldoen. Een aanpassing kan zijn dat de omvang van het profiel wordt vergroot. De aanwezigheid van kapitaalsintensieve bouwwerken en van transportleidingen en kabels belemmeren deze mogelijke toekomstige aanpassingen voor langere tijd. Kleine bouwwerken en regionale kabels en leidingen zijn relatief makkelijk en goedkoper te verplaatsen of te verwijderen. Toetsing Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Naast de hiervoor genoemde belemmeringen\beperkingen, speelt het belang van de initiatiefnemer een rol in de afweging. Verbeteringen Indien de aanwezigheid van een kapitaalintensief bouwwerk, transportleiding of kabel, mede gelet op het kostenaspect, niet leidt tot een structurele belemmering van een voorziene toekomstige aanpassing van het oppervlaktewaterlichaam dan vormt dit criterium geen grond om de gevraagde vergunning te weigeren. Voorschriften Aan een te verlenen vergunning kunnen in elk geval voorschriften worden verbonden met betrekking tot de wijze van aanleggen, de uitvoering en locatie van het werk. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Beleidsregel waterkwantiteit Brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam Kader Op grond van artikel 3.4, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur water te brengen in een oppervlaktewaterlichaam. Begripsbepaling brengen: het door middel van een werk of via een ander oppervlaktewaterlichaam, brengen van water, niet zijnde hemelwater, in een oppervlaktewaterlichaam; gevarieerde lozing: een lozing met een gevarieerd debiet bij een vastgestelde lozingsperiode (bijv. lozing van bronneringswater of industriële lozing); uitstroomvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewater te laten stromen; Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op de waterkwantiteitsaspecten van lozingen, niet zijnde hemelwaterlozingen, in oppervlaktewaterlichamen groter of gelijk dan 100 m3 per uur. Raakvlakken met ander beleid Algemene regel versnelde afvoer via nieuw verhard oppervlak. Doel van het beleid De onderhavige verbodsbepaling is gericht op bescherming van het watersysteem als geheel en op het voorkomen van overlast als gevolg van lozingen in oppervlaktewaterlichamen. Motivering van het beleid Lozingen, niet zijnde hemelwaterlozingen, met een omvang van meer dan 100 m³ per uur kunnen aanleiding geven tot wateroverlast in situaties dat het ontvangende oppervlaktewaterlichaam hier niet op is ingericht. Dit risico doet zich bij kleinere lozingen in het algemeen niet voor. Om die reden zijn deze kleine lozingen via de algemene regel Lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam vrijgesteld van het in de keur opgenomen lozingsverbod. Toetsing Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Voorschriften Aan een te verlenen vergunning kunnen in elk geval voorschriften worden verbonden met betrekking tot de intensiteit van de lozing. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Beleidsregel waterkwantiteit Versnelde afvoer via nieuw verhard oppervlak Kader Op grond van artikel 3.3, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen. Begripsbepaling Waterneutraal bouwen In deze beleidsregel wordt uitleg gegeven over hoe het waterschap omgaat met hemelwater lozingen vanaf nieuw verhard oppervlak. Onder nieuw verhard oppervlak kunnen alle oppervlakken worden verstaan die door nieuwbouw, wegen, etc., verhard worden. Hierdoor kan de neerslag ter plaatse niet langer in de (voorheen onverharde) grond infiltreren. Daardoor treedt er een versnelde afvoer van de neerslag op. Deze 'extra' afvoer van neerslag kan worden gecompenseerd. De compensatiemaatregelen moeten zo dicht mogelijk bij het nieuw verhard oppervlak worden gemaakt. Lozen Het door middel van een werk of via een ander oppervlaktewaterlichaam, brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing indien voor de voorgenomen hemelwater lozing vanaf nieuw verhard oppervlak door het waterschap geen watertoets is uitgevoerd en geen wateradvies is verstrekt als bedoeld in het Praktisch handboek watertoets van het Waterschap Peel en Maasvallei. Raakvlakken met ander beleid Algemene regel brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam; Praktisch handboek watertoets Waterschap Peel en Maasvallei. Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is om de versnelde afvoer van neerslag als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak in het beheersgebied te beperken tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet dus, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterneutraal plaatsvinden. Motivering van het beleid Waterneutraal bouwen Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een belangrijk deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam (wegzijging en kwel). Slechts een klein deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewaterlichaam. Ter plaatse van verhard oppervlak zal de neerslag nauwelijks of niet in de bodem dringen. Vrijwel al het water stroomt direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet daarom waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat de aanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisering van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Dit kan onder andere bereikt worden door het graven van hemelwaterbuffers of het aanleggen van wadi’s. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Toetsing Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Een aanvraag voor een vergunning wordt beoordeeld aan de hand van onderstaande regels: de beoordeling is gericht op het zo veel mogelijk beperken van afvoer van hemelwater via lozing op een oppervlaktewaterlichaam. Richtlijn hierbij is het Praktisch handboek watertoets Waterschap Peel en Maasvallei. toelichting: in overeenstemming met het hiervoor geformuleerde beleid wordt lozing van hemelwater en proceswater zoveel mogelijk voorkomen. Ingestoken wordt op hergebruik van proceswater en op vasthouden (infiltreren) en bergen (tijdelijk bufferen en zo nodig vervolgens gelimiteerd lozen). Voorschriften Aan een te verlenen vergunning kunnen in elk geval voorschriften worden verbonden met betrekking tot de bergingscapaciteit en lozingsintensiteit. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Beleidsregel waterkwantiteit Onttrekken van water Kader Op grond van artikel 3.4, tweede lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur water te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Begripsbepaling Onttrekken: het door middel van een werk of uit een ander oppervlaktewaterlichaam, halen van water uit een oppervlaktewaterlichaam. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing indien de voorgenomen wijze van onttrekken leidt tot een onttrekking van meer dan 60 m³ per uur uit een oppervlaktewaterlichaam. Raakvlakken met ander beleid Algemene regel onttrekken van water. Doel van het beleid De onderhavige verbodsbepaling is er op gericht overlast als gevolg van onttrekkingen uit oppervlaktewaterlichamen te voorkomen. Motivering van het beleid Onttrekkingen met een omvang van meer dan 60 m³ per uur kunnen aanleiding geven tot watertekort indien het debiet van het oppervlaktewaterlichaam te beperkt is. Als gevolg van grote onttrekkingen kunnen oppervlaktewaterlichamen (versneld) droogvallen. Dit kan leiden tot beperkingen in het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam zowel in hydrologische als in ecologische zin. Dit risico doet zich bij kleinere onttrekkingen in het algemeen niet voor. Om die reden zijn deze kleine onttrekking via de algemene regel Onttrekken van water, vrijgesteld van het in de keur opgenomen onttrekkingsverbod. Toetsing Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Naast de hiervoor genoemde belemmeringen\beperkingen, speelt het belang van de initiatiefnemer een rol in de afweging. Bij een aanvrage om een onttrekkingsvergunning richt de beoordeling zich op de gevolgen van de onttrekking op het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam zowel in hydrologische zin als in ecologische zin. Bij de beoordeling speelt de functie die in het Waterbeheerplan aan het oppervlaktewaterlichaam is toegekend een belangrijke rol. Voorschriften Aan een te verlenen vergunning kunnen in elk geval voorschriften worden verbonden met betrekking tot de intensiteit en tijdsduur van de onttrekking in relatie tot de functie die in het Waterbeheerplan aan het oppervlaktewaterlichaam is toegekend. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Beleidsregel grondwater Compenseren waterhuishoudkundige gevolgen Kader Keur Op grond van artikel 3.3, tweede lid van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur in een aaneengesloten gebied van ten minste 10 ha. (mede) op de waterhuishouding van dat gebied gerichte maatregelen te treffen als gevolg waarvan inbreuk kan worden gemaakt op de waterhuishouding buiten dat gebied. Begripsbepaling Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op door derden te treffen maatregelen die (mede) gericht zijn op beïnvloeding van de waterhuishoudkundige situatie van door die derde beheerde gebieden. De vergunningplicht is van toepassing indien de te treffen maatregelen zijn gericht op een aaneengesloten gebied van tenminste 10 ha en als gevolg van die maatregelen inbreuk kan worden gemaakt op de waterhuishouding buiten dat gebied. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Algemene regel versnelde afvoer via nieuw verhard oppervlak Doel van de beleidsregel Het voorkomen van negatieve beïnvloeding van het functioneren van het watersysteem buiten het op de vergunningaanvraag betrekking hebbende aaneengesloten gebied. Motivering van de beleidsregel De aan de orde zijnde vergunningplicht is in het leven geroepen teneinde te voorkomen dat ingrepen door de beheerder van een aaneengesloten gebied van ten minste 10 ha., uitgevoerd binnen dat gebied, ongewenste effecten hebben op het watersysteem buiten dat gebied. De beleidsregel is er op gericht een toetsings- en beoordelingskader te bieden voor inkomende vergunningaanvragen. Het toetsings- en beoordelingskader is er op gericht dat een vergunning kan worden verleend zonder nadelige waterhuishoudkundige effecten buiten het betreffende aaneengesloten gebied. Toetsingscriteria Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Bij de vergunningaanvraag dient een projectplan te worden gevoegd waarin de te treffen maatregelen en de daarmee beoogde effecten zijn beschreven. Uit het projectplan dient tevens te blijken welke effecten de beoogde maatregelen hebben op het aangrenzende gebied en op welke wijze deze effecten zijn gemitigeerd dan wel worden gecompenseerd (nadere uitwerking mitigatie en compensatie, zie bijlage 1). Een vergunningaanvraag waaruit onvoldoende blijkt dat nadelige effecten op het aangrenzende gebied worden voorkomen kan met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gelaten worden. Alvorens hiertoe te besluiten wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld de vergunningaanvraag te completeren. Indien uit de vergunningaanvraag voortvloeit dat werken moeten worden uitgevoerd en/of handelingen moeten worden verricht die vergunningplichtig zijn op grond van een andere verbodsbepaling in de keur, dan wordt voor deze werken en/of handelingen gelijktijdig vergunning aangevraagd. Een effect op het watersysteem in het aangrenzende gebied van minder dan 5 cm op de grens van het projectgebied wordt niet beschouwd als een nadelig effect op dat aangrenzende gebied. Als toetsingskader hanteren wij het Waterbeheerplan van het waterschap. Hierin is zowel de huidige situatie beschreven als de doelstellingen voor de toekomst. Een vergunbaar project mag niet leiden tot een verslechtering van de huidige situatie en mag ook niet leiden tot belemmeringen met het oog op het kunnen bereiken van de in het Waterbeheerplan opgenomen doelstellingen. Een project dient dan ook maatregelen te bevatten waarmee primair te ontstane negatieve gevolgen worden gecompenseerd of voorkomen. Voorschriften Aan de vergunning worden zodanige voorschriften verbonden dat nadelige effecten op het watersysteem in het aangrenzend gebied worden voorkomen. Tevens kunnen in de vergunning meet- en monitoringsverplichtingen worden opgenomen met het oog op het verwerven van inzicht in de gevolgen van de in het plangebied verrichte werken op het watersysteem in het aangrenzend gebied. Daarbij kan de verplichting worden opgenomen dat het waterschap periodiek wordt geïnformeerd over de monitoringsresultaten. Onder verwijzing naar artikel 6.20 Waterwet en artikel 3.2, derde lid van de Keur kan het waterschap zo nodig een financiële zekerheidsstelling eisen voor de nakoming van krachtens de vergunning geldende verplichtingen of voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit door de vergunde handelingen (of het staken daarvan) veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem. Beleidsregel grondwater Beregening sportvelden Kader Keur Op grond van artikel 3.6, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. Begripsbepalingen Sportveld Gronden in gebruik voor recreatieve doelstellingen, zoals golfterreinen, voetbalvelden en dergelijke Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op grondwateronttrekking ten behoeve van beregening van sportvelden, waarbij de pompcapaciteit meer bedraagt dan 10 m³/uur of voor zover deze zijn gelegen binnen de op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Provinciale Omgevingsverordening aangeduide gebieden:

  1. bufferzones verdroogde natuurgebieden
  2. Roerdalslenk en voor zover de onttrekking plaatsvindt onder de bovenste Brunssumklei
  3. Venloschol en voor zover de onttrekking plaatsvindt dieper dan 5 meter boven NAP Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Relatie met Wetgeving • Waterwet: voor vergunningen voor het onttrekken en infiltreren van water zijn voornamelijk procedurele bepalingen opgenomen. • Waterbesluit: geeft bepalingen over het melden en meten van grondwater, en algemene bepalingen omtrent de watervergunning. • Waterregeling: geeft indieningsvereisten voor meldingen en vergunningaanvragen. • Deze activiteit kan m.e.r (beoordelings-)plichtig zijn op grond van Besluit m.e.r. Categorie C15.1 en D15.
  4. • Er kan een relatie zijn met bijvoorbeeld Wet bodembescherming (bijv. bodemsanering), Wet milieubeheer/Wabo en daaronder hangende Amvb's (bijv. lozen van bronneringswater op riolering). • Op deze activiteit kan de Crisis- en herstelwet van toepassing zijn. • Op deze activiteit kan de Tracéwet van toepassing zijn. • Veelal zal voor het onttrekken een provinciale grondwaterheffing (artikel 7.7 Waterwet) moeten worden betaald. Relatie met andere algemene regels en/of beleidsregels • Grondwaterrichtlijn van de Europese Kaderrichtlijn Water. • Provinciaal Omgevingsplan Limburg, Beleidskader industriële grondwateronttrekkingen, bronbemalingen en grondwatersaneringen en beregening sportvelden. In de Algemene Regels behorend bij de Keur is voor een aantal typen onttrekkingen een vrijstelling van de vergunningplicht op genomen. In de algemene regels zijn de criteria genoemd waaronder een onttrekking op basis van een melding kan worden uitgevoerd. Voor het uitvoeren van een meldingsplichtige onttrekking gelden voorschriften. • Algemene regel grondwater: onttrekking voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering • Algemene regel grondwater: onttrekking voor grondwatersanering • Algemene regel grondwater: onttrekking voor beregening en bevloeiing voor landbouwkundige doeleinden • Algemene regel grondwater: onttrekking voor overige doeleinden Normen en richtlijnen Om voor de adviseurs, opdrachtgever en uitvoerder uniformiteit in het toetsingskader aan te brengen, sluit het waterschap aan bij de Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 Tijdelijke grondwaterbemaling, Besluitvorming uitvoeringsmethode Tijdelijke grondwaterbemalingen (BUM TM). Doel van de beleidsregel Doel van beleid De beleidsregel geeft aan hoe het waterschap omgaat met zijn vergunningverlenende bevoegdheid. Dit heeft twee doeleinden: • Preventieve werking: initiatiefnemers kunnen bij het ontwerp al rekening houden met de eisen van het waterschap. • Uniforme en heldere afweging: om de afweging voor de vergunning transparant voor de initiatiefnemer en andere belanghebbenden te laten verlopen. Doel van grondwaterbeleid De onderhavige verbodsbepaling is gericht op het beschermen van de hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater en op overige bij het grondwater betrokken belangen. Motivering van de beleidsregel De provincie bepaalt het strategisch grondwaterbeleid. Het waterschap neemt dit beleid over in haar beleidsplannen en regelgeving. Deze beleidsregel vindt zijn basis in het hier bedoelde beleid. Toetsingscriteria Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Een aanvraag voor een vergunning ten behoeve van een grondwateronttrekking voor beregening sportvelden wordt beoordeeld aan de hand van onderstaande regels:
  5. er wordt geen vergunning verleend indien de onttrekking leidt tot een permanente verlaging van de grondwaterstand aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied.. toelichting: bij de bepaling van de daadwerkelijk onttrokken en vergunde hoeveelheden grondwater wordt uitgegaan van de hoeveelheden, opgenomen in het grondwaterregister. Bij de bepaling van de omvang van de permanente verlaging aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied wordt gebruik gemaakt van hydrologische modelberekeningen, waarbij uitgegaan wordt van een modelonnauwkeurigheid van 0,05 meter. Dit houdt in dat pas bij een verlaging van meer dan 0,05 meter sprake is van een verlaging aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied. Indien de verlaging middels compenserende maatregelen teniet wordt gedaan, kan alsnog vergunning worden verleend.
  6. er wordt geen vergunning verleend indien de onttrekking plaatsvindt in de Roerdalslenk, voor zover de onttrekking plaatsvindt onder de bovenste Brunssumklei en Venloschol, voor zover de onttrekking plaatsvindt dieper dan 5 meter boven NAP. toelichting: de gebieden Roerdalslenk en Venloschol zijn aangegeven op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Provinciale Omgevingsverordening. Het grondwater dat zich bevindt onder de bovenste Brunssumklei in de Roerdalslenk en het grondwater dat zich dieper dan 5 meter boven NAP in de Venloschol bevindt, is bestemd voor hoogwaardig gebruik (grondwater voor menselijke consumptie of in direct contact komt met producten voor menselijke consumptie). Beregening van sportvelden is geen vorm van hoogwaardig gebruik.
  7. er wordt alleen vergunning verleend indien spaarzaam en doelmatig grondwater wordt onttrokken. toelichting: In overleg met de Nederlandse Golf Federatie is door de provincie Limburg bepaald, dat het vochttekort van 200 mm per jaar mag worden “bijgeregend” uit grondwater. Dit betekent dat niet meer onttrokken mag worden dan de te beregenen oppervlakte in m² vermenigvuldigd met 0,2 meter per jaar. Rapportage om de aanvraag te onderbouwen In artikel 6.19 van de Waterregeling is onder andere bepaald dat de aanvrager van een vergunning moet beschrijven wat de aard en de omvang van de gevolgen van de handeling (hier: grondwateronttrekking en/of infiltratie) zijn, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aard en het detailniveau van de gevolgen die in beeld moeten worden gebracht, zullen verschillen per onttrekking. De volgende aspecten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen: • verlaging/verhoging grondwaterstanden en/of stijghoogten in het watervoerend pakket; • invloed op gewenste grondwater- en oppervlaktewater regime (GGOR); • invloedsfeer van de onttrekking waarbij de verlaging op de kaart in de regel door middel van contouren per 5 cm verlaging wordt aangegeven; • verlaging van grondwaterstanden bij gevoelige objecten (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en kunstwerken, bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige gronden). Waar relevant en mogelijk ook de verlaging ten opzichte van historische fluctuaties in beeld brengen; • berekening van zetting, klink of negatieve kleef alsmede, indien relevant, gevolgen voor fundering; • gevolgen van zetting en grondwaterstandsverandering voor landbouw, natuur, bebouwing, waterkeringen, infrastructuur, kunstwerken en eventuele archeologische of aardkundige waarden; • de invloed van de onttrekking/infiltratie op aanwezige bodemverontreinigingen; • bij retourbemaling of bij infiltratie van hemelwater: de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit in het (grond)waterlichaam. Bij de analytische berekeningen modelberekeningen moet worden aangegeven van welke uitgangspunten ten aanzien van de ondergrond zijn gebruikt (laagindeling, KD-waarden, c-waarden) en welke uitgangspunten gebruikt zijn met betrekking tot de onttrekking zelf (afmetingen en diepte bouwput, filterdiepte etc.). Verder moet inzicht worden gegeven in de samenstelling van het te onttrekken respectievelijk te infiltreren grondwater. Het is van belang om de samenstelling hiervan te kennen in verband met de lozing op het oppervlaktewater of riolering en omdat te infiltreren water de kwaliteit van het grondwater niet mag verslechteren. Bij het onderzoek naar de kwaliteit van water kan het onder meer gaan om het gehalte aan chloride, sulfaat, ijzer, zwevende stof, CZV, BZV. Beschrijving maatregelen en/of voorzieningen In artikel 6.27 en 6.28 van de Waterregeling is, als indieningsvereiste voor vergunningsaanvragen voor grondwateronttrekkingen respectievelijk infiltraties, onder meer bepaald dat een beschrijving moet worden gegeven van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking of infiltratie te voorkomen of te beperken. Bij die maatregelen kan worden gedacht aan: • beperken onttrekking door civieltechnische of geohydrologische maatregelen (werken binnen damwand, werken in den natte, onderwaterbeton, bodem injecteren, etc.); • infiltratiemiddelen om (gevolgen van) grondwaterpeilverlaging te beperken; • geoptimaliseerd onttrekkingsregime om effecten te minimaliseren (bijvoorbeeld laten opkomen grondwaterpeil tijdens onderbrekingen in het werk); • funderingsvervangende of ondersteunende constructies; • overige maatregelen zoals beregening natuur, isolatie bodemverontreiniging door schermen, etc. Voorschriften Aan een te verlenen vergunning kunnen in elk geval voorschriften worden verbonden met betrekking tot de omvang en duur van de onttrekking. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Beleidsregel grondwater bronbemaling en proefbronnering Kader Keur Op grond van artikel 3.6, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. Begripsbepalingen Bronbemaling Het onttrekken van grondwater ten behoeve van het in den droge uitvoeren van bouwactiviteiten of ontgravingen Hydrologisch gevoelig gebied De gebieden die als zodanig op de bij deze beleidsregel behorende kaart zijn aangegeven Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op grondwateronttrekking ten behoeve van bronbemaling, waarbij:
  8. de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 50.000 m³ per maand of
  9. de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer bedraagt dan 100 m³ per uur of
  10. de onttrekking langer duurt dan 6 maanden of voor zover deze zijn gelegen binnen de op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Provinciale Omgevingsverordening aangeduide gebieden:
  11. bufferzones verdroogde natuurgebieden
  12. Roerdalslenk en voor zover de onttrekking plaatsvindt onder de bovenste Brunssumklei
  13. Venloschol en voor zover de onttrekking plaatsvindt dieper dan 5 meter boven NAP Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Relatie met Wetgeving • Waterwet: Voor vergunningen voor het onttrekken en infiltreren van water zijn voornamelijk procedurele bepalingen opgenomen. • Waterbesluit: Geeft bepalingen over het melden en meten van grondwater, en algemene bepalingen omtrent de watervergunning. • Waterregeling: Geeft indieningsvereisten voor meldingen en vergunningaanvragen. • Deze activiteit kan m.e.r (beoordelings-)plichtig zijn op grond van Besluit m.e.r. Categorie C15.1 en D15.
  14. • Er kan een relatie zijn met bijvoorbeeld Wet bodembescherming (bijv. bodemsanering), Wet milieubeheer/Wabo en daaronder hangende Amvb's (bijv. lozen van bronneringswater op riolering). • Op deze activiteit kan de Crisis- en herstelwet van toepassing zijn. • Op deze activiteit kan de Tracéwet van toepassing zijn. • Veelal zal voor het onttrekken een provinciale grondwaterheffing (artikel 7.7 Waterwet) moeten worden betaald. Relatie met andere algemene regels en/of beleidsregels • Grondwaterrichtlijn en de Europese Kaderrichtlijn Water. • Provinciaal Omgevingsplan Limburg, Beleidskader industriële grondwateronttrekkingen, bronbemalingen en grondwatersaneringen en beregening sportvelden. In de Algemene Regels behorend bij de Keur is voor een aantal typen onttrekkingen een vrijstelling van de vergunningplicht op genomen. In de algemene regels zijn de criteria genoemd waaronder een onttrekking op basis van een melding kan worden uitgevoerd. Voor het uitvoeren van een meldingsplichtige onttrekking gelden voorschriften. • Algemene regel grondwater: onttrekking voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering • Algemene regel grondwater: onttrekking voor grondwatersanering • Algemene regel grondwater: onttrekking voor beregening en bevloeiing voor landbouwkundige doeleinden • Algemene regel grondwater: onttrekking voor overige doeleinden Normen en richtlijnen Om voor de adviseurs, opdrachtgever en uitvoerder uniformiteit in het toetsingskader aan te brengen, sluit het waterschap aan bij de Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 Tijdelijke grondwaterbemaling, Besluitvorming uitvoeringsmethode Tijdelijke grondwaterbemalingen (BUM TM). Doel van de beleidsregel Doel van beleid De beleidsregel geeft aan hoe het waterschap omgaat met zijn vergunningverlenende bevoegdheid. Dit heeft twee doeleinden: • Preventieve werking: initiatiefnemers kunnen bij het ontwerp al rekening houden met de eisen van het waterschap. • Uniforme en heldere afweging: om de afweging voor de vergunning transparant voor de initiatiefnemer en andere belanghebbenden te laten verlopen. Doel van grondwaterbeleid De onderhavige verbodsbepaling is gericht op het beschermen van de hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater en op overige bij het grondwater betrokken belangen. Motivering van de beleidsregel De provincie bepaalt het strategisch grondwaterbeleid. Het waterschap neemt dit beleid over in haar beleidsplannen en regelgeving. Deze beleidsregel vindt zijn basis in het hier bedoelde beleid. Toetsingscriteria Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Een aanvraag voor een vergunning ten behoeve van een grondwateronttrekking voor bronbemaling en proefbronnering wordt beoordeeld aan de hand van onderstaande regels:
  15. er wordt geen vergunning verleend indien de onttrekking leidt tot een permanente verlaging van de grondwaterstand aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied. toelichting: bij de bepaling van de daadwerkelijk onttrokken en vergunde hoeveelheden grondwater wordt uitgegaan van de hoeveelheden, opgenomen in het grondwaterregister. Bij de bepaling van de omvang van de permanente verlaging aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied wordt gebruik gemaakt van hydrologische modelberekeningen, waarbij uitgegaan wordt van een modelonnauwkeurigheid van 0,05 meter. Dit houdt in dat pas bij een verlaging van meer dan 0,05 meter sprake is van een verlaging aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied. Indien de verlaging middels compenserende maatregelen teniet wordt gedaan, kan alsnog vergunning worden verleend.
  16. er wordt geen vergunning verleend indien de onttrekking plaatsvindt in de Roerdalslenk, voor zover de onttrekking plaatsvindt onder de bovenste Brunssumklei en Venloschol, voor zover de onttrekking plaatsvindt dieper dan 5 meter boven NAP. toelichting: de gebieden Roerdalslenk en Venloschol zijn aangegeven op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Provinciale Omgevingsverordening. Het grondwater dat zich bevindt onder de bovenste Brunssumklei in de Roerdalslenk en het grondwater dat zich dieper dan 5 meter boven NAP in de Venloschol bevindt, is bestemd voor menselijke consumptie. Hieronder wordt watergebruik verstaan waaraan de Warenwet eisen stelt. Bronbemaling is geen vorm van hoogwaardig gebruik.
  17. er wordt alleen vergunning verleend indien spaarzaam en doelmatig grondwater wordt onttrokken. toelichting: beoogd wordt het effect van het onttrekken ten behoeve van bronbemaling op de grondwaterstand zo beperkt mogelijk te doen zijn. De benodigde hoeveelheid en de benodigde intensiteit van de grondwateronttrekking wordt beoordeeld. Dit aspect komt in het vooroverleg aan de orde.
  18. er wordt alleen vergunning verleend indien schade als gevolg van de onttrekking door de vergunninghouder kan worden voorkomen of gecompenseerd. Voorbeelden van schade zijn: zetting, landbouwschade en verspreiding van verontreiniging. toelichting: grondwateronttrekkingen ten behoeve van bronbemaling kunnen diverse gevolgen hebben, afhankelijk van de omvang, de duur en de locatie van de onttrekking. Schade kan worden voorkomen door het treffen van technische voorziening (bijv. gebruik damwanden of retourbemaling). Schade kan ook financieel worden gecompenseerd. Rapportage om de aanvraag te onderbouwen In artikel 6.19 van de Waterregeling is onder andere bepaald dat de aanvrager van een vergunning moet beschrijven wat de aard en de omvang van de gevolgen van de handeling (hier: grondwateronttrekking en/of infiltratie) zijn, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aard en het detailniveau van de gevolgen die in beeld moeten worden gebracht, zullen verschillen per onttrekking. De volgende aspecten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen: • verlaging/verhoging grondwaterstanden en/of stijghoogten in het watervoerend pakket; • invloed op gewenste grondwater- en oppervlaktewater regime (GGOR); • invloedsfeer van de onttrekking waarbij de verlaging op de kaart in de regel door middel van contouren per 5 cm verlaging wordt aangegeven; • verlaging van grondwaterstanden bij gevoelige objecten (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en kunstwerken, bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige gronden). Waar relevant en mogelijk ook de verlaging ten opzichte van historische fluctuaties in beeld brengen; • berekening van zetting, klink of negatieve kleef alsmede, indien relevant, gevolgen voor fundering; • gevolgen van zetting en grondwaterstandsverandering voor landbouw, natuur, bebouwing, waterkeringen, infrastructuur, kunstwerken en eventuele archeologische of aardkundige waarden; • de invloed van de onttrekking/infiltratie op aanwezige bodemverontreinigingen; • bij retourbemaling of bij infiltratie van hemelwater: de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit in het (grond)waterlichaam. Bij de analytische berekeningen modelberekeningen moet worden aangegeven van welke uitgangspunten ten aanzien van de ondergrond zijn gebruikt (laagindeling, KD-waarden, c-waarden) en welke uitgangspunten gebruikt zijn met betrekking tot de onttrekking zelf (afmetingen en diepte bouwput, filterdiepte etc.). Verder moet inzicht worden gegeven in de samenstelling van het te onttrekken respectievelijk te infiltreren grondwater. Het is van belang om de samenstelling hiervan te kennen in verband met de lozing op het oppervlaktewater of riolering en omdat te infiltreren water de kwaliteit van het grondwater niet mag verslechteren. Bij het onderzoek naar de kwaliteit van water kan het onder meer gaan om het gehalte aan chloride, sulfaat, ijzer, zwevende stof, CZV, BZV. Beschrijving maatregelen en/of voorzieningen In artikel 6.27 en 6.28 van de Waterregeling is, als indieningsvereiste voor vergunningsaanvragen voor grondwateronttrekkingen respectievelijk infiltraties, onder meer bepaald dat een beschrijving moet worden gegeven van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking of infiltratie te voorkomen of te beperken. Bij die maatregelen kan worden gedacht aan: • beperken onttrekking door civieltechnische of geohydrologische maatregelen (werken binnen damwand, werken in den natte, onderwaterbeton, bodem injecteren, etc.); • infiltratiemiddelen om (gevolgen van) grondwaterpeilverlaging te beperken; • geoptimaliseerd onttrekkingsregime om effecten te minimaliseren (bijvoorbeeld laten opkomen grondwaterpeil tijdens onderbrekingen in het werk); • funderingsvervangende of ondersteunende constructies; • overige maatregelen zoals beregening natuur, isolatie bodemverontreiniging door schermen, etc. Voorschriften Aan een te verlenen vergunning kunnen in elk geval voorschriften worden verbonden met betrekking tot de omvang en duur van de onttrekking. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Ten aanzien van vergunningen voor bronbemaling zullen specifieke voorschriften worden verbonden ter voorkoming of beperking negatieve gevolgen voor de betrokken belangen. Beleidsregel grondwater Grondwatersanering Kader Keur Op grond van artikel 3.6, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. Begripsbepalingen Grond- en grondwatersanering het onttrekken van grondwater door middel van een onttrekkingsinrichting om de kwaliteit van grond of grondwater te verbeteren Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op grondwateronttrekking voor grond- en grondwatersanering, waarbij:
  19. de te onttrekken hoeveelheid grondwater meer dan 20.000 m³ per maand of
  20. de onttrekking langer duurt dan 36 maanden of voor zover deze zijn gelegen binnen de op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Provinciale Omgevingsverordening aangeduide gebieden:
  21. bufferzones verdroogde natuurgebieden
  22. Roerdalslenk en voor zover de onttrekking plaatsvindt onder de bovenste Brunssumklei
  23. Venloschol en voor zover de onttrekking plaatsvindt dieper dan 5 meter boven NAP Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Relatie met Wetgeving • Waterwet: Voor vergunningen voor het onttrekken en infiltreren van water zijn voornamelijk procedurele bepalingen opgenomen. • Waterbesluit: Geeft bepalingen over het melden en meten van grondwater, en algemene bepalingen omtrent de watervergunning. • Waterregeling: Geeft indieningsvereisten voor meldingen en vergunningaanvragen. • Deze activiteit kan m.e.r (beoordelings-)plichtig zijn op grond van Besluit m.e.r. Categorie C15.1 en D15.
  24. • Er kan een relatie zijn met bijvoorbeeld Wet bodembescherming (bijv. bodemsanering), Wet milieubeheer/Wabo en daaronder hangende Amvb's (bijv. lozen van bronneringswater op riolering). • Op deze activiteit kan de Crisis- en herstelwet van toepassing zijn. • Op deze activiteit kan de Tracéwet van toepassing zijn. • Veelal zal voor het onttrekken een provinciale grondwaterheffing (artikel 7.7 Waterwet) moeten worden betaald. Relatie met andere algemene regels en/of beleidsregels • Grondwaterrichtlijn van de Europese Kaderrichtlijn Water. • Provinciaal Omgevingsplan Limburg, Beleidskader industriële grondwateronttrekkingen, bronbemalingen en grondwatersaneringen en beregening sportvelden. In de Algemene Regels behorend bij de Keur is voor een aantal typen onttrekkingen een vrijstelling van de vergunningplicht op genomen. In de algemene regels zijn de criteria genoemd waaronder een onttrekking op basis van een melding kan worden uitgevoerd. Voor het uitvoeren van een meldingsplichtige onttrekking gelden voorschriften. • Algemene regel grondwater: onttrekking voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering • Algemene regel grondwater: onttrekking voor grondwatersanering • Algemene regel grondwater: onttrekking voor beregening en bevloeiing voor landbouwkundige doeleinden • Algemene regel grondwater: onttrekking voor overige doeleinden Normen en richtlijnen Om voor de adviseurs, opdrachtgever en uitvoerder uniformiteit in het toetsingskader aan te brengen, sluit het waterschap aan bij de Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 Tijdelijke grondwaterbemaling, Besluitvorming uitvoeringsmethode Tijdelijke grondwaterbemalingen (BUM TM). Doel van de beleidsregel Doel van beleid De beleidsregel geeft aan hoe het waterschap omgaat met zijn vergunningverlenende bevoegdheid. Dit heeft twee doeleinden: • Preventieve werking: initiatiefnemers kunnen bij het ontwerp al rekening houden met de eisen van het waterschap. • Uniforme en heldere afweging: om de afweging voor de vergunning transparant voor de initiatiefnemer en andere belanghebbenden te laten verlopen. Doel van grondwaterbeleid De onderhavige verbodsbepaling is gericht op het beschermen van de hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater en op overige bij het grondwater betrokken belangen. Motivering van de beleidsregel De provincie bepaalt het strategisch grondwaterbeleid. Het waterschap neemt dit beleid over in haar beleidsplannen en regelgeving. Deze beleidsregel vindt zijn basis in het hier bedoelde beleid. Toetsingscriteria Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Een aanvraag voor een vergunning ten behoeve van een grondwateronttrekking voor grondwatersanering wordt beoordeeld aan de hand van onderstaande regels:
  25. er wordt geen vergunning verleend indien de onttrekking leidt tot een permanente verlaging van de grondwaterstand aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied.. toelichting: bij de bepaling van de daadwerkelijk onttrokken en vergunde hoeveelheden grondwater wordt uitgegaan van de hoeveelheden, opgenomen in het grondwaterregister als bedoeld in de Waterwet Bij de bepaling van de omvang van de permanente verlaging aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied wordt gebruik gemaakt van hydrologische modelberekeningen, waarbij uitgegaan wordt van een modelonnauwkeurigheid van 0,05 meter. Dit houdt in dat pas bij een verlaging van meer dan 0,05 meter sprake is van een verlaging aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied. Indien de verlaging middels compenserende maatregelen teniet wordt gedaan, kan alsnog vergunning worden verleend.
  26. er wordt geen vergunning verleend indien de onttrekking plaatsvindt in de Roerdalslenk, voor zover de onttrekking plaatsvindt onder de bovenste Brunssumklei en Venloschol, voor zover de onttrekking plaatsvindt dieper dan 5 meter boven NAP. toelichting: de gebieden Roerdalslenk en Venloschol zijn aangegeven op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Provinciale Omgevingsverordening. Het grondwater dat zich bevindt onder de bovenste Brunssumklei in de Roerdalslenk en het grondwater dat zich dieper dan 5 meter boven NAP in de Venloschol bevindt, is bestemd voor menseljike consumptie. Hieronder wordt watergebruik verstaan waaraan de Warenwet eisen stelt. Grondwatersanering is geen vorm van hoogwaardig gebruik.
  27. er wordt alleen vergunning verleend indien spaarzaam en doelmatig grondwater wordt onttrokken. toelichting: beoogd wordt het effect van het onttrekken ten behoeve van grondwatersanering op de grondwaterstand zo beperkt mogelijk te doen zijn. De benodigde hoeveelheid en de benodigde intensiteit van de grondwateronttrekking wordt beoordeeld.
  28. er wordt alleen vergunning verleend indien schade als gevolg van de onttrekking door de vergunninghouder kan worden voorkomen of gecompenseerd. Voorbeelden van schade zijn: zetting, landbouwschade en verspreiding van verontreiniging. toelichting: grondwateronttrekkingen ten behoeve van grondwatersanering kunnen diverse gevolgen hebben, afhankelijk van de omvang, de duur en de locatie van de onttrekking. Schade kan worden voorkomen door het treffen van technische voorziening (bijv. gebruik damwanden of retourbemaling). Schade kan ook financieel worden gecompenseerd. Rapportage om de aanvraag te onderbouwen In artikel 6.19 van de Waterregeling is onder andere bepaald dat de aanvrager van een vergunning moet beschrijven wat de aard en de omvang van de gevolgen van de handeling (hier: grondwateronttrekking en/of infiltratie) zijn, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aard en het detailniveau van de gevolgen die in beeld moeten worden gebracht, zullen verschillen per onttrekking. De volgende aspecten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen: • verlaging/verhoging grondwaterstanden en/of stijghoogten in het watervoerend pakket; • invloed op gewenste grondwater- en oppervlaktewater regime (GGOR); • invloedsfeer van de onttrekking waarbij de verlaging op de kaart in de regel door middel van contouren per 5 cm verlaging wordt aangegeven; • verlaging van grondwaterstanden bij gevoelige objecten (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en kunstwerken, bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige gronden). Waar relevant en mogelijk ook de verlaging ten opzichte van historische fluctuaties in beeld brengen; • berekening van zetting, klink of negatieve kleef alsmede, indien relevant, gevolgen voor fundering; • gevolgen van zetting en grondwaterstandsverandering voor landbouw, natuur, bebouwing, waterkeringen, infrastructuur, kunstwerken en eventuele archeologische of aardkundige waarden; • de invloed van de onttrekking/infiltratie op aanwezige bodemverontreinigingen; • bij retourbemaling of bij infiltratie van hemelwater: de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit in het (grond)waterlichaam. Bij de analytische berekeningen modelberekeningen moet worden aangegeven van welke uitgangspunten ten aanzien van de ondergrond zijn gebruikt (laagindeling, KD-waarden, c-waarden) en welke uitgangspunten gebruikt zijn met betrekking tot de onttrekking zelf (afmetingen en diepte bouwput, filterdiepte etc.). Verder moet inzicht worden gegeven in de samenstelling van het te onttrekken respectievelijk te infiltreren grondwater. Het is van belang om de samenstelling hiervan te kennen in verband met de lozing op het oppervlaktewater of riolering en omdat te infiltreren water de kwaliteit van het grondwater niet mag verslechteren. Bij het onderzoek naar de kwaliteit van water kan het onder meer gaan om het gehalte aan chloride, sulfaat, ijzer, zwevende stof, CZV, BZV. Beschrijving maatregelen en/of voorzieningen In artikel 6.27 en 6.28 van de Waterregeling is, als indieningsvereiste voor vergunningsaanvragen voor grondwateronttrekkingen respectievelijk infiltraties, onder meer bepaald dat een beschrijving moet worden gegeven van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking of infiltratie te voorkomen of te beperken. Bij die maatregelen kan worden gedacht aan: • beperken onttrekking door civieltechnische of geohydrologische maatregelen (werken binnen damwand, werken in den natte, onderwaterbeton, bodem injecteren, etc.); • infiltratiemiddelen om (gevolgen van) grondwaterpeilverlaging te beperken; • geoptimaliseerd onttrekkingsregime om effecten te minimaliseren (bijvoorbeeld laten opkomen grondwaterpeil tijdens onderbrekingen in het werk); • funderingsvervangende of ondersteunende constructies; • overige maatregelen zoals beregening natuur, isolatie bodemverontreiniging door schermen, etc. Voorschriften Aan een te verlenen vergunning kunnen in elk geval voorschriften worden verbonden met betrekking tot de omvang en duur van de onttrekking. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Ten aanzien van vergunningen voor grondwatersanering zullen specifieke voorschriften worden verbonden ter voorkoming of beperking negatieve gevolgen voor de betrokken belangen. Beleidsregel grondwater Industriële onttrekkingen ≤ 150.000 m³ per jaar Kader Keur Op grond van artikel 3.6, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur grondwater te onttrekken of water in de bodem te infiltreren. Begripsbepalingen Industriële onttrekking Alle grondwateronttrekkingen, niet zijnde bronbemaling, bodem- en grondwatersanering, landbouw, openbare drinkwatervoorziening of beregening sportvelden ≤ 150.000 m³ per jaar Hydrologisch gevoelig gebied De gebieden die als zodanig op de bij deze beleidsregel behorende kaart zijn aangegeven Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op grondwateronttrekking ten behoeve van industriële doeleinden, waarbij de pompcapaciteit meer bedraagt dan 10 m³/uur en waarbij niet meer dan 150.000 m³ per jaar wordt onttrokken. of voor zover deze zijn gelegen binnen de op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Provinciale Omgevingsverordening aangeduide gebieden:
  29. bufferzones verdroogde natuurgebieden
  30. Roerdalslenk en voor zover de onttrekking plaatsvindt onder de bovenste Brunssumklei
  31. Venloschol en voor zover de onttrekking plaatsvindt dieper dan 5 meter boven NAP Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Relatie met Wetgeving • Waterwet: Voor vergunningen voor het onttrekken en infiltreren van water zijn voornamelijk procedurele bepalingen opgenomen. In artikel 6.4 Waterwet is bepaald dat de provincie bevoegd gezag is bij industriële onttrekkingen waarbij de te onttrekken hoeveelheid water meer dan 150.000 m³ per jaar bedraagt; • Waterbesluit: Geeft bepalingen over het melden en meten van grondwater, en algemene bepalingen omtrent de watervergunning. • Waterregeling: Geeft indieningsvereisten voor meldingen en vergunningaanvragen. • Deze activiteit kan m.e.r (beoordelings-)plichtig zijn op grond van Besluit m.e.r. Categorie C15.1 en D15.
  32. • Er kan een relatie zijn met bijvoorbeeld Wet bodembescherming (bijv. bodemsanering), Wet milieubeheer/Wabo en daaronder hangende Amvb's (bijv. lozen van bronneringswater op riolering). • Op deze activiteit kan de Crisis- en herstelwet van toepassing zijn. • Op deze activiteit kan de Tracéwet van toepassing zijn. • Veelal zal voor het onttrekken een provinciale grondwaterheffing (artikel 7.7 Waterwet) moeten worden betaald. Relatie met andere algemene regels en/of beleidsregels • Grondwaterrichtlijn en de Europese Kaderrichtlijn Water. • Provinciaal Omgevingsplan Limburg, Beleidskader industriële grondwateronttrekkingen, bronbemalingen en grondwatersaneringen en beregening sportvelden. In de Algemene Regels behorend bij de Keur is voor een aantal typen onttrekkingen een vrijstelling van de vergunningplicht op genomen. In de algemene regels zijn de criteria genoemd waaronder een onttrekking op basis van een melding kan worden uitgevoerd. Voor het uitvoeren van een meldingsplichtige onttrekking gelden voorschriften. • Algemene regel grondwater: onttrekking voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering • Algemene regel grondwater: onttrekking voor grondwatersanering • Algemene regel grondwater: onttrekking voor beregening en bevloeiing voor landbouwkundige doeleinden • Algemene regel grondwater: onttrekking voor overige doeleinden Normen en richtlijnen Om voor de adviseurs, opdrachtgever en uitvoerder uniformiteit in het toetsingskader aan te brengen, sluit het waterschap aan bij de Beoordelingsrichtlijn SIKB 12000 Tijdelijke grondwaterbemaling, Besluitvorming uitvoeringsmethode Tijdelijke grondwaterbemalingen (BUM TM). Doel van de beleidsregel Doel van beleid De beleidsregel geeft aan hoe het waterschap omgaat met zijn vergunningverlenende bevoegdheid. Dit heeft twee doeleinden: • Preventieve werking: initiatiefnemers kunnen bij het ontwerp al rekening houden met de eisen van het waterschap. • Uniforme en heldere afweging: om de afweging voor de vergunning transparant voor deinitiatiefnemer en andere belanghebbenden te laten verlopen. Doel van grondwaterbeleid De onderhavige verbodsbepaling is gericht op het beschermen van de hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater en op overige bij het grondwater betrokken belangen. Motivering van de beleidsregel De provincie bepaalt het strategisch grondwaterbeleid. Het waterschap neemt dit beleid over in haar beleidsplannen en regelgeving. Deze beleidsregel vindt zijn basis in het hier bedoelde beleid. Toetsingscriteria Algemene toetsingscriteria Voor deze beleidsregel gelden ook de algemene toetsingscriteria zoals deze door het Algemeen Bestuur zijn vastgesteld. Specifieke toetsingscriteria Een aanvraag voor een vergunning ten behoeve van een industriële grondwateronttrekking wordt beoordeeld aan de hand van onderstaande regels:
  33. er wordt geen vergunning verleend indien de onttrekking leidt tot een permanente verlaging van de grondwaterstand aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied.. toelichting: bij de bepaling van de daadwerkelijk onttrokken en vergunde hoeveelheden grondwater wordt uitgegaan van de hoeveelheden, opgenomen in het grondwaterregister. Bij de bepaling van de omvang van de permanente verlaging aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied wordt gebruik gemaakt van hydrologische modelberekeningen, waarbij uitgegaan wordt van een modelonnauwkeurigheid van 0,05 meter. Dit houdt in dat pas bij een verlaging van meer dan 0,05 meter sprake is van een verlaging aan de rand van een hydrologisch gevoelig gebied. Indien de verlaging middels compenserende maatregelen teniet wordt gedaan, kan alsnog vergunning worden verleend.
  34. er wordt alleen vergunning verleend indien het bedrijf spaarzaam en doelmatig met het onttrokken grondwater omgaat. toelichting: met het oog op de bescherming van de hoeveelheid beschikbaar grondwater, dient het gebruik van deze grondstof spaarzaam en doelmatig te zijn. Een spaarzaam en doelmatig gebruik heeft voor het bedrijf als voordeel dat de kosten van de grondwaterheffing en van de zuiveringsheffing (lozen van door het productieproces vervuild bedrijfsafvalwater) beperkt kunnen worden. In het kader van de in deze regel bedoelde beoordeling van de aanvraag, wordt tevens beoordeeld of alternatieven voor grondwater in redelijkheid kunnen worden ingezet ter beperking van de behoefte aan grondwater.
  35. er wordt alleen vergunning verleend indien schade als gevolg van de onttrekking door de vergunninghouder kan worden voorkomen of gecompenseerd. Voorbeelden van schade zijn: zetting, landbouwschade en verspreiding van verontreiniging. toelichting: grondwateronttrekkingen kunnen diverse gevolgen hebben, afhankelijk van de omvang, de duur en de locatie van de onttrekking. Schade kan worden voorkomen door het treffen van technische voorziening (bijv. gebruik damwanden of retourbemaling). Schade kan ook financieel worden gecompenseerd. Rapportage om de aanvraag te onderbouwen In artikel 6.19 van de Waterregeling is onder andere bepaald dat de aanvrager van een vergunning moet beschrijven wat de aard en de omvang van de gevolgen van de handeling (hier: grondwateronttrekking en/of infiltratie) zijn, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aard en het detailniveau van de gevolgen die in beeld moeten worden gebracht, zullen verschillen per onttrekking. De volgende aspecten kunnen bijvoorbeeld een rol spelen: • verlaging/verhoging grondwaterstanden en/of stijghoogten in het watervoerend pakket; • invloed op gewenste grondwater- en oppervlaktewater regime (GGOR); • invloedsfeer van de onttrekking waarbij de verlaging op de kaart in de regel door middel van contouren per 5 cm verlaging wordt aangegeven; • verlaging van grondwaterstanden bij gevoelige objecten (bebouwing, waterkeringen, infrastructuur en kunstwerken, bomen, natuur, landbouw, zettinggevoelige gronden). Waar relevant en mogelijk ook de verlaging ten opzichte van historische fluctuaties in beeld brengen; • berekening van zetting, klink of negatieve kleef alsmede, indien relevant, gevolgen voor fundering; • gevolgen van zetting en grondwaterstandsverandering voor landbouw, natuur, bebouwing, waterkeringen, infrastructuur, kunstwerken en eventuele archeologische of aardkundige waarden; • de invloed van de onttrekking/infiltratie op aanwezige bodemverontreinigingen; • bij retourbemaling of bij infiltratie van hemelwater: de gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit in het (grond)waterlichaam. Bij de analytische berekeningen modelberekeningen moet worden aangegeven van welke uitgangspunten ten aanzien van de ondergrond zijn gebruikt (laagindeling, KD-waarden, c-waarden) en welke uitgangspunten gebruikt zijn met betrekking tot de onttrekking zelf (afmetingen en diepte bouwput, filterdiepte etc.). Verder moet inzicht worden gegeven in de samenstelling van het te onttrekken respectievelijk te infiltreren grondwater. Het is van belang om de samenstelling hiervan te kennen in verband met de lozing op het oppervlaktewater of riolering en omdat te infiltreren water de kwaliteit van het grondwater niet mag verslechteren. Bij het onderzoek naar de kwaliteit van water kan het onder meer gaan om het gehalte aan chloride, sulfaat, ijzer, zwevende stof, CZV, BZV. Beschrijving maatregelen en/of voorzieningen In artikel 6.27 en 6.28 van de Waterregeling is, als indieningsvereiste voor vergunningsaanvragen voor grondwateronttrekkingen respectievelijk infiltraties, onder meer bepaald dat een beschrijving moet worden gegeven van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking of infiltratie te voorkomen of te beperken. Bij die maatregelen kan worden gedacht aan: • beperken onttrekking door civieltechnische of geohydrologische maatregelen (werken binnen damwand, werken in den natte, onderwaterbeton, bodem injecteren, etc.); • infiltratiemiddelen om (gevolgen van) grondwaterpeilverlaging te beperken; • geoptimaliseerd onttrekkingsregime om effecten te minimaliseren (bijvoorbeeld laten opkomen grondwaterpeil tijdens onderbrekingen in het werk); • funderingsvervangende of ondersteunende constructies; • overige maatregelen zoals beregening natuur, isolatie bodemverontreiniging door schermen, etc. Voorschriften Aan een te verlenen vergunning kunnen in elk geval voorschriften worden verbonden met betrekking tot de omvang en duur van de onttrekking. De inhoud van deze technische voorschriften is afhankelijk van de specifieke situatie. Beleidsregel waterkering Kabels en leidingen in en nabij waterkeringen Kader Keur Op grond van artikel 3.2 eerste lid van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur kabels en/of leidingen, inclusief bijbehorende voorzieningen (zoals bijvoorbeeld kwelschermen, appendages voor kathodische bescherming) te leggen, te verwijderen of te wijzigen. Begripsbepaling In het kader van deze beleidsregel wordt onderscheid gemaakt tussen een aantal groepen kabels/leidingen: • Kabel: alle kabels waaronder elektriciteits-, signaal- en telecommunicatiekabels, inclusief bijbehorende voorzieningen. Glasvezelkabels vallen niet onder kabels omdat deze altijd in een mantelbuis worden gelegd. Glasvezelkabels worden daarom als kleine leiding beoordeeld. • Mantelbuis: een korte drukloze leidingen ter bescherming van kabels en/of mediumvoerende leidingen, veelal gelegen onder wegen, op- en afritten, bouwwerken of beplanting. • Kleine (druk)leidingen: een leiding met een inwendige diameter tot maximaal 125 millimeter en/of een maximale druk van 10 bar, inclusief bijbehorende voorzieningen. Hieronder vallen onder andere huisaansluitingen voor water en gas, mantelbuizen voor glasvezelkabels en drainageleidingen. • Grote (druk)leidingen: een leiding met een inwendige diameter van meer dan 125 millimeter en/of een druk van meer dan 10 bar, inclusief bijbehorende voorzieningen. Hieronder vallen onder andere hoofdtransportleidingen. Grote (druk)leidingen zijn (vaak) kapitaalintensieve objecten. • Bijbehorende voorzieningen: voorzieningen die noodzakelijk zijn vanuit waterkeringtechnische overwegingen of voor het in goede staat behouden van het kabel- of leidingnet. Dit zijn bijvoorbeeld kwelschermen, kleikisten, appendages voor kathodische bescherming, drukregulatiesystemen en afsluiters. • Verstoringszone: zone om de leiding waarbinnen de invloed van de aanwezigheid of bezwijken van de leiding merkbaar is. • Veiligheidszone: zone naast de waterkering waarbinnen een lekkage van de leiding de stabiliteit van de waterkering in gevaar kan brengen. Figuur: veiligheidszone bij een parallelle leiding Figuur: veiligheidszone bij een kruisende leiding Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het leggen, wijzigen of verwijderen van kabels en/of leidingen, inclusief bijbehorende voorzieningen (zoals bijvoorbeeld kwelschermen, appendages voor kathodische bescherming) binnnen de kernzone en beschermingszones. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Relatie met andere algemene regels en/of beleidsregels Mogelijk zijn op de voorgenomen activiteiten ook nog andere beleidsregels of algemene regels van toepassing. Het waterschap kan u hierover nader informeren. Relatie met normen Voor leidingen in en nabij waterstaatswerken is de NEN 3650 en NEN 3651 van toepassing. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van kabels en leidingen in de kernzone en beschermingszones van een waterkering is het voornamelijk van belang dat de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd. Motivering van de beleidsregel Algemeen De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende functie van de waterkering aantasten. Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen binnen de kernzone en de beschermingszones. Het waterschap hanteert de 'nee, tenzij'-benadering bij het toetsen van deze watervergunningsaanvragen. Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering. Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken en die niet noodzakelijk in de kernzone of beschermingszones moeten liggen, buiten die zones aan te leggen. Dijkkruisende kabels en/of leidingen Kruisingen van kabels en/of leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een kabel en/of leiding die de waterkering kruist verminderd de weerstand voor grond- en/of kwelwater. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de waterkering als de kabel en/of leiding) zo klein mogelijk wordt. Drainage Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen, kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen het leggerprofiel van de waterkering verhoogt echter het risico op het aantrekken van (extra) kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn, als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert, of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering. Voor het aanbrengen en hebben van drainage in de kern- en beschermingszone van een waterkering wordt daarom alleen watervergunning verleend als er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan. Toetsingscriteria Algemeen
  36. Het ontwerp, de aanleg en het beheer van leidingen in en nabij waterkeringen moet uitgevoerd worden conform de NEN 3650 serie en NEN 3651, de Leidraad waterkerende kunstwerken en de randvoorwaarden die hierbij door het waterschap worden gesteld;
  37. Het toepassen van de openfront-, geslotenfront- en pneumatische boortechniek is binnen de kernzone en beschermingszones niet toegestaan;
  38. Voor nieuwe leidingen binnen de kernzone en veiligheidszone moet een sterkteberekening worden uitgevoerd conform de NEN 3650 serie en de Leidraad waterkerende kunstwerken. Parallel aan een waterkering gelegen grote (druk)leidingen
  39. Leidingen moeten gelegd worden buiten het profiel van vrije ruimte vermeerderd met de straal van de verstoringszone. Parallel aan een waterkering gelegen kabels, kleine (druk)leidingen en mantelbuizen
  40. Kabels en leidingen moeten gelegd worden: - buiten de kernzone en beschermingszones; - als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, binnen de beschermingszone en buitenbeschermingszone; - als ook dat niet mogelijk is, met uitzondering van vloeistofleidingen, ter plaatse van de binnenkruin. Vloeistofleidingen dienen in zo’n situatie bij voorkeur in de teenlijn aangelegd te worden, rekeninghoudende met de eisen conform de NEN
  41. Kabels en leidingen mogen niet in het talud van de waterkering gelegd worden.
  42. De toepassing van mantelbuizen parallel aan de waterkering en binnen de veiligheidszone wordt alleen toegestaan als het volgens de NEN 3650-serie en NEN 3651 noodzakelijk is. Deze situaties zijn: - onder een afrit of zijweg; - als er sprake is van bundeling van kabels bij horizontaal gestuurde boring (HDD techniek); De mantelbuis moet dan buiten het profiel van vrije ruimte worden gelegd;
  43. Als een kabel of leiding inclusief verstoringszone binnen het profiel van vrije ruimte komt te liggen, moet ter plaatse een vervangende waterkering worden aangelegd. Het ontwerp moet voldoen aan de NEN 3651 en de Leidraad Kunstwerken. Dijkkruisende kabels en leidingen (algemeen)
  44. Kabels en leidingen moeten de waterkering haaks kruisen;
  45. Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen is alleen toegestaan bij glasvezelverbindingen of bij bundeling van meer dan twee kabels en/of leidingen;
  46. Dijkkruisende leidingen moeten als een stuk gelegd worden;
  47. Een leidingkruising moet drukloos gemaakt en afgesloten kunnen worden • In mediumvoerende leidingen moeten daarom afsluiters aan de binnendijkse en de buitendijkse zijde van de waterkering geplaatst worden. De afsluiters moeten ook tijdens hoogwaterperiodes bereikbaar en bedienbaar zijn. • Niet mediumvoerende leidingen (zoals mantelbuizen of buizen voor glasvezelkabels) moeten ter plaatse van het in- en uittredepunt of ter plaatse van de binnen- en buitenkruinlijn van de waterkring worden afgedicht met 10 tot 20 centimeter flexibel synthetisch rubber. Traditionele dijkkruisingen (open ontgraving/persing)
  48. Dijkkruisingen moeten in open ontgraving gerealiseerd worden. Indien de aanvrager kan aantonen dat er geen andere uitvoeringswijze mogelijk is, dan is in overleg met het waterschap een dijkkruising door middel van de ‘Direct Pipe’-methode toegestaan;
  49. Ter plaatse van de binnen- en/of buitenkruinlijn moeten kabels en leidingen worden voorzien van een kwelscherm, tenzij de kruising boven het MHW plaatsvindt. Het kwelscherm moet een radius hebben van ten minste 50 centimeter rondom de buitenzijde van de kabel of leiding. Dijkkruisende horizontaal gestuurde boringen (HDD´s)
  50. Ter plaatse van de kruin moet de kabel of leiding een diepte hebben van minimaal 10,00 meter. Indien deze minimale gronddekking niet realiseerbaar is mag deze onder uitvoering van maatregelen (conform NEN 3651) worden gereduceerd;
  51. Ter plaatse van kruisingen met constructies (zoals damwanden en kwelschermen) moet de bovenzijde van de kabels en leidingen ten minste 5,00 meter onder de onderzijde van de constructie komen te liggen;
  52. Ter plaatse van het in en uittredepunt van de HDD moet een kwelscherm met kleikist worden aangebracht. Het kwelscherm moet een radius hebben van ten minste 50 centimeter rondom de buitenzijde van de kabel of leiding. Beleidsregel waterkering Bouwwerken Kader Keur Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van de kern- en bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.2, tweede lid is het verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen of te behouden. Begripsbepaling Het begrip “bouwwerk” wordt gedefinieerd op de wijze zoals dat plaatsvindt in de model Bouwverordening van de VNG en zoals ook in de rechtspraak toegepast. Het begrip is daarin als volgt gedefinieerd: elke constructie van hout, steen of ander materiaal, die op de plaats van bestemming, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Daarnaast worden er in deze beleidsregel de volgende definities toegepast: • herbouw: onder herbouw wordt verstaan het weer opnieuw opbouwen van een bestaand pand dat door een calamiteit (grotendeels) verloren is gegaan; • dijkstrekking: een over een lengte van minimaal 50 meter aaneengesloten gelijksoortige waterkering. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op:
  53. nieuw bouwwerk, en
  54. herbouw van het huidige bouwwerk welke zijn gelegen binnnen de kern-, beschermingszones en het profiel van vrije ruimte, die opgenomen zijn in de legger van het waterschap. Het bewust herbouwen van een bouwwerk wordt gezien als een nieuw bouwwerk. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Op handelingen die onder het toepassingsbereik van deze regeling vallen, kan ook andere regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Waterwet, de Wabo of de Flora- en faunawet. Indien bijvoorbeeld voor een bepaalde handeling een ontheffing op grond van de Waterwet, Wabo of Flora- en faunawet nodig is, dan zal naast het voldoen aan deze beleidsregel, apart een ontheffing moeten worden aangevraagd bij het desbetreffende bevoegd gezag. Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan het zijn dat deze activiteit niet vergunningplichtig is. Deze situaties heeft het waterschap opgenomen in algemene regels en vallen niet onder deze beleidsregel. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om het voor alle betrokkenen intern en extern transparant te maken op welke manier het waterschap bouwwerken binnen de kern- en beschermingszones beoordeeld. Hierbij staat de veiligheid tegen overstroming van de waterkering voorop. Vanuit die randvoorwaarde maakt het waterschap een belangenafweging. Een basisvoorwaarde voor het instemmen met medegebruik is dat het beheer van de waterkering niet wordt belemmerd door het medegebruik. Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. Motivering van de beleidsregel Vanuit de maatschappij bestaat de wens om bouwwerken die geen waterkerende functie hebben op waterkeringen te plaatsen. In het verleden zijn al veel niet waterkerende bouwwerken op een waterkering aangebracht. Dat kan gaan om een woning, bedrijfsgebouw, transformatorhuis of een brug. Deze werken moeten goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden. Functioneren waterkering De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van bouwwerken, omdat niet waterkerende objecten of werkzaamheden nabij een waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig kunnen doen toenemen. Kans op piping Deze kans is aanwezig bij zowel op palen als op staal gefundeerde bebouwing. Door zetting van slappe grondlagen kunnen onder de fundering of funderingsbalken holle ruimten ontstaan, waardoor de kans op uitschuring van gronddeeltjes door stromend grondwater toeneemt. De kans daarop wordt versterkt als de grondopbouw wordt doorbroken en/of funderingspalen met een verzwaarde punt worden toegepast (waardoor rondom de palen holle ruimte ontstaat). Kans op instabiliteit Een op staal gefundeerd bouwwerk geeft zijn belasting direct af aan de ondergrond. Deze hogere belasting beïnvloedt de stabiliteit van de waterkering direct; de mate waarin is zonder berekeningen echter moeilijk aan te geven. Wel kan gesteld worden dat bij zwaardere, maar (als gevolg van met name windbelasting) ook bij hogere bouwwerken, de afname van stabiliteit aanzienlijk kan zijn. Een reductie van deze nadelige effecten kan worden verkregen door de bebouwing op voldoende afstand uit de waterkering te plaatsen. Het meest effectief is toepassing van een fundering op palen in plaats van een fundering op staal. Kans op erosie Door doorbreking van de bekleding van de waterkering neemt zeker bij overslag maar ook bij zware regenval de kans op erosie van de kruin en binnentalud nabij bouwwerken toe. Dit effect zal nog worden versterkt door de verwachte toename van menselijke activiteiten, zoals grondbewerking in tuinen. Indien de erosie niet zal leiden tot bezwijken van de waterkering (bijvoorbeeld bij een ruimer profiel of flauwere taludhelling) behoeft het ontbreken van een goede erosiebestendige bekleding overigens geen groot bezwaar te zijn. Beheer van de waterkering De aanwezigheid van bouwwerken op kruin en/of taluds werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijk schade kunnen niet goed worden uitgevoerd. Door het met grond ophogen van de waterkering (kruin/binnentalud) nabij bouwwerken neemt de kans op schade aan de bouwwerken toe, tenzij bij het ontwerp van het bouwwerk en de fundering ervan afdoende op dit risico wordt geanticipeerd. Vaak moet overgestapt worden naar een aangepaste onderhoudsmethode. Het op hoogte onderhouden van het grondlichaam onder de bebouwing is uiteraard onmogelijk, zowel bij een fundering op staal als een fundering op palen. Hier mag op den duur geen gevaar voor de waterkering uit voortvloeien. Toetsingscriteria Algemeen
  55. Op aangeven van het waterschap dient met berekeningen te worden aangetoond dat bouwwerken het waterkerend vermogen van de waterkering, nu en in de toekomst niet in gevaar brengt. De aspecten die daarbij beoordeeld worden zijn macrostabiliteit, microstabiliteit, erosiebestendigheid en piping;
  56. Bouwwerken mogen de mogelijkheid tot inspectie en onderhoud van de waterkering niet belemmeren;
  57. Bouwwerken binnen de beheer- en onderhoudsstrook van 4 meter, vanaf de binnen- en buitenteen van de waterkering, zijn toegestaan mits het beheer en onderhoud vanaf de kruin mogelijk is;
  58. Bouwwerken mogen niet tot extra kosten leiden voor het beheer van de waterkering;
  59. Bouwwerken mogen niet worden gefundeerd op paalkoppen met een verzwaarde voet; Specifiek: Bouwwerken kernzone
  60. Een nieuw bouwwerk moet voortkomen uit een zwaarwegend belang;
  61. Het bouwwerk moet buiten het profiel van vrije ruimte en de bijbehorende beheer- en onderhoudsstrook van 4 meter worden aangelegd;
  62. Herbouw moet binnen het bestaande bouwoppervlak plaatsvinden;
  63. Wanneer op korte termijn volgens een vastgesteld plan maatregelen of een dijkversterking wordt uitgevoerd, dient de herbouw te worden afgestemd met het waterschap.; Specifiek: Bouwwerken beschermingszone
  64. Het bouwwerk moet buiten het profiel van vrije ruimte en de bijbehorende beheer- en onderhoudsstrook van 4 meter worden aangelegd. Specifiek: Verheelde en aangeheelde waterkering
  65. Voldaan moet worden aan het tweede, derde en vierde toetsingscriteria onder Algemeen.
  66. Het bouwwerk moet buiten het profiel van vrije ruimte en de bijbehorende beheer- en onderhoudsstrook van 4 meter worden aangelegd. Specifiek: Dijkstrekkingen met aaneengesloten bestaande bouwwerken
  67. Bouwwerken binnen de waterkering, de bijbehorende beschermingszones of het profiel van vrije ruimte zijn niet toegestaan, tenzij: a. bestaande aanliggende bebouwing ook binnen de waterkering, bijbehorende beschermingszone of profiel van vrije ruimte staat; b. het bouwwerk niet voorbij de bestaande naastliggende doorgaande gevellijn wordt geplaatst, en c. voldaan moet worden aan de criteria onder “Algemeen”. Specifiek: Hoge bouwwerken en constructies
  68. Bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten die rechtstreeks in de ondergrond verankerd zijn kunnen een extra nadelige invloed hebben op de waterkering (faalmechanismen stabiliteit en piping). Trillingen van windmolens en reacties van windbelastingen op hoge masten kunnen deze negatieve invloed veroorzaken en moeten daarom vermeden worden. Voor dit soort bouwwerken binnen de kern- en beschermingszones wordt daarom in principe geen vergunning verleend. Beleidsregel waterkering Wegen Kader Keur Op grond van artikel 3.2, eerste lid is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van het profiel van vrije ruimte door, anders dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.2, tweede lid is het verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen of te behouden. Begripsbepaling Onder een weg wordt verstaan een voor het verkeer geschikt gemaakte strook grond. Hieronder vallen onverharde wegen, gesloten verhardingen en open verhardingen. Onverharde wegen zijn aangelegd zonder wegcunet (zoals wandelpaden, zandwegen of schelpenpaden). Gesloten verhardingen zijn opgebouwd uit een materiaal dat na het aanbrengen een solide geheel vormt en niet meer op te delen is, zoals asfalt en beton. Bij open verhardingen bestaat het wegdek uit losse elementen, zoals klinkers, stelconplaten of tegels. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het aanleggen of onderhouden van een weg binnen het profiel van vrije ruimte. De beleidsregel is niet bedoeld om de wegen die voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel aanwezig waren, te legaliseren. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Op handelingen die onder het toepassingsbereik van deze regeling vallen, kan ook andere regelgeving van toepassing zijn. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Waterwet, de Wabo of de Flora- en faunawet. Indien bijvoorbeeld voor een bepaalde handeling een ontheffing op grond van de Waterwet, Wabo of Flora- en faunawet nodig is, dan zal naast het voldoen aan deze beleidsregel, apart een ontheffing moeten worden aangevraagd bij het desbetreffende bevoegd gezag. Wanneer een activiteit onder bepaalde voorwaarden wordt uitgevoerd, kan het zijn dat deze activiteit niet vergunningplichtig is. Deze situaties heeft het waterschap opgenomen in algemene regels en vallen niet onder deze beleidsregel. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om voor alle betrokkenen intern en extern transparant te maken op welke manier het waterschap wegen binnen het profiel van vrije ruimte beoordeeld. Hierbij staat de veiligheid tegen overstroming van de waterkering voorop. Vanuit die randvoorwaarde maakt het waterschap een belangenafweging. Een basisvoorwaarde voor het instemmen met medegebruik is dat het beheer van de waterkering niet wordt belemmerd door het medegebruik. Met beheer wordt bedoeld alle activiteiten die nodig zijn om de waterkeringen op het vereiste veiligheidsniveau te houden, nu en in de toekomst. Motivering van de beleidsregel Vanuit de maatschappij bestaat de wens om wegen die geen waterkerende functie hebben op waterkeringen te plaatsen. In het verleden zijn al veel wegen op een waterkering aangebracht. Deze werken moeten goed worden gereguleerd opdat de veiligheid van de waterkeringen nu en in de toekomst niet in gevaar komt. Ook het beheer en onderhoud mogen niet worden belemmerd en niet tot onevenredig hoge kosten voor het waterschap leiden. Functioneren waterkering De waterkering dient zoveel mogelijk vrij te zijn van wegen, omdat wegen nabij een waterkering in beginsel het waterkerend vermogen en beheer van de kering in gevaar kunnen brengen, belemmeren of de kosten van het beheer onevenredig kunnen doen toenemen. Kans op kwel Bij (half)verharde wegen op waterkeringen bestaat het gevaar dat door het zakken van de relatief poreuze funderingsconstructie van de verharding (veelal zand bij open bestrating en puin of slakken (een restproduct van de hoogovens) bij een gesloten verharding) de doorlatendheid van de waterkering toeneemt. Dit effect kan bij een starre wegconstructie op de relatief slappe ondergrond nog worden versterkt door het ontstaan van onderloopsheid van die constructie. Kans op instabiliteit De verkeersbelasting van wegen op waterkeringen kan de stabiliteit van de waterkering in negatieve zin beïnvloeden. Dit effect kan doorgaans worden gecompenseerd door een verbreding van de voet van de waterkering. Kans op erosie Met name het met auto’s berijden van de waterkering brengt een vergrote kans op beschadiging van de grasmat direct naast de verharding met zich mee. Kwetsbare plekken zijn met name de bermen en de op- en afritten. De erosiebestendigheid van de bekleding zal daardoor afnemen. Beheer van de waterkering De aanwezigheid van wegen op kruin en/of taluds werken belemmerend op de mogelijkheden tot beheer van de waterkering. Controle van de afmetingen van de waterkering en inspectie op mogelijk schade kunnen niet goed worden uitgevoerd. In geval van verzakkingen zijn de onderhoudskosten hoog. Vaak is het daarbij lastig om een duidelijke veroorzaker van de verzakking aan te wijzen, waardoor discussie ontstaat over de kostenverdeling tussen wegbeheerder en waterkeringbeheerder. Het op elkaar afstemmen van onderhoudsplanningen van wegbeheerders en waterkeringbeheerders is moeilijk, vanwege verschillende zichtperiodes, verschillende werkwijzen en politieke ontwikkelingen. Dit is op te lossen door vooraf afspraken te maken. Toetsingscriteria Algemeen
  69. Een weg mag het waterkerend vermogen van de waterkering, nu en in de toekomst niet in gevaar mag brengen. De aspecten die daarbij beoordeeld worden zijn macrostabiliteit, erosiebestendigheid en piping;
  70. Wegen mogen de mogelijkheid tot inspectie en onderhoud van de waterkering niet belemmeren;
  71. Wegen mogen niet tot extra kosten leiden voor het beheer van de waterkering. Specifiek: Wegen profiel van vrije ruimte
  72. Een weg moet op een zodanige wijze worden aangebracht dat er geen negatieve effect optreedt op de waterkerende functie;
  73. Met stabiliteits- en zettingsberekeningen moet worden aangetoond dat een weg het waterkerend vermogen niet in gevaar brengt: a. in de aanlegfase; b. in de gebruiksfase inclusief verkeersbelasting; c. bij gebruik van verkeersdrempels;
  74. De afwatering van de verharding mag geen negatieve gevolgen hebben op de erosie en stabiliteit van de waterkering;
  75. De kosten voor het onderhoud van de weg liggen te allen tijde bij de vergunninghouder. Ook als het waterschap verzoekt de weg te verwijderen voor onderhoudswerkzaamheden aan de waterkering. Hiervoor zal zoveel mogelijk een termijn van aanzegging gelden van 3 maanden;
  76. Bij het afgeven van watervergunningen voor nieuwe wegen worden duidelijke afspraken gemaakt over: a. het onderhoud en de kerende hoogte van de waterkering; b. de financiering van het beheer en onderhoud. Het waterschap draagt bij aan het onderhoud als ware het een ‘groene waterkering’ (onbebouwd); c. de maximaal toelaatbare verkeersbelasting op de waterkering. Specifiek: Onderhoud aan bestaande wegen
  77. Voor het verbeteren, aanpassen of vervangen van een bestaande weg moet voldaan worden aan de criteria onder “Algemeen” en “Specifiek: Wegen profiel van vrije ruimte”. Specifiek: Op en afritten
  78. Per perceel gelegen aan de dijk is 1 ontsluiting toegestaan. Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande op- en afritten, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan, geen vergunning verleend zal worden voor nieuwe ontsluitingen;
  79. Bij splitsing van percelen moet de bestaande ontsluiting gehandhaafd blijven en moet deze voor de opgesplitste delen van het perceel als ontsluiting blijven dienen. Nieuwe op en afritten worden om reden van opsplitsing van percelen niet vergund;
  80. Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op dijktaluds. Het ontwerp is ter beoordeling door het waterschap. Beleidsregel waterkering Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek en bodemenergiesystemen in en nabij waterkeringen Kader Keur Op grond van artikel 3.2 eerste lid van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur ontgravingen, sonderingen en/of boringen uit te voeren in de waterkering en bijbehorende beschermingszone. Hieronder valt ook het uitvoeren van milieu-, bodem- of archeologisch onderzoek, het plaatsen van peilbuizen, het realiseren van een bodemenergiesysteem en het uitvoeren van sonderingen en grondboringen. Begripsbepaling In deze beleidsregel worden de volgende begrippen onderscheiden: • Bodemenergiesysteem: een systeem waarbij door middel van warmtewisselaars energie (waaronder warmte) wordt onttrokken aan het (diepe) grondwater. • Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek: alle soorten onderzoek waarbij sonderingen/boringen worden uitgevoerd of grond wordt ontgraven. Hieronder vallen in ieder geval ook het uitvoeren van sonderingen/boringen, het plaatsen van peilbuizen, het graven van proefsleuven en het uitvoeren van explosievenonderzoek; • Hoogwaterseizoen: periode van 15 oktober tot en met 15 maart. • MHW: maatgevende hoogwaterstand, dit is het ontwerppeil behorende bij de norm volgens de Waterwet. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het in alle waterkeringen en bijbehorende beschermingszones: - uitvoeren van grondboringen; - uitvoeren van sonderingen; - plaatsen of verwijderen van peilbuizen; - plaatsen van bodemenergiesystemen; - uitvoeren van milieu-, bodem-, archeologisch, of explosievenonderzoek. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Wetgeving In verband met de diepte tot waarop bodemenergiesystemen worden aangelegd beïnvloeden deze systemen ook het diepe grondwater. Daarom is er behalve een watervergunning op basis van de Keur van het waterschap voor de realisatie van bodemenergiesystemen ook een watervergunning in gevolge art. 6.4 Waterwet (onttrekken van grondwater) vereist. De provincie is hiervoor bevoegd gezag. Relatie met andere algemene regels en/of beleidsregels Mogelijk zijn op de voorgenomen activiteiten ook nog andere beleidsregels of algemene regels van toepassing. Het waterschap kan u hierover nader informeren. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Met betrekking tot het uitvoeren van milieu-, bodem- of archeologisch onderzoek, het plaatsen van peilbuizen, het realiseren van een bodemenergiesysteem en het uitvoeren van sonderingen en grondboringen is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd en dat een toename van kwel wordt voorkomen. Motivering van de beleidsregel Beheer en onderhoud Het uitvoeren van milieu-, bodem- of archeologisch onderzoek, het plaatsen van peilbuizen, het realiseren van een bodemenergiesysteem en het uitvoeren van sonderingen en grondboringen heeft relatief weinig invloed op het beheer en onderhoud van de waterkering. Het is van belang dat de waterkering, en in het bijzonder het buitentalud, voor aanvang van het hoogwaterseizoen volledig is hersteld. Het is daarom in principe niet toegestaan dit soort onderzoek uit te voeren gedurende het hoogwaterseizoen Functioneren waterkering Bij het uitvoeren van boringen, sonderingen en diepere ontgravingen bestaat het risico dat de afdichtende kleilaag van de waterkering doorsneden wordt. Hierdoor kunnen kwelstromen ontstaan en wordt het risico op piping vergroot. Bij grote ontgravingen kunnen problemen ontstaan met de stabiliteit van de waterkering, in het bijzonder als deze ontgravingen in het talud of bij de teen van de waterkering plaatsvinden. Daarnaast kunnen door het uitvoeren van boringen, sonderingen en/of het plaatsen van peilbuizen veranderingen in de grondwaterstand ontstaan. Veranderingen in de grondwaterstand kunnen leiden tot stabiliteitsproblemen bij waterkeringen. Toetsingscriteria Milieu-, bodem- en archeologisch onderzoek
  81. Het uitvoeren van milieu- of archeologisch onderzoek binnen de kernzone is alleen toegestaan indien er een zwaarwegend belang wordt aangetoond (bijvoorbeeld wanneer het onderzoek vanuit andere wetgeving vereist is).
  82. Ontgravingen moeten zover mogelijk uit de kernzone blijven en mogen niet dieper worden dan voor het onderzoek noodzakelijk is.
  83. Indien de ontgraving dieper wordt dan 0,5 meter, moet de initiatiefnemer aantonen dat de stabiliteit van de waterkering niet in gevaar is.
  84. Boringen en sonderingen binnen het profiel van vrije ruimte zijn alleen toegestaan indien het intredepunt van de sondering/boring boven het MHW ligt of als de noodzaak voor sonderingen/boringen op die locatie is aangetoond.
  85. Peilbuizen/waterspanningsmeters die langer blijven staan dan 30 dagen, of die blijven staan in het hoogwaterseizoen moeten worden voorzien van een kwelscherm.
  86. Niet meer in gebruik zijnde peilbuizen/waterspanningmeters moeten worden verwijderd.
  87. Gaten die zijn ontstaan door de werkzaamheden moeten direct volledig worden gevuld met zwelklei of bentoniet, ten behoeve van een blijvend waterdichte afdichting
  88. Seismische onderzoeken in/op de waterkering zijn niet toegestaan. Seismisch onderzoek in de beschermingszones is alleen toegestaan indien de aanvrager aantoont dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterkering.
  89. Verticale boringen binnen de kern- en beschermingszones mogen alleen worden uitgevoerd bij rivierwaterafvoeren van minder dan 1000 m³/s gemeten te Borgharen/St. Pieter. Bodemenergiesystemen
  90. Bronnen die geplaatst worden binnen de beschermingszones dienen in overleg met het waterschap beoordeeld te worden. Indien noodzakelijk dient met een berekening aangetoond te worden wat het effect is op de waterkering. Beleidsregel waterkering Ophogingen en ontgravingen in en nabij waterkeringen Kader Keur Op grond van artikel 3.2 eerste lid van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur ophogingen te realiseren of ontgravingen uit te voeren in de waterkering en bijbehorende beschermingszones. Begripsbepaling In deze beleidsregel worden de volgende begrippen onderscheiden. • Ophoging: iedere tijdelijke of permanente verhoging van het maaiveld. • Ontgravingen: iedere tijdelijke of permanente verlaging van het maaiveld. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het verhogen en verlagen van het maaiveld op alle waterstaatswerken zijnde waterkeringen en bijbehorende beschermingszones. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Wetgeving Voor grote ontgravingen/ontgrondingen kan een vergunning op basis van de Ontgrondingenwet vereist zijn. Voor veel soorten kabels en leidingen geldt een minimaal en/of een maximaal toelaatbare gronddekking. Voor ontgravingen of ophogingen boven kabels en leidingen is daarom ook toestemming van de kabel- en/of leidingbeheerder noodzakelijk. Relatie met andere algemene regels en/of beleidsregels Mogelijk zijn op de voorgenomen activiteiten ook nog andere beleidsregels of algemene regels van toepassing. Het waterschap kan u hierover nader informeren. Normen en richtlijnen Om voor de ontgrondingsbedrijven uniformiteit in het toetsingskader aan te brengen, sluit het waterschap aan bij de CUR-aanbeveling 113 'Oeverstabiliteit bij zandwinputten', die is opgesteld voor ontgrondingen. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij ontgravingen en ophogingen is het van belang dat er geen verschuivingen van de oever en/of het dijklichaam optreden, waardoor de stabiliteit en daarmee de waterkerende functie van de waterkering negatief zou kunnen worden beïnvloed. Motivering van de beleidsregel Beheer en onderhoud Ophogingen tegen de waterkering kunnen gevolgen hebben voor het uitvoeren onderhoud van de waterkering, bijvoorbeeld doordat maaivakken worden onderbroken. Functioneren waterkering Ontgravingen en ophogingen kunnen op een aantal manieren gevaar opleveren voor de waterkering. Het heeft vooral invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bij een ontgraving of ophoging is het mogelijk dat er verzakkingen optreden. Als deze verzakkingen in (de buurt van) waterkeringen plaatsvinden, kunnen ze een negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Als ophogingen plaatsvinden boven leidingen zal dit leiden tot extra belasting van de leidingen. Beschadigingen aan leidingen in of nabij waterkeringen vormen een groot risico voor de stabiliteit van de waterkering. Ophogingen van het maaiveld nabij de waterkering kunnen ertoe leiden dat er een laagte ontstaat tussen de waterkering en de ophoging. Hierdoor kan de waterkering aan de teen/voet verweken hetgeen een negatieve invloed heeft op de stabiliteit van de waterkering. Toetsingscriteria Ontgravingen
  91. Permanente ontgravingen binnen het profiel van vrije ruimte van de waterkering zijn niet toegestaan;
  92. Bij ontgravingen dieper dan 0,5 meter dient door middel van stabiliteitsberekeningen aangetoond te worden dat de ontgraving geen negatieve invloed heeft op de stabiliteit van de waterkering;
  93. Als na de ontgraving een afdichtende kleilaag van minder dan 1,50 meter overblijft, moet door middel van berekeningen aangetoond worden dat de ontgraving geen toename aan de hoeveelheid kwel als gevolg zal hebben. Eventuele mitigerende maatregelen kunnen hierbij meegerekend worden. Ophogingen
  94. Permanente ophogingen voor perceelsontsluitingen worden in principe alleen toegestaan als het perceel nog niet ontsloten is en er redelijkerwijs geen andere wijze van ontsluiten mogelijk is;
  95. Bij ophogingen op/tegen de waterkering dient de ophoging te worden afgewerkt met daarvoor geschikte kleigrond. Geschikte kleigrond is: • voor het buitentalud: klei met erosiebestendigheid categorie 1, met een lutumpercentage tussen 25%-37%; • voor het binnentalud: klei met erosiebestendigheid categorie 2, met een lutumpercentage tussen 15%-25%;
  96. Bij ophogingen van meer dan 1,50 meter en ophogingen in zettingsgevoelige gebieden moet door middel van stabiliteits- en zettingsberekeningen worden aangetoond dat de ophoging geen negatieve invloed heeft op de waterkering, aanwezige voorzieningen in de waterkering (bijvoorbeeld aanwezige kabels en/of leidingen) of andere waterstaatswerken (waaronder eventueel aanwezige oppervlaktewaterlichamen);
  97. Ophogingen moeten zo worden aangelegd dat de afwatering van de waterkering niet gehinderd wordt en geen verweking van de waterkering kan optreden. Beleidsregel waterkering Profiel van vrije ruimte Kader Keur Op grond van artikel 3.2 eerste lid van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur handelingen of effecten van deze handelingen te verrichten binnen het profiel van vrije ruimte. Op grond van artikel 3.2 tweede lid van de keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden. Begripsbepaling Het begrip Profiel van Vrije Ruimte is gedefinieerd als: het gebied dat nodig is om toekomstige verbeteringen aan de waterkering te kunnen realiseren. Met het opnemen van een Profiel van Vrije Ruimte wordt beoogd ontwikkelingen te voorkomen die het realiseren van de voorgenomen verbetering onmogelijk maken of slechts mogelijk te maken zijn via verwijdering of aanpassing van werken met grote financiële consequenties. Het Profiel van Vrije Ruimte staat onafhankelijk van de in de legger vastgestelde kernzone en beschermingszones van de waterkering. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het verrichten van handelingen of effecten van deze handelingen binnen het profiel van vrije ruimte. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Mogelijk zijn op de voorgenomen activiteiten ook nog andere beleidsregels of algemene regels van toepassing. Het waterschap kan u hierover nader informeren. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is om te kunnen beoordelen of een handeling en/of de effecten hiervan binnen het profiel van vrije ruimte ligt. Daartoe wordt in deze beleidsregel aangegeven hoe het profiel van vrije ruimte in een concrete situatie moet worden bepaald als dit niet in de legger is aangegeven. Bepaling van profiel van vrije ruimte
  98. Algemeen Bij het bepalen van het Profiel van Vrije Ruimte wordt onderscheid gemaakt in het Profiel van Vrije Ruimte ter hoogte van groene waterkeringen, ter hoogte van harde constructies in de vorm van kademuren en demontabele keringen en ter hoogte van combinatie waterkeringen bestaande uit een groene waterkering met erop een harde constructie. Ieder type waterkering zal afzonderlijk worden besproken. Aspecten die van invloed zij op het Profiel van Vrije Ruimte De huidige waterkeringen in het beheergebied van waterschap Peel en Maasvallei hebben een veiligheidsnorm van 1/50 jaar of 1/250 jaar. Vanaf 2024 dienen alle primaire waterkeringen langs de Limburgse Maas te zijn verbeterd tot een veiligheidsnorm van 1/250 jaar. Deze verbetering is al deels uitgevoerd door Maaswerken. Voor het Profiel van Vrije Ruimte wordt rekening gehouden met waterstanden en de situatie die in de toekomst kan optreden. Aspecten die invloed hebben op de veiligheidsnorm en hoogte van de waterkering zijn: - Hogere waterstanden door klimatologische veranderingen - Hogere waterstanden door wijzigingen in het rivierbed en hydraulische randvoorwaarden - Hogere economische waarde van het achterland door positieve economische ontwikkelingen - Normverhoging van de waterkering (hangt o.a. samen met het vorige aspect) Getracht is met de huidige inzichten en de benoemde aspecten per type waterkering in deze notitie een principe methode te geven ter bepaling van het Profiel van Vrije Ruimte. 2 Profiel van Vrije Ruimte bij een groene waterkering Onder een groene waterkering wordt verstaan een waterkering bestaande uit grond al dan niet voorzien van een harde bekleding bestaande uit stortsteen, zetsteen of andere bekledingsconstructies. Onderstaand is in een stappenplan aangegeven hoe het Profiel van Vrije Ruimte voor de groene waterkeringen vastgesteld moet worden voor zowel de binnendijkse als buitendijkse zijde. Deze aanpak dient ook gehanteerd te worden voor verheelde waterkeringen of aangeheelde waterkeringen. 2.1 Binnendijkse zijde Stap 1 kruinhoogte Omdat in het beheergebied nog verschillende trajecten verbeterd zullen worden en op verschillende locaties de waterkering te laag is, wordt de hoogte van het Profiel van Vrije Ruimte (P.v.V.R) vastgesteld op basis van de waterstand en niet op basis van de dijktafelhoogte. De waterstand die gehanteerd wordt, is de waterstand die behoort bij een overschrijdingsfrequentie van 1/1250 uit de TMR
  99. De kruinhoogte van het P.v.V.R. bedraagt: hkruin;P.v.V.R. = hmhw;P.v.V.R. + 0,5 m hmhw;P.v.V.R. = TMR2006 (1/1250) + lokale toeslagen Figuur 2.1: Kruinhoogte P.v.V.R. Stap 2 talud Door het waterschap wordt een standaard profiel gehanteerd met een buitentalud helling van 1:3 en binnentalud helling van 1:
  100. Deze hellingen dienen in het Profiel van Vrije Ruimte te worden gehanteerd en lopen ondergronds door(zonder begrenzing). Figuur 2.2: Taludhellingen P.v.V.R. Stap 3 kruinbreedte Er dient een kruinbreedte te worden aangehouden gelijk aan de huidige kruinbreedte met een minimum van 4,5 m. Op de kruin dient namelijk te allen tijde een onderhoud- en inspectiepad aangelegd te kunnen worden, zodat de waterkeringen bereikbaar zijn voor normaal onderhoud en werkverkeer ten tijde van calamiteiten. Figuur 2.3: Kruinbreedte P.v.V.R. Stap 4 breedte en hoogte pipingberm De benodigde kwelweglengte en de daaruit volgende benodigde (piping)bermbreedte is bepaald met behulp van Bligh, waarbij in de bepaling geen rekening wordt gehouden met het type ondergrond en de betreffende opbouw. De benodigde bermbreedte is afhankelijk van het hoogteverschil tussen de waterstand en het maaiveld in het achterland of slootpeil aan de binnenzijde van de dijk en dient conform de onderstaande figuur bepaald te worden. Omdat de waterkering overstroombaar dient te zijn, dient de bermbreedte bepaald te worden met een waterstand gelijk aan kruinhoogte. Figuur 2.4: Breedte en hoogte pipingberm P.v.V.R. De benodigde lengte van de dijkbasis in het P.v.V.R. ten behoeve van piping is als volgt: Lpiping = 18 * (hkruin;P.v.V.R. – hmv achterland) of bij aanwezigheid van een sloot (zie N.B.) Lpiping = 18 * (hkruin;P.v.V.R. – hslootpeil binnenzijde waterkering) Waarin: Lpiping Lengte dijkbasis benodigd t.b.v. faalmechanisme piping hMHW;P.v.V.R. Maatgevende waterstand zoals bepaald in stap 1 hmv achterland Hoogte maaiveld achterland hslootpeil binnenzijde waterkering Hoogte slootpeil in teensloot aan de binnenzijde van de waterkering Uitgangspunt hierbij is dat het intredepunt bij de buitenteen is gelegen en een voorland niet in rekening wordt gebracht. De hoogte van de berm is minimaal de hoogte die de 1:18-lijn (conform methode Bligh) volgt zie bovenstaande figuur. N.B. De aanwezigheid van een binnendijkse sloot hoeft alleen meegenomen te worden in de berekening van de pipinglengte als de slootbodem lager ligt dan de kritieke lijn bepaald op basis van de maaiveldhoogte in het achterland. Stap 5 breedte en hoogte steunberm binnendijks Middels indicatieve berekeningen is door het waterschap de minimaal benodigde stabiliteitsberm in het Profiel van Vrije Ruimte bepaald. Onderstaande methode is gebaseerd op deze indicatieve berekeningen. Figuur 2.5: breedte en hoogte stabiliteitsberm P.v.V.R. Voor de minimale afmetingen van de stabiliteitsberm langs de Limburgse Maas dienen de volgende methodes gehanteerd worden, waarbij Lb de breedte van de bovenkant van de berm inhoud: Indien hkruin – hmv achterland < 3 m: Lb = 2 x (hkruin – hmv achterland) Indien hkruin – hmv achterland ≥ 3 m: Lb = 2½ x (hkruin – hmv achterland) Voor beide situaties geldt: Hb = ½ x (hkruin – hmv achterland) aan de taludzijde van de berm Hb = hoogte stabiliteitsberm Let op: De afmetingen van de stabiliteitsberm zijn gebaseerd op indicatieve berekeningen. Indien de locatie een bijzondere situatie betreft, dient gecontroleerd te worden of deze algemene opgestelde afmetingen in deze stap van toepassing zijn. Als er aanleiding is om aan te nemen dat de standaard stabiliteitsberm onvoldoende is voor de specifieke situatie, dan dienen aanvullende berekeningen te worden gemaakt om de dimensies van de stabiliteitsberm vast te stellen. Stap 6 Definitieve Profiel van Vrije Ruimte groene waterkering binnendijkse zijde Voor de binnenzijde van een groene waterkering geldt dat het Profiel van Vrije Ruimte gelijk is aan de omhullende van de kritieke lijnen uit stap 1 t/m 5: • de verbreding als gevolg van de toenemende hoogte van de waterkering waarbij het buitentalud op dezelfde lijn is gelegen als het opgehoogde profiel volgend uit stap 1, 2 en 3 • de hoogte en breedte van de pipingberm volgend uit stap 4 • de hoogte en breedte van de steunberm volgend uit stap 5 In onderstaande figuur is het algemeen geldende Profiel van Vrije Ruimte binnenzijde samengevat, waarbij onder maaiveld een talud van 1:3 dient te worden doorgezet (zonder begrenzing). Figuur 2.6: Algemeen geldend Profiel van Vrije Ruimte groene waterkeringen binnenzijde 2.2 Buitendijkse zijde Stap 1, 2 en 3 Kruinhoogte, taludhelling en kruinbreedte Deze stappen zijn gelijk aan de bepaling voor het Profiel van Vrije Ruimte aan de binnendijkse zijde. Figuur 2.7: Kruinhoogte, taludhelling en kruinbreedte P.v.V.R. buitendijks Stap 4 Breedte voorland De benodigde lengte voor de dijkbasis inclusief voorland t.b.v. piping is gelijk aan stap 4: Lpiping = 18 * (hkruin;P.v.V.R. – hmv achterland) of bij aanwezigheid van een sloot (zie N.B.) Lpiping = 18 * (hkruin;P.v.V.R. – hslootpeil binnenzijde waterkering) Bij afwezigheid van een sloot is het uittredepunt gelijk aan de binnenteen, zie onderstaande figuur. Indien de sloot in rekening gebracht moet worden dan is het uittredepunt gelijk aan de slootrand aan de kant van de dijk. Figuur 2.8: Breedte voorland P.v.V.R. Stap 5 Breedte stabiliteitszone Aan de buitenzijde van de waterkering geldt een stabiliteitszone met een breedte van: Hoogte waterkering Voorland aanwezig Schaardijk hkruin – hmv voorland c.q. bodem < 3 m Lb = 0 m Lb = 1½ x (hkruin – hgem. zomerafvoer) hkruin – hmv voorland c.q. bodem ≥ 3 m Lb = 1½ x (hkruin – hmv voorland) Lb = 1½ x (hkruin – hgem. zomerafvoer) Waarin: Lb = lengte stabiliteitszone Voor alle bovenstaande situaties geldt: Hb = ½ x (hkruin – hmv voorland) aan de taludzijde van de berm Figuur 2.9: Breedte stabiliteitsberm P.v.V.R. buitendijks Stap 6 Definitieve Profiel van Vrije Ruimte groene waterkering buitendijkse zijde Voor de buitenzijde van een groene waterkering geldt dat het Profiel van Vrije Ruimte gelijk is aan de omhullende van de kritieke lijnen uit stap 1 t/m 5: • de verbreding als gevolg van de toenemende hoogte van de waterkering waarbij het binnentalud op dezelfde lijn is gelegen als het opgehoogde profiel volgend uit stap 1,2 en 3 • de breedte van het voorland volgend uit stap 4 • de breedte van de stabiliteitszone volgend uit stap 5 In onderstaande figuur is het algemeen geldende Profiel van Vrije Ruimte buitenzijde samengevat, waarbij onder maaiveld een talud van 1:3 dient te worden doorgezet (zonder begrenzing). Figuur 2.10: Algemeen geldend Profiel van Vrije Ruimte groene waterkeringen buitenzijde N.B. In overleg met het waterschap is verfijning van het P.v.V.R. mogelijk op basis van geavanceerdere berekeningen en onderzoeken. 3 Profiel van Vrije Ruimte harde waterkerende constructies In het beheergebied van Waterschap Peel en Maasvallei bevinden zich een groot aantal harde waterkerende constructies, zoals keermuren (L-wanden of stalen damwanden), demontabele waterkeringen en monumentale, gemetselde muren. In onderstaande figuur zijn de meest veelvoorkomende typen harde constructies geïllustreerd. Voor deze constructies is door het waterschap in dit hoofdstuk een opzet gemaakt hoe hier het Profiel van Vrije Ruimte bepaald dient te worden. Er is gebruik gemaakt van een stappenplan, omdat de constructies van elkaar kunnen verschillen en één algemeen Profiel van Vrije Ruimte niet opgesteld kan worden door de variatie in constructies. Figuur 3.1 Typen harde constructies in het beheergebied van Waterschap Peel en Maasvallei Om te komen tot een Profiel van Vrije Ruimte wordt het volgende stappenplan gehanteerd: Stap 1 Kruinhoogte Omdat in het beheergebied nog verschillende trajecten verbeterd zullen worden en op verschillende locaties de waterkering te laag is, wordt de hoogte van het P.v.V.R. van de harde constructies net als de groene waterkeringen vastgesteld op basis van de waterstand en niet op basis van de huidige dijktafelhoogte. De kruinhoogte van het P.v.V.R. bedraagt: hkruin;P.v.V.R. = hmhw;P.v.V.R. + 0,5 m hmhw;P.v.V.R. = TMR2006 (1/1250) + lokale toeslagen Figuur 3.2: Kruinhoogte P.v.V.R. constructies Stap 2 en 3 Taludhelling en kruinbreedte De kruinbreedte is gelijk aan de breedte van een groene waterkering en bedraagt 4,5 m. Vervolgens wordt aan de binnenzijde een verticale lijn getrokken richting maaiveld. Figuur 3.3: Taludhelling en kruinbreedte P.v.V.R. constructies Stap 4 Breedte en hoogte t.b.v. piping De benodigde kwelweglengte en de daaruit volgende benodigde (piping) zone is bepaald met behulp van de methode Lane, waarbij in de bepaling uitgegaan wordt van een volledig fijn-zandige ondergrond zonder klei- en leemlagen. De benodigde zone ten behoeve van piping is afhankelijk van het hoogteverschil tussen de waterstand en het maaiveld in het achterland of slootpeil aan de binnenzijde van de dijk en de dikte van de ondoorlatende deklaag en dient conform de onderstaande figuur bepaald te worden. Figuur 3.4: Breedte en hoogte pipingberm P.v.V.R. constructies De benodigde lengte vanaf de constructie ten behoeve van piping is als volgt: Lpiping = 3*7*(hkruin;P.v.V.R. – hmv achterland) – 3*(Lv1+Lv2) of bij aanwezigheid van een sloot (zie N.B.) Lpiping = 3*7*(hkruin;P.v.V.R. – hmv slootpeil binnenzijde waterkering) – 3*(Lv1+Lv2) Waarin: Lpiping Benodigde lengte t.b.v. faalmechanisme piping Hkruin;P.v.V.R. Maatgevende waterstand gelijk aan kruinhoogte vanwege de overstroombaarheid van de waterkering hmv achterland Hoogte maaiveld achterland hslootpeil binnenzijde waterkering Hoogte slootpeil in teensloot aan de binnenzijde van de waterkering De hoogte van de piping zone is minimaal de hoogte die de 1:21-lijn (conform methode Lane) volgt zie bovenstaande figuur. N.B. De aanwezigheid van een binnendijkse sloot hoeft alleen meegenomen te worden in de berekening van de pipinglengte als de slootbodem lager ligt dan de kritieke lijn bepaald op basis van de maaiveldhoogte in het achterland. Stap 5 Stabiliteitszone binnendijks en buitendijks Binnendijks Teken een raaklijn met een hoek van 45 graden ten opzichte van de onderkant teen van de constructie (damwand / kwelscherm / L-wand, etc.) en trek deze raaklijn door tot aan maaiveld. Voor een constructie op palen is de onderkant van de constructie niet de teen van de paalfundering, maar de teen van een eventueel aanwezig kwelscherm en anders de teen van de laagst gelegen voet van de constructie. Houdt vervolgens vanaf de fundering van de waterkerende constructie 1 m horizontale ruimte en trek een lijn onder talud 1:3 naar beneden richting achterland voor de binnenzijde. Figuur 3.5: Stabiliteitszone P.v.V.R. constructies Buitendijks Teken een raaklijn met een helling van 1:4 ten opzichte van de onderkant teen van de constructie (damwand / kwelscherm / L-wand, etc.) en trek deze raaklijn door tot aan maaiveld. Voor een constructie op palen is de onderkant van de constructie niet de teen van de paalfundering, maar de teen van een eventueel aanwezig kwelscherm en anders de teen van de laagst gelegen voet van de constructie. Stap 6 Definitief Profiel van Vrije Ruimte Binnendijks Trek vanaf het maatgevende snijpunt met het maaiveld (snijpunt op grootste afstand van de constructie, dit betekent snijpunt dat volgt uit piping is of stabiliteitseis) een verticale lijn naar beneden tot deze de lijn van 1:3 snijdt. De ruimte tussen de constructie en de verticale lijn dient minimaal als vrije ruimte op maaiveld gehanteerd te worden met een minimale afstand vanaf het verticale deel van de constructie van 4 m. De minimale afstand van 4 m van de constructie volgt uit de minimaal benodigde ruimte ten behoeve van praktische aspecten, zoals bereikbaarheid en doorgang tijdens het opbouwen van bijvoorbeeld de demontabele keringen. Het Profiel van Vrije Ruimte aan de binnenzijde is de omhullende die hiermee ontstaat, zie figuur 3.
  101. Buitendijks Zie onderstaande figuur. Voor zowel het Profiel van Vrije Ruimte aan de binnenzijde als de buitenzijde van de constructie geldt de omhullende van de kritieke lijnen die volgt uit stap 1 t/m
  102. Figuur 3.6 Voorbeeld Profiel van Vrije Ruimte harde waterkerende constructie N.B. de groene stippellijn lijn loopt in principe oneindig door onder maaiveld met een helling van 1:
  103. N.B. bij gebrek aan gegevens van de constructie dient in overleg met het waterschap een maatwerkoplossing gezocht te worden. N.B. In overleg met het waterschap is verfijning van het P.v.V.R. mogelijk op basis van geavanceerdere berekeningen en onderzoeken. 4 Profiel van Vrije Ruimte combinatie groene waterkering met harde constructie In onderstaande figuur zijn de verschillende combinaties van groene waterkering met harde waterkerende constructie geïllustreerd die voorkomen in het beheergebied van het waterschap. Figuur 4.1 Typen combinaties groene waterkering met een harde waterkerende constructie Alle waterkerende kunstwerken in Figuur 6 bestaan uit een betonconstructie of gemetselde muur met eronder een damwand welke dient als kwelscherm. Voor waterkerende kunstwerken die uit een combinat

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.