van de algemene regel De aanwezigheid van obstakels binnen de kernzone van een op de legger opgenomen oppervlaktewaterlichaam kan leiden tot belemmeringen in de doorstroming in het oppervlaktewaterlichaam, beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam en tot beperkingen voor het op doelmatige wijze plegen van onderhoud. Met het oog op het waarborgen van het doorstroomprofiel geldt voor werken tussen de insteken van een oppervlaktewaterlichaam de vergunningplicht. Voor enkele van deze werken gelden specifieke algemene regels (duiker, brug, in- en uitstroomvoorziening). Met het oog op het kunnen voeren van doelmatig onderhoud van oppervlaktewaterlichamen die in onderhoud zijn van het waterschap mogen de onderhoudsmogelijkheden niet onevenredig wordt belemmerd. Van onevenredige beperking van het doelmatig onderhoud is sprake indien de gebruikelijke wijze van het voeren van onderhoud ter plaatse van het betrokken oppervlaktewaterlichaam wezenlijk wordt beïnvloed. Dit kan aan de orde zijn bij het plaatsen en hebben van obstakels. Het plaatsen van afrasteringen en hekwerken haaks op de insteek is alleen toegestaan uit veiligheids- en/of beveiligingsoverwegingen ten behoeve van aanliggende (bedrijfs-)gebouwen en -terreinen. Het waterschap moet zich eenvoudig toegang kunnen verschaffen. Hiertoe zijn voorwaarden in deze algemene regel opgenomen. Ook medegebruik van gronden behorende tot het oppervlaktewaterlichaam dat in onderhoud is bij het waterschap kan consequenties hebben voor het zonder onevenredige beperkingen kunnen voeren van onderhoud. Medegebruik mag niet leiden tot beschadiging van de gronden met het oog op de stabiliteit van het oppervlaktewaterlichaam en met het oog op het veilig kunnen voeren van onderhoud. Het maken en hebben van een afwateringssleuf wordt onder medegebruik begrepen. Het hebben van obstakels op gronden behorende tot een oppervlaktewaterlichaam en\of het medegebruik van gronden behorende tot de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam is te allen tijden ondergeschikt aan de waterstaatkundige functie van het oppervlaktewaterlichaam. Indien beheer of onderhoud dit vereisen kan het bestuur de gebruiker aanschrijven tot het verwijderen van het obstakel en tot het staken of beëindigen van het medegebruik. Hiermee verband houdende kosten zijn geheel voor rekening van de gebruiker van het obstakel of van de medegebruiker van de betreffende gronden. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel Waterkwantiteit Beplanting Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur voor het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van beplanting: a. Op onderhoudspaden die gecombineerd zijn met de wegberm en gelegen zijn binnen de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam dat in onderhoud is bij het waterschap. De betreffende onderhoudspaden zijn als zodanig in de legger opgenomen. b. Binnen de kernzone van oppervlaktewaterlichamen die in onderhoud zijn bij derden. Artikel 2 Voorschriften Degene die beplanting aanbrengt, heeft, wijzigt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, onder a voldoet aan de volgende voorschriften: a. Beplanting is niet toegestaan binnen 1,00 meter uit de insteek van een oppervlaktewaterlichaam dat in onderhoud is bij het waterschap. Beplanting is zodanig geplaatst en gesnoeid dat de doorgang ten behoeve van het voeren van doelmatig onderhoud niet onevenredig wordt belemmerd. b. a. De minimale onderlinge plantafstand bedraagt 10 meter. b. De bomen dienen tot 4 meter boven het maaiveld takvrij te worden gehouden (opsnoeien). Afkomend snoeisel wordt direct verwijderd. c. Beplanting leidt niet tot beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam en van de gronden behorende tot het oppervlaktewaterlichaam. d. Beplanting wordt op kosten van de gebruiker verwijderd op eerste aanschrijving door of namens het bestuur indien het beheer of het voeren van onderhoud door het waterschap dit vereist. e. Tijdens en na het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van beplanting wordt; a. de doorstroming in het oppervlaktewaterlichaam niet belemmerd; b. de onderhoudsstrook en het oppervlaktewaterlichaam in de oorspronkelijke toestand teruggebracht (maaiveldhoogte, talud, stabiliteit van de ondergrond) en behouden. Artikel 3 Voorschriften Degene die beplanting aanbrengt, heeft, wijzigt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, onder b voldoet aan de volgende voorschriften: a. De wateraf- en –doorvoerfunctie van het oppervlaktewaterlichaam wordt niet belemmerd als gevolg van het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van beplanting. Artikel 4 Melding 1. Degene die beplanting aanlegt of wijzigt, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. 2. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: a. naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; b. het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; c. gegevens over het aan te leggen werk; d. de aard van de werkzaamheden; e. een situatietekening. 3. De melding is geldig voor 1 jaar. Artikel 5 Overgangsrecht 1. Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.2, eerste lid van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.9, derde lid van de Keur. 2. Indien voor de activiteiten als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingsplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur een waterstaatwerk te gebruiken anders dan in overeenstemming met zijn functie. Hieronder is ook begrepen het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van beplanting. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling Onder beplanting wordt verstaan meerjarige beplanting in de vorm van bomen. Toepassingsgebied Deze algemene regel is van toepassing op het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van beplanting op onderhoudspaden die gecombineerd zijn met de wegberm en gelegen zijn binnen de kernzone van een oppervlaktewaterlichaam dat in onderhoud is van het waterschap. De betreffende onderhoudspaden zijn als zodanig in de legger opgenomen. Daarnaast is deze algemene regel van toepassing op het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van beplanting binnen de kernzone van oppervlaktewaterlichamen die in onderhoud zijn bij derden. Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel Uitgangspunten nieuwe legger 2005 Beleidsregel Bergingsvoorzieningen
van de algemene regel De aanwezigheid van beplanting op onderhoudspaden die gecombineerd zijn met de wegberm en gelegen zijn binnen de kernzone van een op de legger opgenomen oppervlaktewaterlichaam kan enerzijds leiden tot beperkingen van mogelijkheden tot aanpassingen van het profiel van oppervlaktewaterlichamen en anderzijds tot belemmeringen in de doorstroming in het oppervlaktewaterlichaam, beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam en tot beperkingen voor het op doelmatige wijze plegen van onderhoud. Met het oog op het waarborgen van het doorstroomprofiel gelden voor de meest voorkomende werken tussen de insteken van een oppervlaktewaterlichaam (duiker, brug, in- en uitstroomvoorziening) specifieke algemene regels. Andere werken die tot belemmering van de doorstroming kunnen leiden zijn vergunningplichtig. Met het oog op het kunnen voeren van doelmatig onderhoud van oppervlaktewaterlichamen die in onderhoud zijn van het waterschap mogen de onderhoudsmogelijkheden niet onevenredig wordt belemmerd. Van onevenredige beperking van het doelmatig onderhoud is sprake indien de gebruikelijke wijze van het voeren van onderhoud ter plaatse van het betrokken oppervlaktewaterlichaam wezenlijk wordt beïnvloed. Met het oog op het voorkomen van beschadigingen aan het oppervlaktewaterlichaam is beplanting binnen 1 meter uit de insteek niet toegestaan. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel Waterkwantiteit Recreatief medegebruik Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur: a. Voor recreatief medegebruik in de vorm van lopen binnen de op de legger opgenomen oppervlaktewaterlichamen, tenzij met borden is aangegeven dat het verboden is te lopen. Deze algemene regel is niet van toepassing op het inrichten en beheren van wandelroutes. Daarvoor geldt de vergunningplicht. b. Voor recreatief medegebruik in de vorm van fietsen op de onderhoudspaden behorende bij de op de legger opgenomen oppervlaktewaterlichamen, tenzij met borden is aangegeven dat het verboden is te fietsen. Deze algemene regel is niet van toepassing op het inrichten en beheren van (verharde) fietspaden. Daarvoor geldt de vergunningplicht. c. Voor recreatief medegebruik in de vorm van het varen met kano’s en kajaks op de volgende (trajecten van) oppervlaktewaterlichamen:
van de algemene regel Recreatief medegebruik binnen de kernzone van op de legger opgenomen oppervlaktewaterlichamen vindt veelvuldig plaats. Recreatief medegebruik in de vorm van lopen, al dan niet vergezeld van een aangelijnd klein huisdier, wordt vrijgesteld van een vergunning- en meldplicht tenzij met borden is aangegeven dat het verboden is te lopen. Het varen met kano’s en kajaks is zonder vergunning toegestaan op de hiervoor onder “toepassingsgebied” vermelde oppervlaktewaterlichamen en perioden. Aan het aantal kano’s en kajaks wordt geen maximum meer gesteld. Ruitersport en moutainbiken is zonder vergunning toegestaan op de hiervoor onder “toepassinggebied” aangegeven gronden. Recreatief medegebruik in de vorm van vissen is zonder vergunning of melding toegestaan indien de visser in het bezit is van een machtiging afgegeven door de visrechthebbende. Het waterschap heeft als eigenaar van een groot aantal oppervlaktewaterlichamen het visrecht verhuurd aan hengelsportfederaties. In de betreffende huurovereenkomst zijn de voorwaarden opgenomen waaraan voldaan dient te worden. Extra regulering, anders dan in deze algemene regel vermeld is niet nodig. Algemene regel Waterkwantiteit Brug Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur voor het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van bruggen over de op de legger opgenomen oppervlaktewaterlichamen. Artikel 2 Voorschriften Degene die een brug aanlegt, heeft, wijzigt of verwijdert over een oppervlaktewaterlichaam dat in de legger is aangeduid als “primair” of “secundair in onderhoud bij het waterschap” voldoet aan de volgende voorschriften:
van de algemene regel Het aanleggen, hebben, wijzigen of verwijderen van een brug over oppervlaktewaterlichamen is een vanuit waterstaatkundig oogpunt eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen (waterdoorvoer en doelmatig onderhoud) kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Voor het aanleggen, hebben, wijzigen of verwijderen van een brug over oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden onderhouden geldt een meldplicht. Voor het aanleggen, hebben, wijzigen of verwijderen van een brug over een oppervlaktewaterlichaam dat varend wordt onderhouden gelden aanvullende voorwaarden. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel Waterkwantiteit Duiker Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur voor het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van een duiker in een oppervlaktewaterlichaam dat op de legger is aangeduid als “secundair” oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2 Voorschriften Degene die een duiker aanlegt, heeft, wijzigt of verwijdert als bedoeld in artikel 1 voldoet aan de volgende voorschriften:
van de algemene regel Het aanleggen, hebben, wijzigen of verwijderen van een duiker in secundaire oppervlaktewaterlichamen is een vanuit waterstaatkundig oogpunt eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Vanuit beheersoverwegingen geldt een meldplicht. Het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van een duiker in primaire oppervlaktewaterlichamen is vergunningplichtig vanwege het belang van het functioneren van het betreffende oppervlaktewaterlichaam. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel Waterkwantiteit Kabels en leidingen Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur:
van de algemene regel Het kruisen van oppervlaktewaterlichamen met kabels en leidingen vindt plaats onder de bodem van het oppervlaktewaterlichaam en veelal langs openbare wegen. Een kabel- en leidingkruising is vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Dit geldt ook voor het leggen en wijzigen van een kabel of leiding parallel aan een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel Waterkwantiteit Brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam Artikel 1 Criteria
van de algemene regel Gevarieerde lozingen tot 100 m³ per uur hebben uit kwantiteitsoogpunt beperkte effecten op een oppervlaktewaterlichaam en kunnen afdoende gereguleerd worden met algemene regels. De voorwaarden die bij dit soort lozingen gelden, hebben met name betrekking op de bescherming van het oppervlaktewaterlichaam tegen beschadiging en op het voorkomen van wateroverlast. Een meldplicht voor gevarieerde lozingen is wenselijk met het oog op het kunnen toezien op uitvoering van de lozing. Dit met het oog op het belang van het watersysteem als geheel en met het oog op het voorkomen van wateroverlast. Het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van uitstroomvoorzieningen kan voldoende via algemene regels worden gereguleerd, reden waarom hiervoor (onder verbinding van voorwaarden) vrijstelling wordt verleend van de in de keur opgenomen vergunningplicht. De meldingsplicht voor de uitstroomvoorziening behoeft niet te gelden in het geval van secundaire oppervlaktewaterlichamen die, blijkens de legger, niet in onderhoud zijn bij het waterschap. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel Waterkwantiteit Onttrekken van water Artikel 1 Criteria
van de algemene regel Onttrekken van water uit oppervlaktewaterlichamen komt veelvuldig voor. De gevolgen van onttrekkingen voor oppervlaktewaterlichamen zijn uit kwantiteitsoptiek beperkt en kunnen afdoende gereguleerd worden met algemene regels. Dat geldt ook voor het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van instroomvoorzieningen. De in deze algemene regel opgenomen normen hebben in de praktijk bewezen goed te functioneren. Een meldplicht voor deze activiteiten is vanuit waterhuishoudkundig oogpunt wenselijk. Kleine onttrekkingen (niet groter dan 10 m³ per uur), hoeven vanwege de zeer geringe gevolgen, niet te worden gemeld. Deze meldingsplicht voor de instroomvoorziening behoeft niet te gelden in het geval van secundaire oppervlaktewaterlichamen die, blijkens de legger, niet in onderhoud zijn bij het waterschap. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel Waterkwantiteit Bouwwerken en transportleidingen/kabels buiten kernzone maar binnen het profiel van vrije ruimte van een primair oppervlaktewaterlichaam Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid van de Keur: a. voor het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van niet kapitaalintensieve bouwwerken, buiten de kernzone, maar binnen het profiel van vrije ruimte van een primair oppervlaktewaterlichaam; b. voor het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van transportleidingen met een diameter tot en met 300 mm of hogedruk gasleidingen en overige kabels en leidingen tot en met 250 mm buiten de kernzone, maar binnen het profiel van vrije ruimte van een primair oppervlaktewaterlichaam. Artikel 2 Voorschriften Degene die niet kapitaalintensieve bouwwerken, transportleidingen of kabels als bedoeld in artikel 1 aanlegt, heeft, wijzigt of verwijdert voldoet aan de volgende voorschriften:
van de algemene regel Op basis van het tweede lid van artikel 3.2 van de Keur is het zonder vergunning van het bestuur verboden in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden. Het profiel van vrije ruimte is bedoeld om toekomstige verbeteringen aan het waterstaatswerk te kunnen uitvoeren. Via de verbodsbepaling in de keur is geborgd dat in het profiel van vrije ruimte geen ontwikkelingen plaatsvinden die deze mogelijkheden bij voorbaat ernstig belemmeren. Daarbij kan gedacht worden aan het aanleggen van kapitaalintensieve bouwwerken en het aanbrengen van leidingen en kabels met een grotere diameter. Via deze algemene regel wordt vrijstelling verleend van voornoemde vergunningplicht voor activiteiten die dat opzicht geen probleem opleveren, te weten niet kapitaalintensieve bouwwerken en kabels en leidingen tot een bepaalde omvang. Om te kunnen toetsen of het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam of dat voorziene toekomstige verbeteringen onevenredig worden belemmerd geldt een meldingsplicht. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel Grondwater Buisdrainage Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod bedoeld in artikel 3.2, eerste lid en artikel 3.5 van de Keur voor het aanleggen, behouden of verwijderen van een buisdrainage en bijbehorende lozingsvoorzieningen in een oppervlaktewaterlichaam voor zover deze: a. niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering of de bijbehorende beschermingszones; b. niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een bos- en natuurgebied en in de aangewezen nieuwe natuurgebieden zoals aangegeven op de kaart 4b 'groene waarden', behorende bij het Provinciaal Omgevingsplan Limburg; c. is gecombineerd met een werk waarmee de hoeveelheid te lozen water kan worden gestuurd overeenkomstig het bepaalde in deze algemene regel, en toelichting: Het werk waarmee wordt gestuurd dient geschikt te zijn om te kunnen voldoen aan de normen die bij artikel 2 sub a zijn opgenomen. In de situatie dat een werk (bijv. een stuw) wordt aangelegd of gebruikt, dat in het kader van peilgestuurd draineren een negatieve invloed in de vorm van gewas- en structuurschade op andere percelen die worden beïnvloed door het werk kan hebben, dan wordt het werk niet als een geschikt middel beschouwd. d. de lozingsvoorziening verzonken in het talud en/of buiten het profiel van het oppervlaktewaterlichaam wordt aangelegd. Artikel 2 Voorschriften Degene die een buisdrainage en bijbehorende lozingsvoorzieningen aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1: a. voldoet aan onderstaande zomerstand of winterstand van het overlooppeil en grondwaterstand in centimeters onder maaiveld: Grondgebruik Zomerstand Winterstand Grasland 30 60 Bouwland/akkerland 40-50 70 Diep wortelende gewassen 60-70 70 Tuinbouw 60 70 b. in afwijking van onderdeel a, kan het overlooppeil worden bijgesteld: i. indien de werkelijk gemeten grondwaterstand in de direct te ontwateren grond hoger is dan de in onderdeel a, opgenomen grondwaterstand; ii. indien het aannemelijk is dat de grondwaterstand binnen een week hoger wordt dan de grondwaterstand, opgenomen in onderdeel a, of iii. indien werkzaamheden binnen een week uitgevoerd worden die bij de werkelijk gemeten grondwaterstand tot gewas- of bodemstructuurschade leiden; iv. bij bepaling van het overlooppeil van de drains of de grondwaterstand als hiervoor bedoeld, wordt gerekend in centimeters beneden het maaiveld van het 10 % laagste deel van de direct te ontwateren grond. c. het bestuur kan bekend maken wanneer de zomerstand moet worden ingesteld en kan adviseren wanneer de winterstanden ingesteld kunnen worden, hetgeen afhankelijk is van de hydrologische en meteorologische omstandigheden alsmede van de meteorologische verwachtingen; d. legt de lozingsvoorziening zo aan dat de actuele ontwateringsbasis op elk moment afleesbaar is; e. richt de lozingsvoorziening zo in dat het te lozen water altijd direct afgesteld kan worden op het actuele grondgebruik; f. bouwt een bestaand buisdrainagesysteem uiterlijk op 1 januari 2018 om tot een peilgestuurde drainage; g. voorziet de uitmonding van de lozingsvoorziening met een voorziening om uitspoeling van het talud te voorkomen; h. voorkomt onevenredige belemmeringen bij onderhoudswerkzaamheden. Artikel 3 Melding 1. Degene die een buisdrainage en bijbehorende lozingsvoorziening aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. 2. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: a. contactgegevens van degene die de werkzaamheden uitvoert; b. het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; c. gegevens over het aan te leggen werk; d. de aard van de werkzaamheden; e. een situatietekening. 3. De melding is geldig voor 1 jaar. Artikel 4 Overgangsrecht 1. Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur. 2. Indien het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.5 is het verboden zonder watervergunning gronden te ontwateren met drainagemiddelen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Buisdrainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig beïnvloeden van de grondwaterstand; Lozingsvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart. Peilgestuurde drainage: buisdrainage, gecombineerd met een peilregulerend werk.
Deze algemene regel is van toepassing op de aanleg , behoud en verwijdering van peilgestuurde drainage. Bestaande drainages moeten uiterlijk 1 januari 2018 omgebouwd te zijn tot een peilgestuurd systeem. Dit geldt voor alle bestaande buisdrainages. Deze algemene regel is niet van toepassing op de bos- en natuurgebieden en de aangewezen nieuwe natuurgebieden zoals aangegeven op kaart 4b ‘Groene waarden’ behorende bij het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Voor deze gebieden geldt dat geen nieuwe buisdrainagesystemen mogen worden aangelegd. Een reeds bestaand buisdrainagesysteem moet wel worden omgebouwd tot een peilgestuurd systeem. Deze algemene regel heeft ook betrekking op de lozingsvoorzieningen die moeten worden aangebracht om het drainagewater te kunnen lozen in een oppervlaktewaterlichaam. De buisdrainage en de lozingsvoorziening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Door buisdrainagesystemen zodanig in te richten dat de hoeveelheid te lozen water kan worden gestuurd, zodat een bepaalde grondwaterstand kan worden gerealiseerd, wordt bijgedragen aan de bestrijding van de verdroging, aan het conserveren van water en (mede) daardoor aan het beperken van de noodzaak voor het onttrekken van grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van beregening- en bevloeiingsdoeleinden. Zowel het peilgestuurd draineren als het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van lozingsvoorzieningen zijn vanuit waterstaatkundig oogpunt relatief eenvoudig en veelvoorkomend. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO) worden ingediend. Het OlO is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Algemene regel grondwater Onttrekking voor beregening en bevloeiing voor landbouwkundige doeleinden Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid van de Keur, voor het onttrekken van grondwater voor beregening en bevloeiing van landbouwkundige doeleinden indien het een bestaande onttrekkingsinrichting betreft. Een bestaande onttrekkingsinrichting is een inrichting die uiterlijk op 1 januari 2008 is opgenomen in het grondwaterregister. Deze algemene regel is niet van toepassing op beregening en bevloeiing van sportvelden. Artikel 2 Voorschriften Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1:
Criteria In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 3.16 van de Omgevingsverordening Limburg zijn regels gesteld inzake registratie en is bepaald dat geen nieuwe grondwateronttrekkingen ten behoeve van beregening en bevloeiing zijn toegestaan dan ter vervanging van bestaande grondwateronttrekkingen (stand still-beleid). Met deze algemene regel wordt onder voorwaarden een vrijstelling van het verbod gegeven. Het keurverbod geeft invulling aan de in de Omgevingsverordening Limburg opgenomen instructienorm, inhoudende dat nieuwe grondwateronttrekkingen ten behoeve van beregening en bevloeiing voor landbouwkundige doeleinden niet zijn toegestaan. Vervanging van een bestaande onttrekking door een nieuwe onttrekking is onder voorwaarden toegestaan. Basis voor de instructiebepaling in de Omgevingsverordening Limburg is het ter zake vastgestelde provinciale grondwaterbeleid, dat ook in het Waterbeheerplan van het waterschap Peel en Maasvallei is overgenomen. Op basis van dit beleid is een verdere toename van de ten behoeve van beregening en bevloeiing voor landbouwkundige doeleinden onttrokken hoeveelheid grondwater niet gewenst in het kader van de bescherming van grondwaterafhankelijke natuurgebieden in het bijzonder en in het kader van verdrogingsbestrijding en waterconservering in het algemeen. Alle in het grondwaterregister opgenomen onttrekkingen worden als bestaande onttrekkingen beschouwd. Toevoeging van onttrekkingen aan dit register is alleen mogelijk in het geval van vervanging van een in het register opgenomen onttrekking. Artikel 2 Voorschriften Uitwisseling grondwater Uitwisseling van grondwater tussen de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl. Zorgplicht De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken. Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen. Verbod bij waterschaarste De Keur bepaalt dat het waterschap tijdelijk een onttrekkingverbod kan instellen, indien er een tekort aan oppervlakte- en grondwater ontstaat of dreigt te ontstaan. Artikel 3 Melding De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO-water) worden ingediend. Het OlO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl. Artikel 4 Overgangsrecht In dit artikel is onder meer bepaald dat de voorschriften uit bestaande vergunningen als maatwerkvoorschrift blijven bestaan. De komst van deze algemene regel heeft voor de reeds vergunde onttrekkingen dus geen gevolgen. Ook is geregeld dat vergunningaanvragen voor het onttrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen. Algemene regel grondwater Onttrekking voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering Artikel 1 Criteria
Criteria Het keurverbod geeft invulling aan het door de provincie Limburg vastgestelde beleid vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Buiten de aangewezen beschermde gebieden en onder de omstandigheden zoals hiervoor aangegeven kan worden volstaan met het stellen van algemene regels. In de aangewezen beschermde gebieden en bij overschrijding van omvang of tijdsduur zoals hiervoor onder “criteria” is aangegeven, is een individuele afweging in het kader van een vergunning met het oog op de potentiële invloed van de onttrekking op de betrokken belangen wenselijk. Deze onttrekkingen kunnen naast invloed op het grondwaterbeheer, ook invloed hebben op betrokken belangen in het invloedsgebied van de onttrekking. Om deze reden is deze algemene regel niet op deze onttrekkingen van toepassing en geldt daarvoor de vergunningplicht. De Waterregeling bevat voorschriften ten aanzien van melden en meten van grondwateronttrekkingen. In het bij deze algemene regel behorende meldingsformulier zijn de onderwerpen opgenomen die op basis van de Waterregeling bij een melding overlegd moeten worden. Artikel 2 Voorschriften De onttrekking van grondwater is noodzakelijk voor het uitvoeren van werkzaamheden. Voor het beheer van het grondwater is het echter belangrijk dat de onttrekking niet groter is dan noodzakelijk. Dit artikel stelt een beperking aan de onttrekking. Maximale verlaging grondwaterstand/stijghoogte De freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het watervoerende pakket mag niet meer worden verlaagd dan noodzakelijk. Dit betekent in ieder geval dat de freatische grondwaterstand niet meer mag worden verlaagd dan 0,5 meter beneden het actuele ontgravingsniveau. Hierdoor kan de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het watervoerende pakket per fase van de werkzaamheden verschillen, afhankelijk van de ontgravingsdiepte per fase. Peilbuis of meetput bij spanningsbemaling Voor de handhaafbaarheid van de maximale verlaging van de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het watervoerende pakket is het noodzakelijk dat het niveau gemeten kan worden. Hiervoor moet een peilbuis of meetput op een doelmatige locatie worden geplaatst. Vanuit het streven naar zo laag mogelijke lasten, is het plaatsen van een peilbuis of meetput niet bij alle onttrekkingen voorgeschreven. Deze verplichting beperkt zich tot de onttrekkingen via spanningsbemaling. Locatie peilbuis of meetput bij spanningsbemaling Afhankelijk van de aard van de onttrekking en de specifieke locatie kan de locatie van de peilbuis of meetput belangrijk zijn. In deze gevallen kan het bestuur via een maatwerkvoorschrift voorschrijven waar de peilbuis of meetput moet worden aangebracht. Peilbuis of meetput bij freatische onttrekkingen Bij freatische onttrekkingen is het plaatsen van een peilbuis of meetput in beginsel niet noodzakelijk. Deze algemene regel schrijft dit daarom niet voor. Desondanks kan de locale situatie aanleiding geven tot het plaatsen van een peilbuis of meetput. Een voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van zettinggevoelige objecten. Met een maatwerkvoorschrift kan het bestuur in deze uitzonderlijke situaties een peilbuis of meetput voorschrijven. Hierbij kan tevens worden bepaald waar de peilbuis of meetput moet worden aangebracht. Uitwisseling grondwater Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl. Terugbrengen grondwater Indien retourbemaling wordt toegepast, is het vanuit een oogpunt van goed grondwaterbeheer noodzakelijk dat het grondwater wordt teruggebracht in het grondwaterpakket waaruit het is onttrokken. Hiermee wordt ongewenste uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten voorkomen. Zorgplicht De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken. Monitoring van de effecten van de grondwateronttrekking kan van groot belang zijn. Desondanks wordt monitoring niet bij iedere onttrekking voorgeschreven. Via een maatwerkvoorschrift kan het bestuur, indien daartoe aanleiding bestaat, monitoring voorschrijven. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is. Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen. Meten en rapporteren Op grond van artikel 6.11, tweede lid, van het Waterbesluit moet degene die grondwater onttrekt per kwartaal meten hoeveel grondwater is onttrokken. Deze meting moet geschieden met een nauwkeurigheid van 95%. De resultaten van deze meting moeten uiterlijk op 31 januari van ieder jaar of, indien de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, aan het bestuur worden opgegeven. Start- en afmelding van de onttrekking Ter controle van de opgegeven start- en einddatum, moet de daadwerkelijke startdatum ten minste 24 uur van tevoren worden doorgegeven. Voor de einddatum geldt dat deze maximaal 24 uur na einde van de onttrekking moet worden doorgegeven. Artikel 3 Melding In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling): a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten; c. een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet; d. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; e. de diameter en de lengte van de filters in iedere put; f. de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3 per uur per put; g. de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken. Bij de termijn voor melding is aangesloten bij de termijnen voor het melden van een lozing van grondwater bij ontwatering. Deze termijnen zijn opgenomen in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) en het Besluit lozen buiten inrichtingen. Hiermee wordt de regeldruk aanzienlijk verminderd. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO-water) worden ingediend. Het OlO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl Algemene regel grondwater Onttrekking voor grondwatersanering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid van de Keur, voor het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering indien de onttrekking plaatsvindt: a. buiten de bufferzones verdroogde natuurgebieden; b. binnen de Roerdalslenk en niet onder de bovenste Brunssumklei; c. binnen de Venloschol en niet dieper dan 5 meter boven NAP; zoals aangeduid op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Omgevingsverordening Limburg EN voor zover de onttrekking niet: d. meer bedraagt dan 20.000 m³ per maand, en e. langer duurt dan 36 maanden. Artikel 2 Voorschriften Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1: 1. verlaagt de freatische grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket niet meer dan noodzakelijk; 2. voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt; 3. verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt; 4. voorkomt de nadelige gevolgen van de onttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als die niet te voorkomen zijn; 5. informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen, en 6. doet uiterlijk 24 uur voor aanvang van de onttrekking een startmelding. 7. doet uiterlijk 24 uur na beëindiging van de onttrekking een afmelding. Artikel 3 Melding 1. Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1, meldt dit ten minste 4 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. 2. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. 3. De onttrekking moet binnen een termijn van 1 jaar na de melding zijn aangevangen. Artikel 4 Meetplicht Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1: 1. Meet de onttrokken hoeveelheid grondwater met behulp van een meetinstrument (watermeter) waarvan een geldig meetcertificaat kan worden overgelegd waaruit blijkt dat het meetinstrument voldoet aan de vereiste nauwkeurigheid van 95 %. (conform art 6.11 waterbesluit). De gebruikte watermeter dient tenminste 1 x per jaar te worden geijkt waardoor de vereiste nauwkeurigheid gewaarborgd blijft. 2. Meet het grondwater dat wordt onttrokken met een watermeter, die overeenkomstig de door de leverancier verstrekte voorschriften is ingebouwd. Bij het ontbreken van inbouwvoorschriften van de leverancier dienen de watermeters zodanig geplaatst te worden, dat minimaal een rechte leiding van 10 keer de diameter van deze leiding vóór de watermeter en 5 keer de diameter ná de watermeters geïnstalleerd is. De watermeter dient tijdens het meten volledig gevuld te zijn met water. 3. Installeert watermeters, op een goed toegankelijke, veilige plaats zodat deze goed afleesbaar zijn. 4. Registreert bij aanvang van de bemaling de begindatum en beginstand van de watermeter. 5. Registreert de einddatum en eindstand van de watermeter bij beëindiging van de bemaling. 6. Registreert onder opgave van datum, voorvallen die van invloed kunnen zijn op de meting. 7. Vervangt een defecte watermeter uiterlijk binnen twee werkdag en registreert zowel de eindstand van de defecte watermeter alsook de beginstand van de nieuw geplaatste watermeter. 8. Kan de registraties binnen een tijdsbestek van twee werkdagen aan een toezichthouder van het Waterschap Peel en Maasvallei overleggen. Dit kan bijvoorbeeld door toezending van de gegevens per e-mail aan handhaving@wpm.nl. 9. Stuurt uiterlijk op 31 januari of indien de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging van de grondwateronttrekking de onttrokken gemeten hoeveelheden grondwater toe aan het Waterschap Peel en Maasvallei. Dit kan bijvoorbeeld door toezending van de gegevens per e-mail aan vergunningen@wpm.nl. Artikel 5 Overgangsrecht 1. Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur. 2. Indien het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater voor een grondwatersanering. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Grondwatersanering Een grondwatersanering is het onttrekken van verontreinigd grondwater met als doel de verontreinigde bodem te reinigen en het verontreinigde grondwater te verwijderen. Het onttrokken verontreinigde grondwater wordt in het algemeen na zuivering afgevoerd naar het gemeente riool of oppervlaktewater. De lozing wordt in andere wet- en regelgeving gereguleerd. Ook een onttrekking die wordt toegepast als beheermaatregel uitgevoerd in het kader van een saneringsplan valt onder deze algemene regel.
Criteria Het keurverbod geeft invulling aan het door de provincie Limburg vastgestelde beleid vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg. Buiten de aangewezen beschermde gebieden en onder de omstandigheden zoals hiervoor aangegeven kan worden volstaan met het stellen van algemene regels. In de aangewezen beschermde gebieden en bij overschrijding van omvang of tijdsduur zoals hiervoor onder “criteria” is aangegeven, is een individuele afweging in het kader van een vergunning met het oog op de potentiële invloed van de onttrekking op de betrokken belangen wenselijk. Deze onttrekkingen kunnen naast invloed op het grondwaterbeheer, ook invloed hebben op betrokken belangen in het invloedsgebied van de onttrekking. Om deze reden is deze algemene regel niet op deze onttrekkingen van toepassing en geldt daarvoor de vergunningplicht. De Waterregeling bevat voorschriften ten aanzien van melden en meten van grondwateronttrekkingen. In het bij deze algemene regel behorende meldingsformulier zijn de onderwerpen opgenomen die op basis van de Waterregeling bij een melding overlegd moeten worden. Artikel 2 Voorschriften Hoeveelheid te onttrekken grondwater De onttrekking van grondwater is noodzakelijk voor het verwijderen van de grondwaterverontreiniging. Voor het beheer van het grondwater is het echter belangrijk dat de onttrekking niet groter is dan noodzakelijk. Dit artikel geeft een beperking aan de onttrekking. Uitwisseling grondwater Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl. Zorgplicht De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken. Monitoring van de effecten van de grondwateronttrekking kan van groot belang zijn. Desondanks wordt monitoring niet bij iedere onttrekking voorgeschreven. Via een maatwerkvoorschrift kan het bestuur, indien daartoe aanleiding bestaat, monitoring voorschrijven. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is. Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen. Meten en rapporteren Op grond van artikel 6.11, tweede lid, van het Waterbesluit moet degene die grondwater onttrekt per kwartaal meten hoeveel grondwater is onttrokken. Deze meting moet geschieden met een nauwkeurigheid van 95%. De resultaten van deze meting moeten uiterlijk op 31 januari van ieder jaar of, indien de onttrekking is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, aan het bestuur worden opgegeven. Start- en afmelding van de onttrekking Ter controle van de opgegeven start- en einddatum, moet de daadwerkelijke startdatum ten minste 24 uur van tevoren worden doorgegeven. Voor de einddatum geldt dat deze maximaal 24 uur na einde van de onttrekking moet worden doorgegeven. Artikel 3 Melding In artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit is bepaald dat degene die grondwater onttrekt waarvoor geen vergunning nodig is de onttrekking moet melden. Bij deze melding wordt de volgende informatie verstrekt (artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit en de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.27 van de Waterregeling): a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt; b. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten; c. een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet; d. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.; e. de diameter en de lengte van de filters in iedere put; f. de pompcapaciteit in m³ per uur en het te installeren vermogen in m³ per uur per put; g. de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OlO-water) worden ingediend. Het OlO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.wpm.nl Algemene regel grondwater Onttrekking voor overige doeleinden Artikel 1 Criterium Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid van de Keur, voor: 1. Onttrekkingen ten behoeve van veedrenking, mits niet mechanisch aangedreven; 2. Onttrekkingen, met uitzondering van die waarvoor een specifieke algemene regel is vastgesteld, waarvan de pompcapaciteit niet meer bedraagt dan 10 m³ per uur en voor zover deze zijn gelegen: a. buiten de bufferzones verdroogde natuurgebieden; b. binnen de Roerdalslenk en niet onder de bovenste Brunssumklei; c. binnen de Venloschol en niet dieper dan 5 meter boven NAP; zoals aangeduid op de kaart behorende bij artikel 3.16 van de Omgevingsverordening Limburg. Artikel 2 Voorschriften Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 1: 1. voorkomt bij het aanleggen en beheren van de voorziening voor de grondwateronttrekking dat uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt; 2. verwijdert of dicht voorzieningen voor grondwateronttrekking na definitieve beëindiging van de onttrekking zodat geen uitwisseling van grondwater tussen de verschillende watervoerende pakketten plaatsvindt; 3. voorkomt de nadelige gevolgen van de onttrekking, dan wel beperkt deze gevolgen zoveel mogelijk als die niet te voorkomen zijn, en 4. informeert het bestuur zo spoedig mogelijk over eventuele ontstane schade en over de reeds door hem getroffen en nog te treffen maatregelen. Artikel 3 Overgangsrecht 1. Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur. 2. Indien het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.6 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Onder dat verbod valt mede het onttrekken van grondwater voor overige onttrekkingen die niet in andere algemene regels zijn verwoord. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt.
Criterium In artikel 3.6 van de Keur, is bepaald dat het verboden is om zonder vergunning grondwater te onttrekken. In artikel 1 van deze algemene regel wordt dit verbod voor een groot deel opgeheven. Hierbij is het uitgangspunt dat de minder risicovolle onttrekkingen worden vrijgesteld. Voorwaarde voor de vrijstelling is dat aan alle criteria is voldaan. Het betreft dus een cumulatieve opsomming. Artikel 2 Voorschriften Uitwisseling grondwater Uitwisseling van grondwater uit de diverse watervoerende pakketten is ongewenst. Dit artikel bepaalt daarom dat tijdens de aanleg van de voorziening(en) voor de grondwateronttrekking, tijdens het beheer van de voorziening en na beëindiging van de grondwateronttrekking moet worden voorkomen dat uitwisseling van grondwater kan plaatsvinden. In de praktijk zal bij het doorkruisen van een scheidende laag veelal gebruik worden gemaakt van zwelklei om deze uitwisseling van grondwater te voorkomen. Het SIKB heeft Het protocol Mechanisch boren (protocol 2101) opgesteld. Indien volgens dit protocol wordt gewerkt, wordt de juiste invulling gegeven aan de verplichtingen uit dit artikel. Het protocol is te raadplegen via: www.sikb.nl. Zorgplicht De onttrekking van grondwater kan nadelige gevolgen voor de omgeving veroorzaken. Denk hierbij aan schade aan de landbouw(opbrengst), schade aan natuurgebieden (verdroging), verplaatsing van grondwaterverontreinigingen, schade aan bouwwerken als gevolg van zetting en negatieve beïnvloeding op overige grondwateronttrekkingen (in het bijzonder bodemenergiesystemen). Degene die de onttrekking verricht, heeft de verplichting om deze nadelige gevolgen te inventariseren, te voorkomen en als dat niet mogelijk is zo veel mogelijk te beperken. Monitoring van de effecten van de grondwateronttrekking kan van groot belang zijn. Desondanks wordt monitoring niet bij iedere onttrekking voorgeschreven. Via een maatwerkvoorschrift kan het bestuur, indien daartoe aanleiding bestaat, monitoring voorschrijven. Met deze methode wordt voorkomen dat kosten worden gemaakt, terwijl hier geen aanleiding voor is. Indien de onttrekking nadelige gevolgen veroorzaakt, neemt degene die grondwater onttrekt zo spoedig mogelijk maatregelen om deze gevolgen te beperken. Denk hierbij aan het staken van de onttrekking of het treffen van compenserende maatregelen. Verder informeert degene die grondwater onttrekt het bestuur zo spoedig mogelijk over de geconstateerde nadelige gevolgen en de te treffen of getroffen maatregelen. Vrijstelling meet- en rapportageplicht Aan de meet- en rapportageplicht zijn administratieve lasten gebonden. Deze administratieve lasten zijn bij beperkte onttrekkingen onevenredig groot. In deze algemene regel wordt ingevolge artikel 6.11, vijfde lid, van het Waterbesluit bepaalt dat de meet- en rapportageplicht voor deze beperkte onttrekkingen niet gelden. De grenzen van onttrekkingen die als beperkt worden aangemerkt, staan in de voorschriften. Artikel 3 Overgangsrecht In dit artikel is onder meer bepaald dat de voorschriften uit bestaande vergunningen als maatwerkvoorschrift blijven bestaan. De komst van deze algemene regel heeft voor de reeds vergunde onttrekkingen dus geen gevolgen. Ook is geregeld dat vergunningaanvragen voor het onttrekken van grondwater waarvoor op grond van de algemene regel vrijstelling geldt als een melding worden aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen voor de aanvrager voorkomen. Algemene regel grondwater Overige drainagemiddelen Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, en artikel 3.5, van de Keur, voor het aanleggen, behouden, of verwijderen van een overig drainagemiddel met bijbehorende lozingsvoorziening voor zover deze niet wordt aangelegd, behouden of verwijderd in een waterkering of de bijbehorende beschermingszones. Artikel 2 Voorschriften Degene die een overig drainagemiddel aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1: a. voldoet aan onderstaande zomerstand of winterstand van het overlooppeil en de grondwaterstand in centimeters onder maaiveld: Grondgebruik Zomerstand Winterstand Grasland 30 80 Bouwland/akkerland 50 80-100 Diep wortelende gewassen 80-100 100-120 Tuinbouw 50-80 80-100 b. in afwijking van onderdeel a, kan de grondwaterstand worden bijgesteld: a. indien de werkelijk gemeten grondwaterstand in de direct te ontwateren grond hoger is dan de in onderdeel a, opgenomen grondwaterstand; b. indien het aannemelijk is dat de grondwaterstand binnen een week hoger wordt dan de grondwaterstand, opgenomen in onderdeel a, of c. indien werkzaamheden binnen een week uitgevoerd worden die bij de werkelijk gemeten grondwaterstand tot gewas- of bodemstructuurschade leiden; d. bij bepaling van het overlooppeil of de grondwaterstand als hiervoor bedoeld, wordt gerekend in centimeters beneden het maaiveld van het 10 % laagste deel van de direct te ontwateren grond; c. het bestuur kan bekend maken wanneer de zomerstand moet worden ingesteld en kan adviseren wanneer de winterstanden ingesteld kunnen worden, hetgeen afhankelijk is van de hydrologische en meteorologische omstandigheden alsmede van de meteorologische verwachtingen; d. voorziet de uitmonding van elk overig drainagemiddel met een voorziening om uitspoeling van het talud te voorkomen; e. voorkomt onevenredige belemmeringen bij onderhoudswerkzaamheden. Artikel 3 Overgangsrecht 1. Indien voor het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning krachtens artikel 3.6, eerste lid, van de Keur in werking was, worden de voorschriften van de watervergunning gelijkgesteld met maatwerkvoorschriften als bedoelt in artikel 3.9, derde lid, van de Keur. 2. Indien het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. Toelichting Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Verder is het op grond van artikel 3.5 van de Keur verboden zonder watervergunning gronden te ontwateren met drainagemiddelen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Overig drainagemiddel: werken met het oog op beïnvloeden van het grondwaterpeil (bv greppels, verondiepingen etc.), niet zijnde een buisdrainagesysteem. Lozingsvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart.
Deze algemene regel is van toepassing op de aanleg, behoud en verwijdering van overige drainagemiddelen. Deze algemene regel heeft ook betrekking op de lozingsvoorzieningen die moeten worden aangebracht indien het drainagewater wordt geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. Het overig drainagemiddel en de lozingsvoorziening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De aanleg van overige drainagemiddelen vindt plaats met het oog op (plaatselijk) beïnvloeden van het watersysteem. Door peilen te verbinden aan deze overige drainagemiddelen wordt gezorgd dat een bepaald grondwaterpeil wordt gerealiseerd waarmee wordt bijgedragen aan de bestrijding van de verdroging, aan het conserveren van water en (mede) daardoor aan het beperken van de noodzaak voor het onttrekken van grondwater en oppervlaktewater ten behoeve van beregening- en bevloeiingsdoeleinden. Daarmee functioneert het overig drainagemiddel binnen het peilbeheer, zoals vastgelegd in ons Waterbeheerplan en Nieuw Limburgs Peil, waarbij betrokken functies optimaal kunnen worden bediend. Het aanleggen, hebben, wijzigen en verwijderen van lozingsvoorzieningen zijn vanuit waterstaatkundig oogpunt relatief eenvoudig en veelvoorkomend. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen voldoende worden gewaarborgd via het stellen van algemene regels. Algemene regel Grondwater Stuwen en andere peilregulerende werken Artikel 1 Criteria Deze algemene regel voor het instellen en in stand houden van stuwpeilen als bedoeld in artikel 2.10 van de Keur geldt voor zover de stuw of het andere peilregulerende werk is aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam dat niet is opgenomen op de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Artikel 2 Voorschriften De eigenaar van een stuw of ander peilregulerend werk als bedoeld in artik
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.