Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen houdende Milieuplan provincie Groningen 2017-2020Gedeputeerde Staten van Groningen maken bekend dat zij op 13 december 2016, nr. A. 32, zaaknummer 663313, het Milieuplan provincie Groningen 2017-2020 hebben vastgesteld. Het Milieuplan provincie Groningen 2017-2020 treedt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2017 in werking (GS-besluit d.d. 14 maart 2017, zaaknummer 679302) en luidt als volgt: Milieuplan provincie Groningen 2017-2020 Afdeling Omgeving en Milieu, vastgesteld door GS op 13 december 2016 Voorwoord Voor u ligt het Milieuplan 2017-
(8).) van 4 op alle plaatsen waar een provinciale bevoegdheid mede de luchtkwaliteit bepaalt.' De meest recente Monitor van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL, 2016) geeft aan dat de luchtkwaliteit in Groningen nog steeds onveranderd gunstig afsteekt ten opzichte van de rest van het land. Er zijn momenteel voor fijnstof en voor de stikstofoxiden geen overschrijdingen van de wettelijke normen en deze worden ook voor de periode tot 2020 niet verwacht. Datzelfde geldt voor de overige stoffen waar de Wet luchtkwaliteit overeenkomstig de EU een norm voor stelt. Toch verdient luchtkwaliteit onze aandacht. Niet in de laatste plaats vanwege het vraagstuk van klimaatverandering, de stikstofdepositie en voortschrijdende inzichten rond (ultra)fijnstof zoals roetdeeltjes. De provincie heeft beperkte mogelijkheden om de luchtkwaliteit te beïnvloeden. Het vraagstuk van de luchtkwaliteit is complex. De luchtkwaliteit is overal een opeenstapeling van de bijdrage van lokale, regionale en vooral ook Nationale en internationale bronnen van luchtverontreiniging. Slechts op een klein deel van deze bronnen heeft de provincie invloed. Direct resultaat in de vorm van een betere luchtkwaliteit, anders dan een reductie van eventuele geurhinder, kan de provincie daardoor niet (snel) behalen. We richten ons daarom ook op de voor ons bereikbare doelgroepen zoals hieronder is aangegeven. De provincie voert diverse taken uit die voortkomen uit Europese en nationale kaders. De provinciale aandacht voor luchtkwaliteit komt vooral tot uitdrukking in de taken van: Vergunningverlening, toezicht en handhaving voor die industrie/bedrijven waar de provincie het bevoegde gezag voor is; regionaal mobiliteitsbeleid, plus de aanleg en onderhoud van de provinciale wegen. Bekende voorbeelden van stoffen die bijdragen aan een slechtere luchtkwaliteit zijn: fijnstof: afkomstig van verkeer en zeer schadelijk voor de volksgezondheid; koolstofdioxide en stikstofoxiden: vrijkomend uit fossiele brandstoffen en koolstofdiode is negatief voor de opwarming van de aarde; ammoniak: afkomstig uit de landbouw en belangrijke component van de stikstofdepositie. EU-beleid en -regelgeving kennen normen, grenswaarden of richtwaarden, voor luchtverontreinigende stoffen. Feitelijk zijn er meer dan honderd stoffen, die schadelijk zijn voor het milieu. Van deze zogenaamde prioritaire stoffen, heeft ons nationale beleid bijzondere aandacht voor de groep van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) bijvoorbeeld benzeen, lood, kwik, dioxine en pcb's. In vergunningverlening, toezicht en handhaving hanteren wij een minimalisatie plicht voor deze groep van stoffen. Het Rijk is op het vlak van luchtkwaliteit een belangrijke partij voor de provincie vanwege de nationale wet- en regelgeving en de rol die het Rijk speelt in de informatievoorziening. We werken ook samen met gemeenten omdat zij verantwoordelijk zijn voor de lokale luchtkwaliteit. Gegevens van gemeenten nemen we over op onze gezondheidskaarten. Op het snijvlak van natuur en milieu speelt de toenemende aandacht voor de stikstof-depositie als gevolg van de NOx- en ammoniak- uitstoot. Natuurwetgeving vraagt om toetsing van plannen en vergunningen aan een Europese norm voor stikstof-depositie. In Nederland is deze vertaald in een programma aanpak stikstof (PAS). De maximale norm van de PAS blijkt snel te worden benaderd. De PAS houdt rekening met een aantal factoren zoals de veehouderij met hun uitstoot, de autonome ontwikkelingen in het wegverkeer en zogenaamde prioritaire projecten. Prioritaire projecten zijn projecten die aantoonbaar van nationaal of provinciaal maatschappelijk belang zijn en waarvoor ontwikkelingsruimte is gereserveerd in de PAS. In de PAS is voor Groningen een lijst van prioritaire bedrijven opgenomen met hun NOx uitstoot. De provincie is bezig om de industriegebieden Eemshaven en Oosterhorn ook op deze lijst te krijgen waardoor de uitbreiding van industrie in deze gebieden is gezekerd. De natuurvisie van de provincie Groningen gaat hier nader op in. 4.1.2Geluid Uit de Omgevingsvisie 'Geluid industrie Voor de beheersing van geluid van industrie doen wij bij bedrijven waarvoor wij het bevoegde gezag zijn, het volgende: we houden ontwikkelingen met betrekking tot planologie op en rondom gezoneerde industrieterreinen en het zonebeheer van deze terreinen in de gaten; wij betrekken het geluidsaspect in relevante ruimtelijk-economische plannen en bij het opstellen van gebiedsvisies; we onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de geluidsklachten die bij ons binnenkomen sneller bij de betreffende bedrijven bekend te maken; klachten over laagfrequent geluid houden we gedurende 2 jaar bij en registreren we op een kaart waaruit dan mogelijk kan worden afgeleid waar laagfrequent geluid een kwestie is. Geluid wegverkeer Wegverkeer is de belangrijkste bron van ernstige geluidhinder. Om de geluidhinder van provinciale wegen te verminderen, doen wij het volgende: we maken iedere 5 jaar geluidsbelastingkaarten en actieplannen voor onze wegen. Situaties met een GES-score van 6 of hoger (de plandrempel) worden zoveel mogelijk weggenomen. De belangrijkste maatregel is het toepassen van geluidsreducerend asfalt; wij leggen als uitvoering van de door ons vast te stellen Actieplannen wegverkeerslawaai op delen van provinciale wegen waarlangs woningen met een geluidsbelasting boven de plandrempel liggen, indien mogelijk en doelmatig, geluidsreducerend asfalt aan; bij beoordeling van ruimtelijk-economische en infrastructurele plannen letten we op geluidsaspecten.' Blootstelling aan geluid kan leiden tot hinder en slaapverstoring, maar ook tot stressreacties en als gevolg daarvan concentratieverlies, hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. De noodzaak voor geluidsreductie is evident. De gemeenten zijn het bevoegde gezag voor vergunningverlening, toezicht en handhaving van geluid van gezoneerde industrieterreinen en inpassing van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in zones van industrieterreinen en wegen (Geluidzonebeheer waarbij een industrieterrein een maximale toelaatbare geluidsnorm op een bepaalde afstand mag veroorzaken onafhankelijk van het aantal of soort bedrijven). De provincie is het bevoegde gezag voor de aanleg en reconstructie van wegen in beheer van de provincie, evenals voor het (zo nodig) vaststellen van hogere geluidswaarden voor de woningen gelegen aan deze wegen. De Wet geluidhinder bepaalt dat provincies het zonebeheer van regionale gezoneerde industrieterreinen in overleg met de gemeente, of door een aanwijzing in de provinciale Omgevingsverordening kunnen overnemen. Daarnaast is de provincie als het bevoegde gezag ook betrokken bij vergunningverlening, toezicht en handhaving bij provinciale bedrijven op maar ook buiten gezoneerde industrieterreinen. Er kunnen spanningsvelden ontstaan over beschikbare geluidsruimte bij: nieuwe of wijzigingen van geluidsbronnen (bijvoorbeeld industrie, windturbines, wegen, luchthavens); nieuwe woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in zones van wegen en industrieterreinen/nabij relevante geluidsbronnen; aanpassingen van de grenzen van een industrieterrein en/of de bestemmingen op het industrieterrein en/of de zones van het terrein; vergunningverlening voor geluidsbronnen (industrie, windturbines). Om geluidhinder te voorkomen is ruimtelijke scheiding van bron en ontvanger essentieel. In het stadium van planvorming moet daarom aandacht worden geschonken aan de nodige afstanden tussen bronnen en ontvangers, en aan het gezamenlijke geluid van een of meerdere soorten bronnen. De kaders hiervoor staan in de Omgevingsvisie en in voorkomende structuurvisies. De volgende provinciale taken zijn voor het aspect geluid vooral relevant bij: aanleg en reconstructies van wegen; de 5-jaarlijkse geluidsbelastingkaarten en actieplannen (voor geluid van provinciale wegen); vergunningverlening, toezicht en handhaving voor bedrijven waarvoor we het bevoegde gezag zijn; inpassingsplannen voor windturbineparken; luchthavenbesluiten en –regelingen voor luchthavens van regionaal belang. In de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl komt een groot aantal ontwikkelingen bij elkaar. Het aantal bronnen van geluid in de Eemsdelta zal ten opzichte van de huidige situatie toenemen. De toename van de geluidshinder blijft binnen de beschikbare milieugebruiksruimte. Om ervoor te zorgen dat geluidsoverlast wordt beperkt hebben we onderzocht hoe cumulatie van geluid doorwerkt op de woningen. SWUNG 2 Onder de naam "Samen Werken aan de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid" (SWUNG-2) wordt gewerkt aan ingrijpende aanpassingen van de Wet geluidhinder. Volgens de huidige planning zal SWUNG-2 in 2019 onder de nieuwe Omgevingswet in werking treden. Voor provinciale wegen komt daarmee een systeem van GeluidProductiePlafonds, GPP (maximale waarden voor het geluid van de weg op punten langs de weg) in de plaats van de toetsing ter plaatse van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in de zones langs wegen. Het doel hiervan is het geluid van wegen te beheersen en te verminderen. Voor gezoneerde industrieterreinen is een soortgelijke systematiek voorzien. 4.1.3Geur Uit de Omgevingsvisie 'Wij willen voor de hele provincie 30% minder geurklachten. Wij willen ernstige geurhinder oplossen en nieuwe hinder voorkomen door: ons geurbeleid toe te passen bij bedrijven waarvoor wij het bevoegde gezag zijn; het intensiveren van toezicht en door strenger te handhaven; overlastsituaties te saneren; bij nieuwe bedrijfsvestigingen en bij uitbreidingen van bedrijven geldt een milieugezondheidskwaliteit die overeen komt met GES 3 in het buitengebied en bedrijventerreinen, GES 1 in het bebouwde gebied.' De norm voor nieuw bedrijven en uitbreidingen zoals hierboven zijn benoemd gelden voor de individuele bedrijven ten opzichte van de genoemde gebieden. Voor cumulatie (toename van geurbelasting door meerdere bedrijven) zijn nu nog geen normen opgenomen, hiervoor is maatwerk nodig. Daar waar nu in dit Milieuplan en in bijlage 3 'geurhinderbeleid industriële geurbronnen' wordt gesproken over geurnormen zijn dit normen die we toepassen op bedrijven waarvoor we als provincie het bevoegde gezag zijn. Andere bedrijven zijn daarin niet meegenomen. Met onze partners in Eemsmond en Delfzijl hebben we geurhinder onderzocht in dit gebied, rekening houdend met de 15 ontwikkelingen, zoals die nu bekend zijn. Daarbij hebben we niet alleen gekeken naar de bedrijven die onder ons bevoegde gezag vallen maar zijn alle bedrijven (voor zover geurrelevant) hierin meegenomen. Voor deze specifieke gebiedsgerichte benadering willen we maatwerk leveren voor milieu op gebiedsniveau overeenkomstig de ruimte die de Omgevingsvisie geeft. Met het voorbereiden van de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is uit dit onderzoek gebleken dat in de huidige situatie in het gebied van Oosterhorn cumulatie optreedt. Voor het industriegebied Eemshaven voldoet de referentiesituatie aan GES 1. Voor Oosterhorn willen we terug naar een cumulatieve waarde van GES 3 + 60% 2 GES-3 + 60% betekent dat we uitgaan van een concentratie die 1,6 keer hoger is dan de maximale concentratie die hoort bij de bandbreedte van GES-3. waarbij rekening wordt gehouden met: ESD en de saneringsopgave, de overige geur-uitstotende bedrijven, het verdwijnen van North Refinery en de aanpassing van de vergunning van de RWZI Delfzijl. De individuele norm voor bedrijven in de Eemsdelta is 0,25 ouE/m3 op geurgevoelige bestemmingen. De sterkte van de uitstoot is dan zo klein dat er geen toename van de geurbelasting is en dus geen sprake is van cumulatie. In bijlage 3 'geurhinderbeleid industriële geurbronnen' is dit nader uitgewerkt en toegelicht. Geurhinder (en hinder in het algemeen) is een psychofysiologisch verschijnsel met gevolgen voor de gezondheid. Als mensen geuroverlast ondervinden leidt dit naast hinder, ook tot aangepast gedrag zoals ramen dicht houden, niet meer buiten zitten. Ook stress-gerelateerde effecten zoals hoofdpijn en verhoogde bloeddruk komen voor. Er is bij geur zelden sprake van giftige (toxische) effecten omdat de meeste stoffen al bij hele lage concentraties te ruiken zijn. De hinder wordt in sterke mate bepaald door de (on)mogelijkheden van invloed, serieus genomen en gehoord worden, snel en zinvol contact kunnen hebben met de veroorzaker. Het nationale geurbeleid is sinds 1995 onveranderd. Het doel is het voorkomen van nieuwe geurhinder, bestaande geurhinder terugdringen en de ernstige hinder geheel uit te bannen. De provincie onderschrijft dit beleid helemaal. De instrumenten (wet- en regelgeving) van de provincie verschillen per doelgroep. Voor de landbouwsector zijn normen voor geur vastgelegd in de Wet geurhinder veehouderijen. Voor de industrie geldt dat provincies (en gemeenten) per situatie het aanvaardbare hinderniveau zelf moeten vaststellen. De provincie doet dit veelal bij de omgevingsvergunning voor grote bedrijven. Om de geurhinder door bedrijven te beheersen is veel geregeld via Europese regels voor toepassing van de beste beschikbare techniek (BREF’
- s)en via het Activiteitenbesluit. Nieuwe hinder voorkom je door het voldoende scheiden van bronnen en inwoners. Ruimtelijke ordening is hier geschikter voor dan de omgevingsvergunning. Geur verdient aandacht in gebiedsvisies en bestemmingsplannen en later in de omgevingsplannen. Gemeenten zijn hier in de eerste plaats aan zet. Bij ruimtelijke ordeningsvraagstukken wordt standaard de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering geraadpleegd. Voor andere relevante bronnen van geurhinder zoals riolering en houtkachels bestaat geen geurregelgeving. Hiervoor geldt alleen de algemene regel van overlast. Hiervoor is de provincie niet het bevoegde gezag. De afgelopen jaren zijn de geurklachten teruggelopen van 450 naar 150 geurklachten die bij de provincie zijn binnen gekomen. Deze klachten hebben betrekking op bedrijven waar de provincie het bevoegde gezag voor is. Een van de redenen van deze terugloop is onder andere dat een deel van de bedrijven zijn gewijzigd van het bevoegde gezag (van de provincie naar de gemeente). De geurhinder in de provincie kenmerkt zich door enkele opvallende knelpuntlocaties waar de overlast hardnekkig is waarbij Farmsum eruit springt. In de aangrenzende woongebieden van Delfzijl, Appingedam en Borgsweer wordt maar liefst viermaal zoveel geuroverlast ondervonden als gemiddeld in Groningen. In deze gemeenten ondervindt minimaal 15% van de burgers enige tot ernstige geurhinder. De provincie heeft eigen beleidsruimte voor de vergunningverlening. Om die beleidsruimte zorgvuldig te gebruiken, is eigen geurbeleid beter dan besluiten op basis van alleen de landelijke richtlijnen uit het activiteitenbesluit, zo leert de praktijk. Daarom heeft de provincie een eigen werkwijze ontwikkeld en het provinciaal geurhinderbeleid industriële geurbronnen voor vergunningverlening geformuleerd. Met het VTH-beleidskader is het geurhinderbeleid industriële geurbronnen vastgesteld. Dit beleid is sinds medio 2013 vastgesteld en later een aantal keren aangepast en in werking. De Omgevingsvisie is hierop gebaseerd. Dit VTH beleidskader is nu nog van kracht maar zal met dit Milieuplan vervallen. Het geurhinderbeleid industriële geurbronnen is geactualiseerd en maakt deel uit van dit Milieuplan (zie bijlage 3). Dit geurhinderbeleid industriële geurbronnen bevat een generiek deel en het specifiek deel voor de Eemsdelta overeenkomstig de bijgevoegde kaart in deze bijlage 3. In ons geurbeleid staat dat we bescherming op maat bieden. We onderscheiden enerzijds de mate van hinderlijkheid van de geur en anderzijds de gewenste bescherming. Die bescherming is afhankelijk van het object (woning of niet) en de omgeving (bebouwde kom of buitengebied). Verder hebben we de provinciale milieuklachtentelefoon om geuroverlast te melden. Daarmee stellen we prioriteiten in ons werk om gericht de geurhinder in de provincie terug te dringen. We gaan in gesprek met de Groninger gemeenten om ons geurbeleid ook met hen af te stemmen waarbij we streven naar eenduidigheid, rechtsgelijkheid en minimale overlast voor respectievelijk alle bedrijven en burgers in de provincie. 4.1.4Afval en nazorg Uit de Omgevingsvisie over nazorg en opslag van afval: 'Voor een aantal gesloten stortplaatsen voor afval en baggerspecie, dragen wij op grond van de Wet milieubeheer blijvend de verantwoordelijkheid voor de nazorg, waarmee we bodemverontreiniging voorkomen.Wij waarborgen dat de stortplaatsen, waar op of na 1 september 1996 nog afval of baggerspecie is gestort, na sluiting geen nadelige gevolgen opleveren voor het milieu. Wij nemen niet het eigendom over, alleen het beheer. Als het bevoegde gezag zien wij toe op correct beheer en monitoring. Voor ontwikkelingen rond de stortplaats heeft de eigenaar van een (gesloten) stortplaats een primaire rol.Wij hebben regels voor handelingen in, op, onder of over gesloten stortplaatsen opgenomen in deOmgevingsverordening (titel 5.2). Radioactief afval Wij verlenen geen medewerking aan de opslag of berging van radioactief afval in de diepe ondergrond. De onbekendheid met de gevolgen hiervan en de potentiële risico’s van onder meer straling, verdragen zich niet met een duurzame ontwikkeling en met het belang van de bescherming van het (ondergrondse) milieu. Wij voeren (bestuurlijk) overleg om te voorkomen dat de ondergrond in beeld komt voor deze activiteiten. Tegen het verlenen van vergunningen voor opslag of berging van radioactief afval zullen wij ons met alle beschikbare wettelijke middelen verzetten. Overig afval Wij verlenen op geen enkele wijze medewerking aan de opslag of berging van gevaarlijk afval in de diepe ondergrond. Voor niet-gevaarlijk afval geldt dat wij alleen meewerken aan de opslag of berging als het een nuttige toepassing betreft.Berging van afval vinden wij niet gewenst, met uitzondering van de injectie van uit de mijnbouw afkomstige stoffen.' Wat willen we bereiken met afval? We streven naar minder afval. Afvalpreventie is daarbij een belangrijk middel. We streven naar financiële zekerheid bij afvalbedrijven waarvoor we het bevoegde gezag zijn en onderzoeken daarvoor de maatregelen. Op het gebied van afval volgen we het landelijk beleid zoals verwoord in het Landelijk Afvalbeheer Plan 2 (LAP2) en het toekomstige LAP3. De toekomstige doelstelling zal in ieder geval zijn dat afval meer gezien wordt als een grondstof. De vertaling van doelen betekent dat we willen bijdragen aan: afvalpreventie in eigen bedrijfsvoering en bij bedrijven, waarvoor wij het bevoegde gezag zijn, via vergunningverlening, toezicht en handhaving; nuttig hergebruik, waaronder energieterugwinning en materiaalinnovatie (circulair); veilige en schone eindverwerking, waaronder het voorkomen van bodemverontreiniging door stortplaatsen door middel van nazorg stortplaatsen. circulaire economie waarvoor vanuit de provinciale opgaven een strategie wordt opgezet. Overal in onze economie komt afval vrij: materiaal dat niet meer nuttig is of geen waarde heeft en waar 'eigenaren' vanaf willen. Dat kan gaan om huishoudelijk en kantoorafval (wit- en bruingoed, papier, glas, etensresten, plastic) maar ook om bouw- en sloopafval, restanten uit de industrie en landbouw en grote hoeveelheden baggerslib en afvalwater. De hoeveelheid afval groeide in het verleden explosief, belandde op stortplaatsen of werd illegaal gedumpt. De problemen die hieruit voortvloeiden waren onder andere geurhinder, bodemverontreiniging, broeikasgasemissies en aantasting van landschappen. Sinds de jaren '70 is beleid ontwikkeld om deze problemen aan te pakken en te voorkomen. Door preventie, hergebruik en nuttige toepassing van afval, samen met forse kosten en strenge criteria voor storten, is de afvalstroom vérgaand onder controle gekomen. Het afvalbeleid is landelijk beleid. Begin 2009 is het nieuwe Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP2) vastgesteld. Hierin is een groot aantal kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen opgenomen. Naast diverse doelstellingen rond de omvang van de afvalproductie en de verwerking ervan, omvat het LAP2 doelen en bijbehorende acties om de milieudruk van het afvalbeheer te beperken. Voor zeven belangrijkste afvalstromen (papier, textiel, PVC, grof huishoudelijk afval, bouw- en sloopafval, aluminium en voedsel) is bijvoorbeeld een richtinggevende doelstelling geformuleerd: het verminderen van de milieustromen met minimaal 20%. We voeren het landelijk afvalstoffenbeleid uit samen met andere provincies en de andere overheden. Ook dient het LAP op grond van de Wabo als toetsingskader voor onze vergunningverlening. Ten slotte bevat het LAP2 de capaciteitsplanning voor verbranden en storten van afval. Die planning geeft de maximale ruimte in ons land aan voor het storten en verbranden van afvalstoffen. Het LAP richt zich op: het beperken van het ontstaan van afval; het beperken van de milieudruk door ‘afvalbeheer’ en het vanuit ketengericht afvalbeleid beperken van de milieudruk van productketens. De hoeveelheid geproduceerd afval in Nederland is de laatste jaren stabiel. Bij de afvalverwerking groeit sinds decennia het aandeel van afval dat nuttig wordt toegepast en verbrand. Steeds minder afval wordt gestort. Mede door ons vestigingsklimaat is in de provincie Groningen de totale capaciteit van afvalverwerkingsbedrijven fors toegenomen. De afvalbranche kent milieuhygiënische risico's, maar ook risico's ten gevolge van schommelingen van prijzen 'aan de poort' en in de verwerkingskosten. Met het vervallen van het Besluit financiële zekerheid voor de betreffende bedrijven kan door de provincie niet langer zekerheidsstelling worden geëist in geval van een bedrijfsfaillissement. De kosten van verwijdering en verwerking van achterblijvend afval blijven in een dergelijk geval voor de overheid. Hieraan willen we aandacht besteden met een reeks van maatregelen. Zo denken we onder andere aan een onderzoek naar de mogelijkheden van het instellen van een derdegeldrekening waarmee de ver- en bewerking van afval wordt betaald en we kunnen voorkomen dat grote hoeveelheden afvalstoffen na de ontvangst van het afgiftetarief alleen maar blijven liggen in opslag en bij faillissement de verwerkingskosten voor de provincie zijn. In hoofdstuk 6 besteden we hier meer aandacht aan. In ons collegeakkoord streven we naar circulaire economie. Dat houdt onder meer in dat de materiaalvoorziening van onze economie meer en meer wordt gebaseerd op hernieuwbare, natuurlijke materialen (bio-based). Ook proberen we een steeds zuiniger gebruikte bereiken van eindige grond- en hulpstoffen, water en energie, waardoor de hoeveelheid afval per eenheid product steeds minder wordt. De circulaire economie van gesloten stofstromen start met het slim ontwerpen en het gebruik van afgedankte materialen naar producten met een gelijke of hogere waarde. 4.1.5Bodem en ondergrond Samenvatting uit de Omgevingsvisie 'Menselijke activiteiten in boven en ondergrond (verkeer, industrie, recreatie, landbouw, mijnbouw, bouwsector) kunnen leiden en hebben geleid tot vervuiling van water, bodem en lucht en tot hinder in onder andere het ruimtelijke en sociaaleconomische domein. De vervuiling belast het ecosysteem en leidt tot gezondheidsrisico's voor mensen. Om deze ongewenste milieueffecten en hinder tegen te gaan werken we onder andere aan de bescherming van de bodem (inclusief grondwater) en ondergrond. Wij hebben daarbij een proces- en regierol gericht op duurzaam beheer. Duurzaam beheer zorgt ervoor dat de kwaliteit van de bodem niet verslechtert en stimuleert een gestage kwaliteitsverbetering. Bodemkwaliteit betreft zowel de chemische, fysische als biologische kwaliteit. Het duurzame beheer is verder uitgewerkt in ons Meerjarenprogramma Bodem en Ondergrond 2015-2019. Het bodembeheer wordt samen met de gemeenten, waterschappen voorbereid, vormgegeven en afgesproken. Onderdelen van het bodembeheer zijn: Het bieden van een basisbeschermingsniveau tegen verschillende bedreigingen (verontreinigingen, overbemesting, erosie, bodemdaling, aardbevingen en gevolgen van klimaatverandering). De blijvende verantwoordelijkheid op grond van de Wet milieubeheer voor de nazorg van stortplaatsen voor afval en baggerspecie, die gesloten zijn na 1 september 1996. Met de nazorg wordt bodemverontreiniging voorkomen. De uitvoering van bodemsanering. Waar de bodem ernstig verontreinigd is en waar ook risico’s aanwezig zijn voor de mens, of voor verspreiding naar het grondwater of voor de ecologie, leggen wij de eerst verantwoordelijke een saneringsplicht op. Bij bodemverontreiniging ontstaan voor 1987 en zonder onaanvaardbare risico’s voor mens en/of milieu, opereren wij pragmatisch. Uitgangspunt is dat de bodem geschikt moet zijn voor het gebruik ervan. Bodemverontreiniging ontstaan na 1987 moet zo snel als redelijkerwijs mogelijk worden opgeruimd en ongedaan gemaakt. In het kader van de Wet bodembescherming verlenen wij vergunningen voor bodemsanering. Een 'duurzaam grondstromenbeleid, dat (lokaal) hergebruik van grond en baggerspecie stimuleert, waarbij geen dan wel zo min mogelijk primaire delfstoffen worden gewonnen. Het stimuleren van een goed gebruik van de bodem door het verstrekken van subsidies aan projecten om duurzaam bodembeheer te bevorderen. Ons beleid voor de ondergrond hebben we uitgewerkt in onze 'Visie ondergrond'. Gezien de toenemende sociaalmaatschappelijke impact die door de aardbevingen wordt veroorzaakt, vinden wij dat we een grotere rol moeten nemen in beleidskeuzes over (mogelijke) activiteiten in de ondergrond. Daarnaast stimuleren wij het gebruik van de ondergrond als bron van duurzame energie. Bij winning van warmte uit bodem en ondergrond (tot 500 meter) willen we meer toepassing van geothermie en warmte- koudeopslag voor de verwarming/koeling van de gebouwde omgeving realiseren. Hiertoe willen wij een goede informatievoorziening op zetten, samenwerken met partijen om deze toename te realiseren en onderzoek naar innovatieve toepassingen (mede)financieren. De winning van zand en klei concentreren wij in een aantal regionale winplaatsen. Deze krijgen na beëindiging een bestemming (bijvoorbeeld natuur en recreatie) op basis van de beëindigingsplannen. Uitbreiding van de bestaande vergunningen is alleen mogelijk in bijzondere omstandigheden zoals een bovenregionaal belang en/of de winning en toepassing van delfstoffen met een unieke kwaliteit. Wij zijn voor deze winningen het bevoegde gezag. De winning van de diepe delfstoffen aardgas en zout is van nationaal belang, waarvoor het Rijk het bevoegde gezag is. Voor zover onze invloed reikt, verlangen wij dat de winning van delfstoffen veilig gebeurt, negatieve gevolgen van de winning geminimaliseerd worden, resterende negatieve gevolgen gecompenseerd worden. Berging en opslag in de diepe ondergrond (in lege gasvelden en zoutcavernes) vallen onder de Mijnbouwwet, waarvoor het Rijk het bevoegde gezag is. Wij faciliteren de opslag van nuttige producten, zoals aardgas, stikstof, waterstof en andere gassen of vloeistoffen. Wij doen dit alleen als aangetoond is dat dit het veilig is. Wij willen geen permanente berging of tijdelijke opslag van afvalstoffen in de diepe ondergrond, met uitzondering van de injectie van uit de mijnbouw afkomstige niet gevaarlijke afvalstoffen.' Decennialang betekende ‘bodembeleid’ vooral ‘bodemsaneringsbeleid’. De provinciale activiteiten betroffen de aanpak van ernstige bodemverontreinigingen. Maar de provinciale inzet verschuift al geruime tijd naar een meer integrale benadering van bodem en ondergrond. Hierbij maakt klassieke uitvoering plaats voor een proces- en regierol. Onze inbreng bij vraagstukken over gebruik van ruimte, bodem en ondergrond wordt daarbij vooral bepaald door de mogelijkheden voor en het behoud van de intrinsieke waarde van de bodem. Met de komst van de Omgevingswet zal het bevoegde gezag voor een deel van het bodembeheer verschuiven van de provincie naar gemeenten. Als het zover is zullen we dit voorbereiden zodat een zorgvuldige overdracht van taken kan plaats vinden. Op het gebied van bodem en ondergrond voeren we taken uit op grond van de Wet bodembescherming en de Ontgrondingenwet en de daarop gebaseerde besluiten. Ook ondersteunen we het Bodemconvenant 2015-2020 met het Rijk dat door IPO mede is ondertekend. Mede met dit convenant worden de budgetten voor bodem verdeeld over de provincies en gemeenten. In het convenant zijn de volgende doelstellingen opgenomen: Een verdere ontwikkeling naar een duurzaam en efficiënt beheer en gebruik van de bodem en ondergrond en daarbij een bijdrage leveren aan het realiseren van maatschappelijke doelen als energievoorziening, drinkwatervoorziening, grondwaterreserves, landbouw, cultuurhistorie, natuur en klimaatmitigatie en klimaatadaptatie. Uitgangspunt is om bij het opstellen of actualiseren van ruimtelijke plannen zoveel mogelijk de boven- en ondergrond als één geheel te beschouwen. Eind 2020 moeten alle gevallen van ernstige bodemverontreiniging met onaanvaardbare humane, ecologische of verspreidingsrisico’s (spoedlocaties) gesaneerd zijn of moeten de risico’s in ieder geval beheersd zijn. Onder het beheer van bodem- en ondergrond valt tevens het omgaan met verontreiniging die geen directe onaanvaardbare risico’s oplevert. Preventie is speerpunt van het bodembeleid. Het in beeld brengen van nieuwe bedreigingen voor het bodem- en watersysteem. Onderzoek naar de vermindering van nazorgkosten en naar het beheer van voormalige stortplaatsen. 4.1.6Omgevingsveiligheid Uit de Omgevingsvisie 'Bij onze vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken werken we programmatisch en risico gestuurd. Wij geven prioriteit aan bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Bedrijven die bulkhoeveelheden gevaarlijke stoffen opslaan, gebruiken en/of produceren dienen bij voorkeur gevestigd te worden op bovenregionale bedrijventerreinen. We kijken samen met gemeenten naar de mogelijkheden. Het vervoer van gevaarlijke stoffen brengt risico's met zich mee. Bij een ongeval tijdens het transport kunnen gevaarlijke stoffen vrijkomen met schadelijke of zelfs dodelijke gevolgen voor mens en milieu. Bijvoorbeeld een explosie, een brand of het vrijkomen van een gifwolk. Om gevaarlijke stoffen te vervoeren moeten vervoerders zich houden aan veiligheidseisen, waaronder het zoveel mogelijk vervoeren langs de hiervoor aangewezen transportroutes. Deze transportroutes zijn voor zover het rijksinfrastructuur betreft door het Rijk aangewezen. Wij wijzen in aanvulling daarop een provinciaal basisnet aan. Dit basisnet is weergegeven op een kaart.Het is van belang dat deze routes ook geschikt blijven voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, reden waarom wij hierover in de Omgevingsverordening regels hebben opgenomen. We houden de gegevens op de risicokaart actueel. Wij stimuleren dat andere bronhouders dat ook doen.' Onze provincie is relatief veilig. Dit komt vooral doordat de ruimtelijke ordening in bijna alle gevallen risicobronnen en risico-ontvangers ruimtelijk van elkaar heeft gescheiden. Voor veel locaties zijn risicoberekeningen uitgevoerd. Daaruit blijkt dat we in iedere geval niet te maken hebben met saneringssituaties. Wel zijn hieruit enkele verbeterpunten voor bedrijven naar voren gekomen die nu worden uitgezet. Met ons beleid voor omgevingsveiligheid willen we de risico's op zware ongevallen en de gevolgen daarvan beperken. De voorbeelden van zware ongevallen zijn divers van aard, bijvoorbeeld een neergestort vliegtuig, een weggeslingerd blad van een windturbine, een giftige gaswolk uit een chemische fabriek, een explosie bij de olie- en gasindustrie of een brand in een opslagloods voor gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid gaat over de beheersing van de risico’s voor de burger, die verbonden zijn aan de opslag, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico van zware ongevallen kan zowel door goede ruimtelijke ordening als door veiligheidsmaatregelen bij de bron worden verminderd. Dergelijke ongevallen kunnen zich overal in de provincie voordoen. Vier gebieden met meer risicovolle activiteiten hebben onze speciale aandacht: havengebieden van Eemshaven en Delfzijl industrieterrein bij Veendam olie- en gasinfrastructuur in de gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde spoorzone in de gemeenten Haren, Groningen en Delfzijl. 4.1.7Duisternis en stilte Uit de Omgevingsvisie 'Stilte is een kernkarakteristiek van onze provincie. We hebben drie stiltegebieden aangewezen: het Lauwersmeer, de Waddenzee en delen van de oever van het Schildmeer. Daarnaast hebben we twee aandachtsgebieden voor stilte en duisternis aangewezen, waar we extra stimuleringsmaatregelen treffen. Deze aandachtsgebieden liggen in de gemeente Vlagtwedde (vooral in Menterwolde) en in de gemeente Winsum ten westen van de provinciale weg Groningen-Winsum. Wij willen de huidige geluidniveaus in de stiltegebieden en aandachtsgebieden handhaven en verbeteren door: maatregelen bij het verlenen van vergunningen en het toetsen van geluid van (spoor)wegen, opstellen van geluidsbelastingkaarten en actieplannen; stilte in onze afwegingen te betrekken bij beleidsontwikkeling, beheerplannen, vergunningverlening en bij het uitvoeren van activiteiten en projecten op terreinen als ruimtelijk ordening en milieu; het belang van stilte onder de aandacht te brengen van andere partijen als gemeenten, (buur-) provincies en belangen- en natuurorganisaties. Verder zullen we onderzoeken of het zinvol is ons stiltebeleid en de gebiedsaanwijzing te herijken. Duisternis Duisternis is een kernkarakteristiek van onze provincie. Wij nemen maatregelen om de lichthinder (en het energiegebruik) door openbare verlichting langs provinciale wegen te verminderen. Daarbij houden we rekening met de sociale en verkeersveiligheid. We maken hier afspraken over met de gemeenten. Wij vragen gemeenten en waterschappen om in hun plannen toe te lichten hoe zij rekening houden met duisternis. In vergunningen voor bedrijven en instellingen waarvoor wij het bevoegde gezag zijn, nemen wij zo nodig voorschriften op voor de lichtuitstoot, bijvoorbeeld via een verlichtingsplan. We hebben twee aandachtsgebieden voor stilte en duisternis aangewezen, waar we extra stimuleringsmaatregelen voor duisternis treffen. Ze liggen in de gemeente Vlagtwedde (vooral in Westerwolde) en in de gemeente Winsum ten westen van de provinciale weg Groningen-Winsum. Vanwege onze ambitie om voor het Nationaal Park Lauwersmeer de status International Dark Sky Park te verwerven, besteden wij aandacht aan het behoud en versterking van de kernwaarde duisternis in het Lauwersmeergebied. LTO-noord en de Natuur- en Milieufederatie Groningen hebben een convenant gesloten over de lichtuitstoot van melkveestallen, waarin zij afspraken gemaakt hebben over het beleid met betrekking tot de tijd/tijdsduur en de intensiteit van het uitgestoten licht. Wij zijn van mening dat deze afspraken een goede basis vormen om de kernkwaliteit duisternis te behouden en te verbeteren. In 2018 zullen wij de effecten van het convenant evalueren. Deze evaluatie betrekken wij bij onze besluitvorming over de bijstelling van de instructieregels zoals die nu in de Omgevingsverordening zijn opgenomen over de mogelijkheid nieuwe ligboxenstallen te bouwen.' De doelstellingen van de Omgevingsvisie laten zich rechtstreeks vertalen in uitvoering in hoofdstuk 6.7. 4.2Gezondheid en milieu Uit de Omgevingsvisie 'Milieubelastingen zoals geluid van wegverkeer, geur van bedrijven, externe veiligheid, luchtverontreiniging en lichthinder hebben een negatieve invloed op de leefomgeving en daarmee op de gezondheid van mensen. In onze provincie worden bij veel woningen de maximaal toelaatbare niveaus voor omgevingsgeluid en geurbelasting overschreden. In onze 'Provinciale Strategie Gezondheid en Milieu ' geven wij prioriteit aan het verminderen van: geuroverlast van bedrijven geluid van wegverkeer luchtverontreiniging' Deze prioriteiten hebben we als het bevoegde gezag samen met de GGD en externe deskundigen bepaald. We hebben onderzocht hoeveel mensen blootstaan aan geluid- en geurhinder, externe veiligheidsrisico’s en luchtverontreiniging en welke gezondheidseffecten dat heeft. Sinds 2010 werkt de provincie Groningen aan het onderwerp gezondheid door middel van de Strategie gezondheid en milieu. We geven prioriteit aan het verminderen van de gezondheidseffecten door bovengenoemde milieubelasting en proberen nieuwe gezondheidseffecten te voorkomen en de burgers hierover te informeren. Dit staat ook verwoord in hoofdstuk 20 van de Omgevingsvisie. We richten ons enerzijds op het inbrengen van gezondheid in bestaand provinciaal beleid en anderzijds op het vroegtijdig inbrengen van gezondheid bij ruimtelijke, herstructurerings- en infrastructurele plannen. Door middel van de Gezondheid Effect Scores (GES) brengen we knelpunten rondom geur, lucht en geluid in beeld en proberen deze te voorkomen. De Strategie gezondheid en milieu liep van 2014 t/m 2016. Deze Strategie gezondheid en milieu is samen met het IMB geëvalueerd. Hieruit komt naar voren dat de verschillende projecten zijn uitgevoerd. Alle vervolgprojecten (inclusief de geur-app) op het gebied van gezondheid die betrekking hebben op de thema's geluid, lucht en geur zijn opgenomen in dit Milieuplan onder de desbetreffende thema's. Voor de herkenbaarheid worden die projecten en activiteiten bij de thema's lucht, geur en geluid apart benoemd onder de titel gezondheid en milieu. Bij de uitvoering van deze projecten wordt nauw samengewerkt met de GGD Groningen. Bij alle relevante provinciale plannen kijken we naar de effecten van uitstoot, geur en geluid op milieu en gezondheid. Daarbij hechten we veel waarde aan m.e.r.-procedures. Daarnaast hanteren we steeds meer de maatlat van de Gezondheid Effect Scores (GES) bij het beoordelen van plannen. Zoals het zich laat aanzien zal de Omgevingswet meer ruimte bieden voor het beschermen van de gezondheid bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op het gebied van de fysieke leefomgeving. Op dit moment is de doorwerking hiervan echter nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Een voorbeeld van een mogelijk gevolg kan zijn dat bij vergunningverlening het verplicht wordt om een gezondheidsadvies van de GGD te vragen. Gedurende de looptijd van dit Milieuplan onderzoeken we wat de effecten zijn voor onze provinciale rol. 4.3Gebiedsgericht milieubeleid Het toepassen van de wettelijke normen leidt niet vanzelfsprekend in alle situaties tot een passende leefomgevingskwaliteit. Bovendien verschillen milieuaccenten en gewenste leefomgevingskwaliteit per gebied. Het is dan ook logisch om onderscheid te maken naar aard van het gebied. Zo vinden bewoners van een binnenstad een hoger geluidsniveau in hun omgeving vaak acceptabel, terwijl de kans groot is dat een bewoner van een plattelandsdorp of het landelijk gebied een dergelijk geluidsniveau storend vindt. De Omgevingswet treedt in 2019 in werking en verplicht gemeenten een omgevingsplan op te stellen. Er komt méér afwegingsruimte voor het bevoegde gezag om (
- a)eigen typen omgevingswaarden te stellen en/of om (
- b)strengere dan wettelijke omgevingswaarden te hanteren. Dit past bij maatwerk op gebiedsniveau, temeer omdat de Groninger gemeenten vanaf 2019 dusdanig groot zijn, dat feitelijk sprake is van gebieden. Dit is een kans voor specifieke ambities op gebiedsniveau, zowel voor Ruimtelijke Ordening (RO) als Milieu. Rolopvatting Gezien de herindelingen én de komst van de Omgevingswet, verschuift de provinciale rol van hoofdzakelijk ‘sturend’ naar vooral faciliterend en regisserend. We vinden dat dit het beste aansluit bij de behoeften van de gemeenten en de kansen voor het bieden van maatwerk in het milieubeleid. De provincie staat in dit beleidsveld dus vooral naast de gemeenten. Desondanks blijft een realiteit dat er provinciale – dus bovenlokale - belangen bestaan. De provincie kan gemeenten helpen deze belangen op te nemen in hun beleid. Omgekeerd moet de provincie de gemeenten bevragen naar hun lokale belangen en gewichten, als input voor onze Omgevingsvisie. Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl Voor de Eemsdelta hebben we, samen met de gemeenten Delfzijl en Eemsmond en met Groningen Seaports, wél gebiedsgericht milieubeleid ingevuld. Aanleiding hiervoor was het advies van de Commissie voor de m.e.r. om voor het industrie- en havengebied in de Eemsdelta een Structuurvisie op te stellen. Die Structuurvisie moet duidelijke milieugrenzen hanteren evenals het beleid dat waarborgt dat de milieudruk in de toekomst niet over die grenzen gaat. Hieruit komen de volgende uitgangspunten naar voren: Normen zijn vastgelegd voor de toegestane cumulatieve geluidbelasting. Normen zijn vastgelegd voor de geluidbelasting per windpark. Voor een beperkt aantal woningen bij de Eemshaven worden de hogere grenswaarden voor geluid verhoogd. De individuele norm voor geur in de Geurbeleidsregel industriële geurbronnen is voor de Eemsdelta aangescherpt. De cumulatieve waarde voor Oosterhorn bedraagt GES 3 + 60% is overgenomen in de Geurbeleidsregel industriële geurbronnen. Voor de combinatie van windenergie en bedrijven er op concreet projectniveau maatwerk wordt toegepast met betrekking tot externe veiligheid; Procesafspraken zijn vastgelegd tussen partijen over uitstoot van stikstofoxiden, zware metalen en geur. Afspraken met partners over gebiedsgericht milieubeleid voor de Eemsdelta Parallel aan dit gebiedsspecifieke milieubeleid binnen het Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is in 2014 en 2015 door de Natuur- en Milieufederatie Groningen (NMG), Samenwerkende Bedrijven Eemsdelta (SBE) en Groningen Seaports (GSP) gewerkt aan een gebiedsgerichte uitwerking van het Integraal Milieu Beleid (IMB) voor de regio Eemsdelta. Die uitwerking had betrekking op stikstof (NOX), geur en zware metalen. In juni 2015 hebben de partijen een eerste advies opgeleverd met voorstellen voor nadere uitwerking. Partijen konden het echter niet eens worden over concrete doelstellingen of waarborging van inspanningen en resultaten. In 2016 heeft dit geleid tot een nadere uitwerking van acties omtrent de drie onderwerpen. Afspraak is daarom om nog eens opnieuw te kijken naar emissies en reductie-opties voor zware metalen en voor het overige aan te sluiten bij bestaande initiatieven: Stikstofoxides. Alle partijen stemmen ermee in om voor de maatregelen die binnen het energiebesparingsprogramma van GSP worden genomen naast de vermindering (reductie) van CO2 ook de NOX emissie in beeld te brengen. Zij stemmen ermee in dat GSP op korte termijn inzichtelijk maakt wat de potentiële winst voor CO2 en NOX is bij de bedrijven die een energiestudie hebben laten uitvoeren. GSP zal de NMG, SBE en de provincie hier over informeren. De resultaten van het energiebesparingsprogramma voor NOX en CO2 voor toekomstige bedrijven worden door GSP gemonitord. De informatie die uit deze monitoring wordt verkregen, wordt in een periodiek overleg tussen GSP, SBE, NMG en de provincie Groningen besproken. Zware metalen. Partijen stemmen in met een vervolgopdracht, verstrekt door de provincie en begeleid door GSP, SBE en NMG, voor een monitoringsprogramma voor zware metalen om de druk op natuur en milieu in kaart te brengen. Met dit programma willen partijen de situatie op grond van bekende Duitse en Nederlandse emissiegegevens interpreteren. Bij het ontbreken van gegevens kan gekozen worden voor een vorm van monitoring. Er wordt gestart met een analyse van de bestaande informatie, waarbij zowel SBE en NMG deskundigheid inbrengen. Doel is deze analyse af te ronden maart 2017. Daarna wordt in gezamenlijkheid bepaald welke stoffen op welke wijze gemonitord gaan worden. Na een jaar monitoring vindt een evaluatie plaats. Geur. Wij betrekken GSP, NMG en SBE actief bij de ontwikkeling van de geur-app en de toepassing van de geur-app van de eerste pilot in de Eemsdelta. De app wordt ingezet als monitoringsinstrument en als middel om de communicatie tussen bedrijven en inwoners van de provincie te verbeteren. Met een druk op de knop kan een inwoner, die geurhinder ervaart, dit melden. De melding wordt geregistreerd op een website die toegankelijk is voor bedrijven zodat deze direct kunnen anticiperen op de melding. GSP, SBE en de NMG worden hier actief bij betrokken. In 2017 houden we interactieve sessies met deze partijen om de geur-app te ontwikkelen. Vervolgens starten we 2 pilots waarvan er één start in de Eemsdelta. Hoofdstuk5Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze wettelijke taken voeren we uit op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (het Wabo-takenpakket) en diverse andere wet- en regelgeving. Voor dit hoofstuk is ons VTH beleidskader 2016 leidend geweest. Dit beleidskader is in 2015 geëvalueerd en het resultaat daarvan is verwerkt in dit hoofdstuk. In het algemene deel van dit hoofdstuk leest u onder andere de afbakening van onze taken en de positie van de provincie en vervolgens wordt ingegaan op de onderdelen vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarna lichten we een aantal onderwerpen toe zoals prioritering, kwaliteit van de uitvoering, jaarprogramma's en samenwerking. Hiermee leggen wij ook vast hoe wij voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van het Besluit omgevingsrecht voor de uitvoering van de handhaving. Deze eisen hebben betrekking op het handhavingsbeleid, de uitvoering, de organisatie, de borging van de middelen en de rapportage. In hoofdstuk 6 is opgenomen hoe we de instrumenten vergunningverlening, toezicht en handhaving inzetten voor het behalen van de beleidsdoelstellingen binnen de thema's lucht, geluid, geurafval, bodem en ondergrond, omgevingsveiligheid, duisternis en stilte. 5.1Algemeen De “Big 8” staat centraal voor ons handelen. Hierin is onderscheid gemaakt tussen de beleidsformulering en de uitvoering. Het strategische milieubeleid (het bovenste deel van de cyclus) wordt door ons opgesteld en het ligt vast in de Omgevingsvisie en de Structuurvisie Eemsdelta. In aansluiting daarop ontwikkelen de ODG en de provincie het tactische- en operationele beleid; VTH-beleid voor de uitvoeringstaken die (het onderste deel van de cyclus). Wij ontwikkelen dit beleid voor de VTH-taken die niet bij de ODG zijn ondergebracht. De ODG is in ontwikkeling en dit geldt ook voor de provincie voor zover dat betrekking heeft op onze rol als bevoegd gezag en opdrachtgever. Dit heeft invloed op de formulering van het tactische en operationele beleid en de rollen daarin van de provincie en de Omgevingsdienst. Binnen de planperiode gaan wij deze rolverdeling onderzoeken. Wij zijn als provincie het bevoegde gezag voor de uitvoering van de Wabo VTH-taken bij circa 130 bedrijven. Dit zijn bedrijven die in het Bor (Besluit omgevingsrecht) als zodanig zijn aangewezen en de status van Brzo en/of RIE (Richtlijn industriële emissies; voormalig IPPC) bedrijf hebben. Voor inrichtingen waarvoor de provincie het bevoegde gezag is, zijn we ook verantwoordelijk voor de zogenaamde BRIKS-taken (bouwen, reclame, in-/uitritten, kappen en slopen) en indirecte lozingen. Bij de uitvoering van de bovenstaande VTH-taken houden wij rekening met onze provinciale beleidsdoelen zoals die in de Omgevingsvisie zijn opgenomen. Op Europees en nationaal niveau is voor de milieuonderwerpen (lucht, geluid, etc.) veel geregeld in wet- en regelgeving voor vergunningverlening, toezicht en handhaving en zijn wij gehouden deze regelgeving te volgen. Op onderdelen hebben we als provincie (beperkte) ruimte voor nadere invulling van de Europese- en nationale wet- en regelgeving. Het provinciale VTH-kader was opgenomen in de Beleidsregel VTH 2016. Deze beleidsregel had betrekking op de VTH-taken in onderstaande tabel. De Beleidsregel VTH 2016 vervalt deels, waarbij deel A van de tabel is opgenomen in het Milieuplan. De uitvoering van de andere wetgeving (deel B van de tabel) is onderdeel van andere beleidsprogramma's van de provincie. Het VTH-beleid voor deel B actualiseren en evalueren we in een later stadium. Tot dat moment blijft de Beleidsregel VTH 2016 voor deel B van kracht. Wet- en regelgeving Onderwerpen Uitvoering door A: VTH-taken binnen het Milieuplan Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer complexe industriële en afvalbedrijven geluidbelastingkaarten en actieplannen geluid (provinciale wegen); aanwijzing gebieden met bijzondere bescherming nazorg stortplaatsen ODG provincie Wet bodembescherming en Besluit bodemkwaliteit bodemsanering en hergebruik verontreinigde grond ODG provincie Wet luchtvaart Regeling burger- en militaire luchtvaart vaststellen van luchthavenbesluiten en luchthavenregelingen; afgeven ontheffingen voor het opstijgen en landen buiten luchthavens provincie Omgevingsverordening provinciale regelgeving ODG provincie Vuurwerkbesluit vuurwerkevenementen coördinatie toezicht provincie Ontgrondingenwet zandwinningen en ontgrondingen provincie B: VTH-taken buiten het Milieuplan Wet natuurbescherming bescherming aangewezen terreinen en wateren met bijzondere natuur- en landschapswaarden provincie Wadloopverordening bescherming Waddenzee provincie Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden zorg voor hygiëne en veiligheid van de bezoekers van zwemgelegenheden provincie Waterwet grondwateronttrekking voor industriële en drinkwatertoepassing warmte- en koudeopslag provincie Wegen en Vaarwegen onderhoud en gebruik provinciale wegen aanleg-, onderhoud kanalen en waterstaatswerken in de provincie certificaten en vaarbewijzen veiligheidsregels provincie De komst van de Omgevingswet in 2019 betekent dat er veel gaat veranderen. De wet bundelt bijvoorbeeld 26 bestaande wetten voor onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Dit heeft gevolg voor de uitvoering van de VTH-taken door de provincie, de gemeenten en de ODG. We gaan ons op de komst van de Omgevingswet voorbereiden en willen daarbij ook vanuit onze coördinerende rol een bijdrage leveren. Hierbij moet duidelijk worden welke consequenties er volgen voor de uitvoering. 5.2Uitvoering vergunningverlening De provincie levert een bijdrage aan het reguleren van de milieudruk en het verbeteren en handhaven van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving via het instrument vergunningen. Voor het bepalen van de voor de provincie acceptabele milieukwaliteit worden de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig afgewogen. Vergunningenstrategie Wabo (milieu) Vanaf het moment dat het Besluit VTH (AMvB op basis van de Wet VTH) in werking treedt (naar verwachting op 1 juli 2017) zijn we verplicht een vergunningenstrategie te hanteren. Hiervoor hebben wij in bijlage 1 'vergunningenstrategie Wabo (milieu)' opgenomen die gebruikt moet worden voor de verlening van de omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu. Deze strategie is gebaseerd op de strategie die in de Beleidsregel VTH 2016 was opgenomen en is geactualiseerd. De strategie heeft betrekking op; omgevingsveiligheid, lucht (luchtkwaliteit, grofstof en zeer zorgwekkende stoffen), geur, geluid en licht en duisternis. De onderwerpen verschillen in de strategie qua diepgang en uitwerking. Dit heeft te maken met de rollen, de ambitie en de mate van beleidsvrijheid die we daarin hebben. In IPO-verband wordt een Landelijke vergunningenstrategie (LVS) ontwikkeld waarin ook het onderwerp bouwen is opgenomen. Nadat deze gereed is passen wij (indien noodzakelijk) onze 'vergunningenstrategie Wabo (milieu)' aan. Het landelijk geldende Activiteitenbesluit bevat algemene regels voor bedrijven en is aan de hand van tranches de afgelopen jaren in werking getreden. Hierdoor is steeds meer algemene regelgeving van toepassing geworden op de bedrijven en zijn de vergunningen minder omvangrijk geworden of in het geheel vervallen. Bij het van kracht worden van de nieuwe tranches van het Activiteitenbesluit hebben we getoetst of hierdoor knelpunten ontstonden voor de omgeving in relatie tot de bedrijven die onder de algemene werking van het Activiteiten besluit zouden vallen. Voor de bestaande vergunningen is daarvoor in 2013 het Maatwerkbeleid opgesteld. De provincie is nu het bevoegde gezag voor bedrijven die onder categorie C van het Activiteitenbesluit vallen. Deze bedrijven hebben te maken met een vergunningplicht (en vergunningvoorschriften) en een vast omlijnd deel van de algemene regels uit het Activiteitenbesluit. Daarmee is de noodzaak voor Maatwerkbeleid komen te vervallen. Het bestaande Maatwerkbeleid is gelijktijdig met de vaststelling van dit Milieuplan ingetrokken. Beste beschikbare technieken omgevingsvergunning (milieudeel) Aan een omgevingsvergunning voor bedrijven worden, in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu, voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast die voor de inrichting in aanmerking komen. Bij het bepalen van BBT moeten wij rekening houden met nationale en Europees aangewezen referentiedocumenten. Daarnaast mag er geen sprake zijn van het overschrijden van (lokale) milieugrenswaarden. Indien er sprake is van een (dreigende) overschrijding moet de vergunning strenger zijn dan de BBT, of worden geweigerd indien dit geen oplossing biedt. Voor een inrichting worden soms meerdere technieken aangemerkt als de BBT. Daarbij is er regelmatig sprake van een bandbreedte ('prestatierange'), waarbinnen een milieuprestatie kan worden aangemerkt als vallend binnen het BBT-kader. Zo kan bijvoorbeeld voor een bepaalde luchtfilterinstallatie een prestatierange gelden van 1 tot 5 mg stof per m3 als BBT. Verder kan het voorkomen dat hinder wordt ondervonden door stof, geluid, licht of geur, terwijl deze inrichting voldoet aan de BBT. Indien er sprake is van ernstige hinder of wanneer het aantal gehinderde omvangrijk is, zullen maatregelen worden verlangd die verder gaan dan vereist volgens BBT-maatregelen. Voor de toepassing van BBT bij lucht (luchtkwaliteit, geur, grof stof en zeer zorgwekkende stoffen) en geluid hanteren wij de onderstaande uitgangspunten: Bij alle aanvragen om een omgevingsvergunning is het uitgangspunt dat de meest strenge kant van de BBT wordt voorgeschreven. Indien een bedrijf van mening is dat de strengste norm niet haalbaar is, moet dit door het bedrijf technisch en economisch worden onderbouwd en zal het bevoegde gezag hierover het gesprek aangaan. Bij het doorlopen van de cyclus voor het toetsen van de actualiteit van een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of de vergunningvoorschriften moeten worden aangescherpt, ook indien al wordt voldaan aan de BBT. Indien onduidelijk is of een verdere vermindering van de gevolgen voor het milieu mogelijk is zal een onderzoekverplichting worden voorgeschreven in een ambtshalve wijziging van de vergunning. Vergunningverlening overige regelgeving Naast de omgevingsvergunning die wij verlenen aan bedrijven verlenen wij ook vergunningen en geven wij toestemmingen op grond van andere wet- en regelgeving. Zo verlenen we de ontbrandingstoestemmingen voor vuurwerkevenementen (Vuurwerkbesluit), geven we ontheffingen af voor de Regeling burger- en militaire luchtvaart, beoordelen we de meldingen voor de toepassing van grond en bouwstoffen in werken (Besluit bodemkwaliteit) en stellen we beschikkingen op voor de uitvoering van bodemsaneringen (Wet bodembescherming). Ook verlenen we vergunningen op grond van de Ontgrondingenwet en Omgevingsverordening. Hierbij gaat het om de uitvoering van ontgrondingen bij gebieds- en infrastructuurverbetering (aanleg natuurelementen en wegen) en daarnaast ontgrondingen in het kader van zandwinningen. De strategie voor de uitvoering van deze vergunningverleningstaak wordt bij de eerste aanpassing van de bijlage 1 'vergunningenstrategie Wabo (milieu)' hierin opgenomen. Dit doen we in ieder geval gelijktijdig met de aanpassing van de bijlage 1 'vergunningenstrategie Wabo (milieu)' als gevolg van de LVS. 5.3Uitvoering toezicht Toezicht bedrijven en bodem Toezicht is de controle op de naleving van regelgeving (wetgeving en voorschriften). Dit toezicht wordt door de ODG namens de provincie uitgevoerd bij bedrijven. Het omvat ook toezicht op; de uitvoering van bodemsaneringen, de aanleg van werken en toepassen van grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit, bij bedrijven waarvoor wij het bevoegde gezag zijn. In 2016 is de "Toezicht- en handhavingsstrategie Wabo in de provincie Groningen" opgesteld. Deze strategie bevat naast een handhavingsstrategie ook de uitgangspunten voor de uitwerking van een provinciale toezichtstrategie. De provinciale toezichtstrategie gaan wij in deze planperiode uitwerken. Parallel daaraan wordt naar verwachting in deze planperiode ook de Landelijke toezichtstrategie ontwikkeld. Wij zullen haar gebruiken bij de uitwerking van onze strategie. Toezicht vindt plaats op basis van risicoanalyses en aan de hand van toezichtsplannen. Hiermee maken wij duidelijk wat wij belangrijk vinden en hoe de prioriteit bij toezicht is bepaald. De wijze waarop de prioritering is uitgevoerd, is in paragraaf 5.5 nader toegelicht. Vanwege de verschuiving van vergunningen naar toezicht gaan we na welke methoden er zijn om het toezicht te organiseren met meer verantwoordelijkheid voor het bedrijf zoals met het compliance systeem. Dit toezicht heeft veelal de vorm van periodieke (administratieve) audits. Het toezicht is dus niet gericht op het controleren van de naleving van doelvoorschriften. Overigens geldt dat het vertrouwen van ons in een bedrijf bij compliance is gebaseerd op de controleresultaten. In de komende periode gaan we bij twee bedrijven een pilot houden met compliance. Bedrijven moeten een ongewoon voorval (incident of afwijking van de reguliere bedrijfsvoering) melden aan de ODG. Op basis van de melding kan de ODG vervolgens een onderzoek instellen. De ingekomen melding wordt doorgeven aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT is daarbij verantwoordelijk voor de uitvoering van de Europese regelgeving. Belangrijk doel van de meldingen is te leren van incidenten en het realiseren van verbeteringen om herhaling of erger te voorkomen. Dit geldt voor zowel het bedrijf als de ODG en de ILT. Het Besluit kwaliteitsborging voor het bouwen is in voorbereiding. Dit besluit heeft betrekking op het toezicht door de bouwsector zelf op de uitvoering van bouwwerkzaamheden. Wij gaan na wat dit gaat betekenen voor ons beleid en de uitvoering van de VTH-taken voor wat betreft bouwwerkzaamheden bij bedrijven. Ter uitvoering van het bouwtoezicht gaan we risico gestuurd toezicht toepassen en definiëren we wat we daaronder verstaan, ook in relatie tot het integrale toezichtsprotocol (ITP). Het toezicht op energiebesparing wordt binnen het programma Energietransitie, projectmatig uitgewerkt en opgepakt. Het doel is om energiebesparing bij bedrijven te realiseren door bedrijven de voor hun verplichte maatregelen uit te laten voeren. Hiervoor wordt het instrument toezicht ingezet, gecombineerd met advies en stimulering. In 2015 heeft de Noordelijke Rekenkamer op verzoek van Provinciale Staten een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoering van toezicht en handhaving als het gaat om 38 majeure Brzo/RIE4-bedrijven. De aspecten veiligheid en emissies naar de lucht zijn hierbij de aandachtspunten. We onderschrijven de conclusies en adviezen uit de rapportage 'Provinciale grip op Groningse bedrijven met grote risico's voor hun omgeving'. Dit betekent dat we gaan inzetten op harmonisatie van de processen tussen de ODG en de andere diensten en dat we Provinciale Staten desgevraagd van de benodigde informatie voorzien. Toezicht overige regelgeving De provincie voert het toezicht uit op de naleving van diverse andere wet- en regelgeving. Ook hiervoor is in de Beleidsregel VTH een aanzet gegeven voor een toezichtstrategie. Bij de uitwerking van de Toezichtstrategie bedrijven op basis van de LTS en de "Toezicht- en handhavingsstrategie Wabo in de provincie Groningen", nemen we ook de toezichtsstrategie op voor de overige wet-en regelgeving. Naast het toezicht bij bedrijven houden we toezicht op het Vuurwerkbesluit. Het landelijke Vuurwerkbesluit stelt als doel de gehele keten van vervaardigen tot het afsteken van vuurwerk te reguleren. Het besluit geeft een toereikende bescherming tegen de risico’s voor mens en milieu van alle soorten vuurwerk, bestemd om voor vermakelijkheidsdoeleinden tot ontbranding te worden gebracht. We houden toezicht bij vuurwerkevenementen in het kader van het Vuurwerkbesluit en voeren we de provinciale coördinatie van het toezicht uit op de opslag en de verkoop van vuurwerk binnen de provincie. Voor de uitvoering van het toezicht is het Handhavingsdocument Vuurwerk 2008 opgesteld. We houden toezicht op de naleving van de ontheffingen RBML(Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens), de regelgeving op basis van de Ontgrondingenwet, de aanleg van werken in het kader van het Besluit bodemkwaliteit en de uitvoering van bodemsaneringen. Afhandeling van klachten De provincie en de ODG handelen klachten af. Deze klachten hebben betrekking op bedrijven maar ook op niet bedrijfsgebonden activiteiten. De klachten worden door de ODG (als het gaat om bedrijven en bodemsaneringen) afgehandeld. Bij de meeste bedrijven is geen sprake van overlast en/of milieuschade. Er zijn echter situaties waarbij omwonenden en bedrijven elkaar al jaren in de weg zitten en omwonenden hierdoor klachten indienen bij de provincie. Wij vinden het onderzoek naar de juistheid (verificatie) van de klacht en de afhandeling van de klacht belangrijk. De provincie handelt de klachten af die betrekking hebben op activiteiten waarvoor de provincie het toezicht uitvoert zoals ontgrondingen en vuurwerkevenementen. Wij zijn 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar voor milieuklachten en meldingen van ongewone voorvallen bij bedrijven (de Milieuklachtentelefoon). We hebben een oproepdienst (consignatiedienst) van inspecteurs die inzetbaar zijn. De ODG voert de consignatiedienst uit. In onze afhandeling van klachten gaan we onderzoeken of we de gemelde milieuklachten over de bedrijven sneller bij deze bedrijven bekend kunnen maken. 5.4Handhaven en Gedogen Handhaven en gedogen wordt ingezet wanneer tijdens toezicht is vastgesteld dat de regelgeving wordt overtreden. Handhaving wordt uitgevoerd in overeenstemming met de diverse strategieën die hiervoor zijn opgesteld. In 2016 is hiervoor de 'Toezicht- en handhavingsstrategie Wabo in de provincie Groningen', zie bijlage 2 opgesteld. Deze strategie maakt deel uit van het Milieuplan. De strategie richt zich in hoofdzaak op de uitvoering van de handhaving. Deze strategie bevat het landelijke beleidskader voor gedogen. Gedogen houdt in dat een bevoegd bestuursorgaan niet handhavend tegen een overtreding optreedt. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘actief’ en ‘passief’ gedogen. Als een bestuursorgaan na een (zorgvuldige) belangenafweging een overtreding van een voorschrift gedoogt dan is sprake van actief gedogen. Volgens vaste jurisprudentie zijn bestuursorganen in beginsel - behalve in bijzondere omstandigheden - verplicht om handhavend op te treden. In de jurisprudentie worden als bijzondere omstandigheden genoemd; overgangssituaties, overmachtssituaties, vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en situaties waarin handhavend optreden onevenredig is. Komt het gedogen voort uit het onvermogen of de onwil tot handhaven dan is sprake van impliciet (passief) gedogen. We hebben een adequaat VTH-beleid en dat voorkomt dat we passief gedogen. Voor de handhaving bij de Brzo-bedrijven is in 2012 een Landelijke Handhavingsstrategie opgesteld. Deze strategie bevat algemeen geldige werkwijzen en procedures die we toepassen. In het voorjaar van 2012 heeft de Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu (hierna Bsbm) haar intrede gedaan. Bij de organisatie BSB Milieu is een bestuursorgaan bevoegd om bij strafbeschikking een strafrechtelijke boete op te leggen. Het werken met deze strafbeschikking gebeurt binnen de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Het Bsbm wordt uitgevoerd door de ODG. Het Bsbm kan worden ingezet voor de handhaving op bepaalde aangewezen feiten. Nadat de zaak is aangeleverd bij het Centraal justitieel incasso bureau (CJIB), verstuurt het CJIB de strafbeschikking naar de bestrafte en start de inning van de geldboete. De werkwijze is landelijk geëvalueerd en er is vastgesteld dat in Groningen het instrument in de afgelopen periode steeds meer is ingezet en dat het een goede toevoeging is op het bestaande VTH-instrumentarium. Aandachtspunt is het stopzetten van de (start)subsidie door het ministerie van Veiligheid en Justitie na 2016. We onderzoeken welke impact dit heeft op het gebruik van de Bsbm. De manier waarop wij de Bsbm inzetten wordt mede bepaald door de "Toezicht- en handhavingsstrategie Wabo in de provincie Groningen". 5.5Prioritering Toezicht en Handhaving Toezicht en handhaving bedrijven en bodem De provincie en de ODG maken keuzes voor de inzet van onze capaciteit om daarmee onze beleidsdoelstellingen te halen. Om onze capaciteit voor toezicht en handhaving transparant en risico gestuurd in te zetten, gebruiken we de methode "programmatisch handhaven". Hiermee kunnen we de beschikbare capaciteit zo effectief mogelijk inzetten (prioriteren) en de naleving van regelgeving verbeteren. Hiervoor gebruiken we een getrapte methode van hoofdprioriteiten naar specifieke prioriteiten. De methodiek voor probleemanalyse en prioriteitsstelling (Risicomodule©) werkt op basis van het principe Risico = kans x effect. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het naleefgedrag (zie hiervoor ook de 'Toezicht- en handhavingsstrategie Wabo in de provincie Groningen', bijlage 2). Op deze manier prioriteren wij de inzet van toezicht en handhaving. Voor de Brzo en RIE-4 bedrijven is het toezicht tot op bedrijfsniveau risico gestuurd. Dit toezicht valt onder Landelijke Aanpak Toezicht Risicovolle Bedrijven (LAT RB). Voor de bedrijven die vallen onder het Brzo-regime zijn de risicoanalyses voor het Wabotoezicht en het Brzotoezicht op elkaar afgestemd. De Brzo hanteert daarbij de analyse van Hardware, Software en Mindware 3 De hardware staat symbool voor de assets (ofwel de techniek). Daarbij gaat het om de technische gesteldheid van een bedrijf. De software, heeft betrekking op het veiligheidsmanagementsysteem van een bedrijf. Het gaat hierbij om de procedures. De mindware gaat over de veiligheidscultuur binnen een bedrijf. . Prioritering van het toezicht voor de overige bedrijven vindt plaats op basis van de eerder genoemde risicoanalyse. Deze wordt door de ODG uitgevoerd conform het concept van het gewijzigde Besluit omgevingsrecht (Besluit VTH). Prioritering binnen andere toezichtactiviteiten Het gaat hier om de risicoanalyses die zijn uitgevoerd voor het toezicht dat niet bij bedrijven wordt uitgevoerd. De uitwerking daarvan is opgenomen in het handhavingsdocument Vuurwerk 2008 en de Risicoanalyse toezicht bodemsanering historische verontreinigingen. In de komende jaren worden de risicoanalyses en prioritering uitgevoerd en vastgelegd voor toezicht ontgrondingen en zandwinningen, administratief toezicht afvalketen en toezicht kleine burger luchtvaart. In het handhavingsdocument Vuurwerk 2008 is eveneens een risicoanalyse en prioritering opgenomen. Dit document wordt geactualiseerd. 5.6Kwaliteitscriteria VTH Het besluit tot wijziging van de Wabo en daarmee ook het Besluit omgevingsrecht (Bor), ook wel de 'Wet VTH' genoemd is in werking getreden op 14 april 2016. De Wet VTH is een invulling van de Wabo en regelt de randvoorwaarden voor gemeenten en provincies om tot een hogere uitvoeringskwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te komen. Verder wordt het basistakenpakket van de omgevingsdiensten per 1 juli 2017 wettelijk vastgelegd en zijn gemeenten en provincie verplicht een verordening kwaliteit VTH te hebben. Hierin staat dat de provinciale, de gemeentelijke uitvoering en de uitvoering door de ODG van de VTH-taken aan kwaliteitseisen voor medewerkers en organisatie (waarvoor landelijke kwaliteitscriteria 2.1 zijn opgesteld) moet voldoen. Hiervoor dienen de desbetreffende overheden kwaliteitsverordening vast te stellen. De kwaliteitsverordening is in samenspraak met de Groninger gemeenten inmiddels opgesteld en vastgesteld. De ODG en de provincie moeten beiden voldoen aan de kwaliteitscriteria 2.1. Wij zullen als opdrachtgever er op toezien dat de ODG voldoet aan de Kwaliteitscriteria 2.1. Het toezicht op de Brzo+ bedrijven kent specifieke kwaliteitscriteria waaraan voldaan moet worden door de ODG. Deze criteria zijn vastgelegd in het document Kwaliteitscriteria LAT Risicobeheersing bedrijven. Het document beschrijft de kwaliteitscriteria waar vergunningverleners en inspecteurs aan moeten voldoen, de wijze waarop het toezicht op risicovolle bedrijven in Nederland is georganiseerd en de wijze waarop een inspectie bij een bedrijf plaatsvindt. We zijn het bevoegde gezag voor een groot aantal VTH-taken en daarmee verantwoordelijk voor een adequate uitvoering door onze eigen organisatie en door de ODG. We toetsen de kwaliteit van de taken die de ODG uitvoert. Dit doen we door steeksproefsgewijze controles op de kwaliteit van de documenten met betrekking tot de taken die in dit plan zijn beschreven. Ons mandaatbesluit biedt ons de mogelijkheid om bij bestuurlijk gevoelige dossiers de regie zelf te nemen. Daarnaast gaan wij ook periodiek onze eigen uitvoerende taken steekproefsgewijs controleren op kwaliteit. Gemeenten en provincie laten een deel van de VTH-taken door de ODG uitvoeren. De ODG heeft haar eigen functioneren geëvalueerd en hieruit volgt een verbetertraject voor de ODG op basis van een verbeterplan. Bij de uitvoering van het verbeterplan door de ODG zijn we naast opdrachtgever ook als eigenaar betrokken. De evaluatie heeft ons geleerd dat we onze opdrachtgeversrol (en dit geldt ook voor de betrokken gemeenten) verder gaan professionaliseren. 5.7Jaarprogramma's Jaarlijks stellen we een programma op waarin we de uitvoering is opgenomen op het gebied vergunningverlening, toezicht en handhaving. Hiermee voldoen we aan de wettelijke verplichting uit het Besluit omgevingsrecht. Dit jaarprogramma geeft een concrete vertaling van het beleid naar kwalitatieve inzet vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het jaarprogramma is het uitvoeringskader voor de provincie en vormt de basis voor de opdrachtverstrekking aan de ODG. De ODG voert het basistakenpakket uit waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De provincie voert alle overige provinciale VTH-taken uit. In het jaarprogramma zijn de aantallen controles, de output- en outcomecriteria en de prestatie-indicatoren opgenomen. Over de uitvoering van het programma wordt jaarlijks door de ODG gerapporteerd en geadviseerd. Voor de uitvoering van de VTH-taken die te maken hebben met de Brzo+-bedrijven wordt jaarlijks in samenwerking met de provincies Drenthe en Fryslân een werkprogramma opgesteld. Het werkprogramma gaat in op de uitvoering van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving voor (hoog) risicobedrijven. In het werkprogramma is ook de opvolging van het onderzoek van de Noordelijke Rekenkamer opgenomen. Wij zullen Provinciale Staten informeren over de activiteiten en de kwaliteit van het toezicht bij de grote risicobedrijven. 5.8Samenwerking en Regie Afstemming In paragraaf 5.2 van de Wabo is vastgelegd dat VTH-werkzaamheden op provinciale schaal op elkaar afgestemd moeten worden en dat daarvoor één of meer overlegorganen moeten worden ingesteld. Wij werken daarin samen met de Provincie Drenthe. Samen organiseren wij de volgende overleggen: het bestuurlijk strategische VTH-overleg en het ambtelijk vooroverleg met het Openbaar Ministerie en de politie. De omgevingsdiensten treden hierbij op als adviseur. Wij nemen in 2017 het voorzitterschap voor onze rekening. het Casusoverleg Noord-Nederland tussen de 3 noordelijke provincies, de politie, Openbaar Ministerie en de omgevingsdiensten. In dit overleg wordt casuïstiek besproken en vindt uitwisseling van informatie plaats over lopende strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhavingstrajecten. het Regie-overleg waarin wij met de provincies Friesland en Drenthe afstemmen over de uitvoering van de VTH-werkzaamheden. Samenwerking in de uitvoering Bij de uitvoering van het Vuurwerkbeleid en de wet- en regelgeving wordt in noordelijk samenwerkingsverband, provincie breed en landelijk samengewerkt. Onze vuurwerkcoördinator neemt deel aan de Landelijke Werkgroep Vuurwerkcoördinatoren (LWVC). Buitengewone opsporingsambtenaren (Boa'
- s)van de drie noordelijke provincies kunnen op elkaarsgrondgebied ingezet worden. Hiervoor hebben wij in 2016 het convenant met de buurprovincies ondertekend. Dit versterkt de strafrechtelijke handhaving. De werking van het convenant wordt geëvalueerd. Voor de kleine luchtvaart (RBML) geldt dat in noordelijk verband wordt samengewerkt door kennisuitwisseling en onderlinge vervanging in geval van afwezigheid van medewerkers. Door de kleinschaligheid van dit toezicht te bundelen met de andere provincies kunnen we de kwaliteit en aanwezigheid optimaliseren. Het NOA (Noordelijk overleg afvaltransporten) is een samenwerkingsverband tussen meerdere partners. De deelnemers aan het overleg komen in 2017 meerdere keren bijeen en voeren in 2017 gezamenlijk 6 controles uit. Deze controles worden uitgevoerd in Groningen, Fryslân en Drenthe. Hierbij worden aandachtsbedrijven en specifieke afvalstromen als grond, oliehoudende stromen, vergistingsstromen gecontroleerd. Deelnemende partijen zijn Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, Douane, Inspectie Leefomgeving en Transport, Belastingdienst, politie en de 3 Omgevingsdiensten. Hoofdstuk6Uitvoering Algemeen In hoofdstuk 4 hebben we beschreven wat we willen bereiken. In hoofdstuk 6 brengen we in beeld welke acties we de komende jaren hiervoor uitvoeren binnen de thema's. Hierbij gaat het niet om de reguliere taken, maar om de acties/projecten die naast de reguliere taken worden uitgevoerd of de accenten die bij de reguliere taken worden gelegd. Per thema wordt daarbij ook onderscheid gemaakt naar projecten en acties die in het verlengde liggen van onze VTH-taken (in aanvulling op het hoofdstuk 5) en voor gezondheid en milieu taken. Bij verschillende soorten hinder die via het spoor van VTH zichtbaar worden gemaakt, zal maatwerk worden geleverd voor het oplossen van grote knelpunten rond wonen en bedrijvigheid. 6.1Lucht Veel van het beleid ter verbetering van de luchtkwaliteit gebeurt de laatste jaren in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hoewel formeel alleen de overheden uit de gebieden met bestaande of dreigende normoverschrijdingen deel uitmaken van het NSL, hebben in de praktijk alle overheden van doen met de uitvoering van het NSL. Een wezenlijk onderdeel is de Monitoring NSL, waarvan de coördinatie bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ligt. De Monitoring NSL berekent van jaar tot jaar over heel Nederland de luchtkwaliteit. De provincie levert, net als de andere uitvoerende overheden, haar bijdrage door relevante lokale en regionale informatie toe te voegen. Op twee locaties in (de stad) Groningen en twee locaties net buiten de provincie wordt de luchtkwaliteit met metingen continu gemonitord. Deze vier locaties maken deel uit van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM. Vergunningverlening, toezicht en handhaving We zorgen voor een zo laag mogelijke uitstoot van de industrie door bij vergunningverlening te sturen op het implementeren van BBT (beste bestaande technieken) zie hoofdstuk 5.2 voor een uitwerking. Een groot aantal bedrijven hebben te maken met meetverplichtingen op basis van het Activiteitenbesluit en mogelijk ook met meetverplichtingen uit hun omgevingsvergunning. We controleren de uitvoering door regelmatig toezicht uit te voeren bij de relevante bedrijven, waardoor we afwijkingen snel signaleren en zo nodig handhavend kunnen optreden. Periodiek voeren we broninventarisaties en luchtkwaliteitsberekeningen uit voor relevante luchtverontreinigende componenten in het kader van toezicht op de bedrijven. Verschillende bedrijven veroorzaken hinder door grofstof. Nieuwe bedrijven hebben de voorkeur zich te vestigen op locaties waar geen sprake is van hinder door grofstof. Anders dan voor fijnstof, waarvan bekend is dat dit gezondheidsrisico’s veroorzaakt, gelden voor grofstof geen landelijke milieukwaliteitsnormen. Voor belangrijke bronnen van grofstof gelden eisen vanuit het Activiteitenbesluit. Ondanks deze eisen blijft er hinder door grofstof. We gaan na wat de mogelijkheden zijn om hiervoor provinciaal beleid op te stellen. Plannen We toetsen en adviseren bij ruimtelijke plannen en besluiten (onder andere mobiliteitsplannen en wegreconstructies) over luchtkwaliteit. Waar het relevant is onderzoeken en wegen we het effect op de luchtkwaliteit mee in het economisch beleid en ruimtelijk beleid. Gezondheid en Milieu In de Omgevingsvisie staat dat we streven naar GES 4 voor alle plaatsen waar de provinciale bevoegdheid mede de luchtkwaliteit bepaald. Voor de GES en PM10 worden alle stofdeeltjes in gewicht bij elkaar opgeteld als het gaat om fijnstof. De gegevens die beschikbaar komen uit het Landelijk Meetpunt Luchtkwaliteit (LML) worden gebruikt voor de gezondheidskaarten 4 zie http://kaarten.provinciegroningen.nl/viewer/app/gezondheidskaarten. Deze kaarten geven inzicht in de GES waarde voor NO2 en PM10 voor de gehele provincie. PM10 zijn alle deeltjes in de lucht bij elkaar opgeteld die kleiner zijn dan 10 µm.. In de PM10 methode telt de ultrafijnstof niet echt mee door hun kleine aandeel. Terwijl nu blijkt dat juist de ultrakleine deeltjes zoals roet schadelijker zijn dan de grotere deeltjes zoals zout. We gaan ultrafijnstof in beeld brengen en toevoegen aan de gezondheidskaart, waardoor een beter/completer beeld van de luchtkwaliteit ontstaat. Hierbij gaan we ook na of het zinvol is voor onze provincie om de kleine roetdeeltjes afzonderlijk in beeld te brengen en aan de kaart toe te voegen. In meerdere provincies zijn de roetdeeltjes al onderzocht. Hierbij is gebleken dat met het inzicht in kleine roetdeeltjes beter op de kwaliteit van de leefomgeving kan worden gestuurd. De Nederlandse smogregeling uit 2010 wordt (vanwege harmonisatie met de ons omringende landen) in 2017 aangepast. Volgens de regeling moeten we een provinciaal draaiboek vaststellen. In dat draaiboek staat wat er moet gebeuren als zich in Nederland smog voordoet, zoals wie de kwaliteit van de buitenlucht vaststelt, hoe daarover informatie wordt verstrekt, op welke wijze voorlichting en gedragsadvisering aan de bevolking verloopt en wie eventueel tijdelijke maatregelen treft. De smogregeling vraagt per provincie nadere concretisering om in situaties van smog snel en adequaat te kunnen handelen. In 2013 is het draaiboek voor Groningen vastgesteld. Het draaiboek kent drie smogsituaties: geen/gering, matig en ernstig. In het laatste geval liggen de concentraties van stoffen boven Europese grenswaarden en moet het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) actief informatie geven. Wanneer de landelijke smogregeling wordt aangepast, passen we ons draaiboek aan. Het RIVM geeft informatie over de luchtkwaliteit. Afhankelijk van de gemeten concentraties wordt de bevolking passief of actief geïnformeerd. Informatie over smog is te verkrijgen op teletekstpagina’s 711 en 712 van NOS-Teletekst en op de site van het landelijk meetnet luchtverontreiniging en van de atlas voor de leefomgeving (www.lml.rivm.nl en www.atlasleefomgeving.nl). Figuur 1. Landelijke emissie tot 2014 6.2Geluid Vergunningverlening, toezicht en handhaving Bij Laag frequent geluid (LFG) richten we ons op het beantwoorden en registreren van klachten en vragen. In voorkomende, nijpende gevallen kunnen bronnen worden opgespoord met de techniek van Microflown. Medio 2016 is hiermee in Zuidhorn een proef verricht, waaruit blijkt dat deze techniek nieuwe mogelijkheden biedt om bronnen op te sporen. Als bronnen niet kunnen worden gevonden, en/of maatregelen redelijkerwijs niet kunnen worden getroffen, eindigt het onderzoek als de belasting in de woning lager is dan de NSG-curve (Nederlandse Stichting Geluidshinder). In de eerste helft van 2016 zijn geen klachten binnengekomen bij de provincie Groningen. Bij vergunningverlening zetten we in op voorkomen van LFG, door het in beeld brengen van - en eisen stellen aan - mogelijke bronnen van LFG. De klachten over laagfrequent geluid houden we per jaar bij en registreren we op een kaart waaruit we kunnen afleiden waar laagfrequent geluid een kwestie is. Voor de beheersing van geluid van de industrie onderzoeken we bij bedrijven waarvoor we het bevoegde gezag zijn de mogelijkheden die er zijn om de geluidsklachten die bij ons binnenkomen sneller bij deze bedrijven bekend te maken. We hebben zitting in het zonebeheerteam Delfzijl (de ODG neemt namens de provincie deel aan het zonebeheerteam). In het zonebeheerteam Delfzijl zitten verder vertegenwoordigers van de gemeente, Groningen Seaports (GSP), Samenwerkende Bedrijven Eemsmond (SBE) en Chemiepark Delfzijl. Doel van het zonebeheerteam is alle ontwikkelingen die relevant zijn voor de geluidverdeling op het terrein met elkaar te delen, af te stemmen en te toetsen aan wet- en regelgeving en het zonebeheerplan, waarmee niet meer alleen wordt getoetst op immissie niveau (ontvanger) maar ook op emissie niveau (bron; neemt een nieuwe ontwikkeling niet teveel geluidruimte in beslag ofwel kavelreservering). We hebben het voorkomen van geluidhinder door bedrijven opgepakt. Hierbij is richten we ons eerst op gezoneerde industrieterreinen via vergunningverlening, toezicht en handhaving. Bij bedrijven buiten gezoneerde industrieterreinen gaan we terughoudend om met het vergunnen van hogere waarden voor LAmax (maximale geluidsniveau) in de nachtperiode dan 60 dB(A). Voor het LAr,LT (langtijdgemiddelde beoordelingsniveau) worden hogere waarden dan de richtwaarde, het referentieniveau van het omgevingsgeluid, als dit hoger is, alleen vergund als de aanvrager hiervoor voldoende onderbouwing geeft, en daaruit blijkt dat lagere waarden redelijkerwijs niet haalbaar zijn zonder de bedrijfsvoering in ontoelaatbare mate te beperken. Ruimtelijke ontwikkelingen We toetsen en adviseren over geluid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hierbij gaat het om: de ontwikkeling van windturbineparken; de wijzigingen binnen gezoneerde industrieterreinen en de zones daarvan; woningbouw in zones van gezoneerde industrieterreinen; woningbouw langs provinciale wegen; infrastructurele projecten (veelal aanleg en reconstructie van wegen en spoorwegen); de milieueffectrapportages bij al deze ontwikkelingen. Om toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de industrie en de milieu- en leefkwaliteit in de invloedssfeer van gezoneerde industrieterreinen verder te bewaken, zullen de planologische situatie en het zonebeheer goed in acht worden genomen en waar mogelijk worden verbeterd. Hiervoor kan nadere afstemming tussen bevoegde partijen en andere betrokkenen nodig zijn, dit kan leiden tot wijziging van de uitgangspunten voor de planologische situatie van deze industrieterreinen. Ook hierbij is het uitgangspunt dat de milieukwaliteit in de invloedssfeer van het industrieterrein optimaal blijft dan wel wordt verbeterd. Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl In de Eemsdelta zijn de geluidsbronnen industrie, windturbines, weg- en railverkeer, scheepvaart en luchtvaart vooral relevant. Voor deze bronnen bestaan wettelijk normen met uitzondering van scheepvaart. We hebben onderzocht of er kan worden voldaan aan de wettelijke normen. In aanvulling hierop hebben we in de Structuurvisie kaders gesteld voor de beoordeling van geluid van windparken en voor de cumulatie van geluid van diverse geluidsbronnen: Om een onbegrensde toename van geluid te beperken, bepalen we dat de opgetelde geluidsbelasting per windpark - ongeacht het aantal inrichtingen - moet voldoen aan de norm van 47 dB Lden. Dit is strenger dan een toetsing per inrichting op grond van het Activiteitenbesluit. We willen een goede leefomgevingskwaliteit waarborgen en stellen een norm voor LCUM vast. We hebben ons daarbij gebaseerd op het uitgangspunt: een blootstellingsniveau van maximaal GES-score 5. Dit is vergelijkbaar met een blootstelling aan een LCUM tot en met 65 dB op gevels van woningen. Voor de toekomstige windparken is de exacte turbineopstelling nu nog niet bekend. Om toch een indicatieve berekening te maken van de effecten is uitgegaan van een mogelijke opstelling van windturbines per windpark. Van deze opstelling is uitgegaan bij de berekening van de cumulatieve geluidbelasting door industrie, verkeer en windparken, en de toets aan de norm van 65 dB op woningen. Bij de uitwerking op planniveau zullen de exacte effecten in beeld worden gebracht. Uit berekeningen van de optelling van verschillende windparken met de gekozen opstelling, blijkt dat een aantal woningen een geluidsbelasting kan krijgen die hoger is dan 47 dB. Het gaat om 56 woningen in de omgeving van de Eemshaven en om 11 woningen in de omgeving van Delfzijl, exclusief de woningen die naar alle waarschijnlijkheid deel van de inrichting worden deze worden niet beoordeeld voor geluidsbelasting. Naast de effecten van de optelling per windpark is het gegeven dat de gekozen opstelling een voorlopig invullingsscenario is, dat bij de uiteindelijke planuitwerking zal moeten worden bijgesteld. Voor woningen die worden blootgesteld aan een cumulatief geluidsniveau (de som van verschillende geluidsbronnen) van 66 tot en met 70 dB willen wij een acceptabel woon- en leefklimaat (binnen de woning) garanderen. Voor die woningen zijn mogelijk (aanvullende) isolatiemaatregelen nodig. Voor woningen die worden blootgesteld aan een LCUM hoger dan 70 dB is het uitgangspunt dat deze moeten worden gesloopt. Vooralsnog komen deze niet voor. Monitoring wordt ingezet om na te gaan of de geluidbelastingen daadwerkelijk optreden. Wegen We hebben ongeveer 550 kilometer weg in eigendom en beheer. We zorgen voor de aanleg en het onderhoud van alles wat voor de gebruiksfunctie van de wegen van belang is. Bij aanleg en reconstructie van de wegen voorkomen/beperken we geluidhinder door toepassing van de Wet geluidhinder. De Wet milieubeheer schrijft voor dat we elke 5 jaar geluidbelastingkaarten en actieplannen moeten maken voor onze wegen. In 2017 wordt de geluidbelastingkaart 3e tranche op basis van gegevens uit 2016 opgesteld. In 2018 wordt het actieplan wegverkeerslawaai 3e tranche opgesteld en vindt er een evaluatie plaats van de 2e tranche. Wegverkeer is de belangrijkste bron van ernstige geluidhinder. De geluidbelasting met een GES-score van 6 of hoger (de plandrempel) wordt zo veel mogelijk aangepakt. We brengen de geodata van provinciale wegen op orde inclusief de hoogtedata. Dit is essentieel en noodzakelijk voor de geluidbelastingkaarten en actieplannen, voor SWUNG-2 en voor de monitoring daarvan. De gevolgen van de aanstaande Omgevingswet en de implementatie van SWUNG-2 voor de bedrijven en de provinciale wegen brengen we in kaart. We willen een doelmatigheidscriterium gaan hanteren voor geluidmaatregelen bij provinciale wegen (in kader van actieplan én SWUNG-2) en maken een model voor het vaststellen van GPP's van de provinciale wegen en voeren de gegevens in het landelijke register. Gezondheid en Milieu We stellen gezondheidskaarten op waarmee we inzicht geven in de kwaliteit van de leefomgeving als het gaat om geluid (de contourkaart) van provinciale wegen, rijkswegen en spoorwegen en kaarten die inzicht geven op woningenniveau (bolletjeskaarten). Geluidgoten (betonnen bermplaten met een bepaalde gleuvenstructuur die het geluid naar boven toe afbuigt) naast de weg zouden een geluiddempend effect hebben. Het toepassen van geluidgoten bevindt zich in een onderzoeksfase. Voor een brede toepasbaarheid is in zijn algemeenheid meer onderzoek nodig naar de werking van geluidgoten op verschillende locaties en onder verschillende omstandigheden. Daarnaast moeten ook zaken als onderhoud, verkeersveiligheid en duurzaamheid betrokken worden in het onderzoek. Landelijk worden proeven uitgevoerd en we volgen deze ontwikkeling. Wet luchtvaart Wij bereiden de luchthavenbesluiten en luchthavenregelingen voor luchthavens van regionaal belang voor en stellen deze vast en verrichten toezicht op het gebruik van deze luchthavens. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van geluidshinder voor omwonenden. Dit werkt door in het gemeentelijk bestemmingsplan. Voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik (opstijgen en landen met aangewezen luchtvaartuigen buiten luchthavens) verlenen wij ontheffingen. Hierbij is het voorkomen van geluidhinder en verstoring van natuur uitgangspunt. 6.3Geur Vergunningverlening, toezicht en handhaving We voeren ons eigen geurbeleid uit bij vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze Beleidsregel geur is aangepast aan nieuwe inzichten. We stimuleren gemeenten om aan te sluiten bij het provinciaal geurbeleid of faciliteren bij het opstellen van gemeentelijk geurbeleid. Hiermee willen we bereiken dat het aantal geurklachten in de hele provincie met 30% vermindert. Afgelopen jaren is onderzocht wat de vergunde geurcontouren zijn van de bedrijven waarvoor de provincie bevoegde gezag is. Deze vergunde geurcontouren gaan we in 2017 omzetten naar gezondheidseffectscores en op onze provinciale gezondheidskaarten zetten. Het blijkt dat bij een aantal bedrijven de vergunde activiteiten met geuremissies niet meer in uitvoering zijn of nooit in uitvoering zijn geweest. We voeren een verkenning uit naar deze 'niet gebruikte activiteiten'. De verkenning levert een lijst op met de bedrijven en/of activiteiten, inclusief advies over intrekken of aanpassen van vergunningen. We zetten de elektronische neuzen in voor de uitvoering van het toezicht. Hierdoor verscherpen we het toezicht bij bedrijven. Een combinatie van bepaalde stoffen kan leiden tot een verhoogde activiteit die door de elektronische neus wordt vastgelegd. Deze gegevens geven een indicatie van een afwijkende situatie en kunnen daarmee aanleiding geven voor het uitvoeren van toezicht. We hebben negen elektronische neuzen op vaste posities gepositioneerd rondom het bedrijf ESD. En we hebben 1 mobiele elektronische neus die we gaan inzetten bij andere bedrijven. Ruimtelijke plannen Het geuraspect betrekken we in de relevante ruimtelijke en economische plannen en bij het opstellen van gebiedsvisies. Vanuit de gebiedsgerichte uitwerking is geur als thema meegenomen bij het opstellen van de Ontwikkelingsvisie Eemsdelta, de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl en de Omgevingsvisie. Uit de onderzoeken voor de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl blijkt dat we gebiedsgericht geurbeleid nodig hebben om geurhinder in beeld te brengen en goed in de hand te houden. Daarbij hebben we ook de bedrijven meegenomen die onder het bevoegde gezag van gemeenten vallen. Dit gaan we monitoren in samenwerking met onze partners in het gebied. In 2017 gaan we ook bekijken in hoeverre dit gebiedsgericht geurbeleid toepasbaar is voor de hele provincie. Daarbij willen we ook de Groninger gemeenten betrekken. Gezondheid en Milieu Rond Farmsum is het toezicht op geur geïntensiveerd, onder andere door de inzet van elektronische neuzen. We gaan bekijken of elektronische neuzen ingezet kunnen worden bij het toezicht op gemeentelijke bedrijven (mestvergisters of andere categorieën) en samenwerking met deze gemeente. Om minder geurklachten te krijgen gaan we het provinciale geurbeleid toepassen bij bedrijven waarvoor we het bevoegde gezag zijn. Dit kan tot scherpere vergunningvoorschriften leiden. Ook gaan we bij deze bedrijven stringenter controleren. Overlastsituaties saneren we door bijvoorbeeld aan te sturen op verdergaande maatregelen om geuremissie te verminderen. In situaties bij bedrijven waarvoor we bevoegde gezag zijn, moet de ernstige geurhinder zo veel mogelijk worden voorkomen. We zullen bij de bedrijven die geurhinder veroorzaken onder de aandacht brengen dat actieve en open communicatie met de omgeving kan bijdragen aan het verminderen van de hinderbeleving van geur. We ontwikkelen op dit moment een geur-app. Het doel van de geur-app is om geuroverlast vast te leggen en het tot stand brengen van directe communicatie tussen veroorzaker en degene die geurhinder ervaart. We starten na de ontwikkeling met 2 pilots om na te gaan of de geur-app goed functioneert. Indien deze succesvol zijn, wordt het project in de hele provincie ingevoerd. In Gebiedsgericht Milieubeleid Eemsdelta is voorgesteld om 1 van de pilots uit te voeren in het Eemsdeltagebied. De partijen GSP, SBE en de NMG worden hier actief bij betrokken, zie hoofdstuk 4.3. Wanneer de geur-app succesvol is, gaan we de mogelijkheid na om de geur-app om te bouwen tot een hinder-app waarbij ook andere hinderaspecten in de app kunnen worden opgenomen. Wij willen de gezondheidskaart voor geur in 2017 maken en aanvullen met de bedrijven die per 1 januari 2016 van het bevoegde gezag van de gemeente naar de provincie zijn gegaan. In overleg met gemeenten willen we bekijken of we ook de onder hun bevoegde gezag vallende bedrijven, die een geurcontour hebben, kunnen toevoegen aan de gezondheidskaart. Steeds meer bedrijven vallen alleen onder het Activiteitenbesluit. Deze bedrijven hebben geen vergunning nodig voor het oprichten of veranderen van een bedrijf. We weten welke bedrijven daarvan geuroverlast kunnen geven. Deze gegevens gebruiken we voor het nieuwe geurbeleid, het onderzoek naar cumulatie en de geur-app. 6.4Afval Vergunningverlening, toezicht en handhaving Afvalbedrijven krijgen inkomsten vanuit de acceptatie van afvalstoffen terwijl de dienst (het verwerken van het afval zelf) nog niet is geleverd. Dit levert voor de provincie financiële risico's op. Dat geldt ook voor gemeenten voor de bedrijven waarvoor zij het bevoegde gezag zijn. In het geval van nieuwe vergunningen voorkomen we zo veel mogelijk de financiële risico’s voor de provincie bij faillissement van het afval(verwerkings)bedrijf. De wettelijke mogelijkheden zijn echter beperkt. De Omgevingswet (via het omgevingsbesluit) biedt straks de mogelijkheid om financiële zekerheid te stellen met betrekking tot RIE4-installaties en Seveso-inrichtingen. Juridische mogelijkheden om financiële zekerheidsstellingen te eisen bij de andere bedrijven ontbreken. We willen samen met gemeenten kijken naar de onderstaande mogelijkheden om onze risico's te verkleinen. Verder passen we de landelijke beleidskaders toe (het LAP2 en de toekomstige LAP3) en zo nodig de Wet Bibob, voor dit aspect, bij risicovolle bedrijven. We gaan de mogelijkh