.1 In aanvulling op het IPO-model is in dit artikel het openbaar maken van financiële belangen geregeld. Deze belangen staan in feite op één lijn met de niet ambtsgebonden nevenfuncties (zie hierna 2.2.1 en 2.2.2) en kunnen evengoed tot belangenverstrengeling leiden. Om die reden is transparantie met betrekking tot financiële belangen tevens van belang. Hierboven onder wettelijke kader/ persoonlijke belangen wordt gewezen op artikel 58 jo art 28 van de Provinciewet. In dat artikel wordt inhoudelijk geregeld wat het betekent voor de deelname aan besluitvorming. Door openbaarheid van het financiële belang kan een tijdige afweging worden gemaakt of deelname aan de besluitvorming mogelijk is. Het gaat alleen om die financiële belangen in ondernemingen en organisaties waarmee de provincie zakelijke betrekkingen onderhoudt. Hieronder vallen in het algemeen dus niet de hypotheek op de eigen woning of een persoonlijke lening. Overigens is het financiële belang slechts een deel van de belangen die ingevolge artikel 58 Provinciewet aan de orde kunnen zijn. Het financiële belang is goed identificeerbaar. Andere belangen die ook worden gevat onder artikel 58 zijn zeer divers en ook afhankelijk van interpretatie. Het kan bijvoorbeeld gaan over het bestuurslidmaatschap van een sportvereniging, of het belang bij een wijziging van een bestemmingsplan etc. In dit verband is er inmiddels enige jurisprudentie ontwikkeld. Gestructureerde openbaarmaking daarvan is, gezien de nuanceringen niet goed in een vergelijkbare gedragsregel te vatten. Daarvoor is in de eerste plaats de persoonlijke opvatting van betrokkene leidend. Het is aan te bevelen om een twijfelgeval met de commissaris van de Koning te bespreken. Zoals dit aspect nu in de vast te stellen gedragscode is opgenomen was het ook geregeld in de te vervangen gedragscode. Artikelen 2.2.1 en 2.2.2 Zoals uit het opgenomen wettelijk kader blijkt, zijn er enkele verschillen in de wetgeving t.a.v. de openbaarmaking van (inkomsten uit) nevenfuncties tussen de commissaris van de Koning enerzijds en gedeputeerden anderzijds. De nadere invulling daarvan in de artikelen 2.2.1 en 2.2.2 is in verband daarmee niet exact gelijk. Artikel 2.3 Het eerste lid van dit artikel richt zich er op dat de gedeputeerde vanuit zijn rol niet allerlei voorzieningen treft voor een functie die hij na zijn ambt als gedeputeerde wil gaan vervullen. Dit geldt zowel voor een tussentijds aftreden als voor het vol maken van de ambtstermijn. Het tweede lid richt zich expliciet op een tussentijds aftredende gedeputeerde. Dit lid is bedoeld om de switch enigszins transparant te laten zijn. Een gedeputeerde zal een tussentijdse switch zeker niet openbaar maken als een en ander nog niet beklonken is. Tot dat moment wordt van hem wel verwacht dat hij de commissaris van de Koning (vertrouwelijk) informeert. Artikelen 2.4 en 2.5 In deze bepalingen is de zogenaamde ‘draaideurconstructie’ geregeld. In artikel 2.4 geldt gedurende 1 jaar na aftreden de uitsluiting van betaalde werkzaamheden ten behoeve van de provincie en in 2.5 de uitsluiting van benoeming als commissaris of bestuurslid van een ‘verbonden partij’, ofwel, kort samengevat, van een organisatie, waarin de provincie een bestuurlijk en financieel belang heeft. Hiermee wordt mogelijke vriendjespolitiek voorkomen en het risico op verstrengeling van persoonlijke en functionele belangen vermeden. Het begrip ‘verbonden partij’ is ontleend aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Daarin staat dat een verbonden partij een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie is, waarin de provincie of gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft. Een financieel belang wordt gedefinieerd als een aan de betrokken organisatie ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien die organisatie failliet gaat, onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat, indien de organisatie haar verplichtingen niet nakomt. Paragraaf 3 Informatie Wettelijk kader Informatieplicht Gedeputeerde Staten en elk van zijn leden zijn verplicht alle inlichtingen te geven die de volksvertegenwoordiging nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het betreft zowel een actieve als een passieve informatieplicht. Ook als individuele volksvertegenwoordigers informatie vragen, zal die informatie aan de volksvertegenwoordiging moeten worden verstrekt. De informatie kan alleen worden geweigerd als die in strijd is met het openbaar belang (artikelen 167 en 179 van de Provinciewet). Het Reglement van Orde voor Provinciale Staten bevat bepalingen die betrekking hebben op informatieverstrekking en de omgang met informatie. Geheimhouding Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit (artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht). Gedeputeerde Staten kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, geheimhouding opleggen. Ook de commissaris van de Koning heeft die bevoegdheid. De geheimhoudingsplicht moet worden bevestigd door de volksvertegenwoordiging. Ook Provinciale Staten onderscheidenlijk (de voorzitter van) een commissie kunnen geheimhouding opleggen (artikelen 25, 55 en 91 van de Provinciewet). Het schenden van de geheimhoudingsplicht is een misdrijf (artikel 272 Wetboek van Strafrecht).
.1 Het is belangrijk de juiste maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden geheime gegevens kunnen bezitten, raadplegen of beschadigen. Daarbij moet in de digitale setting worden gedacht aan de beveiliging van de computer, smartphones e.d. met wachtwoorden en het niet onbeheerd achterlaten van USB-sticks met geheime informatie. Paragraaf 4 Omgang met geschenken en uitnodigingen Wettelijk kader Afleggen eed of belofte De eed of belofte die op grond van de artikelen 40a en 64 van de Provinciewet moet worden afgelegd, heeft onder meer betrekking op het geven, aannemen of beloven van giften, gunsten of geschenken. Zie voor de wetstekst inzake de eed of belofte het wettelijk kader onder paragraaf 2 voor de bepalingen ter voorkoming van belangenverstrengeling.
.1 In de gedragscode is uitgangspunt dat geschenken, faciliteiten en diensten niet worden geaccepteerd als hiermee de onafhankelijke positie van de bestuurder kan worden beïnvloed. Dat is in ieder geval aan de orde in onderhandelingssituaties. Is daarvan geen sprake dan kunnen om praktische redenen incidentele kleine geschenken (met een geschatte waarde van € 50 of minder) door de bestuurder worden aanvaard, echter nooit op het huisadres. In de praktijk is het desondanks mogelijk dat een geschenk op het huisadres wordt aangenomen. In dat geval is het goed dat hiervan ook melding wordt gemaakt in het college, zelfs als de gedeputeerde of de commissaris van de Koning het geschenk heeft teruggestuurd aan afzender. De andere collegeleden krijgen er daardoor kennis van welke derde zich met geschenken nadrukkelijk wil profileren. Duurdere geschenken worden niet aanvaard. Zij worden teruggestuurd of eigendom van de provincie, die zorgt voor een goede bestemming van het geschenk. In een openbaar register wordt geregistreerd welke geschenken van meer dan € 50 de provincie heeft aanvaard en welke bestemming daaraan is gegeven. Artikel 4.2 Onder ‘andere uitnodigingen die door anderen betaald worden’ vallen ook bijvoorbeeld werkbezoeken. Artikel 4.3 Het gaat hier om excursies en evenementen die betrokkene als commissaris van de Koning, onderscheidenlijk als gedeputeerde aanvaardt. Excursies en evenementen in de hoedanigheid van lid van een politieke partij of privé vallen hier dus niet onder. Bij de artikelen 4.2 en 4.3. dienen eveneens als afwegingskader de motieven van de uitnodigende partij beoordeeld te worden. Het kan en mag er niet om gaan de onafhankelijke positie van de bestuurders te beïnvloeden. Paragraaf 5 Gebruik van voorzieningen van de provincie Wettelijk kader Geen andere inkomsten: Een bestuurder geniet geen andere vergoedingen ten laste van de provincie dan die bij of krachtens wet toegestaan zijn (artikelen 43 en 66 van de Provinciewet). Procedure van declaratie: Er zijn voor gedeputeerden voorschriften opgenomen in artikel 31 van de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden provincie Utrecht over de wijze van declaratie (inclusief het overleggen van bewijsstukken) van vooruit betaalde (zakelijke) kosten en in artikel 32 van die verordening over rechtstreekse facturering van (zakelijke) kosten bij de provincie. Ook zijn in artikel 33 van genoemde verordening voorschriften opgenomen over het (zakelijk) gebruik van een provinciale creditcard. Buitenlandse dienstreis voor gedeputeerden: Als de gedeputeerde in het provinciaal belang een reis buiten Nederland maakt, worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reis- en verblijfkosten vergoed. Voor een reis in het provinciaal belang buiten Nederland, niet zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming van Gedeputeerde Staten vereist. Provinciale Staten kunnen aan deze toestemming voorwaarden verbinden.
.1 Aan bestuurders worden rechtspositionele voorzieningen, vergoedingen en andere verstrekkingen geboden die een goed functioneren van de bestuurders mogelijk maken. De bestuurder zal zich uiteraard nauwgezet moeten houden aan de regels en procedures die er met het oog hierop voor hem/haar gelden. Artikelen 5.2 en 5.3 Uitgangspunten zijn hier eigen verantwoordelijkheid, transparantie en bereidheid om verantwoording af te leggen. De beoordeling van de noodzaak van de buitenlandse dienstreis ligt uiteindelijk bij Gedeputeerde Staten. Artikel 5.4 Ingevolge artikel 5.4 gelden de bepalingen van de artikelen 5.2 en 5.3 niet voor de meer reguliere (buitenlandse) dienstreizen naar een Europese instelling. Voor dergelijke (buitenlandse) reizen vormen deze bepalingen wel een belangrijke richtsnoer. Buitenlandse reizen die worden gemaakt ten behoeve van de politieke partij zijn geen ‘dienstreizen’ en vallen dus niet onder de artikelen 5.2 en 5.3 en komen niet ten laste van de provincie. Artikel 5.6 Stelregel is dat privé gebruik van provinciale voorzieningen niet is toegestaan. Wel zijn er regels die privégebruik van bedrijfsmiddelen reguleren, zoals privégebruik van een mobiele telefoon en privegebruik van de dienstauto (zeer sterk beperkt). Paragraaf 6 Uitvoering gedragscode
.1 Provinciale Staten zijn het hoogste bestuursorgaan en als zodanig verantwoordelijk voor de inhoud van de gedragscode, voor een eenduidige interpretatie daarvan en voor wijziging/aanvulling daarvan bij onduidelijkheden of leemtes. Artikel 6.2 De Provinciewet verplicht Provinciale Staten om voor zichzelf en voor de bestuurders een gedragscode vast te stellen. Aanvullend op de wettelijke regels die gelden voor politieke ambtsdragers, bevat de gedragscode een aantal materiële normen waaraan de politieke ambtsdragers zich committeren. De commissaris van de Koning heeft de wettelijke taak om de bestuurlijke integriteit van zijn of haar provincie te bevorderen. Hiermee is de verantwoordelijkheid voor de portefeuille ‘integriteit’ duidelijk belegd. De wettelijke bepalingen bieden de ruimte om naar gelang de situatie handelend op te treden, waarbij niet alleen gedacht moet worden aan het optreden bij incidenten. Belangrijk onderdeel is ook de preventie: ervoor zorgen dat integriteit en integriteitsbewustzijn in de bestuurlijke gremia een plek krijgen en daarbij afspraken maken over een regelmatige bespreking van het thema integriteit, zowel met de volksvertegenwoordiging als binnen het college van Gedeputeerde Staten. De commissaris van de Koning hoeft hier niet alleen voor te staan. Een daartoe aangewezen contactpersoon of vertrouwenspersoon (bijvoorbeeld de griffier) kan hier in relatie tot Provinciale Staten eveneens een belangrijke rol in spelen. Goed denkbaar is ook dat Provinciale Staten met de commissaris van de Koning nadere afspraken maken over de werkwijze die wordt gevolgd ingeval zich een incident of een vermoeden van een integriteitsschending voordoet. Dat geeft houvast en rust op het moment dat er gehandeld dient te worden. De onderwerpen, genoemd in artikel 6.2, eerste lid, zijn niet uitputtend.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.