Verordening IOAW en IOAZ gemeente Barneveld Nummer 17-37b de raad van de gemeente Barneveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, nummer 17-37b; gelet op: artikel 35, eerste lid, onderdelen a, b en c van de IOAW; artikel 35 eerste lid, onderdelen a, b en c van de IOAZ; artikel 7, eerste lid onderdeel a sub 5 en sub 6 van de Participatiewet; besluit: vast te stellen de Verordening IOAW en IOAZ gemeente Barneveld HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht. 2. Deze verordening verstaat onder: a. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; b. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; c. college: het college van burgemeester en wethouders van Barneveld; d. belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAZ; e. uitkeringsgerechtigde: degene die een uitkering op grond van de IOAW/IOAZ ontvangt. HOOFDSTUK 2 RE-INTEGRATIE Artikel 2. Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a sub 5 en sub 6 van de Participatiewet; b. grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; c. korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar. Artikel 3. Vervallen Artikel 4 Algemene bepalingen over voorzieningen 1. Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een uitvoeringsbesluit vast en kan beleid vaststellen waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2. Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 13 en 37 van de IOAW respectievelijk IOAZ niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Artikel 5 Werkervaringsplaats 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats aanbieden. 2. Het college kan een premie verstrekken aan organisaties die een werkervaringsplaats beschikbaar stellen. 3. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 4. Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 6 Sociale activering gericht op arbeidsinschakeling 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering als bedoeld in artikel 4a onder b IOAW respectievelijk IOAZ voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Artikel 7 Detacheringsbaan 1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een organisatie. De detachering wordt zowel vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en inlenende organisatie als via werkafspraken tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 8 Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: het is gericht op arbeidsinschakeling, of het is gericht op het behalen van een startkwalificatie op de arbeidsmarkt, of het is kortdurend en gericht op snelle arbeidsinschakeling. waarbij in alle situaties de meest doelmatige scholingsmogelijkheid moet worden benut. 3. Het college kan een persoon een taaltraject gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze de Nederlandse taal niet of niet in voldoende mate beheerst. 4. Een taaltraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: het is gericht op het verkrijgen van voldoende taalniveau, en het taalniveau moet zijn afgestemd zijn op referentieniveau 1F, en de meest adequate taaltraining dient te worden benut. 5. Het derde lid is niet van toepassing op personen die volledig zijn ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 37 van de IOAW respectievelijk IOAZ. Artikel 9 Participatieplaats 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Participatiewet. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. Het college kan een premie als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet vaststellen. Artikel 10 Participatievoorziening beschut werk 1. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken worden de volgende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; uitsplitsing van taken; aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2. Voor zover nodig worden aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, daarnaast de volgende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: sociale activering als bedoeld in artikel 6 van deze verordening; scholing als bedoeld in artikel 8 van deze verordening; persoonlijke ondersteuning als bedoel in artikel 11 van deze verordening; schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel 11 Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Artikel 12 Proefplaatsing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een proefplaatsing aanbieden voor maximaal drie maanden als opstap naar het bewerkstellingen van een betaalde baan bij een reguliere werkgever. 2. De concrete toepassing van de proefplaatsing en de duur wordt bij plaatsing van de persoon met de werkgever overeengekomen. Artikel 13 Loonkostensubsidie als re-integratievoorziening 1. Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een werknemer die naar de mening van de gemeente nog niet in staat is het volledige wettelijk minimumloon te verdienen. 2. Het college stelt de maximale hoogte, als percentage van de loonkosten, en de maximale duur van de loonkostensubsidie vast. 3. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaatsvindt. 4. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 5. Onder een financiële tegemoetkoming als bedoeld in lid 4 wordt niet verstaan belastingvoordelen voor het indienstnemen van oudere werknemers en mensen met een laag inkomen. Artikel 14 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking behoort 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: een persoon behoort tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de wet of als bedoeld in artikel 10d, lid 2 van de wet, en die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Het UWV neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Artikel 15 Vaststelling loonwaarde 1. Het college bepaalt de wijze waarop de loonwaarde van een persoon wordt vastgesteld en neemt dit op in een uitvoeringsbesluit of in beleid overeenkomstig artikel 10d, van de Participatiewet. 2. Overeenkomstig artikel 10d, eerste lid, onder b, van de Participatiewet kan het college de vaststelling van de loonwaarde van een persoon zoals genoemd onder het eerste lid, in overleg met een werkgever, achterwege laten en de dienstbetrekking tot stand laten komen. 3. De aan een werkgever te verstrekken loonkostensubsidie als bedoeld in het tweede lid en als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid van de Participatiewet bedraagt gedurende maximaal zes maanden maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. 4. Het college wijst de organisatie aan die hem adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. HOOFDSTUK 3 TEGENPRESTATIE Artikel 16 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel 37 lid 1 onder f IOAW respectievelijk IOAZ. b. mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Artikel 17 Inhoud van een tegenprestatie De tegenprestatie mag: naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; niet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; niet leiden tot verdringing. Artikel 18 Het opdragen van een tegenprestatie 1. Het college kan iedere belanghebbende een tegenprestatie opdragen. 2. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen; als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden. Artikel 19 Duur en omvang van een tegenprestatie De duur, omvang en aard van de tegenprestatie worden aangeboden in de vorm van maatwerk. Artikel 20 Mantelzorg Mantelzorg geldt als tegenprestatie. Artikel 21 Geen werkzaamheden voorhanden Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. HOOFDSTUK 4 AFSTEMMING Artikel 22 Begrippen In dit hoofdstuk verordening wordt verstaan onder: a. benadelingsbedrag: de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van gedragingen als omschreven in artikel 31 en 32 van deze verordening waaruit een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan spreekt; b. bijstandsnorm: grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk IOAZ; c. uitkering: een uitkering op grond van de IOAW respectievelijk IOAZ. Artikel 23 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW respectievelijk IOAZ worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel 24 Horen van belanghebbende 1. Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 25 Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4. Van een verlaging van de uitkering kan het college afzien en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 5. In afwijking van het vierde lid is het geven van een waarschuwing niet mogelijk bij gedragingen als bedoeld in artikel 37 lid 1 onder a, c, d en e IOAW respectievelijk IOAZ. Artikel 26 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende uitkering. 2. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken. 3. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b, van de Verordening opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel 27 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de op grond van de Participatiewet verstrekte bijzondere bijstand als de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid moet in de paragrafen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk ‘uitkering’ of ‘bijstandsnorm‘ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. Artikel 28 Indeling in categorieën Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW respectievelijk IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 37 lid 1 onder e IOAW respectievelijk IOAZ; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW respectievelijk IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW respectievelijk IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW respectievelijk IOAZ; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW respectievelijk IOAZ; derde categorie: het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW respectievelijk IOAZ, indien zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. Artikel 29 Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in artikel 28 van deze verordening, wordt vastgesteld op: 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie. Artikel 30 Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich tijdens het verrichten van hun werkzaamheden zeer ernstig misdraagt jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties als bedoeld in artikel 37 lid 1 onder g IOAW respectievelijk IOAZ wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in artikel 37 lid 1 onder g IOAW respectievelijk IOAZ bedoelde personen; 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken van en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in artikel 37 lid 1 onder g IOAW respectievelijk IOAZ bedoelde personen. Artikel 31 Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid 1. Het college legt, met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW respectievelijk IOAZ, voor onbepaalde duur een verlaging op indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende terwijl er aan de voortzetting ervan geen zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2. De hoogte van de verlaging is gelijk aan het door dit gedrag verloren netto inkomen. 3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt. Artikel 32 Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid 1. Het college legt een verlaging op indien de belanghebbende een uitkering ontvangt op basis van de IOAW respectievelijk IOAZ en hij weigert hem aangeboden algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. 2. De hoogte van de verlaging is gelijk aan het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen uit deze arbeid. 3. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het eerste lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt. Artikel 33 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening en in de IOAW respectievelijk IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening en in de IOAW respectievelijk IOAZ genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening als de in artikel 13, eerste lid, van de IOAW respectievelijk IOAZ genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. De uitkering kan niet met meer dan 100% per maand worden verlaagd. Indien de som van de percentages van de verlaging meer dan 100% bedraagt, wordt de uitkering van de volgende maand verlaagd met het restant van het percentage van de verlaging. Artikel 34 Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 28, onder b en c, van deze Verordening opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikel, 28 onder a of 30 van deze Verordening opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3. Met een besluit waarmee een verlaging is toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 16, tweede lid of het geven van een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel 16, vierde lid van deze Verordening. Artikel 35 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. HOOFDSTUK 5 HANDHAVING Artikel 36 Begripsomschrijving fraude Onder fraude in de zin van deze verordening wordt verstaan het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens dan wel het verzwijgen of niet (tijdig) verstrekken van voor de bepaling van het recht op uitkering relevante gegevens met als gevolg dat er uitkering geheel of gedeeltelijk ten onrechte is of wordt verstrekt. Artikel 37 Beleidsplan hoogwaardige handhaving 1. Het college stelt een beleidsplan met betrekking tot handhaving vast. Daarin wordt in ieder geval vastgelegd welke preventieve en repressieve maatregelen worden genomen respectievelijk gericht op het voorkomen of het bestrijden van fraude. 2. De preventieve maatregelen zijn gericht op het vroegtijdig informeren van (toekomstige) klanten en het optimaliseren van de dienstverlening. 3. De repressieve maatregelen zijn gericht op het vroegtijdig constateren en afhandelen van fraude en geconstateerde fraude daadwerkelijk sanctioneren. Artikel 38 Validering van gegevens 1. Het college onderzoekt de bij de aanvraag en heronderzoeken overgelegde gegevens. 2. Het college voert bestandsvergelijkingen uit waarbij actuele gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kunnen uitkeringen na verificatie aan veranderde omstandigheden worden aangepast. Artikel 39 Boete Indien belanghebbende gevraagd dan wel ongevraagd onjuiste, onvolledige, niet tijdig of in het geheel geen inlichtingen verstrekt, die van belang zijn of kunnen zijn voor de hoogte, de duur of de voortzetting van de uitkering of arbeidsinschakeling, legt het college een boete op, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de eventueel ten onrechte ontvangen uitkering. Artikel 40 Terugvordering 1. De uitkering die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht zoals omschreven in artikel 13 IOAW respectievelijk IOAZ wordt teruggevorderd overeenkomstig de beleidsregels Terugvordering en Verhaal. 2. De wijze van terug- en invordering en het geheel of gedeeltelijk afzien daarvan worden vastgelegd in de beleidsregels Terugvordering en Verhaal. Artikel 41 Aangifte bij het Openbaar Ministerie Als het fraudebedrag de aangiftegrens sociale zekerheidsfraude overschrijdt, wordt door of namens het college proces-verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie, onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand. Artikel 42 Controle tijdens en na beëindiging van de uitkering Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, evenals onderzoeken naar de reden van beëindiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan. Artikel 43 Controlemiddelen 1. In het beleidsplan met betrekking tot handhaving kan het college de wijze van controle beschrijven en de handelwijze bij inconsistenties. 2. Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van samenloopsignalen die daaruit voortkomen. 3. Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand. HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN Artikel 44 Beslistermijn aanvragen IOAZ 1. Het college stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag vast of recht op uitkering op grond van de IOAZ bestaat. 2. Indien het college niet in staat is binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een besluit te nemen, kan het deze met ten hoogste dertien weken verlengen. Van de verlenging doen zij mededeling aan de belanghebbende, onder vermelding van het tijdstip waarop de termijn voor het nemen van een besluit zal verstrijken. Artikel 45 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 46 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. Per datum inwerkingtreding wordt de Verordening IOAW en IOAZ gemeente Barneveld, zoals vastgesteld op 11 november 2014 en laatstelijk is gewijzigd op 16 december 2015, ingetrokken. Artikel 47 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening IOAW en IOAZ gemeente Barneveld’. Vastgesteld in de openbare vergadering van 24 mei 2017. De raad voornoemd, de griffier, de voorzitter, TOELICHTING ALGEMENE TOELICHTING De gemeente dient op basis van de Participatiewet en de IOAW/IOAZ nadere regelgeving vast te leggen in een verordening. Op 1 januari 2015 zijn de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB in werking getreden. Dat betekent dat per die datum de Participatiewet in werking is getreden en de IOAW en IOAZ zijn gewijzigd. In de raadsvergadering van 11 november 2014 is in verband daarmee de (gewijzigde) Verordening IOAW en IOAZ vastgesteld welke laatstelijk is gewijzigd per 16 december 2015. Sindsdien is echter wederom sprake van diverse wets- en beleidswijzigingen, in het bijzonder inzake de in te zetten re-integratie-instrumenten. De wijzigingen tot 1 april 2017 zijn verwerkt in deze Verordening IOAW en IOAZ. die een ingrijpende actualisatie van de Verordening IOAW en IOAZ noodzakelijk maakte. Vandaar dat ervoor is gekozen om per datum van inwerkingtreding van deze, geactualiseerde Verordening IOAW en IOAZ de oude Verordening IOAW en IOAZ in te trekken. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ of de Algemene wet bestuursrecht worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Daar waar in de verordening verwezen wordt naar personen met het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ kan desgewenst ook ‘zij’ gelezen worden. HOOFDSTUK 2 RE-INTEGRATIE Artikel 2 Begrippen Dit artikel behoeft geen andere toelichting. Artikel 3 Vervallen Artikel 4 Algemene bepalingen over voorzieningen Algemeen Op grond van artikel 36 lid 1 IOAW respectievelijk IOAZ kan de uitkeringsgerechtigde overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8a van de Participatiewet (= de Participatieverordening gemeente Barneveld), aanspraak maken op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op een naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Er is in deze Verordening IOAW en IOAZ naar gestreefd om beide verordeningen zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming te brengen voor zover het de beschikbare re-integratie-instrumenten betreft. Daardoor zijn dezelfde instrumenten inzetbaar voor alle personen die een uitkering van de gemeente Barneveld ontvangen op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Dit betekent ook dat in de toelichting van deze Verordening IOAW en IOAZ veelvuldig naar artikelen uit de Participatiewet wordt verwezen. De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de (on)mogelijkheden van de persoon kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring. Het beschikbare instrumentarium is uitgewerkt in de Participatieverordening en in deze Verordening IOAW en IOAZ. Ter nadere uitwerking kan het college een uitvoeringsbesluit of beleid opstellen. Daarin kan het college vastleggen welke voorzieningen aangeboden worden. Lid 2 Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het inkomen gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. De Participatiewet, de IOAW en de IOAZ voorzien niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Lid 3 Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 3, derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. Artikel 5 Werkervaringsplaats Algemeen Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsrelatie op basis van een arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. Een werkervaringsplaats is gericht op uitbreiden van kennis en ervaring en het opdoen van werknemersvaardigheden. De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstage (in beginsel vergelijkbaar met een werkervaringsplaats) weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkervaringsplaats in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er sprake is van een vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten. Lid 2. Het college kan een premie verstrekken om organisaties te stimuleren werkervaringsplaatsen beschikbaar stellen. Door niet aan te besteden of in te kopen, maar een bedrag beschikbaar te stellen, zullen kleinere organisaties eerder plaatsen beschikbaar stellen waardoor diversiteit ontstaat. Dit vergroot de mogelijkheden om aan te sluiten bij de interesse en mogelijkheden van de persoon. Wat betreft de doelgroep zijn geen nadere beperkingen aangebracht. Dit sluit ook aan bij de brede insteek van de werkervaringsplaats. De werkervaringsplaats kan namelijk zowel ingezet worden in die gevallen waarin iemand algemene werknemersvaardigheden aan gaat leren als in die gevallen waarin de persoon vakgerichte vaardigheden leert. Lid 3. Doel van de werkervaringsplaats Het derde lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd of kennis die is opgedaan in een opleiding in de praktijk gaat oefenen. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. Op de werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. Lid 4. Geen verdringing In het vierde lid is bepaald dat de werkervaringsplaats uitsluitend beschikbaar wordt aangeboden als er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt of de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed. Artikel 6 Sociale activering gericht op arbeidsinschakeling Ook Sociale activering dient uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale activering Onder ‘sociale activering’ wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 4a onder b IOAW respectievelijk IOAZ). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.1Kamerstukken II 2002/03 28870, nr. 3, blz. 35. Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Voor de verplichting op grond van artikel 37, lid 1 onder e IOAW respectievelijk IOAZ gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering.2CRvB 24-04-2012, nr. 11/2062 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400. College stemt duur activiteiten af op de persoon Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn. Geen verdringing Sociale activering mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt of de concurrentieverhoudingen onverantwoord beïnvloeden. Artikel 7 Detacheringsbaan Aan personen uit de doelgroep kan het college een dienstverband aanbieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. Een detacheringsbaan mag niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt of de concurrentieverhoudingen onverantwoord beïnvloeden. Artikel 8 Scholing Lid 1. Algemeen Scholing kan een belangrijk instrument zijn bij het verkrijgen van een baan. Daarbij kan het gaan om het verbeteren van de beheersing van de Nederlandse taal, maar ook om vakgerichte scholing. Dat is de reden dat ook scholing als re-integratievoorziening kan worden ingezet. Lid 2. Eisen scholing Onder startkwalificatie wordt verstaan een Havo of VWO-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Lid 4, 5 en 6 Bij de bepalingen rondom taalonderwijs wordt aangesloten bij de bepalingen in het kader van de Wet taaleis (18b Participatiewet). Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats (artikel 9 van deze verordening) niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. Artikel 9 Participatieplaats Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Additionele werkzaamheden Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal twee jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, Participatiewet) en kan eventueel een verlenging met één jaar plaatsvinden. Premie De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie wordt door het college vastgesteld. De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico’s van de armoedeval worden betrokken.3Kamerstukken II 2007/08 31 577, nr. 3, blz. 12. In de IOAW noch in de IOAZ zijn de uit de Participatiewet aangehaalde artikelen inzake de hoogte en de vrijlating van de eventuele premie opgenomen. Het is echter niet onredelijk, nu het gaan om dezelfde voorziening, om deze bepalingen onder de IOAW en IOAZ identiek toe te passen. Artikel 10 Participatievoorziening beschut werk Algemeen Met ingang van 1 januari 2017 is het college verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Die verplichting is begrensd: het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald. Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. De gemeenteraad kan bij verordening niet langer bepalen dat geen beschut werk wordt aangeboden. Wel is de gemeenteraad, gelet op artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet, verplicht om bij verordening in elk geval vast te stellen: welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om adequaat functioneren op een beschutte werkplek mogelijk te maken, en welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt. Tevens kan bij verordening worden geregeld dat een hoger aantal te realiseren dienstbetrekkingen wordt vastgesteld dan op grond van de ministeriële regeling is bepaald (artikel 10b, vijfde lid van de Participatiewet). Als daarvoor wordt gekozen, dient de gemeenteraad in de verordening ook aan te geven hoe dit aantal extra plekken wordt bepaald en welke criteria dan gelden voor plaatsing op deze extra plekken (ook dit volgt uit artikel 10b, vijfde lid van de Participatiewet). In artikel 10b, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet (oud) was bepaald dat de gemeenteraad diende te regelen op welke wijze werd bepaald welke personen in aanmerking komen voor de ambtshalve vaststelling of iemand tot de doelgroep behoorde. Met de inwerkingtreding van artikel 10b van de Participatiewet (nieuw) is de verplichting om dat te regelen komen te vervallen, omdat vanaf 1 januari 2017 een persoon die meent tot de doelgroep te behoren, zelf bij UWV een daartoe strekkend verzoek kan indienen. Tevens is vervallen de verplichting om te regelen op welke wijze het aantal beschutte werkplekken wordt vastgesteld (zie artikel 10b, vierde lid, onderdeel c, van de Participatiewet (oud). Lid 1 Beschut werken In dit artikel is tot uitdrukking gebracht dat aanspraak bestaat op de genoemde ondersteunende voorzieningen (op de arbeidsinschakeling). Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet. Lid 2 Volgorde van toekenning Nadat het college heeft vastgesteld, dat iemand tot de doelgroep voor beschut werk behoort, dient deze persoon geplaatst te worden op een beschut werkplek. In de wetenschap dat een plaatsing afgestemd dient te worden op de persoonlijke eigenschappen en omstandigheden van betrokkene, dient dit een vorm van maatwerk te zijn, die niet altijd direct tot plaatsing op een geschikte werkplek zal leiden. Het college is verplicht om ter overbrugging van de periode tot de plaatsing betrokkene voorzieningen (op de arbeidsinschakeling) aan te bieden die bijdragen aan een succesvolle plaatsing. De voorzieningen die hiervoor aangeboden worden zijn genoemd in het tweede lid. Welke (combinatie van) voorziening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.