Beleidsregels handhaving en inning vorderingen Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017 Gemeente HeerenveenBurgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen; Overwegende, dat het in het belang van de Participatiewet noodzakelijk wordt geacht om nadere regels te stellen ten aanzien van de Participatiewet, en de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015, Gelet op artikel 8b van de Participatiewet, Gelet op artikel 20a, vierde en zevende lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Gelet op artikel 20a, vierde en zevende lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, Gelet op artikel 2 en 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, Gelet op artikel 5, derde lid, 6, eerste en tweede lid en 9, tweede lid van de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Heerenveen 2015, BESLUIT: Vast te stellen de navolgende Beleidsregels handhaving en inning vorderingen Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017 Gemeente Heerenveen. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen 1.Aangesloten wordt bij de begripsbepalingen in artikel 1 van de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Heerenveen. 2.Voor het overige worden begrippen in deze beleidsregels gebruikt in dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3.Waar wordt gesproken over “fraude” wordt bedoeld “schending van de inlichtingenplicht”. Hoofdstuk2Hoogwaardig handhaven Artikel2Vroegtijdig informeren 1.Het college informeert belanghebbenden en overige burgers voldoende en tijdig. 2.De informatie wordt mondeling tijdens de contacten met de belanghebbende, schriftelijk, digitaal en/of in individuele besluiten verstrekt. 3.De gemeente kan bij het geven van voorlichting gebruik maken van de media en foldermateriaal. 4.Het college kan voorlichting geven over de ontwikkeling van de fraudebestrijding en de uitvoering van het fraudebeleid. 5.Het college geeft aan welke gegevens nodig zijn voor de verlening of voortzetting van de uitkering en wanneer en op welke manier die gegevens door belanghebbende moeten worden aangeleverd. 6.Het niet verstrekken van de onder punt artikel 2, vijfde lid, genoemde gegevens kan consequenties hebben voor de verlening of voortzetting van de uitkering. 7.Het college is bevoegd om onderzoek in te (laten) stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en kan de verstrekte documenten of bewijsstukken zowel bij aanvang als tijdens de lopende uitkering, verifiëren bij externe instanties. 8.Verificatie vindt plaats met inachtneming van de wettelijke voorschriften die vastgelegd zijn in de Wet bescherming persoonsgegevens en het college verifieert uitsluitend datgene wat nodig is voor de vaststelling van het recht op een uitkering. 9.Niet, onjuist of onvolledige verstrekking van voor de bepaling van het recht op uitkering relevante gegevens die aan de belanghebbende te wijten is, wordt gezien als onvoldoende medewerking verlenen en kan aanleiding geven tot een vermoeden van fraude. 10.In geval van het vorige artikel kan het college het recht op uitkering voor wat betreft de Participatiewet voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten (artikel 54, eerste en tweede lid van de Participatiewet). Ook de IOAW en de IOAZ kennen het college, als artikel 2, negende lid, van toepassing is, de bevoegdheid toe om de uitkering op te schorten op grond van artikel 17 lid, eerste en tweede lid van zowel de IOAW als de IOAZ. 11.Bij het vermoeden van fraude stelt het college een nader onderzoek in en onderneemt actie naar gelang de uitkomst van het onderzoek. 12.Het college kan in de contracten die met aanbieders van (re-integratie) diensten worden afgesloten, afspraken vastleggen over de wijze waarop deze moeten omgaan met fraude- en verzuimsignalen, zowel in de richting van de belanghebbende als naar de gemeente. Artikel3Optimalisering dienstverlening 1.Het college biedt belanghebbenden voldoende zekerheid en duidelijkheid door middel van vroegtijdige informatie in begrijpelijk taalgebruik. 2.Het college geeft helder en duidelijk alle aspecten, rechten en plichten die in relatie staan tot de uitvoering van de wetten aan. 3.Die verstrekte informatie heeft zowel betrekking op organisatorische als inhoudelijke zaken. 4.Het college draagt zorg voor een duidelijk, consequent, doeltreffend, klantgericht, toegankelijk beleid. 5.Het college maakt gebruik van transparante werkprocessen, werkinstructies en formulieren. 6.Het college stelt de belanghebbende in de gelegenheid om tijdig (binnen 14 dagen) wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op (de hoogte van) de uitkering, te melden door middel van het mutatieformulier. 7.Het college wijst de belanghebbende op de gevolgen van het niet, te laat, onjuist of onvolledig invullen van het mutatieformulier. Hoofdstuk3Vroegtijdige detectie Artikel4Controle op maat 1.Het college stelt bij het constateren van een fraudesignaal een onderzoek in. 2.Het college stelt controleprotocollen op voor het te voeren onderzoek, waarbij op basis van objectieve criteria de in te zetten middelen van licht naar zwaar kunnen oplopen. 3.De bevoegdheid om deze middelen in te zetten ontleent het college aan de artikelen 17 en 53a Participatiewet, respectievelijk de artikelen 13 en 14 van zowel de IOAW als de IOAZ. 4.Het college zet een strafrechtelijk traject in indien het benadelingsbedrag hoger is dan bruto € 50.000,- of als het vermoeden bestaat dat het benadelingsbedrag € 50.000,- of meer zal bedragen. 5.Benadelingsbedragen van minder dan € 50.000,- worden in beginsel bestuursrechtelijk afgedaan, tenzij: strafrechtelijk dwangmiddelen zijn toegepast; toepassing van strafrechtelijke dwangmiddelen wenselijk is; er sprake is van samenloop met andere strafbare feiten; de status van de verdachte of diens voorbeeldfunctie aanleiding zijn tot een strafrechtelijke afdoening; het recidive betreft met een totaal fraudebedrag boven de € 50.000,-; er fraude met medeweten van uitvoerende ambtenaren heeft plaatsgehad; het gaat om fraude in georganiseerd verband; feiten en omstandigheden rond de verdachte daartoe aanleiding geven. 6.Het doen van aangifte wegens fraude sluit het opleggen van een boete ingevolge artikel 18a van de Participatiewet, 20a van de IOAW en artikel 20a van de IOAZ uit indien het Openbaar Ministerie is overgegaan tot vervolging en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, de zaak is afgedaan middels een strafbeschikking of als een transactie is overeengekomen met de belanghebbende. Artikel5Signaalsturing 1.Het college besluit om een belanghebbende te controleren als fraudesignalen zich voordoen. 2.Het college stelt controleprotocollen op voor de diverse signalen en soorten fraude. Artikel6Risicosturing 1.Het college kan door middel van risicoanalyse vooraf bepalen welke groepen een verhoogd risico op fraude hebben. 2.Er dient sprake te zijn van een objectief vast te stellen situatie van verhoogd risico. 3.Het college stelt vooraf een onderzoeksprotocol (risicoprofiel) op waarin wordt aangegeven wanneer controle plaats vindt gericht op een specifiek risico. 4.Dit onderzoeksprofiel voldoet aan de minimale eisen: Het bevat een omschrijving van het doel dat met de inzet van risicoprofielen moet worden bereikt; het moet administratief traceerbaar zijn; het is niet gebaseerd zijn op etniciteit en mag niet stigmatiserend zijn. 5.Het college voert een beperkte steekproef met het risicoprofiel uit alvorens het risicoprofiel breed toe te passen. 6.Uitleg van risicoprofielen is onderdeel van het vroegtijdig informeren. 7.De risicoscorekaart maakt onderdeel uit van risicosturing. Artikel7Themacontroles 1.Het college kan beslissen om themacontroles uit te voeren. 2.De controles gebeuren op basis van een objectief thema en kunnen worden onderverdeeld in een administratief en een feitelijk onderzoek. 3.Themacontroles zijn aan een bepaalde tijdsduur gebonden. Artikel8Daadwerkelijk sanctioneren De gedragingen waarbij en de wijze waarop een sanctie kan worden opgelegd is geregeld in artikel de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, alsmede de daaruit voortvloeiende gemeentelijke verordeningen. Hoofdstuk4Terugvordering Artikel9Herziening en intrekken toekenningsbesluit Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheid om een besluit inzake de toekenning of weigering van bijstand te herzien of in te trekken met toepassing van art. 54, derde en vierde lid van de Participatiewet, respectievelijk art. 17, derde en vierde lid van zowel de IOAW als de IOAZ. Artikel10Onterecht of te hoog bedrag verleend Onterecht verleende bijstand wordt teruggevorderd in de gevallen en op de wijze zoals genoemd in de artikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet. In geval van een onterecht verleende uitkering wordt het voorgaande gebaseerd op de artikelen 25 tot en met 31 van de IOAW dan wel de artikelen 25 tot en met 31 van de IOAZ. Artikel11Afzien van het nemen van een terugvorderingbesluit Het college ziet af van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien hiertoe een dringende reden aanwezig is. Artikel12Bruto of netto terugvorderen Terugvordering van de teveel verstrekte bedragen geschiedt: bruto indien en voor zover de belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst en uitvoeringsinstellingen; netto in alle overige gevallen. Hoofdstuk5Invordering Artikel13Betalingsverplichting en -capaciteit 1.De hieronder genoemde bepalingen zijn van toepassing op zowel fraudevorderingen als andere vorderingen niet zijnde bestuurlijke boetes, maar niet op de aflossing van bijstand in de vorm van een geldlening. 2.Het aflossingsbedrag zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit geldt als een opgelegde betalingsverplichting. 3.De termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden bedraagt op grond van art. 4:87 van de Awb zes weken. 4.Indien het inkomen daartoe aanleiding geeft wordt de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. 5.De wijze van onderzoek en de controle op mogelijke mutaties worden nader beschreven in werkinstructies. 6.Voor zover de schuldenaar beschikt over activa, die nauw samenhangen met de ontstaansgrond van de vordering, wordt teruggevorderd ten laste van deze activa. 7.Elk voorstel van de belanghebbende, waarbij het totaal bedrag van de nieuwe vorderingen in beginsel binnen een termijn van 36 maanden wordt betaald, wordt geaccepteerd. 8.Deze regel wordt alleen toegepast bij belanghebbenden waarvan de uitkering is beëindigd en er verder geen bestaande vorderingen aanwezig zijn. 9.Vervolgens wordt zoveel mogelijk ineens teruggevorderd ten laste van het vermogen, waaronder wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten, voor zover deze na aftrek van alle schulden, uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen, een bedrag van € 1.500,- te boven gaan. 10.Algemeen gebruikelijke huisraad wordt aan de belanghebbende gelaten. 11.De betalingscapaciteit in het toepasselijke inkomen is gelijk aan het gedeelte van het inkomen dat de beslagvrije voet overschrijdt, maar in ieder geval het bedrag van de minimale aflossing zoals opgenomen in de gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK, in het bijzonder de aflostabel. Het college stelt de betalingscapaciteit vast volgens de Recofa-methode. 12.Het toerekenen van de betalingen gebeurt in een vaste volgorde: de invorderingskosten (inclusief rente), de boete, jongste vordering en daarna middels afglijdende schaal de oudste vordering (twee laatstgenoemde vorderingen inclusief rente).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.