.1 Beleid Het college kan ook ondersteuning ‘op andere passende wijze’ aanbieden, zoals doorverwijzing en bemiddeling richting werk. De belangrijkste voorzieningen zijn in deze verordening geregeld, dit is echter geen limitatieve opsomming. Het is aan het college om voorzieningen zo in te zetten dat deze passend zijn bij de afstand tot de arbeidsmarkt. Om dit te faciliteren kan het college de doelgroep verder indelen in categorieën/stromen en de ondersteuning daarop afstemmen. Re-integratie is altijd maatwerk (vierde lid). Als de inzet van voorzieningen leidt tot economisch voordeel van de betreffende organisatie, kan een inleenvergoeding worden gevraagd. Het college kan dit concretiseren in beleidsregels en/of nadere regels (artikel 6.1). Artikel 2.2 Voorwaarden en verplichtingen voorzieningen Bij de ondersteuning naar de arbeidsmarkt staat het plan van aanpak centraal. Niet is gekozen voor een gedetailleerde opsomming van alle voorwaarden en verplichtingen die aan voorzieningen kunnen worden verbonden. Het is aan het college overgelaten om dit verder in te vullen. Het college heeft beoordelingsvrijheid (dat is de betekenis van ‘volgens’), uiteraard binnen de wettelijke randvoorwaarden (tweede lid). § 2.2 Specifieke voorzieningen Artikel 2.3 Beschut werk In dit artikel is invulling gegeven aan de verplichting van de gemeenteraad om te bepalen: welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om goed functioneren op een beschutte werkplek mogelijk te maken, en welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking begint. Het college stelt vast welke voorzieningen noodzakelijk zijn en ingezet gaan worden. Ook dit is een vorm van maatwerk. Artikel 2.4 Werken met behoud van uitkering Werken met behoud van uitkering kan een geschikt instrument zijn om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen en zodoende die afstand te verkleinen of in ieder geval voorkomen dat deze groter wordt. Personen met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt hebben werken met behoud van uitkering niet nodig als re-integratievoorziening (eerste lid). De verschillende vormen van werken met behoud van uitkering zijn hier vermeld, in oplopende afstand tot de arbeidsmarkt. In artikel 1 zijn de betreffende begrippen verder omschreven. Het college kan in beleidsregels en/of nadere regels verder invulling geven aan de verschillende vormen van werken met behoud van uitkering en de voorwaarden en verplichtingen. Artikel 2.5 Persoonlijke ondersteuning Het betreft een voorziening zoals een jobcoach, die de werknemer met beperkingen ondersteunt bij het uitvoeren van het werk. Die begeleiding kan zowel op als buiten de werkplek plaatsvinden. Denk aan het helpen op tijd op te staan, zelfstandig te reizen en het aanleren van omgangsvormen. De begeleiding kan binnen of buiten de organisatie worden georganiseerd. Artikel 2.6 No-riskpolis Onder de ‘no-riskpolis’ wordt verstaan een financiële dekking tegen het risico van ziekte. De loonkosten worden dan deels of geheel vergoed aan de werkgever. Voor werknemers die zijn opgenomen in het doelgroepregister banenafpraak is dit wettelijk geregeld (artikel 29b Ziektewet), voor anderen niet. Het college is bevoegd om voor andere groepen werkzoekenden een ‘no-riskpolis’ te ontwikkelen en aan te bieden. Artikel 2.7 Scholing Onder scholing wordt een breed begrip verstaan: alle vormen die een leerproces in zich dragen kunnen hieronder worden gebracht. Centraal staat dat er kennis, vaardigheden of competenties worden verworven, die de afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen of voorkomen dat die afstand groter wordt. Artikel 2.8 Tijdelijke loonkostensubsidie In de Participatiewet is geregeld dat voor personen die het wettelijk minimumloon niet kunnen verdienen, de werkgever loonkostensubsidie kan ontvangen (artikel 10d Participatiewet). In deze verordening is aanvullend geregeld, dat voor de groep die wel in staat is dat inkomen te verdienen, tijdelijk loonkostensubsidie verstrekt kan worden. De loonkostensubsidie vormt dan een in tijd beperkte stimulans voor de werkgever om de betreffende persoon in dienst te nemen. Artikel 2.9 Activeringssubsidies Een financiële prikkel voor mensen met een uitkering van de gemeente kan ingezet worden om activiteiten richting de arbeidsmarkt te stimuleren. Het kan daarbij gaan om werkaanvaarding (in brede zin) en om scholing. Onder scholing wordt in dit verband ook verstaan het behalen van een inburgeringsdiploma. Jongeren zijn uitgesloten. Een financiële prikkel is bij hen niet aan de orde. Artikel 2.10 Vergoedingen Het gaat hier bijvoorbeeld om reiskostenvergoeding of vergoeding van de aanschaf van kleding of gereedschap. In beginsel komen deze kosten voor rekening van de organisatie waar de activiteiten worden uitgevoerd. Verstrekt deze organisatie geen (toereikende) vergoeding, dan kan worden beoordeeld, of de kosten voor rekening van de gemeente komen. § 2.3 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie Artikel 2.11 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke verplichting om de wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep behoort en de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld bij verordening te regelen. De loonwaardemeting, ‘Dariuz-Works’, is een gevalideerde methodiek (tweede lid). § 2.4 Tegenprestatatie Artikel 2.12 Voorwaarden tegenprestatie In de Participatiewet staat ‘Meedoen naar vermogen’ centraal. Belanghebbenden kan worden gevraagd actief deel te nemen aan de samenleving, door middel van ‘onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden’ (artikel 9 Participatiewet). Onder reguliere arbeid wordt verstaan de arbeid die niet met voorzieningen, zoals loonkostensubsidie, ondersteund wordt. Artikel 2.13 Het opdragen van een tegenprestatie Personen met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt moeten zich richten op werk. Het leveren van een tegenprestatie staat doorgaans effectief solliciteren in de weg. Daarom gaat dit in de regel niet samen, uitzonderingen daargelaten (eerste lid). Artikel 2.14 Omvang en duur van een tegenprestatie Het college zal aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden de aard, de duur en de omvang van de tegenprestatie moeten bepalen. De omvang van de werkzaamheden en de duur in de tijd moeten daarom in de regel beperkt zijn. HOOFDSTUK 3 Inkomensvoorzieningen § 3.
.1 Indienen verzoek In de artikelen 36 en 36b lid 1 Participatiewet wordt gesproken van het indienen van een verzoek. Om onduidelijkheden te voorkomen bepaalt dit artikel dat het verzoek moet worden gedaan met een door het college vastgesteld aanvraagformulier of langs de digitale weg, die door het college is opengesteld. Een verzoek wordt aangemerkt als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1. van de Algemene wet collegesrecht (Awb). § 3.2 Individuele inkomenstoeslag In aanvulling op de wettelijke regels in artikel 36 Participatiewet, moet de gemeenteraad in ieder geval bij verordening regels stellen over de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de manier waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen (artikel 8 lid 2 Participatiewet). Omdat in artikel 36 Participatiewet de inkomenstoeslag al uitvoerig is geregeld, worden de aanvullende gemeentelijke regels in deze verordening beperkt gehouden. In beleidsregels en/of nadere regels kan het college verder invulling geven aan wettelijke voorwaarden, bijvoorbeeld de voorwaarde dat ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ mag bestaan. Artikel 3.2 Langdurig laag inkomen De kostendelersregeling wordt niet toegepast, omdat dit effectieve inkomensondersteuning van mensen met een laag inkomen in de weg kan staan. Een kortdurende inkomensstijging kan tot gevolg hebben, dat drie jaar lang geen recht meer bestaat op inkomenstoeslag. Om dat te voorkomen wordt een inkomensstijging door werk, tijdens de rest van het kalenderjaar, niet als inkomen gezien. Artikel 3.3 Hoogte individuele inkomenstoeslag Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, omdat de andere partner uitgesloten is (zie de artikel 11 en 13 Participatiewet), komt de wel rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. § 3.3 Individuele studietoeslag In aanvulling op de regels over de studietoeslag die de wetgever al heeft gesteld in artikel 36b Participatiewet, moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen, die in ieder geval betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de studietoeslag (artikel 8, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Omdat in artikel 36b Participatiewet de studietoeslag op zichzelf uitvoerig is geregeld, worden de aanvullende gemeentelijke regels beperkt gehouden. Artikel 3.4 Toekenning en betaling individuele studietoeslag Gelet op de strekking van artikel 36b, eerste lid, Participatiewet, bestaat recht op de studietoeslag, als op de aanvraagdatum aan de voorwaarden is voldaan. Het recht blijft dan bestaan, totdat niet langer aan de voorwaarden is voldaan. Artikel 3.5 Hoogte individuele studietoeslag Om de wettelijke verplichting efficiënt te kunnen uitvoeren is gekozen voor een vast normbedrag per maand. § 3.4 Meedoenregeling De Meedoenregeling is op grond van artikel 149 Gemeentewet vastgesteld. Met deze regeling wordt door het verminderen en wegnemen van financiële belemmeringen, de maatschappelijke participatie van burgers gestimuleerd. Artikel 3.6 Voorziening Maatschappelijke activiteiten betreffen activiteiten gericht op maatschappelijke participatie. Het kan hierbij gaan om deelname aan sport, (sociaal-)culturele activiteiten, schoolactiviteiten, of maatschappelijke deelname in brede zin. Het college kan in beleidsregels en/of nadere regels verder aangeven om welke kosten het gaat. De voorwaarden die in het eerste lid zijn genoemd, zijn ontleend aan de voorwaarden voor het verlenen van bijzondere bijstand. Dat komt o.a. tot uitdrukking in de voorwaarde dat het vermogen minder moet zijn dan de vermogensgrenzen die in de Participatiewet zijn genoemd. Artikel 3.7 Hoogte Meedoenregeling en betaling De bijdrage is persoonsgebonden en niet overdraagbaar aan een ander gezinslid. Het bedrag van € 225,- per kind komt overeen met de (standaard) vergoeding van Stichting Leergeld en het jeugdsportfonds. Mede tegen deze achtergrond vindt in principe geen indexering plaats. § 3.5 Collectieve zorgverzekering Artikel 3.8 Voorziening De mogelijkheid om huishoudens met een laag inkomen toegang te geven tot een collectieve zorgverzekering, is al vastgelegd in artikel 35, derde lid van de Participatiewet. Vanwege het grote belang, is hier bepaald, dat het college ervoor zorgt, dat dit daadwerkelijk aangeboden wordt aan inwoners met een laag inkomen. § 3.6 Kinderopvang sociaal-medisch Kinderopvang in verband met werk wordt ondersteund door de kinderopvangtoeslag. Voor kinderopvang op sociaal-medische indicatie, is dit niet het geval. In de Verordening tegemoetkoming kosten Kinderopvang gemeente Zutphen waren daarvoor regels gesteld. Deze verordening is inmiddels echter ingetrokken als gevolg van een wijziging in de wetgeving (intrekking Wet Kinderopvang). De uitvoeringspraktijk gebruikt deze – ingetrokken - regels op dit moment nog steeds. Het is gewenst om de hoofdregels uit deze verordening waar deze betrekking hebben op kinderopvang op sociaal-medische noodzaak, van een grondslag te voorzien. Uitwerking kan verder plaatsvinden in beleidsregels. Artikel 3.9 Voorziening Uitgangspunt is een brede toegankelijkheid voor de doelgroep. Als de noodzaak vaststaat, dan bestaat in beginsel recht op een bijdrage voor kinderopvang. De sociaal-medische noodzaak wordt door een deskundige vastgesteld. Het college vult de toekenningsvoorwaarden verder in via beleidsregels en/of nadere regels. Artikel 3.10 Hoogte bijdrage en betaling De bijdrage wordt bepaald door een drietal factoren. Voor het vaststellen van de (maximale) hoogte wordt gebruik gemaakt van de tabel die in het Besluit Kinderopvangtoeslag als bijlage 1 is opgenomen en door de Belastingdienst wordt gebruikt om de hoogte van de kinderopvangtoeslag te bepalen. Ter wille van de uitvoerbaarheid wordt hier gekozen voor een bruto-inkomensbegrip op basis van voorafgaande maanden. In beleidsregels en/of nadere regels kan dit verder worden ingevuld. Artikel 3.11 Voorliggende voorziening Als er een andere voorziening in de kosten bestaat, gaat die voor. Het is wel denkbaar dat deze voorzieningen geen volledige compensatie bieden. In dat geval is een aanvulling mogelijk (‘voor zover’). HOOFDSTUK 4 Afstemming en handhaving § 4.
.1 Horen van belanghebbende Het verlagen van een uitkering is een ingrijpend besluit. Om die reden geldt, dat de belanghebbende eerst in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze (mening) hierover te geven, voordat de uitkering wordt verlaagd. Dit is in lijn met artikel 4:8 Awb. Artikel 4.2 Afzien van verlaging Het opleggen van een verlaging is maatwerk. Om die reden is wettelijk bepaald, dat afgezien wordt van verlaging, als alle verwijtbaarheid ontbreekt (artikel 18, negende lid Participatiewet). In aanvulling daarop is in dit artikel een vervaltermijn geïntroduceerd. In navolging van de regels over (lichte) boetes is gekozen voor een vervaltermijn van één jaar. Artikel 4.3 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging Uitgangspunt is, dat de verlaging werkt vanaf de kalendermaand die volgt op de maand waarin het verlagingsbesluit is bekendgemaakt via een beschikking. Heeft de belanghebbende op dat moment nog aanspraak op een tegoed aan uitkering over een eerdere periode, bijv. omdat de uitkering na afloop van de maand wordt betaald, of omdat een aanvraagprocedure langer heeft geduurd, dan wordt de verlaging met terugwerkende kracht opgelegd en toegepast op die nabetaling. Daarmee wordt lik op stuk mogelijk en dit sluit aan bij de systematiek die voor ‘geüniformeerde’ verplichtingen geldt (zie artikel 4.5 en artikel 18, vijfde lid Participatiewet). Artikel 4.4 Berekeningsgrondslag Algemene bijstand, een IOAW- of IOAZ-uitkering, wordt per kalendermaand toegekend en verstrekt. De verlaging wordt daarom ook berekend over de uitkeringsnorm en toegepast op de maanduitkering. § 4.2 Niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 4.5 Schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen Participatiewet Voor een aantal arbeidsverplichtingen geldt, dat de wetgever de schending daarvan zo ernstig heeft gevonden, dat dit in artikel 18, vierde lid Participatiewet is bestraft met 100% voor minimaal 1 maand. De standaardtermijn wordt hier op 1 maand gesteld (eerste lid). De verlaging wordt uitgesmeerd over drie maanden, als er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals (dreigende) huisuitzetting of afsluiting van gas, water, elektriciteit, waardoor een noodsituatie ontstaat. Artikel 4.6 Schending overige arbeidsverplichtingen Participatiewet, IOAW en IOAZ Voor andere gedragingen dan de in artikel 4.5 bedoelde, geldt dat de omvang van de verlaging afhankelijk is van de zwaarte van de gedraging. In de categorie-indeling is dit tot uitdrukking gebracht. In het eerste lid, onderdeel a. wordt verwezen naar artikel 18, vierde lid Participatiewet. Daarmee wordt gedoeld op de specifieke wettelijk omschreven verplichtingen. Die gaan vóór toepassing van artikel 4.5. De tweede categorie is slechts van toepassing op gedragingen binnen de IOAW en IOAZ, die voor bijstandsgerechtigden al zijn geregeld in artikel 18, vierde lid Participatiewet. Artikel 4.7 Hoogte en duur van de verlaging Gekozen is voor 2 categorieën, ter wille van de overzichtelijkheid. De vermelde percentages zijn uitgangspunten. Afhankelijk van de individuele omstandigheden kunnen de percentages in het concrete geval verlaagd of verhoogd worden. Artikel 4.8 Inkeerregeling Omdat een verlaging wegens schending van de arbeidsverplichtingen een ingrijpend gevolg kan hebben, heeft de wetgever een ‘inkeerregeling’ opgenomen in artikel 18, elfde lid Participatiewet. De belanghebbende kan bij aanpassing van zijn houding en gedrag herziening van de verlaging vragen. Dat past bij het herstelkarakter van verlagingen wegens schending van arbeidsverplichtingen. De inkeerregeling wordt in dit artikel uitgebreid tot schending van alle arbeidsverplichtingen. In dit artikel is vastgelegd dat het college ook daadwerkelijk gebruik maakt van deze bevoegdheid om een verlaging te herzien. § 4.3 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 4.9 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Een verlaging moet ook worden toegepast als sprake is van ‘tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan’ (artikel 18, tweede lid Participatiewet). Dat is aan de orde, als de belanghebbende eerder of tot een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, bijvoorbeeld omdat een andere voorziening niet is benut, omdat vermogen te snel is opgemaakt of omdat een aanspraak op een voorziening verloren is gegaan door onverantwoord gedrag. Artikel 4.10 Zeer ernstige misdragingen Onder 'zeer ernstige misdraging' wordt in elk geval verstaan: elke vorm van ongewenst verbaal en fysiek contact met een persoon of pogingen daartoe, gericht op personen en instanties (college, SVB en re-integratiebedrijven) die met de uitvoering van de Participatiewet zijn belast, tijdens het verrichten van hun werk. Ook voor de IOAW en IOAZ geldt dat ‘zeer ernstige misdragingen’ aanleiding zijn voor verlaging van de uitkering. Anders dan in de Participatiewet kan het college echter alleen een verlaging opleggen als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Artikel 4.11 Niet nakomen van overige verplichtingen De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn en tot doel hebben de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen of het beroep op bijstand te beperken. De hoogte van de verlaging is per categorie vastgesteld. § 4.4 Samenloop en recidive Artikel 4.12 Samenloop van gedragingen Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4.13 Recidive Recidive is het opnieuw vertonen van hetzelfde soort gedrag. Daarnaast moet het gedrag leiden tot eenzelfde of hogere verlaging dan het eerder gesanctioneerde gedrag. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Met de laatst opgelegde gedraging wordt het eerdere gedrag bedoeld dat geleid heeft tot een verlaging en nu aanleiding geeft tot verdubbeling van de duur van de verlaging. Ook als wegens dringende redenen – op grond van artikel 4, tweede lid van deze verordening en 18, tiende lid Participatiewet – is afgezien van het opleggen van een verlaging, kan sprake zijn van recidive (tweede lid). Als een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet-geüniformeerde arbeidsverplichting schendt (zie artikel 4.5), is de recidivebepaling van deze verordening ook van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. § 4.5 Handhaving rechtmatige verstrekking Artikel 4.14 Opdracht aan het college In dit artikel worden de verplichte onderdelen van het ‘Handhavingsplan' genoemd. Artikel 4.15 Kaders tegengaan fraude Deze kaders betreffen de randvoorwaarden voor effectieve fraudebestrijding. In het handhavingsplan wordt dit verder uitgewerkt en kunnen bijvoorbeeld de werkafspraken met het Openbaar Ministerie worden opgenomen. Artikel 4.16 Waarborgen rechtmatigheidsonderzoek De gemeente moet zich houden aan de rechtswaarborgen, die voor ieder rechtmatigheidsonderzoek gelden. Die waarborgen zijn bijvoorbeeld de normen die voor strafrechtelijk onderzoek gelden en afgeleid kunnen worden uit bijvoorbeeld artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het gebruik van onderzoeksmiddelen, zoals peilbakens en stelselmatige observaties, moet voldoen aan de eisen die in wetgeving daaraan gesteld zijn. Dergelijke methoden worden pas benut, als minder ingrijpende onderzoeksmethoden geen oplossing bieden. Artikel 4.17 Aangifte bij het Openbaar Ministerie Als gedrag van een belanghebbende leidt tot financiële benadeling van de gemeente, kan het college in een aantal gevallen aangifte doen. De uitgangspunten zijn vastgelegd in de 'Aanwijzing sociale zekerheidsfraude' van het Openbaar Ministerie. Onder de huidige regeling is de hoofdregel, dat aangifte plaatsvindt als het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 50.000,-. HOOFDSTUK 5 Cliëntenparticipatie Artikel 5.1 Samenstelling cliëntenraad Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.2 Functioneren cliëntenraad Om de actieve betrokkenheid van alle personen goed tot zijn recht te kunnen laten komen, is het van belang dat de cliëntenraad een afspiegeling vormt van de in artikel 7, eerste lid Participatiewet en artikel 2, derde lid Wsw vermelde doelgroepen (eerste lid). Artikel 5.3 Ambtelijke contactfunctionaris Op grond van artikel 47, onderdeel b. van de Participatiewet wordt voorzien in ambtelijke ondersteuning voor de cliëntenraad zodat deze zijn rol effectief kan vervullen. Daarom wordt een ambtelijke contactfunctionaris aan de cliëntenraad toegevoegd. De wijze waarop deze medewerker zijn functie invult, wordt in overleg met de cliëntenraad vormgegeven. Artikel 5.4 Taken van het college Het college betrekt de cliëntenraad tijdig bij beleidsvoornemens, zodat de cliëntenraad zijn adviestaak goed kan vervullen. Artikel 5.5 Ondersteuning cliëntenraad Om zijn taken effectief te kunnen vervullen is het van belang dat de cliëntenraad wordt gefaciliteerd. Dit artikel bevat enkele minimale vereisten om die taken goed te vervullen. Artikel 5.6 Taken van de cliëntenraad De taken van de cliëntenraad kunnen worden samengevat in het begrip ‘adviseren’. Hier zijn enkele randvoorwaarden beschreven. Artikel 5.7 Bevoegdheden van de cliëntenraad In dit artikel is geconcretiseerd wat de positie van de cliëntenraad ten opzichte van het college is: waarover geeft de cliëntenraad eigenlijk advies? In deze verordening is daarom een onderscheid gemaakt naar het initiatiefrecht, informatierecht en adviesrecht. Bij elk van de rechten horen onderwerpen die zich voor de uitoefening van de drie rechten lenen. Artikel 5.8 Overleg De onderwerpen waarover de cliëntenraad kan adviseren, kunnen ook betrekking hebben op de uitvoeringspraktijk binnen de gemeente. Het is daarom noodzakelijk dat naast een tweejaarlijks overleg met het college ook met de eindverantwoordelijke van de gemeente, de wethouder werk en inkomen, 2 keer per jaar, overleg wordt gevoerd. Dit geldt ook voor het periodieke overleg met de directeur van het WSW-bedrijf (lid 3). Artikel 5.9 Garantstelling Het is van belang dat leden van de cliëntenraad vrijuit kunnen meespreken en mee-adviseren, zonder angst voor voor- en/of nadelige gevolgen in verband met uitkeringsafhankelijkheid. Hier wordt de positie van de leden uitdrukkelijk beschermd. Artikel 5.10 Budget cliëntenraad Om de taken goed te kunnen uitvoeren stelt het college jaarlijks een financieel budget ter beschikking, naast voorzieningen ‘in natura’, zoals vergaderruimte. Dit moet voldoende zijn om de hierboven beschreven taken goed te kunnen uitvoeren. Artikel 5.11 Vergoeding aan de leden Het college kent een vergoeding toe aan de leden voor het bijwonen van vergaderingen. Het college kan in beleidsregels de praktische aspecten, zoals de hoogte van de vergoeding en de voorwaarden, verder uitwerken. Artikel 5.12 Evaluatie Dit artikel spreekt voor zich. HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen Artikel 6.1 Nadere regels In dit artikel is vastgelegd dat het college nadere regels kan stellen over de uitvoering van deze verordening. Nadere regels houden algemeen verbindende voorschriften in; met deze bepaling delegeert de raad deze bevoegdheid aan het college. Beleidsregels zijn daarentegen geen algemeen verbindende voorschriften, maar regels ter invulling van een bestaande bevoegdheid. De bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels komt het college op grond van de Awb al toe, zodat dit niet apart geregeld hoeft te worden. Artikel 6.2 Hardheidsclausule Dit artikel biedt een rechtsgrond voor afwijking in bijzondere gevallen. Afwijking kan gelegen zijn in knellende situaties waar toepassing van de regels het ondersteunen bij het verwerven van inkomen of bij de arbeidsinschakeling juist in de weg staat in plaats van effectief ondersteunt. Artikel 6.3 Intrekking oude verordeningen De hier vermelde bestaande verordeningen worden alle ingetrokken en vervangen door deze nieuwe verzamelverordening. Artikel 6.4 Inwerkingtreding Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 6.5 Overgangsrecht Volgens de hoofdregel van overgangsrecht wordt aan de nieuwe regels zonder nadere bepaling onmiddellijke werking gegeven. Voor een tweetal verordeningen is het gewenst om specifiek overgangsrecht vast te stellen. Met deze verzamelverordening wordt het normbedrag voor de individuele studietoeslag verhoogd en omgezet in een maandelijkse in plats van incidentele verstrekking. Het eerste lid bepaalt, dat de ‘oude’ verordening, inclusief het normbedrag, nog van toepassing blijft waar het gaat om aanvragen die zijn ingediend vóór de dag na bekendmaking van de nieuwe Verzamelverordening. Voor de Maatregelenverordening geldt, dat er op enkele onderdelen sprake is van een wijziging van het beleid die nadelig kan uitwerken voor de doelgroep. In dat geval geldt de hoofdregel voor het sanctierecht dat de ‘meest gunstige bepaling’ van toepassing is. Dat is tot uitdrukking gebracht door te bepalen dat de ‘oude’ verordening nog van toepassing is op gedragingen die zich voordoen tot de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Verzamelverordening, ook al vindt beoordeling van dat gedrag pas later plaats. Artikel 6.6 Citeertitel Dit artikel spreekt voor zich.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.