Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Deventer houdende regels omtrent ondernemers in de binnenstad Verordening BIZ ondernemers binnenstad Deventer 2018-2022De raad van de gemeente Deventer, Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 19 september 2017 nummer 2017-001301; Gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones; Gezien de uitvoeringsovereenkomst van 3 oktober 2017 gesloten met Vereniging Deventer Binnenstad Ondernemers; BESLUIT De programmabegroting te wijzigen; Vast te stellen de verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage voor de BIZ ondernemers binnenstad Deventer 2018-
(5)inwerkingtreding van de verordening. Deze opzet leidt tot het volgende stappenplan. Stap 1 - Ondernemersinitiatief De bedrijveninvesteringszone is er voor en door ondernemers. Het is dus aan de ondernemers in een bepaald gebied om met elkaar te bekijken of zij in hun gebied activiteiten willen uitvoeren om de aantrekkelijkheid en veiligheid van dat gebied te verbeteren. De wetgever gaat ervan uit dat de initiatiefnemers de animo voor hun plannen bij de overige ondernemers in het gebied toetsen en vervolgens in onderling overleg de plannen uitwerken in een projectplan. Overigens bleek tijdens de experimentenwet dat ondernemers voor raad en advies vaak ook terechtkonden bij adviseurs van de Kamer van Koophandel en gemeentelijke gebiedsmanagers. Aandachtspunten bij een projectplan zijn: Wat willen de ondernemers bereiken met de BIZ? Welke activiteiten willen zij daartoe gaan ontplooien? In welke periode willen zij dat bereiken (maximaal 5 jaar)? Wat zijn de kosten? Hoe moeten deze kosten worden verdeeld? Hoe groot is het gebied van de bedrijveninvesteringszone en hoe wordt de zone afgebakend? Hoe wordt de organisatie geregeld? Maar ook: Wat gaat er gebeuren als er te weinig geld is, of juist te veel geld? Wat gebeurt er als een bedrijveninvesteringszone tussentijds wordt opgeheven? De ervaring leert dat stap 1 een van de allerbelangrijkste fases is die tijd kost omdat de ondernemers onderling draagvlak voor de plannen moeten creëren. Stap 2 - Overleg met gemeente Zodra de initiatiefnemers een goed beeld hebben van de wensen en de mogelijke uitvoering ervan, start het overleg met de gemeente. De ondernemers en de gemeente bekijken samen de plannen. Passen de plannen wel binnen de kaders van de wet? In hoeverre voert de gemeente de activiteiten al uit? Is de gemeente bereid een deel extra bij te dragen? Stap 1 en stap 2 lopen door elkaar heen. Eerst moeten ondernemers een goed beeld hebben van wat zij willen. Maar door in een vroeg stadium al met de gemeente te overleggen kunnen de ondernemers sneller tot een concreet eindplan komen en kunnen eventuele teleurstellingen worden voorkomen. Stap 3 - Oprichten BIZ-organisatie Als duidelijk is dat bij de ondernemers een breed draagvlak is voor hun plan en de gemeente bereidheid heeft getoond hieraan mee te werken, richten de ondernemers een vereniging of stichting op die de bedrijveninvesteringszone gaat uitvoeren. Artikel 7 Wet BIZ stelt speciale eisen aan de inhoud van de statuten van deze BIZ-organisatie. Zo mag de BIZ-organisatie zich alleen bezighouden met de uitvoering van de BIZ-activiteiten. Als de BIZ-organisatie een vereniging is, moeten daarnaast de betrokken ondernemers tegen betaling van een kleine contributie lid kunnen worden van die vereniging. Bij een stichting moeten de betrokken ondernemers in voldoende mate bij het bestuur betrokken zijn. Stap 4 – Subsidieverlening en uitvoeringsovereenkomst Voordat de gemeenteraad de BIZ-verordening vaststelt, moet het college met de BIZ-organisatie in het kader van de subsidieverlening een zogenoemde uitvoeringsovereenkomst hebben gesloten. Deze overeenkomst bevat de afspraken tussen de ondernemers en de gemeente. De meeste zaken kunnen direct overgenomen worden van het projectplan, zoals de doelstelling van BIZ, het tijdpad en dergelijke. Daarnaast kunnen afspraken worden vastgelegd over een eventuele extra subsidie van de gemeente, en over de verdeling van de perceptiekosten die de gemeente in rekening kan brengen. Uit de Wet BIZ (en titel 4.2 van de Awb) kan worden opgemaakt dat de uitvoeringsovereenkomst in ieder geval het volgende moet regelen: de activiteiten die de BIZ-organisatie gaat uitvoeren gedurende de verschillende jaren van de BIZ; het minimale niveau van dienstverlening van de gemeente voor de periode van de BIZ- bijdrage (de zogenoemde service level agreement (SLA)); de verplichting dat de BIZ-organisatie de activiteiten verricht waarvoor de subsidie wordt verstrekt; Stap 5 - BIZ-verordening De gemeenteraad kan de BIZ-verordening vaststellen nadat de initiatieven voldoende zijn uitgewerkt en de afspraken zijn vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst. De BIZ-verordening is tweeledig. Enerzijds regelt de verordening de noodzakelijke voorwaarden om de BIZ-bijdrage te kunnen heffen en invorderen. Anderzijds regelt de BIZ-verordening dat de belastingopbrengst als subsidie zal worden verstrekt aan de BIZ-organisatie. Stap 6 - Draagvlakmeting Als de gemeenteraad instemt met de BIZ-verordening kan de verordening pas in werking treden nadat een draagvlakmeting is gehouden. Uit de draagvlakmeting moet blijken of de bedrijveninvesteringszone op voldoende steun onder de ondernemers/vastgoedeigenaren in het gebied kan rekenen. Van voldoende steun is sprake als aan de volgende vereisten is voldaan: De respons bij de draagvlakmeting is minimaal 50%. Van de respondenten is minimaal 2/3 voor. En bij een tarief afhankelijk van de WOZ-waarde: de voorstemmers vertegenwoordigen meer WOZ-waarde dan de tegenstemmers. Zodra de gemeenteraad de BIZ-verordening heeft vastgesteld, organiseert de gemeente de draagvlakmeting. Deze wordt dus georganiseerd in de loop van het jaar (en niet op 1 januari). De draagvlakmeting vindt plaats onder de potentiële belastingplichtigen ten tijde van die draagvlakmeting. Dit vereiste brengt met zich dat de gemeente niet een-op-een de bestanden van de aanslagregeling in het jaar van de draagvlakmeting kan volgen, maar op zijn minst moet nagaan welke mutaties er hebben plaatsgevonden tot aan de draagvlakmeting. Het college is verantwoordelijk voor de draagvlakmeting en moet ervoor zorgen dat alle bijdrageplichtigen zijn geïnformeerd over de strekking van de verordening. Daarnaast moet het college waarborgen dat de schriftelijke draagvlakmeting vertrouwelijk plaatsvindt. Omdat het college verantwoordelijk is voor de draagvlakmeting, zal hij ook de uitslag moeten vaststellen. Naast een (verkorte) weergave van de uitslag, kan dit collegebesluit ook de beslissing inhouden dat de verordening zal worden gepubliceerd op de daarvoor gebruikelijke wijze. Het collegebesluit over de vaststelling van de uitslag zal op grond van artikel 139 Gemeentewet bekend moeten worden gemaakt. De eis van voldoende draagvlak staat los van de gebruikelijke regels voor de bekendmaking van de verordening. Zo moet de verordening worden opgenomen in de daartoe bestemde digitale registers en op internet raadpleegbaar zijn. Stap 7 - Heffing, subsidie en uitvoering Nadat de verordening in werking is getreden, kan de bedrijveninvesteringszone van start gaan. De gemeente zal zorgdragen voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdrage en afdoening van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. De BIZ-organisatie zal de activiteiten uitvoeren en zorgdragen voor de verantwoording van de inkomsten en uitgaven. Op afgesproken momenten (meestal jaarlijks) controleert de gemeente of de BIZ-organisatie nog steeds aan de subsidievoorwaarden voldoet. Dit zal het geval zijn als ondernemers hun afgesproken plan uitvoeren. Stap 8 - Einde bedrijveninvesteringszone De bedrijveninvesteringszone kan op twee manieren eindigen. De bedrijveninvesteringszone eindigt doordat de looptijd van de BIZ-verordening eindigt. De bedrijveninvesteringszone eindigt voortijdig omdat gaande weg het draagvlak wegvalt. Ondernemers kunnen tussentijds verzoeken om een hernieuwde draagvlakmeting met als doel de opheffing van de BIZ. Dit verzoek moet door minimaal 20% van de ondernemers worden ondersteund en kan pas na een jaar na de vorige draagvlakmeting worden ingediend. In afwijking van de voorwaarden bij eerste draagvlakmeting hoeft niet 2/3 maar 50% voor voortzetting van de draagvlakmeting te zijn. 4 Aandachtspunten gemeenteraad De vaststelling van de bedrijveninvesteringszone door de gemeenteraad is een belangrijk moment bij de totstandkoming van de BIZ. Het is goed om te benadrukken dat de gemeenteraad een autonome positie heeft om de bedrijveninvesteringszone in te voeren. De gemeenteraad heeft dan ook de vrijheid om af te zien van het vaststellen van de verordening, of deze op punten anders in te richten. Het is aan de gemeenteraad om te besluiten dat zij het exclusieve recht om belastingen te heffen wil inzetten voor een groep ondernemers. Naast de aandachtspunten die uit de Wet BIZ voortvloeien, is bij de parlementaire behandeling van de wet ook een aantal aandachtspunten meegegeven aan de gemeenteraad. Met het oog op een eventuele rechterlijke toetsing van de bedrijveninvesteringszone tijdens een beroepsprocedure tegen de BIZ-bijdrage, is het goed om deze aandachtspunten in de besluitvorming te betrekken. Dat kan door er aandacht aan te schenken in de begeleidende stukken. Het gaat hierbij om de volgende aandachtspunten: Statuten BIZ-organisatie: De gemeenteraad zal zich ervan moeten overtuigen dat de aan te wijzen BIZ-organisatie voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 7, tweede lid, Wet BIZ. In het bijzonder vraagt de (beperkte) statutaire doelstelling en de samenstelling van het bestuur aandacht. Uitvoeringsovereenkomst: Deze overeenkomst moet de verplichting bevatten dat de activiteiten waarvoor de BIZ-subsidie wordt verstrekt ook daadwerkelijk worden uitgevoerd (de afdwingverplichting). Daarnaast is van belang dat de uitvoeringsovereenkomst alleen van toepassing is als de verordening uiteindelijk ook daadwerkelijk in werking treedt. Activiteiten: De gemeenteraad kan het initiatief van de ondernemers niet klakkeloos overnemen omdat de gemeenteraad dient te waken tegen instelling van een bedrijveninvesteringszone die leidt tot willekeurige of onredelijke belastingheffing. De gemeenteraad zal daarom elementen als tariefstelling, de verdeling van de lasten, de wijze waarop de grens van de bedrijveninvesteringszone is getrokken en het soort activiteiten zorgvuldig en in het licht van het algemeen belang moeten bezien. Wat de activiteiten betreft zal de gemeenteraad kenbaar moeten aangeven in hoeverre de afgesproken concrete activiteiten aansluiten op het abstracte begrip “activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone”. Zie over de mogelijke activiteiten ook de toelichting op artikel 2, tweede lid, verordening. Vastlegging basisserviceniveau: Op grond van artikel 7, vijfde lid, Wet BIZ moeten gemeenteraad en de BIZ-organisatie schriftelijke afspraken maken over het minimale niveau van de gemeentelijke dienstverlening voor de periode dat de BIZ-bijdrage wordt geheven. Uit de toelichting op de Wet BIZ (en de daaraan voorafgaande Experimentenwet waarin dezelfde bepaling was opgenomen) blijkt dat deze afspraken in de uitvoeringsovereenkomst kunnen worden vastgelegd (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2007–2008, 31430, nr. 3, pag. 11). Omdat het college de uitvoeringsovereenkomst aangaat, is het kennelijk de bedoeling van de wetgever dat het college deze afspraken maakt. Met het vaststellen van de verordening bekrachtigt de gemeenteraad als het ware deze afspraken (zie aanhef en artikel 15, eerste lid). Ook is het raadzaam om in de uitvoeringsovereenkomst een bepaling op te nemen die de invloed op het afgesproken basisserviceniveau regelt van latere ingrijpende aanpassingen in de algemene gemeentelijke dienstverlening en activiteiten. Het basisserviceniveau geldt immers voor de looptijd van de BIZ-bijdrage (maximaal 5 jaar) en in die periode kunnen de (financiële) omstandigheden van de gemeente aanzienlijk wijzigen. Staatssteun: Door de systematiek van de bedrijveninvesteringszones kan volgens de wetgever de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie geen staatssteun zijn. Maar dat de subsidie van de gemeente aan de BIZ-organisatie niet leidt tot staatssteun laat onverlet dat gemeenten wel moeten nagaan in hoeverre het gerechtvaardigd is dat de perceptiekosten eventueel niet in mindering op de ontvangen BIZ-bijdragen wordt gebracht. Ook moeten gemeenten zich bewust zijn van staatssteunaspecten bij eventuele aanvullende bijdragen aan bedrijveninvesteringszones uit de algemene middelen. 5 Wettelijke basis De verordening bedrijveninvesteringszone is gebaseerd op de Wet BIZ. Omdat aan het vaststellen van de verordening een aantal stappen voorafgaat, waaronder het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst waarin een afdwingverplichting is opgenomen, moet de raad ook kennis hebben genomen van deze overeenkomst. Dit is in de aanhef tot uitdrukking gebracht. Gekozen is voor een zogenaamd ‘aangekleed model’, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. Bij deze keuze speelt mee dat de gemeenteraad moet laten zien dat hij bij de invoering van de belasting alle essentiële elementen in ogenschouw heeft genomen. De meest voor de hand liggende manier waarop de gemeenteraad dat kan laten zien, is de tekst van de verordening. Die is immers bedoeld om de belastingschuldigen de omvang van de belastingschuld kenbaar te maken alsook de omstandigheden waaronder. De wetgever heeft uit doelmatigheidsoverwegingen ervoor gekozen om voor de heffing zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bepalingen voor de onroerendezaakbelastingen in de Gemeentewet. Daardoor zijn naast de bepalingen in de Wet BIZ ook de artikelen 220a, 220b, eerste lid, 220d, 220e en 220h van de Gemeentewet voor de vormgeving van de verordening van belang. B Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening voorkomende begrippen, is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel
- Hoofdstuk II Belastingbepalingen Artikel 2 Belastbaar feit en aard van de belasting Het eerste lid beschrijft het belastbaar feit. In de bepaling wordt benadrukt dat het een jaarlijkse heffing betreft gedurende de looptijd van de verordening. Dit is gedaan om te voorkomen dat de indruk ontstaat dat het om een eenmalige bijdrage zou gaan. Door de verwijzing naar artikel 220a Gemeentewet wordt aangegeven dat het begrip niet-woning conform de daar gegeven regels moet worden uitgelegd. De jurisprudentie die voor artikel 220a Gemeentewet is gewezen, is daarmee ook van toepassing op de BIZ-bijdrage. Een nadere toelichting inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 2 van de Verordening onroerendezaakbelastingen. Het tweede lid is opgenomen om er geen twijfel over te laten bestaan dat de heffing alleen bedoeld is ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan de wettelijk toegestane activiteiten. Dit zijn activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone. Inpandige activiteiten kunnen in beginsel niet met een BIZ-bijdrage worden gefinancierd, tenzij het gaat om activiteiten die gericht zijn op een publiek belang in de openbare ruimte. Deze bepaling impliceert ook dat de gemeenteraad bij haar besluitvorming van mening is dat de afgesproken activiteiten voldoen aan de eisen van de Wet BIZ. Nieuw ten opzichte van de Experimentenwet zijn de activiteiten die op of via het internet plaatsvinden. De wenselijkheid van deze aanvulling komt voort uit het gegeven dat de detailhandel zich meer en meer richt op de mogelijkheden die het internet en het ‘nieuwe winkelen’ biedt. Deze activiteiten kunnen ook de economische ontwikkeling stimuleren en daarmee in het publiek belang zijn. Voorbeelden hiervan zijn een gezamenlijke website of activiteiten die via de sociale media worden ontplooid. Concreet betekent de toevoeging dat activiteiten die op het internet plaatsvinden en volgens de gemeente bijdragen aan de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de BIZ, ook kunnen worden gefinancierd met opbrengsten van de BIZ-bijdrage. Een bedrijveninvesteringszone is uitdrukkelijk gericht op het verrichten van aanvullende activiteiten ten opzichte van de diensten van de gemeente. Het bestaande voorzieningenniveau dient als uitgangspunt te worden genomen bij het bepalen van de gewenste voorzieningen. Een bedrijveninvesteringszone kan alleen dan tot een verbetering van de kwaliteit leiden als het bestaande voorzieningenniveau minimaal gehandhaafd blijft. De activiteiten die de ondernemers in aanvulling daarop willen uitvoeren kunnen nieuwe aanvullende voorzieningen betreffen of kunnen gaan om een intensivering van bestaande activiteiten. Activiteiten waar concreet aan gedacht kan worden zijn: het verbeteren van de verkeersvoorzieningen, de bewegwijzering, de groenvoorziening, afvalinzameling, verlichting, schoonmaak, onderhoud, brandveiligheid, graffitiverwijdering, het vergroten van de veiligheid door bijvoorbeeld extra surveillance, hekwerken en camerabewaking. Bij activiteiten die zich richten op de economische ontwikkeling gaat het om het versterken van de economische kracht van een gebied, door het versterken van het ondernemerschap in de zone. Dit kan bijvoorbeeld door het versterken van het zelforganiserend vermogen, bepaalde vormen van gebiedspromotie, of de inzet van een park- of winkelstraatmanager. Onder ‘economische ontwikkeling’ zijn allerlei activiteiten te rangschikken die men als winkeliers- of ondernemersgroep kan ondernemen omdat men ervan denkt dat men er in economisch opzicht met elkaar beter van kan worden. Meer concreet is te denken aan kerst- of sfeerverlichting, sinterklaasintocht of speciale evenementen. De BIZ beperkt zich overigens niet tot winkelcentra of industrieterreinen. Ook land- en tuinbouwgebieden of toeristische gebieden kunnen gebruikmaken van bedrijveninvesteringszones. De wettelijke systematiek gaat uit van aanwijzing van een bepaald gebied in de gemeente, maar stelt geen beperkingen aan het soort gebied waar het om moet gaan. Artikel 3 Belastingobject Doordat artikel 220a Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is, is de objectafbakening zoals die voor de Wet WOZ en de OZB geldt, ook van toepassing voor de BIZ-bijdrage. Dit is tot uitdrukking gebracht in artikel
- Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om hier niet te verwijzen naar artikel 220a Gemeentewet zoals de Wet BIZ doet, maar direct naar artikel 16 Wet WOZ. Artikel 16 Wet WOZ merkt als belastingobject aan: een gebouwd eigendom; een ongebouwd eigendom; een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd eigendom; een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een zelfstandig gedeelte daarvan; een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel van twee of meer gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen of zelfstandige gedeelten; het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom, een zelfstandig gedeelte, een samenstel of een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel. Op grond van jurisprudentie zijn schepen roerende zaken zodat daarvan geen BIZ-bijdrage kan worden geheven. Een nadere toelichting op de objectafbakening inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 2 van de Verordening onroerendezaakbelastingen. Ook de Waarderingsinstructie jaarlijkse waardebepaling op de website van de Waarderingskamer bevat een nadere toelichting op de objectafbakening. Artikel 4 Belastingplicht Eerste lid Onder de Experimentenwet werd de BIZ-bijdrage geheven van de gebruikers van de niet-woningen in de bedrijveninvesteringszone. De Wet BIZ is hier echter verruimd en biedt de mogelijkheid om te heffen van de gebruikers, de eigenaren of van beide categorieën. De keuze die de gemeente voor de bedrijveninvesteringszone heeft gemaakt, ligt vast in dit artikellid. Tweede lid Artikel 220b van de Gemeentewet geeft nadere invulling aan de begrippen ‘gebruik’ en ‘eigenaar’. Deze begrippen zijn overeenkomstig van toepassing op de BIZ-bijdrage. Tweede lid, onderdeel a Op grond van het tweede lid kunnen in bepaalde situaties belastingplichtigen aangewezen worden die niet feitelijk gebruik maken van een niet-woning. Zo regelt artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de modelverordening dat gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. Door deze bepaling is de verhuurder (al of niet tevens eigenaar) ook belastingplichtig voor de BIZ-bijdrage als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de niet-woning is. Dit betekent dat bij verzamelkantoorgebouwen met meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ als één object kunnen gelden), de verhuurder in de heffing van de BIZ-bijdrage moet worden betrokken. De huurders zijn dan niet belastingplichtig. Voor alle duidelijkheid: de bepaling ziet alleen op situaties waarin (onzelfstandige) delen van de onroerende zaak worden gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het geheel gebruiken. De verhuurder van een niet-woning kan niet als gebruiker worden aangemerkt als hij de niet-woning verhuurt aan bijvoorbeeld één onderneming of één persoon. Verhuurt hij de verschillende (onzelfstandige) delen aan verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig. Verhuurt hij echter de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers (bijvoorbeeld van één onderneming), dan is hij niet belastingplichtig. Hij staat dan immers niet een deel van de niet-woning in gebruik af. Degene die het gebruik afstaat, mag overigens de gebruikersbelasting wel verhalen op degene aan wie het gebruik van een deel wordt afgestaan. Tweede lid, onderdeel b Dit onderdeel bepaalt dat het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet vooral op niet-woningen die voor korte perioden worden verhuurd. In beginsel is de eigenaar degene die de niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig gebruik. Dit is alleen anders indien gebruik wordt gemaakt van een verhuurorganisatie en deze verhuurorganisatie grotendeels het financiële risico van meer- of minderopbrengsten uit de verhuur draagt. Alleen het uit handen geven van de bemiddeling (al dan niet tegen een beperkt percentage van de verhuurprijs) aan een verhuurorganisatie is niet voldoende om deze verhuurorganisatie als gebruiker aan te merken. Zie ook Hoge Raad 7 februari 2001, nr. 35865, ECLI:NL:HR:2001:AA9843 (Wierden) en Hoge Raad 22 november 2002, nr. 37361, ECLI:NL:HR:2002:AF0960 (Oostburg). Degene die de niet-woning ter beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. Artikel 5 Maatstaf van heffing Algemeen Artikel 2 Wet BIZ benoemt de mogelijke heffingsmaatstaven en tariefdifferentiaties voor de BIZ. De mogelijke heffingsmaatstaven zijn in dit artikel uitgewerkt; de tariefmogelijkheden komen in artikel 7 aan de orde. Eerste lid De Wet BIZ hanteert de vastgestelde WOZ-waarde als heffingsmaatstaf voor het betreffende kalenderjaar. Tweede lid Verwijzing naar bedrijveninvesteringszone (kaart). Derde lid Het tweede lid is een zogenaamde 'vangnetbepaling'. Deze bepaling maakt het mogelijk om toch een aanslag BIZ-bijdrage op te leggen in het geval er voor het belastingobject geen WOZ-waarde is vastgesteld. De vangnetbepaling is niet van toepassing als de WOZ-beschikking wel is vastgesteld maar niet is bekendgemaakt. In dat geval geldt de gewone hoofdregel van het eerste lid van dit artikel (Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569, ECLI:NL:HR:2005:AR6816). De waardebepaling geschiedt in het kader van de vangnetbepaling zoveel mogelijk op gelijke wijze als voor de andere onroerende zaken, waarvoor wel een WOZ-beschikking is vastgesteld. Voor de tekst van de vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst van artikel 220d, vierde lid, van de Gemeentewet. Artikel 6 Vrijstellingen Algemeen Bij de toepassing van de WOZ-waarden gelden de wettelijke vrijstellingen zoals vermeld in artikel 220d Gemeentewet. Ter voorkoming van misverstanden daarover zijn deze als uitzondering geformuleerde vrijstellingen overgenomen in de verordening. Dit geldt ook voor de facultatieve vrijstellingen die de verordening onroerendezaakbelastingen vermeldt. Naast de vrijstellingen uit de onroerendezaakbelastingen, vermeldt artikel 6 nog enkele mogelijke vrijstellingen voor onroerende zaken die als niet-woning worden aangemerkt, maar die niet in gebruik zijn bij ondernemers. Tijdens de parlementaire behandeling zijn amendementen die niet-commerciële objecten standaard vrijstellen, verworpen omdat deze verplichte vrijstellingen te veel de autonome vrijheid van de gemeenteraad zouden aantasten. Dat laat onverlet dat dergelijke vrijstellingen op lokaal niveau wel worden ingevoerd. De gemeenteraad moet daarbij wel afwegen of een dergelijke vrijstelling wenselijk en uitvoerbaar is, en niet zal leiden tot schending van het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel. Onder de Experimentenwet zijn facultatieve vrijstellingen ook wel vormgegeven in de vorm van een nultarief. Omdat een dergelijk nultarief materieel dezelfde uitwerking heeft als een vrijstelling, zal de gemeenteraad ook daarbij moeten afwegen of een dergelijk nultarief wenselijk en uitvoerbaar is, en niet zal leiden tot schending van het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel. Evenals de vrijstellingen voor de onroerendezaakbelastingen, is de vrijstelling hier vormgegeven als een uitzondering. Een object als zodanig wordt niet vrijgesteld, maar de waarde van (een deel) van een object wordt buiten aanmerking gelaten. Dit maakt het mogelijk dat een onroerende zaak gedeeltelijk wordt belast en gedeeltelijk wordt vrijgesteld. De vrijstellingen zijn dus eigenlijk geen echte vrijstellingen, maar vormen een onderdeel van de maatstaf van heffing. Immers, bij het bepalen van de maatstaf van heffing wordt (een gedeelte van) de waarde buiten aanmerking gelaten. Een nadere toelichting op de vrijstellingen inclusief relevante jurisprudentie is te vinden in de toelichting op artikel 4, van de Verordening onroerendezaakbelastingen. Eerste lid, onderdelen a t/m i De onderdelen a t/m i zijn op grond van artikel 220d Gemeentewet verplicht voorgeschreven. Eerste lid, onderdelen j t/m n Het kan voorkomen dat onroerende zaken in de bedrijveninvesteringszone niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt, maar in gebruik zijn bij een onderwijsinstelling, een maatschappelijke organisatie of een overheidsinstantie niet zijnde de gemeente. Deze organisatie zal niet altijd profijt hebben bij de BIZ-activiteiten. Als de aard van de organisatie en de activiteiten duidelijk onderscheidend zijn van de commerciële activiteiten in de bedrijveninvesteringszone, is een vrijstelling voor deze objecten denkbaar. Bijvoorbeeld omdat de BIZ-activiteiten allemaal gericht zijn op de economische ontwikkeling. Hierbij geldt dat per vrijstelling moet worden beoordeeld of de aard van het belastingobject voldoende onderscheidend is ten opzichte van de belastingobjecten waarvan wel wordt geheven. Ook zal de gemeenteraad moeten afwegen of het opnemen van de vrijstelling past binnen de grenzen van de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Tweede lid Het tweede lid bevat de woondelenvrijstelling van artikel 220e Gemeentewet en beperkt zich tot de gebruikersbelasting. De vrijstelling is relevant voor bijvoorbeeld woon-winkelpanden waarbij de woning op grond van de afbakeningsregels niet als een afzonderlijk object is aan te merken. Artikel 7 Belastingtarief Algemeen Artikel 2 Wet BIZ benoemt de mogelijke heffingsmaatstaven en tariefdifferentiaties voor de BIZ. De mogelijke tariefdifferentiaties zijn in dit artikel uitgewerkt; de heffingsmaatstaven zijn in artikel 5 aan de orde gekomen. Leden 1 en 2 De verordening gaat uit van gelijkluidende tarieven gedurende de hele periode. Artikel 8 Wijze van heffing Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. In de verordening hebben wij gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. Artikel 9 Termijnen van betaling In het eerste lid is geregeld dat aanslagen die in het jaar worden opgelegd, 2 vervaldagen hebben ( 1 maand en 2 maanden na de dagtekening) en dat voor aanslagen die na het jaar worden opgelegd hetzelfde geldt. Uitzondering op het eerste lid vormt de automatische incasso. Indien geopteerd is voor automatische incasso worden bedragen tot € 5000 in maximaal 10 termijnen afgeschreven. Dit geldt alleen voor aanslagen die in hetzelfde jaar worden opgelegd als het belastingjaar. Als de aanslagen worden opgelegd na het belastingjaar dan zijn slechts drie termijnen toegestaan. Hetzelfde geldt indien de automatische incasso niet kan worden uitgevoerd bijvoorbeeld als gevolg van stornering, dan gelden ook drie termijnen. Met het vervallen van de termijnen op de 25e van de maand is aansluiting gezocht bij artikel 7 van het Reglement automatische incasso gemeentelijke belastingen gemeente Deventer. Daarin is namelijk bepaald dat de incassering van termijnen bij automatische incasso plaatsvindt tussen de 25e en de 29e van de maand. Artikel 10 Looptijd belastingheffing De Wet BIZ schrijft voor dat een BIZ-bijdrage voor ten hoogste vijf jaar kan worden geheven. Een kortere termijn is ook mogelijk. De gemaakte keuze wordt in dit artikel geregeld. Overigens kan de gemeenteraad, al dan niet op verzoek van de bijdrageplichtigen, besluiten de verordening eerder in te trekken. Een dergelijk besluit moet bij afzonderlijke belastingverordening worden vastgesteld. Op grond van artikel 6 Wet BIZ kunnen ondernemers de gemeenteraad vragen om de BIZ-verordening in te trekken. Een dergelijk verzoek moet afkomstig zijn van minimaal 20% van de bijdrageplichtigen. Als de gemeente een voldoende ondersteund verzoek krijgt, organiseert het college van burgemeester en wethouders onder alle bekende bijdrageplichtigen een draagvlakmeting. Het verschil met de draagvlakmeting bij de invoering is dat bij een tussentijdse draagvlakmeting wordt gevraagd naar steun voor intrekking. Voor een geldige tussentijdse draagvlakmeting is vereist dat ten minste de helft van de bijdrageplichtigen deelneemt. Omdat in deze situatie artikel 5, derde lid, Wet BIZ niet van toepassing is, is bij een heffing van gebruikers en eigenaren gezamenlijk niet vereist dat in iedere categorie afzonderlijk de helft deelneemt. Van voldoende steun voor intrekking is gebleken als ten minste de helft van deelnemers voor intrekking hebben gestemd en deze deelnemers ten minste de helft van de som aan WOZ-waarden representeren. Dit laatste vereiste geldt niet als de BIZ-bijdrage naar een vast bedrag wordt geheven. Artikel 11 Nadere regels door het college De nadere regels welke door het college gegeven worden kunnen betrekking hebben op de aangifte formulieren, het gebruik van nachtregister ten behoeve van de heffing van toeristenbelasting, het opleggen van voorlopige aanslagen en de berekening van de te vergoeden invorderingsrente etc. Artikel 12 Kwijtschelding Er wordt geen kwijtschelding verleend. Hoofdstuk III Subsidiebepalingen Artikel 13 Aanwijzing [vereniging/stichting] De wet stelt verplicht dat er een vereniging of stichting wordt opgericht die de bedrijveninvesteringszone feitelijk beheert. Deze vereniging of stichting is ook de rechtspersoon die de subsidies ontvangt. Voor de leesbaarheid van deze toelichting wordt hierna gesproken over BIZ-organisatie. Op grond van artikel 7 Wet BIZ moet de BIZ-organisatie aan strikte vereisten voldoen. Zo moet de BIZ-organisatie uitsluitend ten doel hebben de BIZ-activiteiten uit te voeren. Dat hoeven niet altijd met BIZ-bijdrage gesubsidieerde activiteiten te zijn. Vereist is dat de activiteiten van de BIZ-organisatie zijn aan te merken als activiteiten in de openbare ruimte en op internet, gericht op het bevorderen van de leefbaarheid in, de veiligheid in, de ruimtelijke kwaliteit van of de economische ontwikkeling van die zone. Artikel 7 Wet BIZ verhindert wel dat de BIZ-organisatie de algemene belangenbehartiging overneemt van een bestaande ondernemersvereniging. Bij een vereniging is daarnaast vereist dat alle beoogde bijdrageplichtigen lid kunnen zijn van de vereniging en dat de jaarcontributie niet hoger is dan €
- Bij een stichting is vereist dat ten minste 2/3 van de bestuursleden afkomstig is uit de kring van de beoogde bijdrageplichtigen. Essentieel is dat met de BIZ-organisatie een afdwingovereenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 4:36, tweede lid, van de Awb. Daarmee wordt de subsidie-ontvanger verplicht de gesubsidieerde activiteiten te verrichten. De omstandigheid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst aan de vaststelling van een verordening BIZ vooraf moet gaan, brengt niet mee dat een aan een dergelijke uitvoeringsovereenkomst klevend gebrek, zoals het ontbreken van de afdwingbepaling, niet achteraf kan worden hersteld. Als maar op het moment van het opleggen van de aanslag BIZ-bijdrage de afdwingbepaling in de uitvoeringsovereenkomst is opgenomen en derhalve op dat moment sprake is van een verbindende verordening (Hoge Raad 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3492 (Midden-Drenthe)). Artikel 14 Buiten toepassing Algemene subsidieverordening Veel gemeenten hebben een algemene subsidieverordening die de essentiële elementen bevat van het proces van subsidieverstrekking. Aan de totstandkoming van de BIZ-verordening gaan stappen vooraf waardoor de te subsidiëren activiteiten bekend zijn en ook duidelijk is dat de vereniging of stichting die de bedrijveninvesteringszone feitelijk beheert (de BIZ-organisatie) de belastingopbrengst (eventueel na aftrek van de perceptiekosten) zal ontvangen. Daarnaast is de BIZ-organisatie verplicht om die subsidie te besteden aan de overeengekomen activiteiten. Deze verplichtingen liggen vast in de BIZ-verordening. De totstandkoming en verstrekking van de BIZ-subsidie wijkt daarmee sterk af van de overige subsidies die de gemeente verstrekt. Vanwege deze afwijkingen is bepaald dat de Algemene subsidieverordening niet van toepassing is. Artikel 15 Subsidieverlening Rode draad in de BIZ is het heffen van de BIZ-bijdrage om daarmee de afgesproken activiteiten te subsidiëren. Deze rode draad is vastgelegd in artikel 13 waar in het eerste lid is bepaald dat de subsidie wordt verleend voor de afgesproken activiteiten. Het tweede lid bepaalt dat de subsidie wordt berekend op basis van de jaarlijks te ontvangen BIZ-bijdragen (eventueel na aftrek van de perceptiekosten). In dit model is gekozen voor een systeem van subsidieverlening en -vaststelling. Weliswaar bestaat de verplichting om de overeengekomen activiteiten te verrichten, maar het subsidiebedrag kan pas achteraf definitief worden vastgesteld. De subsidieverlening geeft de subsidieontvanger een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen. In de uitvoeringsovereenkomst kunnen regels over de bevoorschotting worden opgenomen. Op het proces van subsidieverstrekking is titel 4.2 van de Awb in beginsel onverkort van toepassing evenals bijvoorbeeld de bepalingen in de Awb over aanvraag, beschikking en besluit. Artikel 16 Subsidieverplichtingen Op grond van afdeling 4.2.4 van de Awb kan het bestuursorgaan verplichtingen opleggen aan de subsidie-ontvanger. In artikel 4:37 van de Awb zijn acht standaardverplichtingen genoemd die aan de subsidie-ontvanger kunnen worden opgelegd (doelgebonden verplichtingen). Voor de overige doelgebonden verplichtingen (zie artikel 4:38 van de Awb) is een wettelijke grondslag in de verordening opgenomen. Bij de voorbereiding van de BIZ kunnen afspraken worden gemaakt over de verplichtingen die in concreto gelden. Deze verplichtingen worden vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst. De gemeente kan via de burgerlijke rechter nakoming afdwingen op grond van de uitvoeringsovereenkomst als de BIZ-organisatie de afgesproken activiteiten niet uitvoert of de overige overeengekomen verplichtingen niet nakomt. Als dat tot niets leidt, kan de gemeenteraad de subsidie intrekken (artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a of b dan wel artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb). De al betaalde bedragen kunnen dan als onverschuldigd betaald worden teruggevorderd. In dat geval zal moeten worden nagegaan hoe de betaalde BIZ-bijdragen worden teruggegeven aan de bijdrageplichtigen. Artikel 17 Subsidievaststelling Na de subsidieverlening volgt een tweede beschikking, de subsidievaststelling. Daarin wordt vastgesteld in hoeverre de voorwaarden zijn vervuld en hoeveel het exacte subsidiebedrag bedraagt. Als er gekozen is voor het systeem van enkel subsidievaststelling neemt de vaststelling een aantal elementen van de subsidieverlening over (zie artikel 4:43 van de Awb). In de uitvoeringsovereenkomst (bij de subsidieverlening) kan concreet worden aangegeven welke stukken bij de aanvraag om subsidievaststelling moeten worden overgelegd en binnen welke termijn de aanvraag moet worden gedaan. Als een aanvraag uitblijft, kan de subsidie ook ambtshalve worden vastgesteld (artikel 4:44 Awb). Artikel 18 Wijze van betalen Verwezen wordt naar de uitvoeringsovereenkomst. Artikel 19 Melding van relevante wijzigingen Gelet op het feit dat de overeengekomen activiteiten moeten worden verricht door de BIZ-organisatie, is opgenomen dat expliciet melding moet worden gedaan van wijzigingen die de uitvoering van de activiteiten of de BIZ-organisatie zelf raken. Deze kunnen aanleiding zijn tot het wijzigen van het subsidievaststellingsbesluit (vergelijk artikel 4:49 Awb). Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 20 Inwerkingtreding Na volledige afweging van alle belangen door de gemeenteraad en vaststelling van de verordening vindt de draagvlakmeting plaats. Dit betekent dat de verordening pas in werking kan treden nadat de draagvlakmeting is gehouden en er gebleken is van voldoende draagvlak. Om die reden kan artikel 142 Gemeentewet niet zondermeer worden toegepast. In plaats daarvan is voor de inwerkingtreding aangesloten bij de bekendmaking van de uitslag van de draagvlakmeting. Artikel 21 Citeertitel In de citeertitel zijn jaartalen genoemd. De genoemde jaartallen zijn de jaartalleen dit gelden waarin op basis van deze verordening een BIZ- bijdrage wordt geheven.