Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 gemeente GiessenlandenDe raad van de gemeente Giessenlanden; gelezen het voorstel van de gezamenlijke colleges van Giessenlanden en Molenwaard (ieder binnen de eigen bevoegdheid) over bovenstaand onderwerp; besluit: de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018 vast te stellen. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1.1 van de wet verstaan onder: algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die normaal in de reguliere handel verkrijgbaar is, ook door mensen zonder beperkingen wordt aangeschaft en gebruikt en die niet aanzienlijk duurder is dan voorzieningen met vergelijkbare functies; algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning; arrangement: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een cliënt afgestemd geheel van activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zolang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven collectieve voorziening: een voorziening die individueel wordt (aangevraagd
(2007)werden maatwerkvoorzieningen verstrekt in de vorm van een individuele voorziening. Voor een aantal van deze voorzieningen zoals bijvoorbeeld woonvoorzieningen (traplift) geldt een technische afschrijvingsduur. Biedt de voorziening nog voldoende ondersteuning en is deze nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. Wanneer een voorziening wordt aangevraagd nadat deze gerealiseerd is, wordt deze geweigerd als de gemeente geen mogelijkheid meer heeft om te beoordelen of de voorziening noodzakelijk is, de beperking voldoende compenseert en een passende oplossing biedt en de gemeente geen invloed heeft op de te verstrekken soort voorziening. Onderzocht kan worden of een tijdig ingediende aanvraag tot toekenning van de ingediende aanvraag had geleid. Als dat het geval is, is er geen reden tot afwijzing. Het artikel is bedoeld om te voorkomen dat een aanvrager in een vroegtijdig stadium uitgaven doet in strijd met het beginsel voldoende compenserend/ goedkoopst. Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, kan een bruikleenovereenkomst worden afgesloten. Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet. Voorbeelden van normale maatschappelijke kosten zijn: benzinekosten, telefoonkosten, internetkosten, kosten voor een paspoort, rijbewijs etc. Onder rechtmatig verblijf wordt op grond van artikel 1.2.2 lid 1 van de wet verstaan: Een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 4.3 Aanvullende criteria persoonsgebonden budget Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een persoonsgebonden budget verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een persoonsgebonden budget alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een persoonsgebonden budget aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Nog meer dan voorheen is het persoonsgebonden budget een volwaardig en nevengeschikt alternatief voor zorg in natura. Het persoonsgebonden budget krijgt een ander karakter door de manier waarop het wordt verstrekt. Niet langer wordt er geld overgemaakt op de rekening van de budgethouder. Als een budget is toegekend, kan de uitgevoerde zorg na facturering aan de betrokken ondersteuner/zorgverlener uitbetaald worden door de Sociale Verzekeringsbank, die daarvan ook de administratie voor de gemeente uitvoert. De gemeente weigert een cliënt een persoonsgebonden budget als de gemeente in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een beslissing om een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget te verstrekken heeft herzien dan wel ingetrokken omdat de cliënt toen onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.10, onderdeel a), niet voldeed aan de gestelde voorwaarden (artikel 2.3.10, onderdeel
- d)of de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikte (artikel 2.3.10, onderdeel e). Met de in dit artikel opgenomen criteria sluit de gemeente aan bij de beperkingen voor het persoonsgebonden budget in de Wmo 2015. Daaraan is toegevoegd de bepaling in het tweede lid onder c; dit betreft het collectief vervoer. De financiering daarvan, zo is in rechtspraak ook geaccepteerd, zou zodanig duur worden als voor deze voorziening ook een persoonsgebonden budget mogelijk was, dat het openstellen van die mogelijkheid een onaanvaardbaar financieel risico voor de gemeente oplevert. Om het financieel risico te beperken en het stelsel van ondersteuning in stand te kunnen houden, heeft de gemeente ervoor gekozen dit criterium in de verordening te verankeren. Een aanvraag voor een persoonsgebonden budget kan geweigerd worden voor zover de kosten van het persoonsgebonden budget hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het persoonsgebonden budget om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het persoonsgebonden budget slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een persoonsgebonden budget. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen. Artikel 4.3 lid 2 sub f: Het is slechts legitiem als een ingehuurde ondersteuner assisteert bij administratieve taken, indien dit in het ondersteuningsplan is opgenomen. Het is niet mogelijk om aparte facturen voor administratiekosten te betalen vanuit het persoonsgebonden budget. Een persoonsgebonden budget is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een persoonsgebonden budget is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Het derde [en vierde] lid berust[en] op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het persoonsgebonden budget. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Ten aanzien van het vierde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een persoonsgebonden budget wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een persoonsgebonden budget wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). Artikel 4.4 Aanvullende criteria voor begeleiding, arrangementen Zelfredzaamheid Deze arrangementen zijn gericht op het individueel ondersteunen van de zelfredzaamheid of de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving. Met als doel dat deze persoon zo lang als mogelijk thuis kan blijven wonen. Het belangrijke verschil met de algemene voorziening ambulante ondersteuning is de noodzaak van gespecialiseerde vaardigheden en kennis bij de te leveren ondersteuning in de vorm van professionele en deskundige ondersteuning. Er is indicatiestelling nodig alvorens toegang tot deze vorm van ondersteuning mogelijk is. Artikel 4.5 Aanvullende criteria voor begeleiding, arrangementen Participatie Deze arrangementen kenmerken zich door de op de cliënt aangepaste aard en inhoud van het activiteitenprogramma. De begeleidingsintensiteit is hoog, er is intensief tot voortdurend ondersteuning, toezicht en/of zorg nodig waarvoor een hoge mate van specialistische kennis vereist is. Er is bij de cliënt sprake van een chronisch beeld met complexe problematiek als gevolg van fysieke, zintuiglijke, verstandelijke beperkingen, een psychische- of psychogeriatrische aandoening of verslavingsproblematiek. Behalve bij het aanbrengen van structuur, heeft de cliënt ook gespecialiseerde zorg en/of toezicht nodig bij zelfzorg en/of communicatie. Tevens is het ontlasten van de mantelzorger en het voorkomen van diens overbelasting een beoogd resultaat. Het vervoer naar de voorziening is inbegrepen in het arrangement. Artikel 4.6 Aanvullende criteria voor arrangement kortdurend verblijf Een mantelzorger kan door het bieden van ondersteuning overbelast raken. Ook kunnen zich situaties voordoen dat de mantelzorger door omstandigheden tijdelijk afwezig is. Randvoorwaarde is dat er sprake is van intensief toezicht in verband met de beperkingen van de cliënt. Kortdurend verblijf kan hierbij uitkomst bieden. Het verhaal van de mantelzorger is leidend. Als is vastgesteld dat de mantelzorger overbelast is of dreigt te raken, dan wel tijdelijk afwezig is, en daardoor niet meer in staat is de zorg te leveren, zal onderzoek naar eigen mogelijkheden en/of (wettelijk) voorliggende voorzieningen om de overbelasting te voorkomen moeten plaatsvinden. Is dit niet mogelijk dan kan kortdurend verblijf worden ingezet. Kortdurend verblijf heeft mede een preventief karakter. De mogelijkheden vanuit de Wet langdurige zorg en zorgverzekering van cliënt zijn voorliggend. Een cliënt kan maximaal 50 etmalen per jaar in aanmerking komen voor kortdurend verblijf. Deze etmalen kunnen naar eigen inzicht worden ingezet. Indien er behoefte is aan meer etmalen per jaar, dan moet een cliënt een beroep doen op de Wet Langdurige Zorg. Artikel 4.7 Aanvullende criteria voor woonvoorzieningen Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen en lichaamsreiniging, en essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, en het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(
- s)afhankelijk kind. Verhuizen naar een geschikte woonruimte kan een maatwerkvoorziening zijn binnen deze verordening. Voor deze voorziening wordt gekozen als deze de goedkoopst compenserende is en er geen zwaarwegende belangen zijn om niet te verhuizen. Verhuizing wordt in beginsel niet toegepast indien de kosten en de te verwachten kosten in de toekomst, beoordeeld door een indicatiesteller, van een noodzakelijke woonvoorziening(
- en)lager zijn dan een bedrag, dat door het college wordt vastgesteld en vastgelegd in de nadere regels. Kosten die in de toekomst zullen moeten worden gemaakt, worden in de overweging meegenomen. Een woonvoorziening kan ook worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van de cliënt in een erkende zorginstelling is. Dit kan bijvoorbeeld zijn: de ouderlijke woning of de woning van de achtergebleven partner. Artikel 4.8 Aanvullende criteria voor huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning is het geheel of gedeeltelijk overnemen van activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, in verband met beperkingen die leiden of die dreigen te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de persoon met beperkingen dan wel van de leefeenheid waartoe hij behoort. Huishoudelijke ondersteuning wordt toegekend voor het hoofdverblijf in de gemeente. Als de persoon met beperkingen huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, dan worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. De persoon met beperkingen krijgt in deze situatie geen indicatie voor huishoudelijke ondersteuning, ook al is er sprake van beperkingen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat huisgenoten in gezamenlijkheid verantwoordelijk zijn voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere huisgenoten verondersteld worden dit over te nemen. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Artikel 4.9 Aanvullende criteria voor vervoersvoorziening Deze voorziening is primair gericht op het sociaal vervoer, ook wel vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving genoemd. Het primaat ligt bij het collectief vervoer, door de gemeente Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) genoemd. Dit is een vervoerssysteem waarbinnen mensen op afroep zittend worden vervoerd. In het CVV worden aan personen met beperkingen die niet met het openbaar vervoer kunnen reizen alternatieven geboden om zich te kunnen verplaatsen. Bij individuele vervoersvoorzieningen moet worden gedacht aan bijvoorbeeld scootmobielen, individueel taxivervoer en individuele autokostenvergoeding, die al dan niet in combinatie met het CVV voor compensatie van de ervaren beperking van de zelfredzaamheid of participatie moet zorgen. Artikel 4.10 Aanvullende criteria voor rolstoelvoorziening Primair doel van de rolstoel is zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met andere voorzieningen als looprek, rollator, wandelstok en krukken langdurig niet of onvoldoende mogelijk is. De rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn en worden gebruikt voor verplaatsingen binnen en buiten de woning. Artikel 4.11 Financiële tegemoetkoming meerkosten Dit artikel komt voort uit artikel 2.1.7 van de wet. Aan dit artikel is door het college uitvoering gegeven door het vaststellen van nadere regels in de vorm van de Regeling meerkosten chronisch zieken en mensen met een beperking 2015. Deze regeling wordt namens de gemeenten in de regio uitgevoerd door Avres. Inwoners met een chronische ziekte of beperking met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm kunnen aanspraak maken op deze regeling. Hoofdstuk 5 Bijdragen De wet schrijft voor dat, voor zover de gemeente een bijdrage in de kosten wil vragen, dit gereguleerd wordt via de verordening. Bij de omslag naar eigen kracht hoort ook het vergroten van het kostenbewustzijn van de inwoner en meer financiële verantwoordelijkheid voor diegenen die dat kunnen betalen. Daarom wordt er een bijdrage in de kosten gevraagd voor maatwerkvoorzieningen. Naast de wettelijke uitzonderingen (waaronder rolstoelen) wordt evenmin een bijdrage gevraagd voor de verhuiskostenvergoeding. Een bijdrage van de cliënt is nodig om de groeiende vraag naar zorg op te vangen en de zorg ook in de toekomst betaalbaar te houden. Een bijdrage in de kosten kan de vraag remmen doordat inwoners zelf een voorziening aanschaffen in plaats van deze bij de gemeente aan te vragen, kiezen voor een goedkopere oplossing of afzien van een voorziening voor incidenteel gebruik. Voor de bijdrage in de kosten geldt de wettelijke verplichting dat het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de hoogte van de bijdrage berekent en het bedrag int. Voor algemene voorzieningen kan een bijdrage worden gevraagd voor algemeen gebruikelijke kosten. De aanbieders van deze voorzieningen zijn vrij om te bepalen óf er een bijdrage wordt gevraagd, met inachtneming van de genoemde voorwaarden. Cliënten die in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vraagafhankelijk vervoer (Molenhopper) betalen een eigen bijdrage in de vorm van een ritbijdrage. Cliënten betalen een gereduceerd tarief. De hoogte van de ritbijdrage wordt door het college vastgesteld in nadere regels. Deze bijdrage is inkomensonafhankelijk. In afwijking van de reguliere maatwerkvoorzieningen vindt de inning van deze bijdrage plaats via de vervoerder, niet via het CAK. Hoofdstuk 6 Toezicht en handhaving In het belang van de gemeente én in het belang van de cliënten zal de gemeente in de uitvoering door middel van goed onderzoek de nodige aandacht moeten besteden aan het voorkomen van het ten onrechte verstrekken van voorzieningen. De gemeente zal ten onrechte verstrekte voorzieningen beëindigen en voor zover mogelijk terugnemen of –vorderen. Dit is ook een wettelijke verplichting. Artikel 6.2 Terugvordering Lid 2 en 3: Over het terugvorderen van de in natura verstrekte voorzieningen zegt de wetgever niets. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een bestuursorgaan bevoegd om tot terugvordering van teveel betaalde uitkering over te gaan, tenzij andere rechtsbeginselen zich daartegen verzetten (vgl. CRvB 18 maart 2005, LJN:AT3162). Gelet op deze algemene regel is in de leden 2 en 3 de bevoegdheid tot terugvordering van de maatwerkvoorziening opgenomen. In deze leden is de bevoegdheid conform het eerste lid gekoppeld aan een intrekkingsbesluit en niet aan een herzieningsbesluit in de zin van artikel 6.1. Hoofdstuk 7 Kwaliteit en klachten Artikel 7.3 Regeling voor klachtenafhandeling Aanbieders van voorzieningen moeten beschikken over een interne klachtenregeling. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de klachten- en dispuutregeling. In de contracten met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de klachtenregeling goed te kunnen laten functioneren. Artikel 7.4 Regeling voor medezeggenschap Aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening, opvang of beschermd wonen moeten beschikken over een regeling ten behoeve van de behartiging van de belangen van de cliënten van de aanbieder. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de cliënt te informeren over het bestaan van de medezeggenschapsregeling. In de contracten met de aanbieder worden de eisen vastgelegd die van belang zijn om de medezeggenschap goed te kunnen laten functioneren. Artikel 7.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Dit artikel regelt dat het college een gemeentelijk toezichthouder op de Wmo benoemt. De aanbieder heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder wanneer zich calamiteiten voordoen en bij iedere vorm van geweld en/of discriminatie bij het verstrekken van een Wmo voorziening. De gemeentelijk toezichthouder stelt een onderzoek in en adviseert het college. Hoofdstuk 8 Inspraak Artikel 8 Inspraak Dit artikel regelt dat het college de inwoners van de gemeente betrekt bij de totstandkoming van het Wmo beleid. Dat past bij de aard van de wet en bij hoe het college en inwoners samen invulling geven aan de doelen van de wet. Dit artikel biedt inwoners de waarborgen voor een tijdige inspraak op de voornemens van de gemeente inzake het Wmo beleid en verplicht het college om inwoners in staat te stellen de inspraak effectief te kunnen vormgeven. De evaluatie is bij wet en bij verordening geregeld. Hierbij worden de Wmo-adviesorganen betrokken. Daarnaast kan het college kleine doelgroepen apart benaderen voor overleg en advies. Ook op grond van de Inspraakverordening geldt overigens de in dit artikel opgenomen verplichting, en die geldt als aanvulling op wat in deze verordening niet geregeld wordt. Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Evaluatie De wet voorziet in een onderzoeksplicht van het college hoe cliënten de kwaliteit van de ondersteuning ervaren. Het college dient de uitkomsten van dit onderzoek jaarlijks voor 1 juli te publiceren. Verder stelt de raad periodiek een beleidsplan op. Richting nieuwe beleidsperiode is het vanzelfsprekend dat een evaluatie van het gevoerde beleid plaatsvindt. Deze evaluaties staan los van de werking en effectiviteit van de Wmo verordening. Zeker in de beginfase van de nieuwe Wmo is het wenselijk om de verordening jaarlijks tegen het licht te houden. Op termijn kan de evaluatie van de verordening worden meegenomen in de reguliere beleidscyclus. Artikel 9.2 Beschermd wonen en opvang In de Wmo was maatschappelijke opvang gepositioneerd als zogenoemde collectieve voorziening. In de Wmo 2015 geldt de maatschappelijke opvang met beschermd wonen als maatwerkvoorziening, met uitzondering van nachtopvang. Deze ondersteuning wordt geregeld in de Verordening beschermd wonen en opvang. Artikel 9.3 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening en de nadere regels die hieruit voortvloeien. Afwijken kan enkel ten gunste, niet ten nadele van de aanvrager. Benadrukt wordt dat slechts in bijzondere gevallen gebruik gemaakt kan worden van de hardheidsclausule. Het college geeft bij toepassing van deze clausule duidelijk aan waarom van de verordening en/of de nadere regels wordt afgeweken. Artikel 9.4 Indexering Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, kan per voorziening door het college worden bepaald. Artikel 9.7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Verordening maatschappelijke ondersteuning 2018. Bijlagen Artikel 2.3.6 lid 2 b van WMO 2015 Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Artikel 2.3.10 lid 1 van WMO 2015 1 Het college kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 herzien dan wel intrekken, indien het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen, c. de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten, d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden, e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.