← Nederland

[Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2017] (Utrechtse Heuvelrug)

[Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2017]INTEGRALE VERORDENING Behoort bij raadsvoorstel ……. (titel: Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2017) De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 november 2017 Gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; BESLUIT Vast te stellen: De Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2018 (Verordening rioolheffing 2018) Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterleidingbedrijf betrekking heeft; water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht Onder de naam ‘rioolheffing’ wordt geheven een belasting van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Met betrekking tot de belasting als bedoeld in het eerste lid, wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; b. in geval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan. Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven terzake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 5 Maatstaf van heffing De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt voor gebruikers van percelen die in hoofdzaak tot woning dienen geheven per perceel, en voor gebruikers van percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar niet is afgevoerd. Artikel 6 Belastingtarieven De belasting als bedoeld in artikel 3, bedraagt voor percelen die in hoofdzaak tot woning dienen: € 187,91 per perceel per belastingjaar, vermeerderd met € 47,08 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon. De belasting als bedoeld in artikel 3, is voor percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen, afhankelijk van het waterverbruik conform bijbehorende tarieventabel. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
  2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
  3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
  4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander eigendom in gebruik neemt.
  5. Aanslagen van € 10,00 of minder worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin, wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één aanslag. Artikel 10 Termijnen van betaling In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van rioolheffing kan uitsluitend kwijtschelding worden verleend voor rioolheffing voor huishoudens. Artikel 12 Nadere regels met betrekking tot de heffing en invordering Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van rioolheffing. Artikel 13 VangnetregelingIn afwijking van artikel 5, tweede lid, wordt bij een negatief waterverbruik of bij een niet meting, het waterverbruik berekend op basis van het aantal werknemers van een bedrijf dat van het perceel gebruik maakt. Het waterverbruik per werknemer op jaarbasis wordt gesteld op 15 kubieke meter. Artikel 14 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel De verordening rioolheffing 2017 vastgesteld door de gemeenteraad van de Utrechtse Heuvelrug op 19 december 2016, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari
  6. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing 2018”. Aldus vastgesteld in de vergadering van 18 december
  7. de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug de griffier de voorzitter W. Hooghiemstra G.F. Naafs TARIEVENTABEL Behorende bij de "Verordening rioolheffing 2018" Hoofdstuk 1 Maatstaven en tarieven Het tarief als bedoeld in artikel 6, lid 2 bedraagt voor een bedrijf of instelling bij een waterverbruik van 1 t/m 100 m³ 187,91 van 101 t/m 200 m³ 234,99 van 201 t/m 300 m³ 281,10 van 301 t/m 400 m³ 328,08 van 401 t/m 500 m³ 374,84 van 501 t/m 600 m³ 421,81 van 601 t/m 700 m³ 468,57 van 701 t/m 800 m³ 515,44 van 801 t/m 900 m³ 562,31 van 901 t/m 1.000 m³ 609,18 van 1.001 t/m 2.000 m³ 1.077,75 van 2.001 t/m 3.000 m³ 1.546,65 van 3.001 t/m 4.000 m³ 2.014,57 van 4.001 t/m 5.000 m³ 2.483,26 van 5.001 t/m 6.000 m³ 2.904,85 van 6.001 t/m 7.000 m³ 3.326,67 van 7.001 t/m 8.000 m³ 3.748,26 van 8.001 t/m 9.000 m³ 4.169,53 van 9.001 t/m 10.000 m³ 4.591,68 van 10.001 t/m 11.000 m³ 4.975,97 van 11.001 t/m 12.000 m³ 5.360,27 van 12.001 t/m 13.000 m³ 5.744,46 van 13.001 t/m 14.000 m³ 6.090,92 van 14.001 t/m 15.000 m³ 6.453,90 van 15.001 t/m 16.000 m³ 6.774,26 van 16.001 t/m 17.000 m³ 7.096,79 van 17.001 t/m 18.000 m³ 7.419,43 van 18.001 t/m 19.000 m³ 7.742,07 van 19.001 t/m 20.000 m³ 8.064,60 van 20.001 t/m 21.000 m³ 8.349,07 van 21.001 t/m 22.000 m³ 8.633,65 van 22.001 t/m 23.000 m³ 8.918,02 van 23.001 t/m 24.000 m³ 9.202,49 van 24.001 t/m 25.000 m³ 9.486,96 van 25.001 t/m 26.000 m³ 9.733,37 van 26.001 t/m 27.000 m³ 9.979,68 van 27.001 t/m 28.000 m³ 10.226,09 van 28.001 t/m 29.000 m³ 10.472,39 van 29.001 t/m 30.000 m³ 10.718,80 hoger dan 30.000 m³ 10.965,21 Behoort bij raadsbesluit van 18 december
  8. De raad voornoemd, de griffier, W. Hooghiemstra

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.