Financiële verordening gemeente Katwijk 2017De raad van de gemeente Katwijk; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 oktober; gelet op artikel 212 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de Financiële verordening Katwijk 2017; Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsbepaling In deze verordening wordt verstaan onder: Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd; Afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college; Agio is het verschil tussen de (hogere) koers van een lening en de nominale waarde; Bedrijfsvoeringkosten: kosten voor salarissen (inclusief inhuur), opleidingen, huisvesting, automatisering en informatisering, financiën en archief; Disagio is het verschil tussen de (lagere) koers van een lening en de nominale waarde; Doelmatigheid: het realiseren van de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen; Doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten daadwerkelijk worden behaald; College: het college van burgemeesters en wethouders; Componentenmethode: de verschillende onderdelen van een actief worden afzonderlijk geactiveerd als deze als belangrijke bestanddelen van elkaar zijn te onderscheiden. Deze bestanddelen moeten dan ook verschillen in gebruiksduur of verwacht gebruikspatroon. Toepassing van deze benadering houdt in dat deze dan ook afzonderlijk worden afgeschreven; EMU-saldo: het geraamde onderscheidenlijk gerealiseerde saldo van de ontvangsten en uitgaven van een provincie onderscheidenlijk een gemeente, berekend op transactiebasis en overeenkomstig de voorschriften van het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie; Lineair afschrijving: afschrijving op basis van een vast percentage van de aanschafwaarde gedurende de termijn van afschrijving; Meerjarig Perspectief Grondexploitaties (MPG): voortgangsrapportage waarin het college minstens inzicht verschaft over de stand van zaken van de lopende grondexploitaties, de kansen en risico’s in deze grondexploitaties en de meerjarige gevolgen voor de reserve Grondexploitatie; Nominale waarde is het bedrag dat op de lening staat aangegeven als het bedrag van de lening; Netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteurenvorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa; Onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting: verschil tussen de opbrengst onroerendezaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerendezaakbelasting; Overheadkosten: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces; Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt; Publiek-Private Samenwerking (PPS)-constructie: constructie waarbij overheid en bedrijven samenwerken aan projecten via geïntegreerde contractvormen; Programma: een samenhangend geheel van taakvelden; Rechtmatigheid: het overeenstemmen van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan met de relevante wet- en regelgeving, zoals omschreven in het Besluit accountantscontrole decentrale overheden (BADO); Taakveld: een samenhangend geheel van activiteiten conform het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV); Treasurystatuut: kader voor de uitvoering van het treasurybeleid; Verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk én financieel belang heeft. Hoofdstuk2.Begroting en verantwoording Artikel2.Programma-indeling 1.De raad stelt de programma-indeling vast; 2.De raad stelt op voorstel van het college de taakvelden per programma vast; 3.De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten; 4.De raad stelt vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. Artikel3.Inrichting begroting en jaarstukken 1.Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s, onder het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en onder het overzicht van de overhead, de baten en lasten per taakveld weergegeven; 2.Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet (met bijbehorende planning) weergegeven en wordt van de lopende investeringen (met eventueel bijgestelde planning) het geautoriseerde investeringskrediet in de meerjarenbegroting weergegeven; 3.Bij de uiteenzetting van de financiële positie in begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie; 4.In de jaarrekening wordt een overzicht van de af te sluiten kredieten weergegeven. Artikel4.Kaders begroting 1.Het college biedt voor 1 juni aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze kadernota voor 15 juli vast; 2.In de begroting wordt een post onvoorzien van minimaal € 5 per inwoner opgenomen. Artikel5.Autorisatie begroting 1.De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de lasten en baten per taakveld; 2.Bij de behandeling van de bestuursrapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen aan de raad voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten en het bijstellen van het beleid; 3.Het college informeert de raad vooraf als verwacht wordt dat de geautoriseerde baten of lasten van een taakveld de geautoriseerde begrotingsraming over- of onderschrijden met minimaal € 50.000; 4.Het college is bevoegd om de begrote lasten en begrote baten van een taakveld te overschrijden tot € 50.000 waarbij de autorisatie door de raad plaats vindt in de eerstvolgende bestuursrapportage van het begrotingsjaar of via een afzonderlijk voorstel (met begrotingswijziging) aan de raad; 5.Niet in de begroting geraamde aanwendingen van bestemmingsreserves tot € 50.000 binnen het specifieke doel van de bestemmingsreserve, behoeven niet vooraf aan de raad te worden gemeld, tenzij bij de instelling van de reserve en / of begroting anders is afgesproken; 6.Het college is bevoegd over de gehele post onvoorzien, bedoeld in artikel 4, lid 2, te beschikken, voor incidentele overschrijdingen op geautoriseerde lasten. Daarover wordt de raad achteraf geïnformeerd in de bestuursrapportages; 7.Het college is bevoegd om, zonder voorafgaande toestemming van de raad, het centraal gealloceerde budget bedrijfsvoeringskosten te heralloceren naar taakveld, zolang het totaalbudget aan bedrijfsvoeringskosten niet wordt overschreden; 8.Het college draagt er zorg voor, dat alle door de raad vastgestelde wijzigingen van de begroting juist en volledig in de budgetten van de programma's en de programma-onderdelen worden verwerkt. Artikel6.Autorisatie investeringskredieten 1.Bij de begrotingsbehandeling worden de nieuwe investeringen van het betreffende begrotingsjaar geautoriseerd waarbij de (lopende en nieuwe) investeringen als volgt worden ingedeeld: categorie A: investeringen die al eerder door de raad zijn vastgesteld; categorie B: vervangingsinvesteringen of uitbreidingsinvesteringen; categorie C: uitbreidingsinvesteringen waarvan de raad heeft aangegeven dat zij op een later tijdstip een nadere onderbouwing van het voorstel van het investeringskrediet wil ontvangen. 2.Bij de behandeling van de bestuursrapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen aan de raad voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten; 3.Het college informeert de raad vooraf (zie artikel 4) als ze verwacht, dat een geautoriseerd investeringskrediet met meer dan € 100.000 of minimaal met 25% - met een ondergrens van € 25.000 - dreigt te overschrijden. Onder deze grens is het college bevoegd om te overschrijden. 4.Verwachte kredietoverschrijdingen met meer dan € 100.000 en niet geraamde investeringen worden vooraf door de raad geautoriseerd via een afzonderlijk voorstel (met begrotings-wijziging) terwijl de overige overschrijdingen in artikel 6 lid 3 in de eerstvolgende bestuursrapportage van het begrotingsjaar door de raad worden geautoriseerd; 5.In de bestuursrapportages worden in ieder geval investeringskredieten gemeld die minimaal met een bedrag ad € 50.000 dienen te worden bijgesteld door de raad geautoriseerd; 6.Het college draagt er zorg voor, dat alle door de raad vastgestelde wijzigingen van de investeringskredieten juist en volledig in de budgetten van de investeringskredieten worden verwerkt. Artikel7.Bestuursrapportages 1.Het college informeert de raad door middel van bestuursrapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste 3 maanden en de eerste 9 maanden van het lopende boekjaar; 2.De bestuursrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering, het bijstellen van het beleid, de autorisatie van collegebesluiten (administratieve wijzigingen) en een overzicht van de wijzigingen van: de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar taakveld; het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst naar taakvelden (BBV); de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves; 3.In de bestuursrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van taakvelden in de begroting groter dan € 50.000 opgenomen en toegelicht. Artikel8.Informatieplicht Het college besluit niet over: het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties; het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen; omvangrijke meerjarige verplichtingen met aanmerkelijke risico’s. dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen. Artikel9.EMU-saldo Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Artikel10.Meerjarig Perspectief Grondexploitaties (MPG) 1.Het college biedt éénmaal per jaar een MPG aan ter vaststelling door de raad; 2.De uitgaven binnen een door de raad bij de MPG vastgestelde grondexploitaties worden - voor het komende begrotingsjaar - geautoriseerd bij het vaststellen van de jaarbegroting; 3.Voor het gezamenlijke saldo van de grondexploitaties wordt een drempel van € 500.000 gehanteerd waarboven gesaldeerde afwijkingen in ieder geval aan de gemeenteraad gemeld moeten worden. Hoofdstuk3.Financieel beleid Artikel11.Waardering, activeren, afschrijving en rente vaste activa 1.Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingstermijnen bij deze verordening; 2.Kosten voor het afsluiten van geldleningen en een saldo voor agio of disagio worden direct ten laste van de exploitatie gebracht; 3.Op vaste activa wordt lineair afgeschreven - tenzij in bijzondere gevallen in een raadsvoorstel hiervan wordt afgeweken - met ingang van 1 januari van het boekjaar volgend op het jaar waarop minimaal 90% van de investering is gerealiseerd; 4.Bij gegronde redenen kan - indien hier in een raadsvoorstel voor is gekozen - worden afgeweken van de bijlage afschrijvingstermijnen; 5.Bij de berekening van de kapitaallasten wordt geen rekening gehouden met restwaarden; 6.De rentelasten worden toegerekend op basis van de boekwaarde per 1 januari; 7.Investeringen met een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd waarbij, indien investeringen “verzameld” plaatsvinden, dit criterium geldt voor de totale investering en niet per stuk; 8.De componentenmethode wordt niet toegepast, tenzij in een raadsvoorstel anders wordt besloten; 9.Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden geactiveerd op voorwaarden dat aan de formele vereisten conform BBV is voldaan; 10.Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden niet geactiveerd, tenzij in een raadsvoorstel anders wordt besloten; 11.Kredieten waarvan de investeringsomvang zich over meerdere jaren uitstrekt, worden gesplitst in een voorbereidingskrediet en een later aan te vragen uitvoeringskrediet; 12.Het college legt via de bestuursrapportages afwijkingen van de bij of krachtens dit artikel vastgestelde regels over waardering en afschrijving van activa ter vaststelling aan de raad voor; 13.Als bij een krediet het beschikbaar gestelde bedrag langer dan twee jaar niet (volledig) is benut - vanaf het laatste jaar dat uitgaven zijn gepland - dient het restantkrediet vrij te vallen. Een krediet kan alleen langer open blijven als de noodzaak daartoe voldoende in een nota aan het college of in de bestuursrapportage is onderbouwd en het college hierover positief beslist. Het krediet blijft dan beschikbaar in het volgende begrotingsjaar; 14.Bij het afboeken van boekwaarden grondposities worden tolerantiedrempels gehanteerd waarbij tot afboeking wordt overgegaan indien de afwijking tussen boekwaarde en taxatiewaarde groter is dan: 5% voor boekwaarden tot € 500.000; 3% voor boekwaarden hoger dan € 500.000 met een minimum van € 25.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.