Beleidsregels re-integratie Kerkrade 2018Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. de wet: de Participatiewet, onderscheidenlijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; b. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade; c. de doelgroep: de doelgroep als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, artikel 34 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en artikel 34 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Hoofdstuk2.Voorzieningen Paragraaf1.Algemene bepalingen over voorzieningen Artikel2.Weigeren en beëindigen van voorzieningen 1.Het college weigert een voorziening in het kader van deze beleidsregels in ieder geval, indien: a. de niet-uitkeringsgerechtigde, dan wel diens partner, een inkomen geniet dat minimaal gelijk is aan 150 procent van het netto wettelijk minimumloon; b. de niet-uitkeringsgerechtigde of de Anw-er eerder een voorziening krachtens de Participatiewet dan wel de Wet werk en bijstand verwijtbaar heeft beëindigd; c. de persoon niet langer tot de doelgroep van de Participatiewet, dan wel de Participatieverordening behoort. 2.Het college kan een voorziening beëindigen, indien: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen dienaangaande niet nakomt; b. de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de verordening; c. de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening; d. naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de persoon niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening. Paragraaf2.Voorzieningen Artikel3.Re-integratietraject Het college kan aan personen uit de doelgroep een re-integratietraject aanbieden. Een dergelijk traject kan bestaan uit activiteiten bij de re-integratieketenpartners van het college, uit één of meer voorzieningen als bedoeld in de volgende paragraaf, dan wel uit een combinatie hiervan. Tevoren dient in een plan te worden beschreven welke stappen naar het oordeel van het college dienen te worden gezet. Het plan komt in samenwerking met de belanghebbende tot stand, maar behoeft niet noodzakelijkerwijs diens instemming. Het plan wordt als bijlage bij een beschikking aan de belanghebbende bekendgemaakt. Artikel4.Werkervaringsplaats 1.Het college kan personen uit de doelgroep, een werkervaringsplaats aanbieden. De werkervaringsplaats bestaat uit het werken met behoud van uitkering, gedurende een bepaalde periode. 2.Het doel van de werkervaringsplaats kan bijvoorbeeld zijn het vervullen van een stage, het leren functioneren in een arbeidsrelatie, het opdoen van werkervaring, en is steeds gericht op reguliere uitstroom. 3.De werkervaringsplaats mag maximaal drie maanden worden ingezet, op individuele gronden bij dezelfde werkgever eenmalig te verlengen tot een totaal van maximaal zes maanden. 4.In bijzondere situaties is het toegestaan om nogmaals een werkervaringsplaats aan te bieden bij een andere werkgever, waarbij het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing is. 5.Het college plaatst de persoon alleen, indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en daardoor evenmin verdringing plaatsvindt. 6.In een plan wordt tenminste vastgelegd het doel van de werkervaringsplaats, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 7.In een overeenkomst tussen de werkgever en de persoon, bedoeld in het eerste lid, wordt minimaal vastgelegd dat de werkgever ten behoeve van deze persoon de noodzakelijke verzekeringen afsluit. Artikel5Oriëntatiewerkplek 1.Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep, een oriëntatiewerkplek aanbieden. 2.Het doel van een oriëntatiewerkplek is het aanleren van werknemers- en sociale vaardigheden ter voorbereiding op een werkervaringsplaats of reguliere werkplek. 3.De oriëntatiewerkplek mag maximaal 1 jaar worden ingezet. In uitzonderingssituaties kan het met maximaal 1 jaar worden verlengd. 4.Een oriëntatiewerkplek kan alleen worden ingezet bij een non-profit organisatie en de werkzaamheden dienen additionele werkzaamheden te zijn. 5.Het college plaatst de persoon alleen, indien met zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien met zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 6.Het college draagt er zorg voor dat de oriëntatiewerkplek wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die zowel door het college, de werkgever als de belanghebbende wordt getekend. In deze overeenkomst wordt minimaal vastgelegd dat de werkgever ten behoeve van deze persoon de noodzakelijke verzekeringen afsluit. Artikel6.Sociale activering 1.Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering. 2.Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of vrijwilligerswerk ter voorbereiding op de start van een traject gericht op arbeidsinschakeling of gericht op het voorkomen van een sociaal isolement. Artikel7.Scholing 1.Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan scholing worden aangeboden. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden als dit naar het oordeel van het college de krachten of bekwaamheden van de belanghebbende te boven gaat of niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel8.Persoonlijke ondersteuning 1.Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn, dan wel dat de loonwaarde stijgt. 2.Er worden twee vormen van persoonlijke ondersteuning onderscheiden: a. Jobcoaching: bij deze vorm van ondersteuning gaat het primair om systematische ondersteuning waarbij het van belang is dat de werknemer zonder die ondersteuning zijn werkzaamheden niet kan verrichten. b. Overige ondersteuning: Bij deze vorm van ondersteuning gaat het om kortdurende en in omvang beperkte ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling, waaronder werkplekaanpassing. 3.Voor de inzet van jobcoaching zoals genoemd in lid 2, onder a gelden de volgende voorwaarden: a. Jobcoaching kan alleen worden ingezet als belanghebbende arbeid verricht op een proefplaatsing, werkervaringsplaats of in een dienstbetrekking b. Er dient door de werkgever een plan van aanpak ten aanzien van jobcoaching te worden opgesteld waarin het doel wordt gesteld waartoe de jobcoaching moet leiden. c. Het aantal uren job coaching is maximaal 5% van de arbeidsduur per week. Hiervan kan worden afgeweken wanneer er een advies door een deskundige aan ten grondslag ligt. d. Er wordt een maximum uurtarief gehanteerd welke gelijk is aan het normbedrag zoals gesteld in besluit beleidsregel UWV normbedragen voorzieningen. e. Minimaal 1 keer per jaar wordt geëvalueerd of jobcoaching nog langer noodzakelijk is. De inzet van een jobcoach is maximaal 2 jaar. In specifieke gevallen is het mogelijk jobcoaching na 2 jaar met 1 jaar te verlengen. 4.Voor de inzet van een werkplekaanpassing zoals genoemd in lid 2, onder b geldt dat de noodzakelijkheid dient te worden beoordeeld en vastgesteld door een arbeidsdeskundige. Artikel9.Het persoonsgebonden stimuleringsbudget (PSB) 1.Tot de doelgroep persoonsgebonden stimuleringsbudget (PSB) behoren alle belanghebbenden van 18 jaar of ouder die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt en die een uitkering levensonderhoud ontvangen op grond van de wet. 2.Het persoonsgebonden stimuleringsbudget is een premie die door het college kan worden toegekend aan belanghebbenden die een uitkering ontvangen op grond van de wet. Zij bedraagt maximaal € 1.500 per uitkeringsperiode. 3.Bij een onderbreking van de uitkering voor de duur van zes of minder aaneengesloten maanden, is er geen nieuw recht op het PSB. 4.Voorwaarde voor de toekenning is: a. dat belanghebbende actief aan een traject meewerkt dat gericht is op het stimuleren en realiseren van kansvergroting op uitstroom naar regulier werk. b. dat de meest adequate en goedkoopste voorziening wordt ingezet om het doel onder sub a te bereiken. 5.Door de belanghebbende wordt in overleg met zijn consulent een beknopt voorstel gemaakt over de interventies, die bekostigd zullen worden door middel van inzet van het PSB. 6.Het voorstel, bedoeld in het vorige lid, kan bestaan uit alle denkbare interventies die de kans op uitstroom of de kans op werk vergroten. 7.Deze interventies worden niet limitatief op voorhand vastgesteld. 8.Indien één of meer geaccordeerde interventies om welke reden dan ook niet zijn ingezet (verzilverd) binnen de afgesproken termijn en het geaccordeerde PSB dus niet volledig is besteed, kan er door belanghebbende geen aanspraak, in welke zin dan ook, worden gemaakt op deze niet bestede middelen. Artikel10.Verwervingskosten 1.Het college kan in het kader van de arbeidsinschakeling kosten vergoeden die verband houden met deelname aan een door het college aangeboden voorziening in het kader van de Participatieverordening en die buiten het bereik van de andere voorzieningen liggen, Er dient daarbij sprake te zijn van kosten die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet voor rekening van betrokkene behoeven te komen. 2.Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoedingen bestaat, indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor belanghebbende toereikend en passend te zijn. Hoofdstuk3.Slotbepalingen Artikel11.Budgetplafond Het college kan jaarlijks een budgetplafond vaststellen voor de financiering van de aanspraak op de in deze beleidsregels genoemde voorzieningen. Een dergelijk plafond dient uiterlijk in de eerste maand van het desbetreffende kalenderjaar te worden vastgesteld en gepubliceerd. Artikel12.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel13.Inwerkingtreding 1.Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2018 onder gelijktijdige intrekking van de beleidsregels Premiebeleid Kerkrade 2015 en de beleidsregels Re-integratie Kerkrade
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.