.
Hoofdstuk9.Financiële bepalingen Artikel28.Begrotingsprocedure 1.De vaststelling van de begroting door het Algemeen Bestuur, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Wet geschiedt niet eerder dan 8 weken nadat deze aan de raden en staten van de deelnemers is verzonden in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de Wet zorgt het Dagelijks Bestuur vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient voor de in dat lid bedoelde toezending van de ontwerpbegroting vergezeld van een behoorlijke toelichting. 3.In de begroting wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar verschuldigde bedrag opgenomen. 4.Het Dagelijks Bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met de door Provinciale Staten en de gemeenteraden opgestelde begrotingsrichtlijnen. 5.De ontwerpbegroting wordt door de deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. 6.Provinciale Staten en de gemeenteraden vergaderen niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving over de ontwerpbegroting. Zij kunnen bij het Dagelijks Bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het Dagelijks Bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden. 7.Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het Algemeen Bestuur de begroting aan Provinciale Staten en de gemeenteraden, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8.Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de minister. 9.Bij een actualisatie van de begroting wordt de begroting door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Actualisaties worden ter informatie verstuurd naar de gemeenteraden en Provinciale Staten. 10.Het Algemeen Bestuur stelt vast of er sprake is van een wijziging of actualisering. 11.De leden 1 tot en met 8 zijn, met uitzondering van de daarin genoemde data, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. Artikel29.Jaarrekening 1.De vaststelling van de jaarrekening als bedoeld in artikel 58, derde lid, van de Wet geschiedt vóór 1 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2.Artikel 28 leden 2 en7 van de regeling zijn van overeenkomstige toepassing. 3.Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli aan de minister. 4.Vaststelling van de rekening strekt het Dagelijks Bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. 5.In de rekening wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 6.Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 10 van deze regeling is bepaald enerzijds en hetgeen op basis van de rekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de rekening. Artikel30.Verdeling saldo 1.Een batig saldo van de begroting of jaarrekening wordt toegevoegd aan de Algemene reserve tot een maximum van 5% van de jaarlijkse exploitatielasten of € 500.000 en wel de laagste van deze twee. 2.Voor specifieke doeleinden kan het Algemeen Bestuur besluiten tot het instellen van een bestemmingsreserve. 3.Een uit te keren batig saldo wordt verdeeld naar rato van de stemverhouding. 4.Het Algemeen Bestuur beslist of een nadelig saldo in de jaarrekening: geheel of gedeeltelijk ten laste van bestaande reserves zal worden gebracht; of geheel of gedeeltelijk ten laste van de deelnemers zal worden gebracht naar rato van hun stemverhouding. 5.Het besluit, zoals bedoeld in het vierde lid, sub b, van dit artikel, behoeft 68 stemmen. Hoofdstuk10. Archief Artikel31.Zorg en beheer archief 1.Ten aanzien van de zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer stelt het Algemeen Bestuur een archiefverordening vast. 2.De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van het openbaar lichaam. 3.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het Algemeen Bestuur een archiefbewaarplaats aan. 4.Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg als bedoeld in het eerste lid. Hoofdstuk11.Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing Artikel32.Toetreding 1.De deelnemers zijn bevoegd te beslissen over toetreding van nieuwe deelnemers tot de regeling. Het Algemeen Bestuur wordt in de gelegenheid gesteld hierover zijn zienswijze bekend te maken. 2.De deelnemers regelen de voorwaarden voor toetreding. Artikel33.Uittreding 1.Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer, doch niet eerder dan na vijf jaar na de eerste inwerkingtreding van de regeling. 2.Het besluit tot uittreding wordt niet later genomen dan een jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk met ingang van 1 januari. 3.Uittreding is slechts mogelijk onder de voorwaarde dat tussen het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer voor de resterende financiële verplichtingen van de uittredende deelnemer een vaststellingsovereenkomst wordt gesloten. 4.De vaststellingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid behoeft 68 stemmen. 5.Het Dagelijks Bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen. Artikel34.Wijziging en opheffing 1.De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven. Een besluit hiertoe behoeft 68 stemmen. 2.Deelnemers en het Algemeen Bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de deelnemers in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het Dagelijks Bestuur zendt het voorstel van het Algemeen Bestuur toe aan de deelnemers. 3.Onder wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan een wijziging van inbreng van een deelnemer, tenzij het Dagelijks Bestuur dit als een wijziging bestempelt of als sprake is van een of meer van de volgende situaties: invloed op de continuïteit van de bedrijfsvoering of invloed op het algemene bedrijfsbelang of bij consequenties voor de stemverhouding van meer dan 1 staffel. Het Dagelijks Bestuur stelt voor de situaties als bedoeld in dit artikellid nadere spelregels op, welke ter kennisgeving aan het Algemeen Bestuur worden voorgelegd. 4.Het Dagelijks Bestuur stelt het Algemeen Bestuur in kennis van de situaties die niet als wijziging worden beschouwd als bedoeld in het derde lid. 5.Ingeval van opheffing van de regeling stelt het Algemeen Bestuur vooraf, na overleg met de deelnemers, een liquidatieplan vast waarin in ieder geval wordt aangegeven wat de gevolgen zijn die de beëindiging heeft voor het personeel en de wijze waarop het positieve of negatieve saldo van het openbaar lichaam over de deelnemers wordt verdeeld. 6.Het Dagelijks Bestuur is belast met de vereffening van de financiële verplichtingen. 7.De organen van de regeling blijven in functie totdat de liquidatie is voltooid. Hoofdstuk12.Klachten Artikel35.Klachtenregeling Het Algemeen Bestuur stelt, met inachtneming van hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtenregeling vast. Hoofdstuk13.Slot- en overgangsbepalingen Artikel36.
. Informatievoorziening 1.Het openbaar lichaam zorgt ervoor dat de deelnemers op ieder moment kunnen beschikken over informatie met betrekking tot de in hoofdstuk 2 van deze regeling genoemde taken waarvoor zij het bevoegde bestuursorgaan zijn. 2.Ten aanzien van de taken als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze regeling geldt dat de wijze van benadering en ontsluiting van de op die taken betrekking hebbende informatie door het openbaar lichaam is afgestemd met die van de andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland. Artikel38.Inwerkingtreding 1.De regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2018. 2.Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de in artikel 53 van de Wet bedoelde toezending en publicatie. 3.Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging, of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding. Artikel39.Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel40.
.Citeertitel Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem. TOELICHTING OP DE TWEEDE WIJZIGING VAN DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING OMGEVINGSDIENST REGIO ARNHEM Versie 1 januari 2018 Algemene toelichting De Omgevingsdienst Regio Arnhem is met ingang van 1 april 2013 operationeel geworden. Wetswijziging De Wet gemeenschappelijke regelingen (verder de Wet) is gewijzigd en bij Koninklijk besluit op 1 januari 2015 in werking getreden. In 2015 heeft daarom de eerste wijziging van de in november in werking getreden Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem plaatsgevonden. Fusie Per 1 januari 2018 zijn de gemeenten Rijnwaarden en Zevenaar gefuseerd tot de gemeente Zevenaar. Als gevolg hiervan vindt de tweede wijziging van de Gemeenschappelijke regeling ODRA plaats. De tekst van de Gemeenschappelijke regeling ODRA is daarom hierop aangepast om onduidelijkheid en misverstanden te voorkomen. Stemverhoudingen De gemeentelijke herindeling (fusie) heeft tot gevolg dat de Gemeenschappelijke regeling ODRA is gewijzigd, omdat de gemeente Rijnwaarden en Zevenaar deelnemers zijn van deze regeling. Dit betekent dat er per 1 januari 2018 geen 12, maar 11 deelnemers zijn. Dit heeft gevolgen voor de stemverhoudingen in het Algemeen Bestuur van ODRA, neergelegd in artikel 11 lid
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.