Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Landerd 2018Deze Nadere regels zijn op 6 februari 2018 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en treden in werking op 1 januari 2018. Leeswijzer Deze Nadere regels zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Landerd 2018 (hierna Wmo-verordening 2018) en vormen samen met de genoemde verordening de basis van de wijze waarop de gemeente Landerd de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitvoert. Wanneer in de Nadere regels wordt gesproken over de inwoner wordt daarmee de doelgroep bedoeld waarop de Nadere regels betrekking hebben. Dit kunnen naast inwoners van Landerd en hun mantelzorgers ook, als het om opvang of beschermd wonen gaat, inwoners van andere gemeenten zijn. In de Nadere regels wordt zoveel mogelijk de volgorde van de Wmo-verordening aangehouden en wordt verwezen naar de toepasselijke artikelen van de Wmo-verordening. In hoofdstuk 1 wordt na de inleiding ingegaan op de doelgroep en worden de belangrijkste uitgangspunten voor het voorzieningenaanbod toegelicht. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de toegangsprocedure die de inwoner doorloopt om tot een oplossing van zijn probleem te komen. In hoofdstuk 3 worden de maatwerkvoorzieningen toegelicht. Hoofdstuk 4 geeft informatie over de bijdrage in de kosten. In hoofdstuk 5 staan de kwaliteitseisen beschreven voor het inkopen van ondersteuning met een persoonsgebonden budget. Hoofdstuk 6 gaat in op mantelzorgondersteuning en -waardering en in het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 7, staan de pgb-tarieven en andere bedragen genoemd. Hoofdstuk1Algemene bepalingen 1.1Inleiding Vanaf 1 januari 2015 voorziet de gemeente Landerd binnen het kader van de Wmo 2015 in ambulante ondersteuning, dagbesteding, kortdurend verblijf en beschermd wonen. Deze voorzieningen vormen samen met het aanbod dat voor 1 januari 2015 al bestond, waaronder woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen, huishoudelijke verzorging en opvang, het voorzieningenaanbod van de Wmo. Hiertoe behoren ook de basisvoorzieningen die de welzijnsorganisaties van ONS Welzijn bieden, en aandacht voor mantelzorgondersteuning en cliëntondersteuning. De gemeente Landerd is verantwoordelijk voor het bredere terrein van de zelfredzaamheid en participatie. Zij zoekt daarbij zorgvuldig naar de balans tussen de verantwoordelijkheid van inwoners zelf en de verantwoordelijkheid van de gemeente om hen daarbij te ondersteunen. Inwoners hebben meer dan voorheen de regie over hun eigen leven en dragen ook bij aan het leven van anderen, omdat de gemeente ervan overtuigd is dat de samenleving daar sterker van wordt. Samen met zijn omgeving vormen inwoners de dragende samenleving die het uitgangspunt vormt bij het zoeken naar een oplossing van een ondersteuningsvraag. De eigen kracht en het gebruik van talenten en mogelijkheden om zelf oplossingen te vinden voor problemen is het uitgangspunt en wordt door de gemeente gefaciliteerd en gestimuleerd, bijvoorbeeld door de inzet van basisvoorzieningen in de wijk en het ondersteunen van mantelzorg. Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor de manier waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. De gemeente verwacht dat zij hierbij, waar mogelijk, rekening houden met te verwachten problemen en dat inwoners elkaar, naar vermogen, bijstaan. De nadere regels MO gemeente Landerd 2018 vervangen de Nadere regels MO 2015, de aanvullende nadere regels HV nav uitspraken CrvB , De Wmo Pgb instructie 2015 en de interne handreiking Wmo 2015. 1.2Basis- en maatwerkvoorzieningen Ter ondersteuning daarvan heeft de gemeente een stelsel van basis- en maatwerkvoorzieningen ingericht. Basisvoorzieningen bestaan onder andere uit informatieverstrekking, advies en ondersteuning van inwoners, hun mantelzorgers en van vrijwilligers, om de eigen regie te versterken. Voor inwoners die zich ondanks de aangeboden ondersteuning in de wijk niet kunnen redden of niet kunnen meedoen, biedt de gemeente zogenoemde maatwerkvoorzieningen (zie hiervoor hoofdstuk 3). Er is bijzondere aandacht voor mantelzorgers en voor de inzet van cliëntondersteuning. Om zijn taken als mantelzorger langer vol te kunnen houden kan de mantelzorger gebruik maken van basisvoorzieningen. Om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen kunnen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen aan de inwoner worden verstrekt. Als overbelasting van een mantelzorger dreigt wordt naar de individuele situatie gekeken en samen naar een passende oplossing gezocht. De inwoner kan zich voor en tijdens een onderzoek bij laten staan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Deze cliëntondersteuner heeft als opdracht het belang van de inwoner te behartigen. 1.3Doelgroep en inhoud van de verordening De doelgroep van de Wmo-verordening bestaat uit inwoners van de gemeente met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Ook mantelzorgers kunnen vormen van ondersteuning in aanmerking komen. Zij moeten dan mantelzorger zijn van een inwoner van de gemeente Landerd. In de Wmo-verordening is de verantwoordelijkheid van de gemeente vastgelegd voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. In deze Nadere regels is het kader dat is vastgelegd in de Wmo-verordening 2018 verder uitgewerkt. 1.4Wijze van verstrekking van voorzieningen Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om ondersteuning in natura of om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Bij een verstrekking in natura kan het gaan om goederen, producten of diensten. De gemeente heeft met aanbieders van hulpmiddelen of diensten contracten afgesloten. Om inwoners de mogelijkheid te bieden om zelf de regie te voeren en ondersteuning in te kopen, wordt een pgb geboden als alternatief. Een pgb is mogelijk als de inwoner kan motiveren dat dit gewenst is en duidelijk aan kan geven hoe het pgb bijdraagt aan het oplossen van de ondersteuningsvraag. Hoofdstuk2Procedure melding, onderzoek en aanvraag 2.1Melding van de hulpvraag (artikel 2 Wmo-verordening 2018)Een inwoner met een ondersteuningsvraag op het gebied van zijn zelfredzaamheid of deelname aan het maatschappelijk verkeer, zal op zoek gaan naar een oplossing. In veel gevallen zal hij zelf in staat zijn ondersteuning te organiseren door een beroep te doen op iemand in zijn omgeving of een vrijwilliger. Wanneer hij niet in staat is op eigen kracht een oplossing te organiseren dan kan de inwoner zich melden bij de centrale toegang van de gemeente. De inwoner kan zijn ondersteuningsvraag op verschillende manieren bij de centrale toegang melden. Hij kan dit persoonlijk doen, telefonisch, schriftelijk of per mail. De inwoner kan hierbij een persoonlijk plan aanleveren, waarin hij aangeeft wat hij denkt nodig te hebben om maatschappelijk te kunnen meedoen en zelfredzaam te zijn. De melding mag ook door iemand anders worden gedaan. Bijvoorbeeld door een familielid, een vriend, kennis, wijkverpleegkundige etc. De medewerker die de melding aanneemt zal in eerste instantie informatie en advies geven. Als er daarnaast nog een vraag voor ondersteuning is, wordt de melding geregistreerd en een onderzoek gestart. De inwoner kan zich voor en tijdens het onderzoek laten bijstaan door iemand uit zijn eigen omgeving of een onafhankelijk cliëntondersteuner. Zodra de inwoner een melding heeft gedaan, heeft de gemeente zes weken de tijd om het onderzoek te doen. De onderzoekstermijn kan niet worden verlengd, tenzij de inwoner daarmee instemt. Na deze zes weken kan een inwoner een aanvraag indienen. Of eerder als het onderzoek eerder is afgerond. Er is wettelijk bepaald dat geen aanvraag kan worden gedaan zonder dat er eerst een melding en onderzoek heeft plaatsgevonden, tenzij het gaat om een spoedeisende situatie. 2.1.1Spoedprocedure In spoedeisende gevallen moet de gemeente na de melding onverwijld beslissen tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkelijke (artikel 2.3.3 Wmo 2015). Er is sprake van spoed als de hulpvraag om zorg of ondersteuning binnen 24 tot 48 uur moet worden gehandeld. Er wordt dezelfde dag als dat de spoedmelding is binnengekomen, opdracht gegeven om zorg of ondersteuning te verlenen. Wanneer sprake is van een spoedeisende situatie buiten de kantooruren van de gemeente, kan een huisarts/huisartsenpost opdracht geven aan een zorgaanbieder om zorg of ondersteuning te verlenen. Er wordt maximaal voor de duur van drie maanden een “spoedindicatie” afgegeven. Als langer zorg of ondersteuning nodig is, vindt eerst een gedegen onderzoek plaats. 2.2Cliëntondersteuning (artikel 3 Wmo-verordening 2018)Inwoners hebben recht op onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, wonen, werk en inkomen. Cliëntondersteuning heeft dus niet alleen betrekking op de Wmo. Bij de melding van de hulpvraag wijst de gemeente de inwoner erop dat hij gebruik kan maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. Zo kan de cliëntondersteuner de inwoner in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. Inwoners kunnen zelf een keuze maken wie zij ter ondersteuning willen meenemen bij het gesprek. Dit kan zowel om informele (familie, vrienden, vrijwilligers en ouderenadviseurs) als formele cliëntondersteuning van MEE gaan. 2.3Onderzoek (artikel 4, 6, 7 en 7a Wmo-verordening 2018)Na een melding van een inwoner moet door de gemeente binnen zes weken een onderzoek worden gedaan. Het is van groot belang dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoner (en zijn sociale omgeving) plaatsvindt. Van belang is dat goed in kaart wordt gebracht wat iemands problemen, leefomstandigheden en sociale omgeving (gezin en sociaal netwerk) zijn en wat de mogelijke oplossingen daarvoor zijn. 2.3.1Persoonlijk plan De gemeente wijst de inwoner op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De wet bepaalt dat een persoonlijk plan binnen zeven dagen na de melding bij de gemeente kan worden ingediend. Doordat de inwoner de kans heeft om voorafgaand aan het onderzoek een persoonlijk plan in te leveren, is de gemeente direct bekend met de manier waarop de inwoner de maatschappelijke ondersteuning wil invullen die nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Hiermee komt de regie bij de inwoner te liggen. Dit betekent overigens niet dat wanneer een aanvraag wordt gedaan (volledig) tegemoet gekomen wordt aan de wensen zoals in het plan beschreven. Wel worden de wensen zorgvuldig meegewogen en motiveert de gemeente de reden van het niet (volledig) tegemoetkomen aan de wensen in de beschikking. 2.3.2Vormen van onderzoek Zorgvuldig onderzoek is de basis van het vaststellen van de ondersteuningsvraag. Wanneer een inwoner zich voor het eerst met een vraag bij de gemeente meldt, ligt het voor de hand dat er één of meerdere gesprekken worden gevoerd. In veruit de meeste gevallen vindt het gesprek thuis bij de inwoner plaats. Bij complexere ondersteuningsvragen zal face-to-face contact het uitgangspunt zijn. Ook als diegene die de melding telefonisch in ontvangst neemt de indruk krijgt dat er een complexere ondersteuningsvraag of meervoudige problematiek is, zal verder onderzoek, eventueel ook aan huis, plaatsvinden zo nodig vanuit meerdere disciplines. Bij een inwoner met een eenvoudige ondersteuningsvraag kan dit onderzoek beknopt zijn en kan het gesprek ook telefonisch plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan een verzoek om verlenging van een eerder toegekende voorziening. Als informatie over de inwoner en zijn medische en/of sociale situatie al voor handen is en leidt tot adequate ondersteuning, is het onnodig om hem te belasten met een uitgebreid onderzoek. In overleg met de inwoner kan hier dan van af worden gezien. Als er een persoonlijk plan is aangeleverd door de inwoner zal dit worden betrokken bij het onderzoek. Het onderzoek wordt binnen zes weken afgerond. Mocht omwille van de zorgvuldigheid, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag, de termijn van zes weken niet worden gehaald dan wordt hierover gecommuniceerd met de inwoner en kan deze termijn worden verlengd. 2.3.3Vraagverheldering Allereerst richt het onderzoek zich op het verduidelijken van de inwoner graag wil en waarom, wat goed gaat en wat niet meer lukt. Door vraagverheldering moet duidelijk worden wat de onderliggende reden is dat de inwoner of zijn mantelzorger de vraagt stelt. Zo nodig wordt de inwoner ondersteund bij het duidelijk formuleren van zijn hulpvraag. De vraagverheldering bestaat uit één of meerdere gesprekken. Door het geven van adequate informatie en een passend advies kan in sommige situaties het probleem al eenvoudig worden opgelost. Het resultaat hiervan is een antwoord op zijn hulpvraag waardoor de inwoner geholpen is en verder kan zonder de inzet van een Wmo-voorziening. Als de hulpvraag niet door middel van informatie en advies kan worden opgelost wordt het onderzoek naar een passende oplossing voortgezet. In het onderzoek wordt vervolgens vastgesteld of de vraag onder de reikwijdte van de Wmo valt: is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van de zelfredzaamheid; is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van de participatie; is er behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger. Als duidelijk is dat de ondersteuning onder de reikwijdte van de Wmo valt, is het van belang om samen met de inwoner en/of zijn mantelzorger vast te stellen wat het te behalen resultaat is. Dus: wanneer vindt iemand dat zijn ondersteuningsvraag voldoende is opgelost en is dat een realistisch doel. 2.3.4Oplossingsmogelijkheden Als er overeenstemming is over het te behalen resultaat wordt gekeken naar hoe het resultaat bereikt kan worden. Daarbij wordt eerst gekeken wat iemand zelf kan oplossen, een maatwerkvoorziening wordt alleen ingezet als daar een noodzaak voor is. De hiërarchie in het afwegingskader is in onderstaande opsomming aangegeven en wordt daaronder toegelicht. Eigen kracht Sociaal netwerk Andere wetgeving Basisvoorziening Algemene voorziening Eigen krachtDe Wmo is bedoeld om de eigen kracht te versterken en alle inwoners met of zonder beperking, te stimuleren om hun talenten en mogelijkheden te zien en in te zetten om ondersteuningsvragen op te lossen. Door hier in het vraagverhelderingsgesprek ruimte en aandacht aan te geven, door bijvoorbeeld oplossingsmogelijkheden aan te reiken of samen te zoeken naar een geschikte oplossing, kunnen mensen hun eigen kracht benutten en vergroten. Eigen kracht kan ook betekenen zelf betalen. Soms kan een ondersteuningsvraag worden opgelost met het aanschaffen van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor personen met een beperking, die normaal in de handel verkrijgbaar is, en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare voorzieningen en waarover iemand zonder beperkingen ook zou (hebben kunnen) beschikken. Wat algemeen gebruikelijk is wordt beïnvloed door maatschappelijke ontwikkelingen. Deze zijn aan verandering onderhevig. In de tijd kan een voorziening die eerst niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. Een fiets met trapondersteuning is hier een voorbeeld van. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook jurisprudentie (uitspraken van rechters). Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn een tandem, openbaar vervoer, thermostatische kranen en het lid zijn van een vereniging of club. De gemeente moet wel onderzoeken of er sprake is van een situatie waarbij de algemeen gebruikelijke voorziening, gelet op de specifieke behoeften en persoonskenmerken van de aanvrager, toch verstrekt moet worden. Als een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem, komen, in overeenstemming met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, alleen de aanpassingen voor vergoeding in aanmerking. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, in de reguliere handel beschikbaar is en in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten. Of iets algemeen gebruikelijk is kan per persoon verschillen. Zo is een douchezitje voor een ouder persoon wiens beperkingen gestaag zijn toegenomen algemeen gebruikelijk, maar voor een jongere persoon die als gevolg van een ongeval beperkingen heeft niet. Ook moet het college in dit kader onderzoeken of een handicap al dan niet plotseling is ontstaan en of de voorziening in financiële zin als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Indien de cliënt geholpen is met het aanschaffen van een algemeen gebruikelijke voorziening, treft het college geen maatwerkvoorziening. In de jurisprudentie wordt een algemeen gebruikelijke voorziening omschreven als een voorziening waarvan aannemelijk is dat iemand daarover ook zou hebben beschikt als hij niet gehandicapt was. Voorbeelden van een algemeen gebruikelijke voorziening zijn (niet limitatief): Creëren van een gelijkvloerse douche Douchekop met glijstang Thermosstatische kranen Ventilatiesysteem badkamer Hendelmengkranen Wandbeugels ( inklapbare en/of opklapbare beugels) Toiletstoel Toiletverhoger Sanibroyeur Douchestoel Douchfohntoilet Inductie of keramische kookplaat Verhoogd/verlaagd toilet Douche-föhntoilet Wasdroger Waterbed Airconditioning Centrale verwarming Thermostatische radiatorkranen Meterkast met meerdere groepen zonwering Intercom Hometrainer Mobiele telefoon Elo-fiets Tandem Fiets of tandem met hulpmotor Fiets met trapondersteuning Fiets met lage instap Brommer Autoaanpassingen zoals: Automatische transmissie Neerklapbare achterbank Rechter buitenspiegel Stuurbekrachtiging Trekhaak (Verwarmde) buitenspiegels Elektrisch bedienbare ramen Airconditioning Kosten APK-keuring Elektrische garagedeur opener Door technische of algemene ontwikkelingen wordt de lijst van algemeen gebruikelijke voorzieningen steeds langer. Zo was 20 jaar geleden een thermostatische kraan niet algemeen gebruikelijk, maar inmiddels wel. Sociaal netwerkHet sociaal netwerk verwijst naar de sociale context waarin de inwoner leeft. Het beslaat het gezin, familie, vrienden, de buurt waarin iemand woont, zijn werkomgeving en de sociale groepen waartoe de inwoner behoort. Het netwerk is vaak bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden of voor de inwoner te organiseren. Deze ondersteuning geboden vanuit het sociaal netwerk wordt in sommige gevallen mantelzorg genoemd. Mantelzorg is ondersteuning die mensen langdurig en onbetaald verlenen aan een persoon met beperkingen uit hun directe omgeving. De ondersteuning wordt meestal geboden vanuit de persoonlijke band die mantelzorgers hebben met degene die zij ondersteunen. Om overbelasting te voorkomen wordt vanuit de gemeente ondersteuning geboden aan mantelzorgers. Datgene wat nodig is om de mantelzorger (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Van belang hierbij is de balans tussen draagkracht en draaglast. Binnen het sociaal netwerk kan ook gebruikelijke hulp aan de orde zijn. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is niet vrijblijvend. Het gaat hierbij om de normale dagelijkse zorg, zoals taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, administratie, schoonmaken, bezoek aan familie, instanties of een arts. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze, één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. In beginsel is alle hulp door ouders, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten gebruikelijk als er sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid, dat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Als het gaat om een chronische situatie is de hulp van een volwassene gebruikelijk wanneer die hulp door iemand uit de leefeenheid wordt geboden bij maatschappelijke participatie en het bezoeken van familie, vrienden, huisarts enzovoorts en het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Het leren omgaan van derden met de inwoner met een beperking, chronisch psychische of psychiatrische aandoening is gebruikelijke hulp. Van ouders wordt bijvoorbeeld verwacht dat ze professionals instrueren hoe om te gaan met de beperkingen van hun kind. Er zijn uitzonderingen mogelijk op het uitgangspunt van gebruikelijke hulp, al dan niet tijdelijk. Te denken valt aan situaties waarin: de huisgenoot lang en/of frequent afwezig moet zijn bijvoorbeeld in verband met werk en het zorg voor kinderen betreft; de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en niet in staat kan worden geacht tot het verrichten of aanleren van taken behorende tot gebruikelijke hulp; de huisgenoot overbelast is of dreigt te raken; de hulpvrager een korte levensverwachting heeft. Andere wetgevingWetten als de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De verantwoordelijkheid van de gemeente houdt op als iemand een blijvende behoefte aan permanent toezicht heeft of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig is. De zorg valt dan onder de Wlz, ook als de inwoner zelfstandig woont en ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeeropvang of hulp bij het huishouden nodig heeft. Wanneer de blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in nabijheid voortkomt uit psychiatrische problematiek dan vallen ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeeropvang of hulp bij het huishouden wel onder de Wmo. Dit geldt ook voor: hulpmiddelen, woonruimteaanpassingen en rolstoelen voor Wlz-inwoners die zelfstandig wonen; hulpmiddelen ter verbetering van de mobiliteit voor Wlz-inwoners die in een instelling verblijven zonder behandeling. Inwoners met een laag zorgzwaartepakket (ZZP) die er in 2015 voor gekozen hebben om zelfstandig te blijven wonen, vallen voor al hun ondersteuningsvragen onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Wel blijft deze groep altijd het recht houden op een Wlz indicatie en kan alsnog naar een instelling verhuizen. De gemeente zal als dat noodzakelijk is ondersteuning bieden in zelfredzaamheid en participatie aan inwoners die (nog) geen Wlz-indicatie hebben. Voor ondersteuningsvragen van inwoners jonger dan 18 jaar op het gebied van zelfredzaamheid en participatie is de Jeugdwet voorliggend, met uitzondering van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen. BasisvoorzieningBasisvoorzieningen zijn voorzieningen in de wijken om de dragende samenleving zo goed mogelijk te laten functioneren ter versterking van de eigen kracht en het netwerk van inwoners van de gemeente. Basisvoorzieningen maken mede de onderlinge hulp en ondersteuning van inwoners mogelijk. Basisvoorzieningen zijn toegankelijk voor alle inwoners, zowel inwoners met een ondersteuningsvraag als inwoners die ondersteuning willen en/of kunnen bieden. Basisvoorzieningen waar inwoners in het kader van de Wmo op kunnen rekenen zijn: Informatie en advies Ondersteuning ter versterking van vrijwillige inzet en informele netwerken Ondersteuning ter activering en participatie Ondersteuning voor mantelzorgers Collectieve ondersteuning vanuit maatschappelijke dienstverlening Een basisvoorziening kan een voorliggend en volwaardig alternatief zijn voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, moet worden onderzocht. Wanneer een basisvoorziening naar het oordeel van de gemeente voldoende adequate oplossing biedt, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Voorbeelden van basisvoorzieningen zijn: Algemeen maatschappelijk werk Boodschappendienst Buurtbus Cliëntondersteuning Eetpunten Formulierenbrigade Klussendiensten Maaltijdservice Sociaal-culturele voorzieningen Ook de organisatie voor welzijn in Noordoost Brabant, ONS welzijn, biedt diverse vormen van ondersteuning die vrij toegankelijk zijn. ONS welzijn werkt onder andere vanuit de sociale teams in de buurt en kan praktische hulp en ondersteuning bieden in en om huis. Voorbeelden hiervan zijn: Oppasdienst Bezoekservice Erop-uit-service Tuinonderhoud Thuisadministratie Sociale alarmering Algemene voorzieningEen algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. Een algemene voorziening moet aangeboden worden door een door de gemeente hiervoor aangewezen aanbieder. MaatwerkvoorzieningEen inwoner kan voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als andere oplossingen niet of niet voldoende tot een oplossing leiden. Voor een maatwerkvoorziening is een individuele toekenning nodig en geldt dat een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten wordt gevraagd. In hoofdstuk 3 zijn de maatwerkvoorzieningen opgenomen die door de gemeente worden ingezet ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie en de mantelzorger. 2.3.5Deskundigenadvies Het onderzoek kan aanleiding geven om nader onderzoek te laten doen door een extern adviesorgaan. Het aanvragen van bijvoorbeeld medisch advies, kan onderdeel zijn van een zorgvuldig onderzoek. Er zal samen met de inwoner verder worden uitgezocht welke oplossing het beste past bij de situatie. Zeker als te verwachten is dat een aanvraag om medische redenen wordt afgewezen, wordt de medisch adviseur om een advies gevraagd. De gemeente kan ook om andere redenen om advies vragen, bijvoorbeeld als het gaat om een progressief ziektebeeld of een moeilijk te objectiveerbare aandoening. 2.3.6Verslag onderzoek Van het onderzoek wordt een verslag gemaakt. Het verslag is een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. De gemeente verstrekt de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek aan de inwoner. De inwoner heeft de mogelijkheid om in het verslag opmerkingen en aanvullingen aan te brengen. Deze opmerkingen en aanvullingen vormen integraal onderdeel uit van het verslag. Het opsturen van het verslag kan achterwege worden gelaten als de inwoner ondubbelzinnig en schriftelijk verklaart geen prijs te stellen op het ontvangen van het verslag. 2.4Aanvraag (artikel 8 Wmo-verordening 2018)Op de aanvraag zal in beginsel binnen twee weken een besluit genomen moeten worden. Deze termijn is relatief kort omdat het voorwerk al in het onderzoek als hierboven beschreven is gebeurd. Onder omstandigheden kan het zo zijn dat er nader onderzoek gedaan moet worden naar bijvoorbeeld de specifieke aandoening en daardoor veroorzaakte beperkingen, om de juiste maatwerkvoorziening te bepalen. In dat geval kan de beslistermijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden verlengd. De gemeente schakelt in dat soort gevallen een extern adviesorgaan in. Zodra tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding blijkt dat mogelijk sprake zal zijn van een (aanvraag voor een) maatwerkvoorziening, kan ook in die fase al dit externe adviesorgaan worden ingeschakeld, opdat de afhandelingstermijn zo kort mogelijk is en er geen onnodige bureaucratie ontstaat. Als de inwoner zijn maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wil aanvragen, dan moet hij hiervoor een aantal aanvullende gegevens aanleveren. Hiertoe behoren een motivering voor de wens om een pgb in te zetten en een pgb-plan waaruit blijkt door wie de ondersteuning geleverd zal worden en daarmee hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd. Hij moet zich motiveren waarom zorg in natura niet passend is in zijn situatie. Dit geldt alleen voor de diensten, te weten huishoudelijke verzorging, individuele ondersteuning, gespecialiseerde dagbesteding en kortdurend verblijf. 2.5Beschikking (artikel 9 Wmo-verordening 2018)In de beschikking wordt het recht van de inwoner vastgelegd, evenals daarbij horende voorwaarden en verplichtingen. Als een voorziening voor een bepaalde tijd wordt toegekend wordt dat ook vermeld. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met een persoonsgebonden budget moet worden ingekocht wordt in de beschikking naast de gebruikelijke bepalingen in ieder geval vermeld: Het te bereiken resultaat (waar moet het pgb aan worden besteed); De kwaliteitseisen die gelden voor de besteding van het pgb; De hoogte en de berekening (of verklaring) van het pgb; De wijze van verantwoording van het pgb. In een beschikking voor huishoudelijke verzorging vormt het ondersteuningsplan dat is opgesteld door de aanbieder en de inwoner onderdeel van de beschikking. 2.5.1Klachten- en bezwaarprocedure Tegen de beschikking van de gemeente is, als de inwoner het er niet mee eens is, bezwaar bij de gemeente en beroep bij de rechtbank mogelijk. Dit kan door binnen zes weken na dagtekening van de beschikking een bezwaarschrift in te dienen bij de gemeente van burgemeester en wethouders. Wanneer daar behoefte aan bestaat kan voor hulp bij het maken van bezwaar, gebruik worden gemaakt van cliëntondersteuning. Het maken van bezwaar tegen een beschikking is voor de inwoner veelal een moeizaam proces. Bij het in bezwaar gaan bestaat daarom de mogelijkheid om nog eens samen naar het probleem te kijken in de vorm van een bemiddelingsgesprek voorafgaande aan de formele procedure. Hoofdstuk3Maatwerkvoorziening 3.1Belangrijkste uitgangspunten maatwerkvoorziening (artikel 10 Wmo-verordening 2018)Een maatwerkvoorziening (artikel 1.1.1 Wmo) is op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd: ten behoeve van de zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang. Hieronder worden een aantal uitgangspunten uitgewerkt die een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van een maatwerkvoorziening. 3.1.1Goedkoopst adequaat Met het begrip goedkoopst adequaat wordt bedoeld ‘wat volgens objectieve maatstaven verantwoord en toereikend is’. Hiervan is sprake als een oplossing, mogelijk bestaand uit een combinatie van voorzieningen, de beperkingen die de persoon op een bepaald gebied ondervindt wegneemt, dan wel aanzienlijk vermindert. Hierbij hoeft een oplossing niet aan alle wensen van betrokkene, hoe invoelbaar deze wellicht mogen zijn, tegemoet te komen. In het geval dat meerdere voorzieningen als adequaat kunnen worden aangemerkt, wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. 3.1.2Noodzakelijk Noodzakelijk wil zeggen dat de persoon met beperkingen uitsluitend met behulp van de voorziening in staat blijft zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De voorziening moet om die reden nodig zijn; niet gewenst of gemakkelijk. Deze voorwaarde geldt voor alle maatwerkvoorzieningen. De noodzaak zal meestal een medische noodzaak zijn. De noodzakelijkheid kan zowel leiden tot een kortdurende als een langdurige verstrekking. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen is langdurig noodzakelijk een voorwaarde. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de persoon met beperkingen niet alleen aangewezen moet zijn op een Wmo-voorziening, maar dat dit tevens voor langere tijd geldt. Langdurig noodzakelijk heeft te maken met de aansluiting op het hulpmiddelendepot dat op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) beschikbaar is. Uit dat hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden geleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het middel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op zes maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat de beperking over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal ziek is. Als de levensverwachting bijvoorbeeld vier maanden is, is duidelijk dat het probleem voor betrokkene blijvend is. Er wordt dan uitgegaan van langdurige noodzaak. 3.1.3Voorzienbaarheid Als een inwoner kan voorzien dat er op termijn ondersteuning nodig is, gaat de gemeente ervan uit dat hij hierop anticipeert. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdig zoeken van andere woonruimte of het sparen voor de nodige aanpassingen, maar ook aan het tijdig regelen van tijdelijke hulp na een operatie. Wij gaan ervanuit dat mensen zelf verantwoordelijk zijn als er problemn zijn of komen in de woning bij het ouder worden. Mensen kunnen zelf keuzes maken om te verhuizen naar een geschikte woning of de bestaande woning zelf geschikt maken om er langer in te kunnen blijven wonen. 3.1.4Gericht op de persoon met beperkingen Een maatwerkvoorziening is gericht op de persoon met beperkingen. Hiermee wordt het volgende bedoeld: Er is altijd één individuele aanvrager die de maatwerkvoorziening aanvraagt, c.q. voor wie de maatwerkvoorziening aangevraagd wordt. De maatwerkvoorziening moet voor deze persoon noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo; de maatwerkvoorziening moet op die persoon gericht zijn. Het is mogelijk dat een maatwerkvoorziening gedeeld wordt als twee of meer aanvragers hier individueel voor in aanmerking komen, bijvoorbeeld een traplift. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van de persoon met beperkingen zelf. Medegebruik van maatwerkvoorzieningen is mogelijk. Voorbeelden daarvan zijn: aangepaste auto waarin anderen mee kunnen rijden; automatische deuropener aan de gemeenschappelijke toegangsdeur van een flat waar ook andere bewoners dan de persoon met beperkingen gebruik van maken. In principe worden maatwerkvoorzieningen verstrekt waarvan men zelfstandig gebruik kan maken. Wanneer de persoon met beperkingen de voorziening niet zonder hulp kan gebruiken, maar deze wel de enige adequate oplossing biedt voor het probleem, kan deze bij uitzondering worden toegekend. Bij co-ouderschap, waarbij het kind verdeeld over de tijd bij beide ouders verblijft, wordt in beginsel slechts één voorziening verstrekt. Van ouders wordt verwacht dat zij over roerende voorzieningen onderling afspraken maken. Er zijn ook collectieve voorzieningen. Deze worden individueel verstrekt, maar worden door meerdere personen tegelijk gebruikt. Het collectief vraagafhankelijk vervoer (Regiotaxi) is zo’n collectieve voorziening. 3.1.5Persoonskenmerken, behoeften van de aanvrager en de financiële mogelijkheden Bij het vaststellen van de noodzaak van een maatwerkvoorziening wordt gekeken naar de persoonskenmerken, de behoeften en de financiële mogelijkheden van de inwoner. PersoonskenmerkenRelevante persoonskenmerken kunnen, afhankelijk van de belemmeringen die de inwoner aandraagt, bijvoorbeeld zijn: de leeftijd; de gezondheidssituatie; de zelfstandigheid van de persoon; de mate waarin een persoon in staat is om zelf - eventueel met hulp van zijn huisgenoten en sociaal netwerk - zaken te organiseren. Behoeften van de aanvragerDe behoeften van de inwoner spelen op twee manieren een rol. Allereerst wordt bekeken op welke terreinen hij belemmeringen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Onderzocht wordt wat de inwoner wil met betrekking tot zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en op welke manier hij daarin belemmerd wordt. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre deze wensen redelijk zijn en gecompenseerd moeten en kunnen worden. Voor het compenseren van de belemmeringen wordt gekeken welke oplossingen mogelijk zijn. Hierbij speelt opnieuw de behoefte van de inwoner een rol en ook de achtergrond van de behoefte. Met deze behoeften wordt rekening gehouden, voor zover dat mogelijk is. Uiteindelijk wordt echter voor de goedkoopst adequate oplossing gekozen. Financiële mogelijkheden De financiële mogelijkheden van de inwoner om zelf een oplossing aan te schaffen of te organiseren komen aan bod tijdens het onderzoek. Voor de meeste voorzieningen wordt een bijdrage in de kosten gevraagd. De inwoner wordt in het onderzoek over beide zaken geïnformeerd om een goede afweging te kunnen maken. 3.2Persoonsgebonden budget (artikel 11 Wmo-verordening 2018) 3.2.1Algemeen In de Wmo is het persoonsgebonden budget een gelijkwaardig alternatief voor ondersteuning in natura. Het kiezen van een pgb dient altijd een bewuste en vrijwillige keuze te zijn. Het is belangrijk dat de inwoner wordt geïnformeerd over de mogelijkheid om te kiezen voor een pgb en de gevolgen van die keuze. Wanneer inwoners helder en volledig geïnformeerd worden over wat er komt kijken bij het beheer van het pgb, vergroot dit de kans dat men weloverwogen kiest voor het pgb en hier op adequate wijze mee om kan gaan. Een inwoner die een geïndiceerde maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst, geeft dit gemotiveerd aan en hij stelt een pgb-plan op, tenzij het een aanvraag voor een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel betreft. In die gevallen is geen pgb-plan nodig, en toetst de gemeente de aanvraag en de aanvrager enkel op doelmatigheid, bekwaamheid en motivatie. Voor de aanvraag van een pgb wordt gebruik gemaakt van een door de gemeente opgesteld pgb-plan. De motivatie en bekwaamheid van de aanvrager van een pgb en de doelmatigheid van het zorginhoudelijke voorstel worden getoetst aan de hand van een door de aanvrager ingevuld pgb-plan als onderdeel van het gesprek als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wmo-verordening 2018. Als de aanvrager het budgetbeheer met hulp uit zijn sociaal netwerk of zijn vertegenwoordiger uitvoert, mag deze niet tevens de zorgverlener zijn, tenzij hiervoor door de gemeente toestemming is verleend. De berekening van de hoogte van een pgb is gebaseerd op de tarieven van zorg in natura. Een pgb kan goedkoper zijn dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten kunnen zijn. De pgb-tarieven zijn opgenomen in hoofdstuk 7. Bij de vaststelling van het tarief wordt onderscheid gemaakt tussen dienstverlening via een professionele zorgverlener, een zelfstandige zonder personeel of freelancer en dienstverlening door iemand uit het sociaal netwerk (informele zorg). Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: Onder het tarief voor zorgorganisaties wordt verstaan: het tarief voor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb als de ingekochte ondersteuning wordt geleverd door gekwalificeerd personeel dat in loondienst is bij een erkende zorgorganisatie, waarbij de bij de sector behorende cao nageleefd wordt. In dit tarief is rekening gehouden met de werkgeverslasten die gebruikelijk zijn voor een dergelijke zorginstelling. Onder ZZP-tarief wordt verstaan het tarief voor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb waarbij de ondersteuning wordt geleverd door een persoon die beroepsmatig is gekwalificeerd voor de betreffende ondersteuning, blijkend uit een diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs. En bij de Belastingdienst en Kamer van Koophandel geregistreerd staat als zelfstandige, eenmansbedrijf of freelancer. Ook personen die werkzaam zijn binnen een collectief van zelfstandig werkende professionals vallen hier onder evenals zorgorganisaties die de in de sector van de geldende cao niet naleven. Ook in andere situaties waarbij sprake is van het ontbreken van of minder werkgeverslasten en dus aannemelijke minderkosten hetgeen leidt dit tot een verlaging van het pgb-tarief met 15%. Onder informeel tarief wordt verstaan: het tarief voor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb waarbij de ondersteuning wordt geleverd door een persoon uit het netwerk van de inwoner én/of een niet-professionele hulpverlener. Deze vorm van hulp kan onder de Regeling Dienstverlening aan Huis (RDH) vallen, die van kracht is sinds 1 januari 2007. Via deze regeling is de budgethouder gevrijwaard van het afdragen van loonheffingen, premies, werknemersverzekeringen en heeft daarnaast geen administratieve verplichtingen. Het informeel tarief bedraagt 50% van het instellingstarief met een maximum van € 20,- per uur. 3.2.2Voorzieningen Huishoudelijke verzorgingHet pgb voor huishoudelijke verzorging is afgeleid van het tarief waarvoor de gemeente deze dienst heeft gecontracteerd bij verstrekking in natura (zie hoofdstuk 7 Bedragen). WoonvoorzieningenDe hoogte van het persoonsgebonden budget voor niet bouwkundige woonvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de kostprijs van de voorziening, inclusief onderhoud en reparatie. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen wordt vastgesteld op het bedrag zoals vermeld in de door de gemeente geaccepteerde offerte. Het persoonsgebonden budget dient binnen 15 maanden na toekenning te zijn aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor woningaanpassingen gelden de volgende voorwaarden: met de werkzaamheden waarop de maatwerkvoorziening betrekking heeft, mag geen aanvang worden gemaakt voordat de gemeente positief heeft beslist op de aanvraag; de budgethouder verstrekt inzage in de bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing; aan de gemeente wordt de gelegenheid geboden tot het controleren van de gerealiseerde woningaanpassing. Onmiddellijk na de voltooiing van de aanpassingswerkzaamheden, maar uiterlijk binnen 15 maanden na het besluit tot toekenning, verklaart de inwoner schriftelijk aan de gemeente dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid. De gereedmelding, als bedoeld in het vorige lid, is voorzien van een verklaring van de budgethouder waaruit blijkt dat bij het treffen van de maatwerkvoorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het persoonsgebonden budget is toegekend. De budgethouder aan wie een persoonsgebonden budget is verstrekt voor het realiseren van een woningaanpassing aan de eigen woning is verplicht zorg te dragen voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de getroffen woningaanpassing dekt voor het risico van schade. Desgevraagd wordt na de gereedmelding een afschrift van het (gewijzigde) polisblad en een verklaring door de budgethouder overlegd. Bij berekening van de kosten van een woonruimteaanpassing is het uitrustingsniveau van een sociale huurwoning bepalend. De hoogte van het persoonsgebonden budget in de vorm van een vergoeding voor verhuiskosten wordt vastgesteld aan de hand van door de inwoner in te leveren offertes en op basis van de actuele Nibud Prijzengids. HulpmiddelenDe hoogte van het persoonsgebonden budget is gebaseerd op het bedrag dat de maatwerkvoorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij wordt uitgegaan van de goedkoopste uitvoering en van de vaste categorieprijzen vastgesteld op basis van de tarieven van de gecontracteerde leveranciers (zie Hoofdstuk 7 Bedragen). Hierin zijn ook kortingen verwerkt. Deze korting wordt doorberekend naar het pgb. Het is immers niet de bedoeling dat een pgb meer geld kost dan verstrekking in natura. Overigens zijn er met de genoemde leveranciers afspraken gemaakt dat budgethouders tegen dezelfde prijs en voorwaarden voorzieningen kunnen aanschaffen als de gemeente. Voor maatwerkvoorzieningen waarvoor geen vaste categorieprijzen gelden wordt het pgb vastgesteld op basis van één of meerdere offertes, opgevraagd door de inwoner, en/of door een verkenning dan wel kennis van de markt door de gemeente of op basis van de actuele Nibud Prijzengids. Het pgb wordt zo nodig verhoogd met een bedrag voor het onderhoud, reparaties en eventueel de verzekering van de voorziening. Ook hier geldt als uitgangspunt, dat wordt aangesloten bij de tarieven van gecontracteerde leveranciers en aanbieders in geval de voorziening in natura zou zijn verstrekt. De budgethouder dient bij de aanschaf van een hulpmiddel een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Het persoonsgebonden budget wordt voor een minimale periode toegekend (Bijlage 1 Afschrijvingspercentages hulpmiddelen). Binnen de toegekende verstrekkingsduur kan de budgethouder niet nogmaals in aanmerking komen voor een pgb voor dezelfde maatwerkvoorziening of een dergelijke voorziening in natura. Tenzij vaststaat dat de verstrekte voorziening niet meer passend is. Uitbetaling van het persoonsgebonden budget vindt plaats na het overleggen van een (pro forma) nota waaruit blijkt dat de maatwerkvoorziening is of wordt gekocht conform het gestelde programma van eisen in de toekenningsbeschikking. AutoaanpassingenDe hoogte van het pgb voor aanpassing van de eigen auto wordt vastgesteld op het bedrag zoals vermeld in de door de gemeente geaccepteerde offerte. Taxivervoer of vervoer door derdenUitbetaling van vervoer per taxi of door derden vindt plaats op basis van declaratie. Als de declaratie niet voldoet aan de in de beschikking gestelde verplichtingen en voorwaarden zal deze niet uitbetaald worden. Individuele ondersteuning, gespecialiseerde dagbesteding en kortdurend verblijfDe hoogte van het pgb is afhankelijk van de mate van ondersteuning. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: Het pgb voor individuele ondersteuning, dagbesteding en kortdurend verblijf is afgeleid van de tarieven waarvoor de gemeente deze diensten heeft gecontracteerd bij verstrekking in natura. De vaststelling van een pgb ten aanzien van de individuele ondersteuning en dagbesteding vindt plaats door het bepalen van de vorm van ondersteuning welke noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 Bedragen is een tabel opgenomen met de pgb-tarieven. Beschermd wonenHet pgb voor beschermd wonen wordt vastgesteld aan de hand van een door inwoner aan te leveren offerte van de kosten. De offerte wordt beoordeeld aan de hand van een reeks in de Beleidsregels Beschermd Wonen 2016 vastgestelde criteria. 3.2.3Persoonsgebonden budget voor hulp door sociaal netwerk Het is niet wenselijk om over te gaan tot betaling van hulp die anders zonder betaling door het sociaal netwerk dan wel een mantelzorger geleverd zou worden. Een pgb wordt daarom in principe niet verstrekt wanneer de zorg wordt ingevuld door een persoon die mantelzorg verleent of waarvan verwacht zou kunnen worden deze de hulp als mantelzorger kan verlenen. Er zijn echter ook situaties waarbij het mogelijk is om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te verstrekken voor hulp uit het sociaal netwerk. Voorbeelden kunnen zijn: Als de hulp de gebruikelijke hulp overstijgt en de hulp aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt; Als de hulp aantoonbaar doelmatiger is dan een maatwerkvoorziening in natura voor de betreffende diensten; De hulp mag niet leiden tot overbelasting van degene uit het sociaal netwerk die de hulp verleent. Daarnaast dient altijd een zorgvuldig onderzoek gedaan te worden naar de specifieke individuele situatie voordat een besluit genomen kan worden over het wel of niet verstrekken van een pgb voor hulp door het sociaal netwerk. 3.2.4Uitbetaling van het persoonsgebonden budget De Sociale Verzekeringsbank (SVB) voert namens de gemeente de betalingen ten laste van het verstrekte persoonsgebonden budget, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer, uit. De uitbetaling vindt alleen plaats aan aanbieders dan wel hulpverleners waar de inwoner een zorgovereenkomst mee heeft afgesloten. 3.2.5Geen keuze voor een persoonsgebonden budget In een aantal gevallen is er in beginsel geen keuze voor een persoonsgebonden budget. Er is in aanvulling op artikel 11 van de Wmo-verordening 2018 geen keuze voor een persoonsgebonden budget als: de inwoner zelf niet in staat is of blijkt te zijn een pgb te beheren of zorginhoudelijke afspraken te maken en er ook niemand in zijn omgeving is die dit voor hem kan doen; er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden of er anderszins niet aan de geldende regels en verantwoordelijkheden is gehouden en dit verwijtbaar is; het een toekenning betreft voor collectief vraagafhankelijk vervoer. Hier speelt het verantwoord laten functioneren van het collectief vervoerssysteem een belangrijke rol. De gemeente heeft een zwaarwegend financieel belang om rechthebbenden te laten deelnemen aan deze voorzieningen ten einde ze in stand te houden; als de voorziening zich niet leent voor een persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een progressief ziektebeeld of een kindervoorziening waarbij op voorhand vaststaat dat de voorziening binnen korte tijd vervangen moet worden. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van de gemeente betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief of de kostprijs van de door hen gewenste leverancier of aanbieder hoger is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. 3.3Huishoudelijke verzorging Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden (hierna: huishoudelijke verzorging) is aan de orde als er beperkingen zijn bij het voeren van een gestructureerd huishouden. Dat kan zich uiten door (dreigende) vervuiling van de woning of van kleding doordat de inwoner het huishouden niet meer (voldoende) zelf kan doen, maar ook doordat de inwoner niet in staat is voor zichzelf maaltijden te bereiden of boodschappen te doen. In noodsituaties (bijvoorbeeld plotselinge uitval van de moeder door ziekenhuisopname) kan binnen dit resultaatgebied ondersteuning worden geboden voor de verzorging van minderjarige kinderen. Hulp bij huishouden op onderstaande resultaten wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen die inwoner hierbij ondervindt kunnen voorkomen of oplossen. In de dagelijkse praktijk betekent dit dat, waar dat mogelijk is, inwoner, de leefeenheid of het netwerk de huishoudelijke werkzaamheden (blijven) uitvoeren. Aanvullend hierop wordt ondersteuning bij het huishouden geboden. Van een inwoner wordt medewerking gevraagd om deze ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit betekent dat van de betrokkene mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de wijze waarop de woning is ingericht. Uiteraard mag de inwoner de woning gezellig maken door het plaatsen van snuisterijen of beeldjes. Als de woning hier vol mee staat, belemmert dit de voortgang van de werkzaamheden. Dit kan betekenen dat de inwoner gevraagd wordt voor de komst van de hulp de spulletjes alvast van het dressoir of de tafel te halen en later weer terug te plaatsen. Of dat er wat spullen worden opgeruimd. Inwoner kan ervoor kiezen dit niet te doen, maar dat kan effect hebben op de wijze waarop bijvoorbeeld wordt gestoft. 3.3.1Inhoud resultaatgebied Het gaat bij huishoudelijke verzorging om de volgende resultaten: het huis is schoon en leefbaar; de inwoner beschikt over schone en draagbare kleding; de inwoner beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden; er wordt thuis gezorgd voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren; er is sprake van regie over het doen van het huishouden. Binnen de resultaten onderscheiden we diverse aandachtsgebieden waarop de huishoudelijke verzorging gericht kan zijn. Per individuele situatie wordt bekeken bij welke huishoudelijke taken ondersteuning nodig is en op welke wijze wordt bijgedragen aan het voeren van een gestructureerd huishouden. Het huis is schoon en leefbaarZwaar huishoudelijk werk; stofzuigen, ramen wassen (binnenzijde), reinigen van vloeren, keuken en sanitair, bed(den) verschonen en opruimen huishoudelijk afval. Licht huishoudelijk werk; afstoffen, afwassen (als er geen maaltijdbereiding is geïndiceerd), opruimen en bed opmaken. De inwoner beschikt over schone en draagbare kledingDe was doen; sorteren en wassen van de kleding en linnengoed, het drogen in de wasdroger, opvouwen en opbergen. Strijken van bovenkleding. De inwoner beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijdenHet beschikken over de noodzakelijke producten voor levensonderhoud, het schoonhouden van de woning en de persoonlijke verzorging (boodschappen doen); samenstellen boodschappenlijst, inkopen en opruimen van de boodschappen. Broodmaaltijd bereiden en warme maaltijd bereiden; bereiden van de maaltijd, dekken en afruimen van de tafel, koffie en thee zetten, afwassen of een maaltijd opwarmen. Er wordt thuis gezorgd voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behorenAnderen helpen bij de zelfverzorging en de maaltijden; uit bed halen/naar bed brengen, wassen, douchen, aankleden en eten en drinken. Bij baby’s omvat het ook het verschonen van luiers en het voeden. Er is sprake van regie over het doen van het huishoudenDagelijkse organisatie van het huishouden; ondersteuning bij de organisatie van de huishoudelijke activiteiten en het plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden, alsook het verkrijgen van structuur hierbij. Advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden; instructie/aanleren hoe eb wanneer je huishoudelijke activiteiten uitvoert, instructie/aanleren om de huishoudelijke activiteiten te plannen, instructie/aanleren de middelen te beheren in relatie tot de huishoudelijke activiteiten. 3.3.2Frequentie uitvoering ondersteuning Het aangeven van een vaste, objectieve frequentie voor de uit te voeren werkzaamheden is niet mogelijk. Enerzijds is er geen vaste objectieve norm voor de frequentie waarmee bijvoorbeeld een huis schoongemaakt moet worden, hooguit van een indicatieve norm. Anderzijds is de frequentie ook sterk afhankelijk van de individuele omstandigheden van de inwoner. Met andere woorden: ten aanzien van de frequentie van de ondersteuning is maatwerk en flexibiliteit noodzakelijk. De frequentie is bijvoorbeeld afhankelijk van: wat een inwoner of zijn netwerk zelf nog kan of geleerd kan worden; wat de aard van de beperkingen van de inwoner is; of er verzwarende omstandigheden zijn bij de persoon (bijvoorbeeld dementie, psychische problemen, bedlegerigheid); in hoeverre er sprake is van algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen waar de inwoner gebruik van kan maken; wat de grootte van het huishouden is; En kan wijzigen of variëren, bijvoorbeeld door: veranderingen in omstandigheden die betrekking hebben op de belastbaarheid binnen het gezin; huishoudelijke werkzaamheden die incidenteel (bijvoorbeeld tweejaarlijks) worden gedaan naast de reguliere wekelijkse of tweewekelijkse werkzaamheden. De frequenties die bij elk resultaatgebied staan beschreven, zijn daarom richtlijnen, maar per inwoner zal bekeken moeten worden of hiervan afgeweken moet of kan worden. Daarbij kan de zorgaanbieder ook de efficiëntie van de inrichting van de ondersteuning betrekken. 3.3.3Uitwerking resultaatgebied Schoon en leefbaar huis Kern van het te bereiken resultaatEen schoon en leefbaar huis wil zeggen dat een inwoner kan beschikken over een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Dat wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat deze vertrekken niet vervuilen en met het oog daarop periodiek schoongemaakt worden om zo een naar algemeen aanvaarde maatstaven verantwoord basisniveau van ‘schoon en hygiënisch’ te realiseren. Hiermee wordt het te behalen eindresultaat in afdoende mate kwalitatief genormeerd geacht. Voor een bij de frequentie van de werkzaamheden in acht te nemen kwantitatieve normering wordt verwezen naar het hierop volgende onderdeel Frequentie van de werkzaamheden. Het gaat bij dit resultaatgebied overigens alleen om de binnenruimte van de woning. De buitenruimte, waaronder ook het zemen van de ramen aan de buitenzijde of het tuinonderhoud, valt niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied. Werkzaamheden in huis die niet noodzakelijk zijn om de ruimtes waarin geleefd wordt schoon en hygiënisch te houden, zoals het in de was zetten van vloeren en meubilair, het schoonmaken van vliering of berging of het poetsen van zilver, vallen niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied. Niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied behoren: de verzorging van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren); het schoonhouden van ruimtes die hierboven niet zijn genoemd, zoals een vliering of garage of andere ruimten die niet als leefruimte in gebruik zijn. Frequentie van de werkzaamhedenDe werkzaamheden kunnen worden onderscheiden in activiteiten die wekelijks/tweewekelijks of met een lagere frequentie (bijvoorbeeld maandelijks, 1x per kwartaal of jaar) hoeven te worden gedaan. Activiteiten die wekelijks of tweewekelijks moeten worden gedaan: het schoonmaken van de keuken (aanrecht, gootsteen, kookplaat, vloer), badkamer en toilet(ten); het stoffen, opruimen, stofzuigen en eventueel reinigen van de gang, eventuele trap naar de slaapetage, woonkamer en als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes; het verschonen van de bedden. Activiteiten die met een lagere frequentie worden gedaan: het schoonmaken van de keukenkastjes (incl. bovenkant en binnenzijde), oven, afzuigkap en de koelkast/vriezer; het afnemen van lamellen, radiatoren en deuren/deurposten; het afnemen van tegelwanden in badkamer en toilet; het zemen van de ramen aan de binnenzijde. Aspecten die bij dit resultaatgebied en de frequentie van werkzaamheden een rol spelenSamen met de inwoner wordt bekeken of deze nog in staat is om onderdelen van het schoonmaken zelf uit te voeren, zoals het uitvoeren van lichte werkzaamheden (bijvoorbeeld stoffen, afwassen, met vochtige reinigingsdoekjes schoonmaken van het toilet of met statische stofdoeken reinigen van harde vloerbedekking). Daarbij kan ook een rol spelen of inwoner dat bijvoorbeeld alleen op lichaamshoogte kan doen, of ook laag of hoog. Ook wordt gekeken of aanpassing van de inrichting/stoffering kan bijdragen aan het makkelijker schoonhouden van de woning. Hierbij worden de (financiële) mogelijkheden en individuele situatie van de inwoner meegewogen. Van de inwoner wordt binnen zijn mogelijkheden gevraagd om werkzaamheden te (blijven) uitvoeren en in ieder geval de woning op te ruimen, zodat het schoonmaken efficiënter gebeurt. Als inwoner regie kan voeren over het huishouden, mag van hem/haar tevens worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en er keuzes worden gemaakt. Bij de frequentie van werkzaamheden kunnen, naast bovengenoemde zaken, ook bijvoorbeeld een rol spelen: of inwoner COPD of allergieën heeft waardoor een hoger niveau van hygiëne nodig is; de gezinssamenstelling, waaronder de aanwezigheid van jonge kinderen; of inwoner bedlegerig is waardoor het bed eventueel vaker verschoond moet worden, maar andere werkzaamheden eventueel minder frequent kunnen gebeuren. De aanbieder die de (aanvullende) ondersteuning op dit resultaatgebied levert, kan de uitvoering van de werkzaamheden laten plaatsvinden door een professionele hulp en/of deze op andere wijze organiseren. Voorbeelden van dit laatste zijn onder andere inzet van een glazenwasservice of (tussentijds) gebruik van een robotstofzuiger. 3.3.4Uitwerking resultaatgebied Schone en draagbare kleding Kern van het te bereiken resultaatDit resultaatgebied omvat twee resultaten: inwoner beschikt over gewassen kleding en beddengoed; inwoner beschikt over gestreken bovenkleding. Onder a wordt verstaan: het wassen van de kleding; het drogen van de was; het opvouwen van de was; het in de kast opbergen van de was. Onderdeel b omvat het strijken van de bovenkleding. Voor het strijken van onderkleding of het bedden- en linnengoed is geen ondersteuning mogelijk. Frequentie van de werkzaamhedenDe frequentie van de werkzaamheden is afhankelijk van diverse factoren: de grootte van het huishouden; is er sprake van bedlegerigheid; is er sprake van extra vervuiling als gevolg van de beperkingen van de inwoner, zoals incontinentie. Leidend is de hoeveelheid was die de inwoner normaal gesproken heeft. Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van werkzaamheden een rol spelenEen professionele ondersteuner kan ervoor kiezen de was bij de inwoner thuis te doen of deze te laten doen bij een wasservice. De kosten van de wasmiddelen en de aanschaf en het gebruik van de apparatuur voor was en strijk komen voor rekening van de inwoner. Niet altijd hoeft voor alle onderdelen (volledig) ondersteuning geboden te worden. Aangenomen wordt dat in elk huishouden een wasdroger aanwezig is waardoor het ophangen en afhalen van de was niet of nauwelijks noodzakelijk is. Mocht er geen wasdroger aanwezig zijn en de financiële situatie leent zich er niet voor een aan te schaffen, dan kan het ophangen en afhalen van de was onderdeel zijn van de ondersteuning. Soms is het mogelijk dat inwoner door de werkzaamheden anders te organiseren deze (gedeeltelijk) zelf kan blijven doen. Bijvoorbeeld door de wasmachine of droger op een verhoging te plaatsen of de was zittend op te vouwen of te strijken. Van de inwoner wordt verwacht dat deze bij aanschaf van kleding zoveel mogelijk erop let dat het strijken hiervan niet noodzakelijk is. Ook wordt verwacht dat inwoner vermijdt dat kleding via speciale wasprogramma’s of handwas moet worden gewassen. Ook wordt verwacht dat hij voldoende kleding en ondergoed heeft, zodat er bijvoorbeeld één keer per twee weken in plaats van één keer per week een volle trommel gewassen kan worden. 3.3.5Uitwerking resultaatgebied Primaire levensbehoeften en maaltijden Kern het te bereiken resultaatHet gaat hierbij om twee resultaten: het beschikken over de noodzakelijke producten voor levensonderhoud, het schoonhouden van de woning en zijn persoonlijke verzorging; het verzorgen van maaltijden. Het verzorgen van maaltijden kan gericht zijn op: het verzorgen van een warme maaltijd; het opwarmen van een maaltijd; het verzorgen van een broodmaaltijd. FrequentieUitgangspunt is het wekelijks in huis halen van de boodschappen. Bij het verzorgen van de maaltijd wordt uitgegaan van 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd per dag, waarbij 1 of 2 keer per week ook in plaats van een warme maaltijd een broodmaaltijd aan de orde kan zijn. Er wordt alleen ondersteuning geboden voor het aantal dagen waarop (aanvullend) ondersteuning nodig is bij het verzorgen of opwarmen van de maaltijd. Het maximum is zeven dagen per week. Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van werkzaamheden een rol spelenAls inwoner in staat wordt geacht om gebruik te maken van een boodschappenservice die de boodschappen thuisbezorgt, is een indicatie voor dit doel niet aan de orde. Het opbergen van de boodschappen behoort ook binnen dit resultaatgebied. Voor de maaltijden is van belang of inwoner in staat is gebruik te maken van een maaltijdservice of “open tafels” in de wijk. Als dit het geval is, dan wordt hiermee rekening gehouden bij de indicatie. Een dergelijke maaltijdservice geldt niet als voorliggende voorziening als er sprake is van minderjarige kinderen in het gezin. Als een inwoner ondersteuning krijgt bij de verzorging van de warme maaltijd dan hoeft er niet iedere dag gekookt te worden. Koken voor 2 dagen is mogelijk. Ook kan een broodmaaltijd alvast klaargemaakt en klaargezet worden gelijktijdig met het bereiden van een andere maaltijd of het uitvoeren van andere ondersteuning. 3.3.6Uitwerking resultaat Zorg voor minderjarige kinderen Kern van het resultaatHet bij onverwachte noodsituaties in het gezin tijdelijk ondersteunen bij de zorg van kinderen tot 9 jaar. Het gaat om het ondersteunen van de kinderen bij het naar bed brengen/uit bed halen, wassen, douchen, aankleden en eten. Bij baby’s omvat het ook het verschonen van luiers en het voeden. Het bieden van opvang aan of oppas voor de kinderen valt niet onder dit resultaat. FrequentieDe zorg voor kinderen dient dagelijks plaats te vinden. De feitelijke frequentie is afhankelijk van de beschikbaarheid van netwerk, voorliggende voorzieningen etc. De indicatie wordt in principe afgegeven voor een maximale duur van drie maanden zodat ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.